![]() |
|||
![]() |
538. Cees Robben lééft, in zijn Prent van de Week | ||
![]() |
|||
|
Titel: |
Cees Robben lééft, in zijn Prent van de Week |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Paul Spapens * |
|
Jaargang: |
XIX (2001) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
2 |
|
Pagina’ s: |
59-68 |
Van eind september tot en met de hele maand oktober
2001 vindt in de hal van het St. Elisabeth ziekenhuis een overzichtstentoonstelling plaats van werk van Cees Robben, geestelijk vader van de befaamde Prent van de Week. Op de expositie hangen ongeveer tweehonderd tekeningen. Daarnaast zijn er stoffelijke herinneringen te zien aan de man die verknocht was aan het Midden-Brabants dialect. Zijn grote betekenis voor het dialect was voor de Stichting Tilburgse Taol acht jaar geleden reden de wisseltrofee voor het Grôot Diktee van de Tilburgse Taol naar Cees Robben te vernoemen. Uit een eerbetoon aan de maker van de Prent van de Week heeft de stichting nu het initiatief tot deze overzichtsexpositie genomen. Naar aanleiding daarvan schreef voorzitter Paul Spapens een biografie van Cees Robben. Voor deze levensschets nam hij het werk van Cees Robben als uitgangspunt. Dat levert verrassend nieuwe gezichtspunten op.
Cees Robben (1909-1988). (Foto Familie Robben).
Over de Tilburgse Goirlenaar Cees Robben en over zijn geesteskind 'De Prent van de week' is al zoveel gezegd en geschreven dat het op het eerste gevoel moeilijk lijkt daaraan iets nieuws toe te voegen. Frans Tempelaars kan wél nieuwe feiten aandragen. Er zijn er velen die ooit de Prenten verzameld hebben, maar er zijn er zeer weinigen die het Prenten-oeuvre van Robben compleet hebben. De 67-jarige Tilburger Tempelaars is een van hen.
Verpakt in mappen, stapelt hij ze op de tafel in de woonkamer van zijn rijtjeswoning. "Het zijn er 1.657", zegt hij eenvoudig. Uit wat er over Robben is geschreven, blijkt steeds dat niemand dit precieze aantal heeft gekend. "Vijftienhonderd ongeveer", schat Bernard, de derde zoon uit het eerste huwelijk. Binnen de familie Robben geldt hij als de kenner van zijn pa, over wie hij heeft geschreven in onder meer het boek Een 10 voor Robben. Zijn schatting is helemaal niet slecht. In het boek Een 10 voor Robben, dat toch als een soort standaardwerk is bedoeld, heeft iemand het over een paar honderd.
Dat Tempelaars nu 1.657 Prenten (in kopvorm) heeft, laat zien dat verzamelen op zich voor zo'n super-verzamelaar als Tempelaars nog steeds zijn vruchten afwerpt. In maart 1992 schreef Ton Lips, geboren en getogen Tilburger, vanuit zijn huidige woonplaats Boekel dat hij en Tempelaars ieder evenveel Prenten hadden, te weten 1.627 (eveneens allemaal gekopieerd). In twee jaar tijd heeft in ieder geval Tempelaars dertig Prenten aan zijn collectie toegevoegd. In zijn schrijven aan mij als voorzitter van de Stichting Tilburgse Taol geeft Lips een mogelijke bron aan voor nieuwe prenten: 'Tussen oktober 1953 en februari 1988 zijn er in 164 weekeinden volgens mij geen Prenten verschenen. Maar je weet het maar nooit. Misschien hebben we toch een enkele prent over het hoofd gezien.'
