Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
457. Het korte abbatiaat van prelaat Arnold van Vessem (1607-1608) van de Abdij van Berne
 

Titel:   

Het korte abbatiaat van prelaat Arnold van Vessem (1607-1608) van de Abdij van Berne

Ondertitel:   

Auteur:   

G.M. van der Velden O.Praem.*

Jaargang:   

XVI (1998) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

3

Pagina’ s:   

71-81


Het korte bestuur van Arnold van Vessem als abt van de Abdij van Berne kan in de vaderlandse geschiedenis het best gesitueerd worden door te wijzen op het feit dat het valt in de twee laatste jaren die voorafgingen aan het Twaalfjarig Bestand tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Van Vessem heeft de oorlogsjaren meegemaakt, waarin men zonder vrijgeleide niet veilig kon reizen. Hij heeft de tijd gekend, dat Den Bosch een sterk calvinistische stad was geworden, en door het optreden van Parma, die in 1585 het Spaanse gezag ook in 's-Hertogenbosch had hersteld, tot het belijden en het beleven van de Rooms-Katholieke godsdienst was teruggekeerd.(1)

De kloosters konden er weer met succes functioneren. Korte tijd na zijn dood kwamen de jezuïeten vanaf 1609 hun zegenrijke werk in de stad, vooral onder de studerende jeugd, verrichten.(2) Gezien zijn nagelaten geschriften, moet Arnold een gedegen opleiding hebben gehad in middeleeuwse trant met rijke kennis van de H. Schrift, maar met gebruik van de weer in trek gekomen klassieke Latijnse taal. Waar hij zijn kennis opdeed is niet bekend. Hij staat niet vermeld onder hen die in Leuven universitaire studies hebben gemaakt. In zijn dagen waren rechtstreekse contacten met de abt-generaal van zijn orde, François de Longpré, onmogelijk. De Belgische abdijen en ook de Abdij van Berne hadden voor ordeszaken te maken met Joannes Drusius, abt van de abdij 't Park bij Leuven, die als vicarius-generalis de in Prémontré residerende abt-generaal vertegenwoordigde. Met hem heeft Arnold in correspondentie gestaan. Dat geschiedde in het Latijn, waarbij hij zijn ervarenheid in die taal met graagte demonstreerde. 

Verder waren er goede contacten met Rumoldus Colibrant, overste van het van de abdij van Floreffe afhankelijk huis te Postel, dat in 1621 tot zelfstandige abdij werd verheven. Ook met Tongerlo waren de betrekkingen prima. De abt van Tongerlo, Nicolaas Mutsaerts, was bij de abtsverkiezing aanwezig. Gijsbertus Masius, de vierde bisschop van Den Bosch, was tijdgenoot van Arnold van Vessem. Ze kenden elkaar goed. Ook met de geleerde deken van het Sint-Janskapittel, Gijsbertus Coeverincx, stond de abt in vriendschappelijke relatie. Omdat het refugiehuis van de Abdij van Berne, waarin de abt woonde, in de nabijheid van het klooster en de kloosterkerk van de kruisheren stond, was Van Vessem, evenals zijn voorganger, er kind aan huis. Paulus Nicolai van Balen was daar toen prior. Arnold van Vessem was lid van de Bossche Illustre Broederschap van O.L. Vrouw; wat overigens niet veel voorstelde.

Arnold van Vessem en zijn familie

Arnold van Vessem is geboren te Tilburg in het jaar 1548. Zijn vader heette Marcelius. Deze is gestorven op 18 augustus 1574. De naam van zijn moeder kennen we niet. Zij is drie jaar eerder dan haar man gestorven op 18 november 1571.(3) Zijn grootvader van vaderszijde heette Arnoldus; hij stierf 24 november 1557. We mogen aannemen dat abt Arnold van Vessem naar hem is genoemd. We kennen een tweede Arnoldus van Vessem. Hij was pastoor in Klein-Zundert en werd daar in 1557 vermoord, dus in hetzelfde jaar als zijn naamgenoot. Hij was ingekleed in de abdij van Tongerlo op 23 juni 1520.(4) Er was nog een Van Vessem, die ook pastoor is geweest in Klein-Zundert. Zijn voornaam was Joannes Marcelii, een broer van abt Arnold. Hij is gestorven 4 april 1606. Deze broer is eveneens ingetreden in de abdij van Tongerlo op 8 december 1563. Arnold daarentegen werd norbertijn van Berne. Onder prelaat Dirk Spierinck van Well (1552-1584) is deze als novice aangenomen. De inkleding geschiedde op 9 november 1564. Hij was toen slechts 16 jaar oud. Volgens zijn eigen aantekening zou hij reeds negen dagen later zijn professie hebben gedaan. Dit is hoogst onwaarschijnlijk; hier moet een vergissing in het spel zijn. In 1569 ontving hij de priesterwijding. Zijn eerste plechtige H. Mis heeft hij op 29 juni 1569 opgedragen. Onder abt Adrianus van Veen (1584-1606) werd hij tot pastoor van Heeswijk benoemd. Dit geschiedde in 1587. 



De Sint-Cathrien te ’s-Hertogenbosch met restant van het 
kruisherenklooster uit 1619 (Foto auteur).

Toen abt Adrianus van Veen sukkelig begon te worden en het bestuur van zijn abdij niet goed meer aankon, riep hij Arnoldus van Vessem uit Heeswijk bij zich in Den Bosch terug, om de administratie van de abdij op zich te nemen. Die benoeming tot administrator geschiedde 22 september 1606.(5) Hieromtrent weten we meer uit het verslag van de abtsverkiezing van 15 januari 1607. Toen kwam de senior van de Abdij van Berne, Bartholomeus van der Stappen, die de functie van provisor vervulde, voor de dag met twee zogenaamde instrumenten of oorkonden. Vooreerst met een door de overleden abt ondertekend smeekschrift en gedateerd op 19 juli 1606, waarin hij aan 'Serenissima sua Celsitudo' vroeg, om Arnoldus van Vessem als coadjutor te krijgen. In het andere door abt Adriaan ondertekende en verzegelde stuk benoemde hij Arnold van Vessem tot administrator van de abdij. Prelaat Adriaan van Veen stierf op 19 december 1606. Arnoldus van Vessem werd zijn opvolger, die slechts anderhalf jaar het bestuur van de Abdij van Berne in handen heeft gehad; want hij stierf reeds op 24 augustus 1608. Hij was toen 59 jaar oud en werd evenals zijn voorganger begraven in de kerk van de kruisbroeders, de Sint-Cathrien, te 's-Hertogenbosch.(6)