Eerste en laatste
De 1.657 Prenten van Tempelaars zijn zo goed als zeker wel het werkelijke aantal. De oudst bekende Prent is op 10 oktober 1953 gepubliceerd in Roomsch Leven. Het is waarschijnlijk dat Robben daarvóór al een Prent heeft geleverd, maar deze is onvindbaar gebleken. 'We lusten ze gruun' heet de eerste Prent. We zien een aantal Tilburgers met bezems en poetsdoeken in de weer met het standbeeld van Willem II. De betekenis is niet meer bekend. Mogelijk is het een verwijzing naar de groene uitslag van het brons waarvan het standbeeld is gemaakt. De laatste Prent is op 12 februari 1988 verschenen in Het Nieuwsblad. Een man zegt van zijn vrouw dat ze de hele dag kakelt en dan nog 'd'r aai' niet kwijt is. Een week later plaatste Het Nieuwsblad op de plaats waar anders altijd de Prent stond een zelfportret van een tekenende Robben. Deze laatste 'Prent' ging vergezeld van een kort in memoriam.
Dat de 1.657 Prenten in de collectie-Tempelaars het werkelijk aantal is, is eenvoudig vast te stellen aan de hand van de wijzen waarop de twee verzamelaars los van elkaar te werk zijn gegaan. Lips noemt zijn methode 'te hooi en te gras', terwijl Tempelaars zeer systematisch Roomsch Leven en Het Nieuwsblad van het Zuiden en Het Nieuwsblad heeft afgegraasd. De twee verschillend tot stand gekomen collecties blijken elkaar desondanks volledig te dekken. Verzamelaar Lips beschikt overigens over 1.702 door Cees Robben getekende prenten. Een deel daarvan zijn geen Prenten van de Week, maar prenten die voor een speciale gelegenheid zijn gemaakt of voor reclamedoeleinden hebben gediend. Dit deel van Lips zijn collectie is 75 Prenten groot, maar Robben moet er ooit veel meer hebben gemaakt. Het juiste aantal zal nooit vastgesteld kunnen worden, omdat ze over wie weet hoeveel personen en bedrijven zijn verspreid.
De eerste Prent van de Week, gepubliceerd op 10 oktober 1953
in Roomsch Leven. Deze had
betrekking op het jaarlijkse
ontgroeningsritueel van de eerstejaarsstudenten van Sint Olof.
Zij moesten het beeld van Willem II van zijn groene aanslag ontdoen.
Konden de Prenten van de week niet verloren gaan, omdat ze zijn afgedrukt in Roomsch Leven en in de krant, van de gelegenheidsprenten is op dit vlak niets te zeggen. Toen mijn vader 65 jaar werd, vroeg ik Robben ter ere van hem een Prent te tekenen. Toon Spapens, weergegeven als een hoofd van een gezin in de beste katholieke tradities, was er ontzettend mee vereerd. Maar hij stierf. Mijn moeder werd dement. In een vlaag van dementie begon ze rommel op te ruimen. De Prent van onze pa verdween. Overigens verdwenen ook de meeste originelen van de Prent van de Week. Elke donderdag bracht Robben trouw zijn Prent naar de krant. Eenmaal in het productieproces van de krant, kwam de Prent van de Week nogal eens een keer niet terug. Bij plaatsing vervielen de rechten aan de krant, zodat Robben nooit kon reclameren over een verdwenen Prent.
Het dialect noemde Cees Robben zijn hobby. In deze Prent legt
hij over het dialect een soort geloofsbelijdenis af.
De veertig originele Prenten die wel bij de krant bewaard zijn gebleven, zijn door Willem van Beerendonk, destijds chef-redacteur van Het Nieuwsblad, keurig overgedragen aan het Gemeentearchief. Ronald Peeters ontdekte in 1985 in de failliete boedel van Drukkerij Bergmans per toeval tussen te vernietigen papieren 99 Prenten (waaronder een enkele illustratie) die ooit waren gepubliceerd in Roomsch Leven. Via de curator heeft hij ze mee kunnen nemen ten behoeve van het Gemeentearchief, dat nu met 142 stuks de grootste collectie originelen bezit. Bij menig Tilburger hangt een Prent op een prominente plaats in huis, gekocht op een rommelmarkt of in antiquariaten. Het zou in principe mogelijk zijn nog originele afdrukken te maken, omdat een paar lijnclichés bewaard zijn gebleven.