De leden van het convent
Bij de verkiezing van Arnold van Vessem telde het convent negen stemgerechtigde leden. Vooreerst Bartholomeus Balduini van der Stappen, de senior. Hij was toen 67 jaar oud en vervulde de functie van proost of provisor. Hij kende Berne goed, want hij was geboren in Herpt. Hij had het echte en normale kloosterleven in Berne nog volop beleefd. Reeds toen vervulde hij de taak van econoom. Evenals prelaat Spierinck van Well had hij meegemaakt dat de geuzen van Lumey in de maand juli van het jaar 1572 het klooster binnenvielen en alles vernielden. Bartholomeus had tot vijfmaal toe de strop om de hals gekregen, om geld van hem los te krijgen.(7) Men had hem vrij gekregen door de betaling van twaalfhonderd gulden. Toen de woeste indringers weggetrokken waren, bleef hij onverschrokken als enige in Berne achter, om verdere plundering te voorkomen en met de hulp van knechten de bij de abdij gelegen landerijen te blijven bewerken. Ook toen de abdijgebouwen in 1579 grotendeels moedwillig door brand verwoest waren, is hij naast zijn werk als econoom ook nog de functie van proost van de proosdij Maarsbergen,(8) in de zuidoosthoek van de tegenwoordige provincie Utrecht gelegen. Bartholomeus van der Stappen heeft het korte abbatiaat van Arnold van Vessem nog volledig meegemaakt, maar stierf kort daarna op 5 oktober 1609. 

Na hem komt als lid van de abdij de een jaar jongere Josephus Cocx. Hij was geboren in Erp. Tijdens het abbatiaat van Arnold van Vessem was hij pastoor van Engelen. 
De derde stemgerechtigde was Arnold van Vessem. Hij was toen 58 jaar oud en pastoor te Heeswijk. Ook hij had het geregelde kloosterleven in Berne nog meegemaakt, wat een van de voornaamste redenen werd, waarom hij als abt werd gekozen. 
De volgenden zijn allen tot de abdij toegetreden, toen het convent in ballingschap vertoefde, eerst in 's-Hertogenbosch, daarna tijdelijk in Maarsbergen en daarna weer in Den Bosch. 
Als eerste van die jongeren moet worden genoemd Stephanus Gosuini Guens, geboren in Balen nabij Mol in België. Hij was bij de verkiezing 40 jaar en werd op11 mei 1607 tot pastoor van Vlijmen benoemd. Vóór deze aanstelling tot pastoor was hij magister van de junioren geweest en daarna superior. Als pastoor van Vlijmen trof hij daar een lastig en tot ketterij geneigd volk aan. Hij heeft het grotendeels in het gareel weten te houden en voor het katholieke geloof te behouden of terug te roepen. 



De gearceerde gebouwen zijn de Sint-Cathrien of Kruiskerk links en op de hoek van de 
Sint-Jorisstraat en de Keizerstraat rechts de Sint-Joriskapel en daarnaast het refugiehuis van 
Berne (Coll. auteur).

Dan volgde de 39-jarige Johannes Vercuylen, een Heeswijkenaar van geboorte. Hij was op de dag van de verkiezing nog pastoor van Bokhoven. Naast deze functie stond hij bovendien de katholieken in Holland en Gelderland, soms met levensgevaar, in het geheim bij. De Heer van Bokhoven, Engelbert I van Immerseel, prees zijn ijver voor het behoud van het ware geloof bij zijn Bokhovense parochianen, die in grote onwetendheid omtrent hun geloof leefden. Ook hij was vóór zijn benoeming tot pastoor "institutor juvenum" of juniorenmeester geweest. 
Als zesde lid van het convent komt Petrus Jacobi van den Molenhoff. Hij was afkomstig uit Deurne. Hij was 40 jaar oud toen de verkiezing plaatshad en pastoor van Berlicum. 
Johannes Reineri Moors, die toen nog maar 25 jaar was, volgde. Hij wordt meestal als Heeswijkenaar aangeduid, omdat hij daar was opgegroeid, maar hij was in Schijndel geboren. Bij de verkiezing was hij "preses domus" dus zoveel als overste van de bijeenwonende jongeren. 
Als achtste staat vermeld de 28-jarige Henricus van Grinsven, geboren in Den Dungen. Hij was in 1607 pastoor van Hedikhuizen, en had zijn vorming tot kloosterling gekregen van Johannes Vercuylen. Hij had hoge achting voor hem. Hij wist dat Vercuylen voorstander was van het aannemen van meer novicen, waartoe abt Adrianus van Veen minder geneigd was. 

Als laatste in de rij moet worden genoemd Nicolaus Havens. Evenals de voorgaande was hij 28 jaar oud. Hij was geboren in Oisterwijk. In 1607 werd hij pastoor van Vlijmen als opvolger van Stephanus Guens, die pastoor werd van Heeswijk, waar een vacature ontstond door de benoeming van Arnold van Vessem tot abt. 
Behalve de bovenstaande stemgerechtigden telde de abdij nog novicen. Jan Moors was immers "preses domus" en "institutor juvenum". Tot die jongeren zullen hebben behoord: Paulus van den Dael, die in 1608 zich door professie aan de abdij verbond, Rodolphus Zeegers, die op 29 november 1608 pastoor van Oudheusden werd en dus onder Van Vessem lid van de abdij moet zijn geweest, Ghisbertus Petri Distelbergh, die later pastoor in Anholt (D.), en Theodericus van der Meer, die in 1613 pastoor in Bokhoven zou worden.