Niet zakelijk
Met het vervaardigen van gelegenheidsprenten kwam vaak het schromelijk gebrek aan zakelijkheid van Robben aan het licht. Op de vraag wat een prent die bijvoorbeeld 100 gulden waard was, moest kosten antwoordde Robben lichtvoetig: "Och, doe maar 25 gulden." Met even zoveel gemak stelde hij voor om met een kistje sigaren betaald te worden - en dat hij dan een doos met tien van de allergoedkoopste sigaren kreeg. Daar zei hij niets van; dat accepteerde hij, want Robben kon niet goed tegen heibel. Spanningen ging hij uit de weg. Een goed in de slappe was zittende fabrikant van de Bredaseweg kwam met hem een bedrag overeen, haalde de prent op, maar betaalde niet. De tweede vrouw van Robben, Mieke Tielemans, stapte op haar fiets en ging het verschuldigde bedrag aan de deur opeisen. Robben vond dat maar niets, hij schaamde zich daarvoor. Maar zij zag wel de werkelijke waarde (in geld) van het werk van haar man. Zij zat er dan ook achter toen de betaling voor de Prent van de Week bij de krant omhoogging van 5 gulden tot 25 gulden per keer, tot 85 gulden in 1982. Een in het oog springend punt in het contract van '82 is dat Robben per kalenderjaar vijf weken geen Prent hoefde te leveren in verband met vakanties en dergelijke.
Cees Robben werkte een groot deel van zijn leven bij de TWM.
Desondanks komt dit bedrijf in slechts weinig Prenten voor.
Deze Prent is van 19 februari 1955.
Maar Robben moest door verlet als het ware worden overvallen om geen Prent te leveren, want indien mogelijk tekende hij Prenten in het vooruit, zoals bij vakanties. Het maken van de Prenten was over het algemeen geen groot geworstel met creatieve black-outs en ander kunstenaars-ongerief. In zijn algemeenheid begon hij er op woensdagavond aan. Een uurtje of twee, drie, dan was de Prent - meestal tegen middernacht - klaar. De volgende ochtend, de dag waarop de Prent uiterlijk om 17.00 uur bij de krant moest zijn, las hij de Prent aan zijn kinderen voor en vroeg hoe ze het vonden. Dat was meer voor zijn eigen gemoedstoestand, want met bemerkingen gebeurde niets. Zodra op vrijdagochtend de krant in de bus viel, werd de pagina waarop de Prent stond als eerste opengeslagen. Het kwam hoogstzelden voor dat Robben geen inspiratie of geen onderwerp had voor zijn Prent. Hij kon die opdiepen uit de onuitputtelijke inhoud van aantekeningboekjes waarin hij gezegdes bijhield, gekke situaties, rake opmerkingen. Deze gegevens deed hij op door in het dagelijks leven goed om zich heen te kijken. Dat komt naar voren in heel veel tekeningen. De meeste ideeën deed Robben op in de kroeg. Daarnaast spraken mensen hem aan met suggesties of ze stuurden hem brieven. Zij konden behoorlijk teleurgesteld zijn wanneer zo'n idee nooit in de vorm van een Prent eeuwigheidswaarde kreeg. Robben moet op de een of andere manier hebben bijgehouden welke onderwerpen hij al had gehad. Doublures komen weinig voor in zijn oeuvre. Tot de uitzonderingen behoren de Prenten van 30 januari 1987 en 15 juli 1983, waarop begrafenisgangers teleurgesteld vaststellen dat de wereld zo is veranderd dat er 'op begraofenissen nie eens mir wordt
gelaage…'
Op 26 september 1980 verscheen deze Prent van de Week. Het
tafereel is ingegeven door een zeer ernstig ongeval van de jongste
zoon van Cees Robben.