De verkiezing en benoeming van Arnold van Vessem tot abt van Berne

Na de dood van prelaat Adrianus van Veen op 19 december 1606 stond men voor de verkiezing en benoeming van een nieuwe abt voor de nog steeds in ballingschap vertoevende Abdij van Berne. Zoals bekend had koning Philips III hierin een beslissende rol. Hij liet zijn bemoeienis hiermee over aan Albrecht van Oostenrijk, gehuwd met Isabella, de dochter van Philips II, die namens hem het regime in de Zuidelijke Nederlanden voerde. Zodra hij van de dood van Adriaan van Veen op de hoogte was gesteld, heeft hij op 4 januari 1607 vanuit Brussel een schrijven gericht aan Gisbertus Masius, bisschop van 's-Hertogenbosch, aan Nicolaas Mutsaerts, abt van de abdij van Tongerlo, en aan magister David Everswijn, consul of eerste schepen van de stad Den Bosch. Daarin gaf hij hun de opdracht, zo spoedig mogelijk over te gaan tot het opnemen van de stemmen van de stemgerechtigde leden van de verweesde Abdij van Berne, om te weten te komen, aan wie zij als eerste en als tweede de voorkeur gaven om hun nieuwe abt te worden. De drie genoemde commissarissen zijn op 15 januari naar het huis gegaan waar de abten, sinds zij uit Berne waren verdreven, hun intrek hadden genomen, hun refugiehuis namelijk in de Sint-Jorisstraat met de Sint-Joriskapel in Den Bosch. Alle stemgerechtigden waren daarheen samengeroepen. 



Bisschop Gisbertus Masius met zijn wapen en wapenspreuk 
‘Omnia Mors Aequat’, kopergravure 17e eeuw (Coll. auteur).

Nadat bisschop Gisbertus Masius de H. Mis van de H. Geest had opgedragen en een opwekkende en inleidende toespraak had gehouden, is men onmiddellijk tot het opnemen van de stemmen overgegaan. Er waren, zoals we reeds zagen, negen stemgerechtigde leden: Barholomeus van der Stappen, Josephus Cocx, Arnoldus van Vessem, Stephanus Guens, Johannes Vercuylen, Petrus van den Molenhoff, Johannes Moors, Henricus Grinsven en Nicolaus Havens. Behalve Bartholomeus van der Stappen, die provisor was, en Jan Moors, die magister van de jongeren was, hadden de zeven anderen een benoeming als pastoor. Zij woonden dus verspreid over hun respectieve parochies. Alleen de drie oudsten, Bartholomeus, Josephus en Arnoldus hadden het normale kloosterleven in Berne meegemaakt. De anderen waren in een gewoon burgerhuis opgeleid en wisten niets van de kloostergebruiken. De uitslag van de uitgebrachte stemmen was als volgt: drie personen kozen Arnold van Vessem als eerste kandidaat. Johannes Vercuylen werd door vier stemgerechtigden als eerste aangewezen. Stephanus Guens kreeg een eerste stem evenals Bartholomeus van der Stappen. Hij had de stem gekregen van Arnoldus van Vessem. 

Wat hun tweede keuze aangaat: Bartholomeus en Josephus wezen geen tweede kandidaat aan, omdat naar hun mening niemand anders dan Arnoldus van Vessem in aanmerking kwam om abt te worden. Stephanus Guens kreeg drie tweede stemmen, Jan Moors twee, Johannes Vercuylen en Petrus van den Molenhoff kregen ieder een tweede stem. Johannes Vercuylen kreeg zodoende de meeste stemmen: vier eerste en een tweede. Reeds de volgende dag hebben de drie commissarissen verslag uitgebracht van de verkiezing aan de "Serenissime Princeps", zoals hun schrijven begint. Daarbij sloten zij een overzicht in van de goederen waarover de Abdij van Berne beschikte. Ofschoon Johannes Vercuylen de meeste stemmen had gekregen, meenden zij toch Arnoldus van Vessem als de meest geschikte kandidaat te moeten aanbevelen, om zijn eerbiedwaardige leeftijd en de daarmee samenhangende bezadigdheid. Daar komt nog bij, dat Bartholomeus van der Stappen bij de verkiezing met twee documenten voor de dag was gekomen, waaruit bleek dat de overleden prelaat Arnoldus van Vessem als zijn opvolger wenste. Heel zwaar had bij de commissarissen in hun oordeel gewogen, dat Arnoldus van Vessem nog het geregelde kloosterleven in Berne had meegemaakt. Ze hadden bovendien de ondervragingen niet tot de negen Bernenses beperkt. Ook het personeel hadden ze ondervraagd, speciaal de kamerdienaar van de overleden abt. Zij hadden zich allen uitgesproken zelfs onder ede, voor Arnold van Vessem als de meest aangewezen persoon om als abt te worden benoemd. De parochianen van Heeswijk hadden zich eveneens gunstig uitgelaten over hun herder. Daarom meenden de drie commissarissen ten volle gerechtigd te zijn, Arnold van Vessem als de geschiktste kandidaat voor het abbatiaat van de Abdij van Berne aan te bevelen. In de marge van dit schrijven staat in een moeilijk leesbare tekst, bovendien in de Franse taal van die tijd, dat Zijne Hoogheid met het advies akkoord ging en dat de benoemingsbrieven zo spoedig mogelijk zouden worden verzonden. De datering van deze marginale aantekening is van 1 februari 1607.

Uitnodiging aan Joannes Druys, abt van 't Park

In het archief van de Abdij van Berne wordt een velletje papier bewaard, waarop W. Hoevenaars, archivaris van de abdij aan het eind van de vorige eeuw, een tekst heeft overgeschreven, die hij had gevonden in het archief van de premonstratenzer abdij van 't Park bij Leuven. Het is een brief van 10 april 1607 van de kort tevoren gekozen nieuwe abt van Berne, Vessemius, aan de abt van 't Park, Drusius. De brief is gesteld in het Latijn, moeilijk verstaanbaar, en geschreven in een taal vol superlatieven en met in het gewone Kerklatijn ongebruikelijke, aan het klassieke Latijn ontleende, woorden. Het origineel is in 't Park nog aanwezig. Als we de inhoud goed verstaan, heeft Van Vessem vernomen, dat er een vrijgeleidebrief (litteras tutelares) verkregen is voor abt Drusius, waardoor hij zich veiliger door de Nederlanden kon verplaatsen. Arnoldus van Vessem hoopt nu dat hij over Tongerlo naar Den Bosch zal komen in zijn functie van vicarius-generalis van de abt-generaal van de orde, om te helpen tot het verkrijgen van het herstel van de Abdij van Berne. Hij belooft te bidden, dat de reis zonder gevaren mag verlopen. Het valt sterk te betwijfelen, of er iets van de overkomst naar Den Bosch is terechtgekomen. In het archief van de Abdij van Berne is in ieder geval daaromtrent niets te vinden, en de installatie van de nieuwe abt is zonder zijn aanwezigheid geschied. 