Eigen leven
Na een schets met potlood werden deze lijnen in de beginjaren van de Prent met Oost-Indische inkt en later met viltstiften zwartgemaakt. De gebruikte viltstiften waren vaak van inferieure kwaliteit. Dat verklaart waarom veel werk dat Robben in de laatste vijftien jaar heeft gemaakt, zo sterk verkleurt. De kinderen van Robben kregen nogal eens als opdracht een bepaalde houding aan te nemen, zodat hij deze na kon tekenen. Kinderen behoren tot de onderwerpen die door Robben in zijn Prenten het meest zijn uitgebeeld. In 91 Prenten hebben zij de hoofdrol, in tal van andere Prenten een bijrol. Robben had zeven kinderen, vier uit zijn eerste huwelijk, drie uit zijn tweede. De jongste zoon, Mark, kreeg in februari 1980 een zeer zwaar ongeval. Dat dit hem bepaald niet onberoerd heeft gelaten, bleek uit zijn Prent van 26 september 1980. Deze heeft het verkeer als onderwerp, een thema waar Robben achttien Prenten aan heeft besteed. De eerste verscheen in 1954, de op een na laatste in 1975 en de allerlaatste dan in september '80. We zien een chauffeur die een moeder met kinderen vervoert. De moeder zegt: 'Ik vèèn dè gij mar gevaorluk rijdt sjeffeur.. Kekt is wè beter uit… En haauwt er rekening mee dek thuis aacht kender heb zitte.'
Jeugdfoto van Cees Robben. (Coll. Familie Robben).
De Prentenverzameling van Frans Tempelaars bestaat uit louter kopieën. Zijn pracht-collectie heeft hij op verschillende onderwerpen geturfd, wat zoals hierboven gedemonstreerd, nieuw feitenmateriaal over Robben zijn werk oplevert. Vastgesteld kan worden dat Robben zijn eigen leven en gemoedstoestand liet meespelen in de onderwerpkeuze. In dat kader valt het opmerkelijk kleine aantal Prenten op over kerk en geloof: 62. In het boek Robben en Rooms, het boek dat het slechtst is verkocht van alle tien Prentenbuukskes en gelegenheidsboeken, staan er 36. Sommige lijken er wat het geloof betreft met de haren bijgesleept, zoals de Prent over het 60-jarig bestaan van de NV Tilburgsche Waterleiding Maatschappij. Er staat een gedichtje bij waarin de geneugten van het water van de Gilzerbaan worden bezongen. Het eindigt als volgt:
't Waoter van de Gielsebaon
Dè is vur klèèn en grôôt
'n Gave Gods.. En 't levenssap
Van 't dôôpsel tot den dôôd.
Frater Armand
De 62 geloofsPrenten zijn er weinig vergeleken met wat kerk en geloof in Robben zijn leven hebben betekend. Met name het feit dat hij vijf jaar (een jaar novice) frater is geweest, heeft daarin een grote, een bepalende rol gespeeld. Hij was de oudste van een gezin van elf kinderen. Net als in andere grote gezinnen, keken zijn ouders er niet van op toen hij meldde frater te willen worden. Zijn vader was daarmee verguld, zijn moeder in het geheel niet. Op 8 september 1927 trad Robben in Tilburg in het noviciaat. Drie jaar later, op 14 juni 1930, haalde hij zijn onderwijzersakte. Door het uitspreken van de vierde Gelofte op 25 augustus 1931 was hij zogezegd honderd procent frater, frater Armand. Waarom hij deze naam als fraternaam heeft gekozen, is niet bekend. De drie heiligen met de naam Armand(us), twee Fransen en een Belg, bieden geen aanknopingspunten om een verband te kunnen leggen tussen Robben en zijn fraterschap. De twee Fransen zijn martelaren uit de tijd van de Revolutie, de Belg genoot bekendheid vanwege zijn heilige levensloop.
In twee fases heeft Cees Robben zijn diploma’s gehaald. Na
de Tweede Wereldoorlog bekwaamde hij zich door middel
van het volgen van cursussen in zijn boekhoudkundig werk
bij de TWM. Eind jaren twintig, begin jaren dertig haalde
hij zijn onderwijsbevoegdheden en leerde hij tekenen op de
Leergangen. (Coll. Familie Robben).