De abtswijding en installatie van Arnold van Vessem

Op 8 mei 1607 hebben de wijding of mijtering en de installatie van de nieuwe abt plaatsgehad in het priesterkoor van de kruisherenkerk van Sint-Catrien in de stad 's-Hertogenbosch. Uit het verslag hiervan vernemen we, dat Gisbertus Masius, bisschop van Den Bosch, deze plechtigheden heeft verricht. Hij werd daarbij geassisteerd door Gijsbertus Coeverincx, deken van het kathedraalkapittel van de Sint-Jan, en door Bartholomeus van der Stappen als vertegenwoordiger van de Abdij van Berne. De bisschop was van tevoren op de hoogte gesteld van de benoeming van Arnold van Vessem als abt van Berne, van de bevestiging van de gemaakte keuze door de abt-generaal van de premonstratenzer orde, François Longpré, en van dezes machtiging tot zijn installatie. 



Het wapen van Arnold van Vessem op een schilderij in de abdij 
van Berne wijkt iets af van dat op het portret 
(Foto RHC Tilburg. Coll. Abdij van Berne, Heeswijk-Dinther).

Na de voorgeschreven ondervragingen heeft de Bossche bisschop op de algemeen gebruikelijke wijze volgens de riten van de heilige kerk de abtswijding verricht tijdens de plechtige H. Mis in de hiervoor genoemde kerk. Daaraan voorafgaande had de nieuw gekozen abt de eed van trouw afgelegd in tegenwoordigheid van vele geestelijke en wereldlijke notabelen. Het spreekt vanzelf dat heel het convent van de abdij daarbij aanwezig was, ofschoon dit niet uitdrukkelijk in het verslag staat vermeld. De Bernenses zullen mede ook voor de zang en de andere diensten bij de pontificale H. Mis hebben gezorgd. Tot het ritueel behoorden o.a. het overreiken van de staf, het schuiven van de ring aan de vinger en het plaatsen van de mijter op het hoofd van de wijdeling. Na afloop van de plechtigheid werd tot besluit het loflied "Te Deum laudamus" gezongen, waaronder de abt naar de troon werd geleid die de bisschop tijdens de pontificale H. Mis had gebruikt. Deze was voor die gelegenheid bij het altaar geplaatst en moest nu doorgaan voor de abtszetel van de abdijkerk in Berne. Gezeten in deze troon werd hem de volle macht tot het besturen van het klooster van Berne verleend. Zoals gebruikelijk werd daarna aan de aanwezige notaris van de bisschop, J. Bardoul, gevraagd, tot bevestiging van de wijding en installatie, een notariële akte op te maken en van het bisschoppelijk zegel te voorzien. In het archief van de Abdij van Berne berust slechts een geauthenticeerde kopie van de hand van Cornelius Willems de Beecka, openbaar en door de Raad van Brabant erkend notaris.

De eerste op te lossen kwesties

Twee dagen na de verkiezing, nog vóór Arnold van Vessem zijn benoeming tot abt van Berne had ontvangen, kwam er in het refugiehuis van de abdij in Den Bosch een schrijven binnen vanuit Bokhoven van de heer van Bokhoven, Engelbert I van Immerseel, die tevens heer van Loon op Zand was. Deze was blijkbaar nog niet op de hoogte van het overlijden van prelaat Adrianus van Veen en van het feit dat de abdij nog geen nieuwe overste had. De Heer van Loon op Zand had van de pastoor van Bokhoven, Jan Vercuylen, vernomen dat de pachter van de hoeve te Loon op Zand, die aan de Abdij van Berne toebehoorde, zich bij het convent had beklaagd over het proces waarmee de heer van Loon op Zand hem had bedreigd. De pachter had namelijk zand afgegraven van "lanthoifden", waarmee waarschijnlijk een soort wallen bedoeld zijn, gelegen langs de moeren of veengronden van de Abdij van Berne. De heer van Loon op Zand beweerde dat die wallen van hem waren. En al zou dit niet zo zijn, dan nog had die pachter niet het recht die wallen af te graven, omdat ze als dijken dienstdeden tegen eventuele overstromingen. Zo'n ramp zou voor duizend, ja honderdduizend guldens schade aanrichten. Niemand mag, zo redeneerde de heer van Loon op Zand, een dijk slechten of aantasten, die tot beschutting dient tegen overstroming en wateroverlast voor heel de gemeenschap. Daarom verzoekt hij in zijn schrijven, dat de abdij zijn pachter te Loon op Zand zal gelasten, met dat afgraven te stoppen en de wallen weer te herstellen, opdat er geen overstroming geschiedde. Mocht hieraan niet worden voldaan, dan zal hij het werk laten uitvoeren op kosten van de pachter. 

Een kwestie van geheel andere aard kwam van de kant van de Vrouwe van Oudheusden, Elshout en Hulten, Cornelia Spierincx, en met haar van de schout, schepenen, borgemeesters, kerk-, kapel- en heiligegeestmeesters en alle bewoners van Oudheusden. In dit schrijven werd naar voren gebracht dat de pastorie van de heerlijkheid Oudheusden, Elshout en Hulten toebehoorde aan de Abdij van Berne en dat in het verleden de parochie steeds was voorzien van een ter plaatse wonende pastoor. Alleen de laatste jaren was er geen pastoor en dat was ook niet nodig, omdat het dorp Oudheusden in de troebelen van de Tachtigjarige Oorlog was verwoest en de bewoners waren verjaagd. Maar velen waren teruggekeerd en er woonden nu weer heel wat gezinnen - en dat getal nam nog dagelijks toe, zo staat in de brief - families die trouw waren gebleven aan het geloof van hun voorouders en leefden in gehoorzaamheid aan de Heilige Katholieke Kerk. Daarom hadden zij reeds aan de laatst overleden abt van Berne gevraagd om een bekwame pastoor, die in de pastorie zou komen wonen. Tijdelijk was wel in de zielzorg voorzien, door de pastoor van Vlijmen, Stephanus Guens, tevens de parochie van Oudheusden te laten bedienen. 