Op één dag na precies een jaar na het afleggen van de vierde gelofte, zei hij het fraterschap vaarwel. Moeder blij, vader in het geheel niet. Robben is de fraters altijd een warm hart blijven toedragen. Deze genegenheid kwam van beide kanten. In de 62 prenten over het geloof wordt in 21 de hoofdrol gespeeld door een pastoor, in 7 door nonnen, in vier door paters en in geen een door fraters. Op deze manier toonde hij zijn respect. Van Robben zijn wel een paar tekeningen bekend waarop een frater de hoofdrol heeft. Het betreft hier zeldzame gelegenheidstekeningen, zoals de twee die zijn verschenen in het boekje Fraters,. Dit boekje is uitgegeven ter gelegenheid van de verbouwing van het fraterhuis van Goirle tot het cultureel centrum Jan van Besouwhuis.
Later verklaarde Robben tot de fraters te zijn toegetreden omdat hij niet goed wist wat hij moest doen. Dat weer was een gevolg van het feit dat hij graag als twee oudere neven naar de zeevaartschool wilde. Door de fraters bij wie hij in de klas zat op de lagere school werd hem dat vakkundig uit het hoofd gepraat. Ze wisten het zelfs zo te draaien dat hij naar de kweekschool van de fraters ging, zodat de jonge Robben van huis zou zijn als ware hij student op de zeevaartschool. 'Ik was een ontvankelijke natuur en gevoelig voor geloof en geloofsbeleving', zei hij er zelf van in zijn autobiografisch verhaal in het boekje Fraters,. Een van de in een Prent van de Week vereeuwigde pastoors is Albert Pirenne, pastoor van de St. Jansparochie in Goirle. Deze Prent is op 30 mei 1980 gepubliceerd ter gelegenheid van het zilveren priesterfeest. 'Voor Cees waren kruisbeelden en pastoors in zijn Prenten meer dan alleen folklore', schreef Pirenne in Een 10 voor Robben, 'Hij bleef er innerlijk mee verwant.'
Onderwijzer
Bladerend door de stoffelijke herinneringen aan het leven van Cees Robben blijkt dat er twee perioden in zijn leven zijn geweest waarin hij heeft gestudeerd. Deze perioden zijn dan ook steeds bepalend geweest voor zijn verdere levensloop. Zijn eerste diploma was zijn 'Akte van Bekwaamheid als Onderwijzer' (1930), gevolgd door de 'Akte van Lager Onderwijs' (1931), het diploma 'Godsdienstkennis A' (1930) en het in 1933 aan de RK Leergangen behaalde diploma beeldende kunst met vakken als bordtekenen, stilleven en perspectief. Robben was een zeer begaafd bordtekenaar, een kunst waarop de fraters patent leken te hebben. De kiem voor de Prent van de Week is gelegd op de frater-kweekschool in Goirle. Toen Roomsch Leven in 1953 het initiatief nam tot de Prent, werd eerst met Kees Koster in zee gegaan. Koster (Rotterdam 1920) kwam tijdens de Tweede Wereldoorlog naar Tilburg. Hij studeerde aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Tilburg en werd reclame-ontwerper en tekenaar. De verplichting elke week voor een Prent te zorgen, viel hem te zwaar. Jan Bergmans van Drukkerij Bergmans vond in Robben iemand die het wel aandurfde, en ook nog eens goedkoper werkte.
De achtergrond van Robben als frater-onderwijzer met liefde voor het tekenen, komt verrassend terug in het voorwoord van het in 1958 uitgegeven
Tilburgs Prentenbuukske Deel I. Daarin schrijft Robben dat de kwaliteit van het papier zo is gekozen 'dat kopers deze eventueel zelf kunnen inkleuren met waterverf of pastels'. Net als elke goede onderwijzer was Robben een begaafd verteller, die zijn leerlingen en later iedereen tijdens feestjes of in het café met gemak aan zijn lippen wist te kluisteren. Wanneer Robben het woord voerde, luisterde men onwillekeurig. Hij kon gemakkelijk een halfuur lang een samenhangend verhaal uit zijn hoofd vertellen. Je zou kunnen zeggen dat Robben in zijn Prenten altijd opentop frater-onderwijzer is gebleven. Hij tekent en legt uit. De kiem van de Prent van de Week is gelegd op de frater-kweekschool in Goirle. Hij had een groot geheugen, kende veel interessante feitjes van de meest uiteenlopende onderwerpen. Op zijn levensavond was hij ontzettend bang dat hij dement zou worden. Om dit tegen te gaan, heeft hij talloze puzzels gemaakt.
Boekhouder
Alle onderwijsdiploma's uit de jaren '30 hingen samen met zijn tijd bij de fraters en op de fraterkweekschool. Toen trad Robben uit, ging als kantoorbediende aan de slag bij een bedrijf aan de Spoorlaan en kwam vervolgens de directeur tegen van de NV Tilburgsche Waterleiding Maatschappij. Die stelde hem voor te solliciteren. Het feit dat de vader van Robben hoofdfitter was bij de TWM, heeft daar een rol in gespeeld. 'Weledelen Heer', schreef Robben op 30 mei 1935, 'Ondergeteekende neemt beleefd de vrijheid te solliciteeren naar de vacante betrekking van kantoorbediende bij de onder Uw bestuur staande Maatschappij.' De korte brief eindigt met een serie getallen, een bewijs dat de sollicitant keurig cijfers kon schrijven. Op 31 december 1935 kreeg Robben bij de TWM zijn betrekking. Zestig gulden per maand verdiende hij. Na de oorlog begon voor Robben de tweede periode waarin hij diploma's ging halen: typediploma in 1946, handelscorrespondentie en praktijkdiploma boekhouden beide in 1948.
Robben vond snel zijn plek bij de TWM. Hij was vooraanstaand lid van de personeelsvereniging en werkte veel voor het personeelsblad H2O waarin vele tekeningen van zijn hand zijn verschenen. De nog bestaande muurschilderingen in het pompstation zijn door hem gemaakt. Slechts zeer zelden komt de TWM voor in een Prent van de Week. Op 19 februari 1955 liet hij zich inspireren door het lekstoten van een waterleiding in de Bisschop Zwijsenstraat. Vooral bij de fitters voelde hij zich thuis. Zij noemden hem bij zijn bijnaam 'De Pool' waarvan de ontstaansgrond niet bekend is, al is wel eens gesuggereerd dat het een verbastering is van 'proletariër'. Vaststaat dat Robben zijn bijnaam bij de fraters heeft gekregen. In 1934 mat hij zichzelf het pseudoniem 'Kees de Rob' aan. Onder deze naam publiceerde hij stripverhaaltjes in blaadjes van de fraters. Deze verhaaltjes over onder andere 'Olijk en Vrolijk' zijn tot in ieder geval eind 1941 blijven verschijnen.
De kiem voor zijn Prent van de Week is door Cees Robben
gelegd toen hij op de kweekschool bij de fraters in Goirle zat.
Lang voordat hij vanaf 1953 zijn Prent van de Week ging
publiceerde, tekende hij strips. Deze aflevering uit een
tijdschrift uit 1941 is een voorbeeld van dit vroege werk.
Robben is altijd bij de TWM blijven werken. Er zit iets enorm tweeslachtigs tussen zijn gortdroge werk als boekhouder en de artiest die hij wilde zijn, die hij wás. Er bestaan nog aantekenboekjes waarin in een priegelschrift de hele boekhoudkundige ceel wordt gelicht van de lonen van de medewerkers van de TWM. Hij beleefde veel plezier aan het werk bij dit bedrijf, waar hij op een gelukkige manier hoopte met pensioen te gaan. Ziek was hij nooit geweest. Om op 64-jarige leeftijd, een jaar voor zijn pensionering, serieus ziek te worden was voor hem een grote klap. Het gebeurde bij Café 't Fust aan het Oranjeplein in Goirle, een van zijn stamcafés, samen met Mieke Pap in Poppel, Café De Vriendschap tussen Goirle en Riel en Wieske de Rooy aan het Zandeind in Riel. Bij Jantje Fust werd Robben onwel. Hij zag de dood in de ogen. Na de dood van zijn tweede vrouw werd Robben een echte kroegloper, terwijl hij daarvoor nauwelijks in het café kwam. Hij kwam geregeld aangeschoten thuis. Goirle maakte kennis met de Drie Musketiers, Robben, Jan Spijkers en Kees Spaninks. Drie totaal verschillende mensen, die elkaar vonden aan de tap, daar het hoogste woord hadden en vrolijk huiswaarts keerden. Verhoudingsgewijs komen de thema's 'de kroeg' en 'zatte praot' weinig voor, respectievelijk 28 en 45. In het verbeelden en verwoorden van deze twee thema's is Robben wel op zijn best.