Maar dit was niet voldoende, vooral niet in spoedgevallen, gezien de grote afstand tussen Oudheusden en Vlijmen, wel twee uur gaans, en dan moest men nog maar de pastoor thuis treffen. Daarom smeken de afzenders van genoemd schrijven om een ervaren en dus wat oudere pastoor, die zijn onderdanen, die in voortdurend contact stonden met de tot de nieuwe religie toegetreden bewoners van Heusden, in het goede spoor zou weten te houden. Arnold van Vessem is op dit verzoek ingegaan. Maar hij droeg niet een bejaarde ter benoeming aan de bisschop voor, maar de zeer jeugdige, veelbelovende Jan Moors, die vanaf 17 mei 1607 het pastoraat te Oudheusden, Elshout en Hulten ging bekleden. 



Het klooster van Berne aan de Maas bij Heusden. Paneel 17e eeuw (Foto RHC Tilburg. Coll. Abdij van 
Berne, Heeswijk-Dinther).

Evenals de vorige abten kreeg de nieuwe abt al spoedig te maken met verzoeken die de goederen van de abdij betroffen, welke zij erfelijk in leen had overgedragen aan enige vooraanstaande families. Zo ontving hij een vanuit Vuren op 2 mei verzonden brief van de volgende inhoud. De dames Alida en Antonia van Zuydoert, zusters van jonker Gijbert van Zuydoert, zouden graag toestemming ontvangen, aandeel te krijgen in bepaalde goederen die wijlen hun vader, jonker Govert van Zuydoert, van de abdij in leen had. Een neef van hen, Peter van Asperen en Vuren, schrijver van de brief, treedt voor hen als bemiddelaar op en informeert nu bij de abt of dit mogelijk is. Op grond van het testament van hun vader komen ze niet automatisch in het gebruik van de leengoederen gelegen onder Oudheusden - deze worden niet uitdrukkelijk genoemd - als hun broer afstand daarvan wil doen ten behoeve van zijn twee zussen. Daarom moet de abt daartoe zijn instemming verlenen. Gaarne, zo schrijft de auteur, zou hij een brief ontvangen waarin de abt verklaart, bereid te zijn zijn goedkeuring te geven; dan kan hij zijn zusters in Utrecht gerust stellen. In de marge schrijft hij nog dat, als de zaak door kan gaan, hij graag zou vernemen waar hij namens hen het verschuldigde bij een leenverheffing kan betalen. Bij de brief was een extract uit het testament ingesloten. Daarin staat dat de in Utrecht wonende jonker Govert van Parijs van Zuydoert en zijn echtgenote, Maria van der Betten, een vierde part van de korentiende en van de lammerentiende in Zuydoert, in Holland gelegen, nalaten aan hun zoon, jonker Gijsbert, met de bedoeling dat deze aan elk van zijn twee zussen, een derde part zal laten genieten. Het gaat hier wel niet over leengoederen in Oudheusden, maar in dezelfde geest zou met de leengoederen van Oudheusden kunnen worden gehandeld. Reeds in de vijftiende eeuw verklaarde de toenmalige abt van Berne, Arnoldus van Wijck, dat voor hem en voor leenmannen van de Heer van Holland was gekomen Godevaert van Zuydoert, en dat deze hem gevraagd had hem de helft van de tienden van Oudheusden, Hulten en Herperbroek te verlenen.

Voorzieningen in enige verplichtingen

De aartsbisschop van Mechelen had bij schrijven van 10 juni 1607 laten bekendmaken dat in Mechelen een Provinciaal Concilie zou worden gehouden op 25 juni naastkomende. Allen werden opgeroepen daaraan deel te nemen, dat wil zeggen zij, die volgens het kerkelijk recht of gewoonterecht daartoe verplicht waren. De bisschop van 's-Hertogenbosch wees er daarom op dat zij die in zijn bisdom onder die verplichtingen vielen, ofwel persoonlijk ofwel door een procurator of plaatsvervanger aan de oproep van de aartsbisschop gehoor moesten geven. De abt van Berne behoorde tot hen die op 25 juni aan het Concilie moesten deelnemen. Maar de pas gekozen nieuwe abt Arnold van Vessem had zijn handen vol aan de taak die hij te vervullen had. De abdij stond er in die dagen benard voor, en hij moest alles alleen opknappen, daar zijn medebroeders in de zielzorg werkzaam waren of op andere wijze druk bezet. Bovendien durfde hij in die onzekere tijd de reis naar Mechelen niet aan, daar hij over geen sauvegarde of vrijgeleide beschikte. Daarom maakte hij van de mogelijkheid gebruik, een procurator naar Mechelen af te vaardigen, die in zijn naam en met de volmacht die de abt daar zelf zou bezitten, de beraadslagingen zou bijwonen. Hij koos als procurator Gijsbert Coeverincx, de deken van het Bossche kathedraalkapittel, met wie hij in vriendschappelijke relatie stond, zoals bij zijn wijding en installatie reeds bleek. Het schrijven waarin hij Coeverincx tot zijn procurator aanstelde is van 10 juni 1607. 