De dood
De dood wist Robben in zijn Prenten 44 keer te inspireren. De laatste Prent over dit onderwerp is gepubliceerd op 13 januari 1987. Op 15 februari 1988 maakte hij zelf kennis met de dood, waarvoor hij, volgens zijn omgeving niet bang was. Sterker, hij vond het niet erg om naar de hemel te gaan (in het geval van Robben de enig juiste omschrijving van sterven), omdat Robben een steeds grotere hekel begon te krijgen aan wat hij zag als een verloedering van de samenleving. Terwijl zijn Prenten van de Week doordesemd zijn van de normen en waarden van de 'goede oude tijd' waarin de hoofdrol was weggelegd voor de katholieke kerk van het Rijke Roomse Leven, moest hij het in zijn leven meemaken hoe na de jaren zestig de samenleving volledig op zijn kop ging. Hij had een gruwelijke hekel aan heel simpele dingen als jongelui die een grote mond hadden tegen ouders of films waarin veel bloot voorkwam. Niet dat Robben levensmoe was. Integendeel, hij leefde graag en met plezier, maar niet in zo'n wereld. In zijn laatste levensjaren spelde hij de overlijdensadvertenties uit, iets wat vele ouderen doen. In het besef dat hij nu aan de beurt was, speelde een sardonische lach rond zijn lippen en zei hij tegen zijn rond zijn sterfbed verzamelde kinderen: 'En naa zèdde gullie aon de beurt.' Een Prent van de Week 'live'. Robben bepaalde dat de nabestaanden voor 'een goej begròffenis' moesten zorgen. Hij verstond daaronder een koffietafel, weggespoeld met een borrel. Aan deze laatste wens is gehoor gegeven bij Café Bakx aan de Dorpsstraat in Goirle, het adres waar Robben vaak ging biljarten.
De Prent van de Week (5 juni 1964) waarin Robben het
overlijden van zijn tweede vrouw betreurt.
Op 18 januari 1974 verscheen een paar weken nadat hij bij Jantje Fust onwel was geworden en hij in het ziekenhuis was opgenomen, de eerste Prent over de dood na zijn ziekbed van eind 1973 - waarvan hij overigens na ontslag uit het ziekenhuis herstelde bij de nonnekes op Nieuwkerk. In zijn Prent van 18 januari 1974 steekt Robben de draak met de dood. In een carnavalssetting voert hij een doodgraver en een Heintje de Dood op. Zegt de doodgraver: 'Ge hetter de vurrege week nogal ondergebost'. Antwoord van de dood: 'Ik heb vier lèèke moete laote loope.' In 1952, op 10 februari, stierf An van Geelen, de eerste vrouw van Robben, aan een hersenbloeding. Ze was haar jongste kind van de vier uit het eerste huwelijk in bad aan het doen. Omdat Robben zijn eerste Prent pas op 10 oktober 1953 in Roomsch Leven werd opgenomen, heeft hij die verschrikkelijke ervaring niet in een tekening kunnen verbeelden. Dat deed hij wel na het overlijden van zijn tweede vrouw op 13 januari 1970. Na een lang ziekbed stierf ze aan de gevolgen van botkanker. De laatste Prent die Robben daarvoor over de dood had gemaakt, was op 5 juni 1964. Wederom maakte hij er toen iets kolderieks van. Maar op 20 februari 1970, dus een week na haar heengaan, kwam Robben met een doodsPrent die diep ontroert. We zien een man (Robben) voor de open haard zitten. Naast hem staat een lege stoel. Hij zegt onder andere:
In m'n kaomer stao 'n stuultje
As verloren stug en steeg
Steeds verzonken in gedaachte
Want dè stuultje stoa vort leeg.