Een andere verplichting bestond hierin, dat Arnold, evenals elke voorgaande abt, de leenverheffing moest doen van de goederen die de Abdij van Berne van het Sint-Janskapittel van Luik in 1285 bij wijze van emphyteusis (soort erfpacht) had verkregen. Bij die gelegenheid moest ook de zogenaamde canon, of het jaarlijks te betalen bedrag, aan dit kapittel worden overgemaakt en een "laudemium", (stoffelijk huldeblijk), een klein bedrag aan geld, bij de leenverheffing worden geschonken. Ook in dit geval zag de abt af van de verre reis naar Luik en gaf hij volmacht aan een koopman te Luik, Erasmus of Raas Bonier, om namens hem alle plichtplegingen te vervullen die tot zo'n leenverheffing behoorden, en om de genoemde betalingen te verrichten. De benoeming van Raas Bonier tot procurator is geschied te 's-Hertogenbosch op 19 januari 1608 in tegenwoordigheid van Paulus Nicolai, prior van de kruisheren in Den Bosch, van Josephus Cocx, pastoor van Engelen en van Jeronymus Wijnants, die als getuigen optraden. Door de notaris van het bisschoppelijk gerechtshof werd hiervan een akte opgemaakt en van het zegel van de abt voorzien.

Akkoord met de pastoor van Heeswijk

Stephanus Guens, opvolger van de tot abt gekozen Arnold van Vessem als pastoor van Heeswijk was van mening dat onder andere het hoefke, gelegen te Heeswijk voor de poort van wat vroeger het Speelhuis en later het Slotje werd genoemd, met de percelen land rondom het Slotje tot de pastoriebezittingen behoorden, terwijl de abt de overtuiging was toegedaan, dat het hier om abdijgoed ging. Het geschil liep hoog op en leidde zelfs tot een proces met getuigenverhoren, die ons interessante gegevens verschaffen over de wederopbouw van het Speelhuis tijdens het abbatiaat van Koenraad van Malsen (1528-1549). Men kon aantonen dat pastoor Guens zich vergiste, wat hij daarna ook toegaf. 

Om hem die en andere goederen toch ter beschikking te stellen, heeft de abt met hem op 7 februari 1608 een akkoord gesloten. Stephanus Guens zou tegen vermindering met tien mud rogge van zijn zogenaamde canon - de jaarlijkse toelagen van zestien mud rogge, die hij van de kant van de abdij, zoals de andere pastoors, ontving - het gebruik ontvangen van het hoefke in kwestie, onder de voorwaarde dat hij het op zijn kosten in goede staat zou houden en de daarop rustende dorpslasten zou betalen. Omdat de behuizing nabij het Speelhuis als pastorie onbewoonbaar was, kreeg hij bovendien het Speelhuis zelf ter bewoning, met schuur, boomgaard, moestuinen, hop-, wei- en zaailand en het schaarhout ter beschikking; bovendien de weilanden nabij de rivier de Aa, maar tegen inlevering van nogmaals drie mudden rogge van zijn canon. De pastoor moest dan wel alle hout voor latten, tenen en twijgen tot onderhoud van de dakbedekking van de abdijboerderijen in Heeswijk en Berlicum ter beschikking stellen. Voorwaarde was ook dat, als de abt met zijn huisgenoten bij wijze van vakantie naar Heeswijk kwamen - want daarvoor diende het Speelhuis eigenlijk - hij dan vriendelijk zou worden ontvangen en hem alles ter beschikking zou worden gesteld voor stook, maaltijden en slaapgelegenheden. De pastoor zou ter vergoeding de twee perceeltjes ten westen van het Speelhuis, en de moestuin en de boomgaard tussen het Speelhuis en de straat in gebruik mogen nemen. Zonder speciaal verlof zou de pastoor geen opgaand hout mogen snoeien of omhakken. Als slotbepaling zou de pastoor ook moeten zorgen voor de twee paarden, de koeien en varkens van de abdij. Dit akkoord is gesloten met tussenkomst van Rumoldus Colibrant, die toen nog prior van Postel was, van de pastoor van Lage Mierde en van een religieus van Floreffe. Joannes Drusius, abt van de abdij 't Park bij Leuven, heeft in zijn hoedanigheid van vicarius-generalis van de abt-generaal van de Premonstratenzer Orde, de gestelde voorwaarden als redelijk verantwoord geoordeeld. 

Beheer der goederen

Gezien de korte duur van het abbatiaat van Arnold van Vessem zijn de gegevens betreffende het beheer der goederen uiterst schaars. De serie pachtboeken waarover het archief beschikt, wordt voor de jaren 1607 en 1608 onderbroken. Hier volgen enkele zaken, die met het goederenbeheer te maken hebben. Jonker Zweder van Brakel, die met de bezittingen van de abdij in het gebied tussen Maas en Waal te maken had, heeft een "memorie" betreffende die goederen naar de abt gezonden. Daarin staan gegevens over de landerijen "binnen het kerspel van Altforst", in Leeuwen, in Maasbommel en Alphen, namelijk voor hoeveel de gronden zijn verpacht. In Altforst bezat de abdij volgens deze "memorie" ongeveer vierennegentig morgen land, in Leeuwen zesenvijftig, die door wateroverlast grotendeels onbruikbaar waren, en in Maasbommel en Alphen slechts zeven morgen. In dit schrijven staan ook opgesomd de lasten welke op die goederen rustten. De heren van het kapittel van Xanten pretendeerden, dat zij recht hadden op vier hond land van de landerijen in Altforst. De ambtman van Maas en Waal had recht op een jaarlijkse uitkering van acht gulden en vijftig cent uit de bezittingen van de abdij in zijn gebied. Gedurende 27 of 28 jaren waren deze gelden niet uitbetaald. Maar twee jaar geleden, dus onder het abbatiaat van Adrianus van Veen, was deze achterstallige schuld vereffend. Op de goederen in Maasbommel en Alphen rustte de verplichting tien roeden van de dijk daar te onderhouden. De bezittingen in Altforst waren in 1607 voor onderhoud van de dijken en andere ongelden belast met acht gulden en tien stuivers per morgen. Dit zelfde gold nu in 1608 in Leeuwen. De lasten waren voor elke morgen zes gulden en tien stuivers. 

Een ander schrijven is van 31 januari 1608. Dit was gericht aan de provisor, Bartholomeus van der Stappen, en betrof de goederen in de Landen van Heusden en Altena. In de maand maart van het jaar 1595 was de zeedijk doorgebroken en met opzet gedeeltelijk doorgestoken, om de nabijgelegen dorpen van te grote wateroverlast te bevrijden. Over de betalingen van de reparaties aan de dijken waren allerlei moeilijkheden gerezen. Het slot van het liedje was, dat de pachters van de abdij nog 448 gulden moesten betalen aan Dirk Hamel, borgemeester in Heusden. 

Een totaal andere kwestie was het volgende. Namens de dijkgraaf en de heemraden van de Hoge Maasdijk in het Land van Heusden schreef C. van Elshout vanuit Wijk aan de hiervoor genoemde provisor op 28 april 1608, dat deze de dijkgraaf en heemraden moest komen bijstaan met wagen en paarden voor het verrichten van de keurschouw. De voerman moest vroeg in de morgen nabij de kerk van Vlijmen verschijnen. Daar zouden de dijkgraaf en de heemraden hem opwachten omstreeks acht uur. Na de schouw zouden naar gewoonte de heren als blijk van de vriendschappelijke betrekkingen tot een goed glas wijn worden uitgenodigd, uiteraard op kosten van de Abdij van Berne.

Van Vessem als auteur

Arnold van Vessem heeft verscheidene handschriften nagelaten van zijn hand, waarvan dat met het 'Necrologium' van de Abdij van Berne het belangrijkste is. Vervolgens komt zijn 'Privé-kalendarium'. Van beide geschriften zijn gedeelten in druk verschenen.(9) Ook tijdens zijn pastoraat in de parochie van Heeswijk heeft hij een geschrift samengesteld, waaruit zijn aandacht blijkt voor de geschiedenis van zijn orde en van de aan hem toevertrouwde parochie. Tot het parochiearchief van Heeswijk behoort een in perkament ingebonden boekje dat de door een latere hand geschreven titel heeft meegekregen: Register der kerkelijke goederen van Heeswijk anno 1588; item eenige copye rakende de pastorye ende de gemeynte. Het bevat een reeks keurig geschreven kopieën van oorkonden uit de veertiende en vijftiende eeuw. Als men het boekje omdraait staan daar tal van teksten voor het toepassen van exorcismen. Het opschrift luidt: 'Modus procedendi ad prestandum remedium malificiatis et hominibus, pecudibus ac jumentis et aliis rebus'.(10) Daarnaast heeft hij als abt ook in de Latijnse taal geschreven verhandelingen nagelaten over de kloostergeloften en uitvoerige toespraken bij gelegenheid van de professie van leden van zijn abdij. 



Fragment uit het ‘Martyrologium’ met links in kleine letter 
het ‘Necrologium Bernense’ (Coll. Abdij van Berne, Heeswijk-Dinther).

Over de twee eerste geschriften kunnen we hier kort zijn. Het werk, waarin het 'Necrologium Bernense' staat, is op de eerste plaats een 'Martyrologium' waarnaast het Necrologium dag voor dag in veel kleinere letter is toegevoegd. Zeven hoofdstukken voor de zeven dagen van de week uit de Regel van de H. Augustinus volgen daarop. Deze teksten dienen voor de dagelijkse bijeenkomst van het convent in de kapittelzaal. Aan het slot van het handschrift staat ook nog de tekst die gebruikt werd bij de liturgische voetwassing, zoals die gedurende de veertigdagentijd moest geschieden. Van Vessem heeft dit werk voltooid in het tweede jaar van de ballingschap, zoals hij zich uitdrukt, dus in 1574. Hij was toen tien jaar lid van de Abdij van Berne en 26 jaar oud. Het boek was duidelijk bedoeld, om gebruikt te worden, zodra men het normale gemeenschapsleven weer in Berne zou kunnen hervatten. 

Wat het privé-kalendarium betreft, zijn de daarin voorkomende maandspreuken heel merkwaardig. Drs. J.A. Stroucken heeft in 'Brabants Heem' nog eens extra aandacht aan die spreuken geschonken.(11) Hij noemt ze "meer dan merkwaardig". in dit kalendarium noteert de abt onder andere ook de sterfdata van leden van zijn familie. Verwonderlijk is het, dat hij niet de sterfdatum heeft toegevoegd van de in 1557 vermoorde pastoor van Klein-Zundert, die ook Arnold van Vessem heette en evenals de broer van de abt, Joannes Marcelii van Vessem, lid was van de norbertijnenabdij van Tongerlo.(12)

De nagelaten verhandelingen over de kloostergeloften en de preken zijn nooit bestudeerd. Ze zijn moeilijk leesbaar, vooral op de bladzijden, die geleden hebben door waterschade, en maken de indruk niet volledig te zijn. Hier volgen de titels (13) voor zover dat kon worden vastgesteld:

1. In professione alicuius, de vestibus et sacro velamine
2. De statu virginitatis
3. Modus recipiendi novitium
4. De paupertate
5. De castitate virginali
6. De obedientia
7. Collatio
8. In professione
9. Castitas
10. Obedientia

Zijn geschilderd portret

Van alle gemijterde abten, dus vanaf Koenraad van Malsen (1534), bezit de Abdij van Berne grote geschilderde portretten, alle van ongeveer dezelfde afmetingen.(14) Dat van Arnold van Vessem is 120 x 100 cm groot. Het moet geschilderd zijn kort voor of kort na 1608. Hij heeft dus haast gemaakt met zich te laten portretteren, want in de loop van dat jaar 1608 is hij gestorven. We zien hem op dit portret gezeten in een opvallend wijde stoel in de kloosterkleding van zijn tijd, met een hoge bonnet op het hoofd. het schoudermanteltje is korter dan de mozetta die we bij de abten vanaf Leonardus Bosch (1641-1668) afgebeeld zien. Het is bovendien van voren dichtgenaaid. Het habijt is erg wijd en een singel ontbreekt, zodat ook het scapulier los hangt. Zoals op de andere portretten van die tijd, toen de abten het borstkruis onzichtbaar onder het scapulier droegen, is dit ook bij Van Vessem boven de linkerhand een beetje opzij geduwd, waardoor iets van het borstkruis zichtbaar wordt. In afwijking van de latere gewoonten draagt hij zijn abtsring, die van een robijn voorzien is, aan de rechterwijsvinger. 

De kostbare historische mijter en staf staan niet op het portret afgebeeld, wat in vele latere portretten wel het geval is. De prelaat zit naar links gekeerd, waardoor dit portret de tegenhanger vormt van dat van zijn opvolger, Jan Vercuylen. Ook de vier voorgaande schilderijen zijn zo twee aan twee uitgevoerd. In zijn linkerhand heeft hij een boek met zilveren naar zijn borst gekeerde sloten. Het is waarschijnlijk zijn brevier, gezien het kapittelstokje, waaraan de lintjes hingen als de nodige bladwijzers. 



Portret van Arnoldus van Vessem (Foto Gemeentearchief Tilburg. 
Coll. Abdij van Berne, Heeswijk-Dinther).

Het portret van Van Vessem vertoont opvallend veel overeenkomst met dat van prelaat Jan Moors, de laatste in het typische habijt van de zes voorafgaande abten. Achter de stoel hangt een zwaar rood gordijn, dat van onderen opzij is getrokken, waardoor een stukje van de hemel en een houten paneel zichtbaar zijn geworden. Hierop is zijn wapen geschilderd met als schilddekking mijter en staf. Het in vier kwartieren verdeelde schildje, waarvan een kwartier weer nader verdeeld is, is klaarblijkelijk het familiewapen. Voor die achterwand staat een tafel met daarop twee op elkaar liggende opengeslagen handschriften, wat zou kunnen wijzen op Van Vessem als auteur van enige manuscripten. 
De naam van de schilder is niet bekend. Waarschijnlijk was het een Bosschenaar, want Van Vessem zal niet ver van huis hebben geposeerd. Door de sterke overeenkomst met het portret van abt Jan Moors, dat door Abraham van Diepenbeeck is geschilderd,(15) is mogelijk dat van Van Vessem door de vader van Abraham, Jan Roelofszn van Diepenbeeck, gepenseeld. De Bossche bisschop Masius is vermoedelijk ook door hem geportretteerd.(16)

Slot

Het abbatiaat van Arnold van Vessem is van erg korte duur geweest. Prelaat van Vessem is, wat te verwachten was, gezien zijn gevorderde leeftijd, een overgangsfiguur geworden, maar een van formaat. Het uitzicht op herstel van de in puin liggende gebouwen in Berne en op het daar weer opnemen van het normale gemeenschapsleven met een groeiend aantal roepingen, was onzekerder geworden. Men begon de hoop daarop zoetjesaan op te geven. Prelaat Arnold van Vessem heeft niet alleen enige belangrijke geschriften nagelaten, maar enige nieuwe leden tot de professie toegelaten, die het aanzien van de Abdij van Berne na zijn dood hebben hooggehouden.


Noten

(1)
L.J. Rogier, Geschiedenis van het katholicisme in Noord-Nederland pocketeditie, dl. 2 (1964), blz. 458-459.
(2) L.H.Chr. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch, dl. 4, (St.-Michielsgestel, 1873), blz. 418.
(3) Deze en de volgende gegevens zijn ontleend aan het Privé-kalendarium van Van Vessem. [Noot van de redactie: het onderhavige artikel is door Van der Velden eerder gepubliceerd in Met Ganse Trou, jrg. 44, 1994, p. 113-128. Hierop schreef J. Trommelen een reactie (p.188-189), waaruit blijkt dat zijn vader Marcelis Aert van Vessem alias van Loet was, gehuwd met Elijsabet Ghijsbrecht Jan Vermee].
(4) Gegevens uit het archief van Tongerlo door de archivaris dr. L.C. van Dijck O.Praem. verstrekt. 
(5) Zonder vermelding van een andere vindplaats, zijn dit gegeven en de vele volgende ontleend aan het archief van de Abdij van Berne onder code-nr. VB.
(6) H. Heijman, Acht Eeuwen in Berneboek (Heeswijk, 1934), blz. 42-43. 
(7) Idem blz. 16-37.
(8) G.M. van der Velden, De voormalige proosdij van Maarsbergen 1134-1648 (Heeswijk, 1988), blz. 23.
(9) G.M. van der Velden, Het Necrologium Bernense van Arnold van Vessem uit 1574 (Heeswijk-Dinther, 1986); G.M. van der Velden, 'Het Privé-kalendarium van de in Tilburg geboren Arnold van Vessem, abt van de Abdij van Berne van 1607 tot 1608', in: Brabants Heem, jrg. 34 (1982), blz. 104-115.
(10) Werkwijze om bezetenen te genezen: mensen, beesten, lastdieren en andere zaken.
(11) J.A. Stroucken, 'De maandverzen in het privé-kalendarium van de in Tilburg geboren abt Arnold van Vessem', in: Brabants Heem, jrg. 38 (1986), blz. 27-31.
(12) A. Erens, 'Rond de dood van Arnoud van Vessem, pastoor te Klein-Zundert', in :Taxandria, jrg. 41 (1934), blz. 152.
(13) Bij gelegenheid van een professie 
De staat van maagdelijkheid
Wijze van aannemen van een novice 
De gelofte van armoede 
De maagdelijke zuiverheid
De gehoorzaamheid
Toespraak 
Bij een professie 
Zuiverheid
Gehoorzaamheid
(14) H. Th. Heijman, 'De abtengalerij van Berne', in: Brabantia, jrg. 6 (1957), blz. 288-292.
(15) A.M. Frenken, 'Het Dagboek van Jan Moors', in: Bossche Bijdragen, dl. 17 (1940-1941), blz. 75 en 197.
(16) Ch.C.V. Verreyt, 'De glas- en kunstschilders Jan Roelofszn van Diepenbeeck en Abraham van Diepenbeeck', in: Taxandria, jrg. 7 (1900), blz. 144.


* G.M. van der Velden O.Praem (1908) gaf filosofie en theologie in zijn Abdij van Berne. In 1963 werd hij pastoor van Bokhoven en enige jaren later tevens van Hedikhuizen. Vanaf die tijd was hij medewerker van het heemkundige tijdschrift 'Met Gansen Trou'. In 1975 ging hij met emeritaat. Hij schreef o.a. twee boeken over de kosterij en over het patronaatsrecht van Bokhoven.