Ziekenhuis
Als er een voorbeeld is te geven dat Robben zijn eigen ervaringen optekende in zijn Prenten, dan is het deze wel. De tekst van deze Prent is door het Tilburgs Gemend Koor Scampolo, waarvan Robben erelid was, op muziek gezet en uitgevoerd. Van eigen ervaringen verwerkt in Prenten zijn talloos veel meer voorbeelden te geven, onder meer waar het de onderwerpen 'dokter' (31 Prenten), 'gezondheid' (30 Prenten) en 'ziekenhuis' (18 Prenten) betreft. Vanaf zijn eerste hartaanval eind 1973 heeft Robben nogal wat gedokterd. Heel kort daarna tekende Robben op 15 januari 1974 weer eens een gezondheidsPrent, een thema dat hij vier jaar eerder voor het laatst ter hand had genomen. Van het onderwerp 'ziekenhuis' kan min of meer hetzelfde worden gezegd. 13 oktober 1972 liet hij zich door dit onderwerp inspireren, vervolgens pas weer op 11 januari 1974. Deze tekening is zo uit het ziekenhuisleven gegrepen, dat het wel Cees Robben zelf moet zijn die vanuit zijn ziekenhuisbed aan een zuster vraagt in welke bil hij zijn spuit zal krijgen. 3 maart 1978 tekende Robben een zeldzaam onderwerp in zijn Prenten, namelijk zichzelf. In veel Prenten had hij een rol, maar om zich met naam en toenaam en herkenbaar met pet en sigaar, lange grijze manen tot in de nek en een tekenblok onder de arm neer te zetten, is in Robben zijn oeuvre werkelijk een bijzonderheid. Hij is weer ziek geweest. Blijkbaar is dat in de gemeenschap een onderwerp van gesprek geweest. Drie mannen zien Robben voorbijlopen. Ze blikken hem na en zeggen: 'Daor gao de Prent van de Week.. Hij zieter nog goed uit… Goed uitzien..? Dan moettem is van dichtbij bekèèke.. Dan ziede pas hoe ver dettie al weg is..
Na die eerste keer in 1973, heeft Robben nog twee keer in het ziekenhuis gelegen, in 1982 en in 1988, toen hij na een ziekbed van een paar weken stierf. In de nalatenschap van de Prentenmaker zit een uitpuilende map met fanmail uit 1982. De inhoud van de map maakt zonneklaar dat Robben enorm populair was. Heel veel van deze kaarten van wildvreemde mensen zijn geschreven in het dialect, zoals deze:
Ak vrèdags in ut Nuuwsblad kèèk
Wast irstu wèk zaag jouw prent
Toen wast gedaon, want ge waart ziek
Naa zie'k vrèdags niks as ellende staon
Ik hoop dè jouw prent
Wir heel gauw verschènt
Want ziek zèèn is niks gedaon
Eind 1973 belandde Cees Robben tot zijn grote schrik in het
ziekenhuis. Naar aanleiding van deze ervaring liet hij zich
inspireren tot deze Prent van de Week (11 januari 1974).
Bekend en ijdel
De verzameling fanmail is tevens een voorbeeld van zijn ijdelheid. Robben vond het prachtig om in de belangstelling te staan, de grote jongen uit te hangen, zelfs wanneer dat een gevolg was van ziekte. Een keer op bezoek in Montmartre in Parijs bestond hij het een afgeladen café met een rijk gebaar een rondje te geven. Kostte hem 400 gulden. Deze ijdelheid moet verklaard worden uit zijn jeugd, toen hij absoluut andere plannen had met zijn leven dan de zeevaart: frater worden of boekhouder bij de TWM. Het liefst was Robben gaan studeren. Omdat hij de oudste was thuis en omdat hij daarom moest gaan werken toen zijn vader op vijftigjarige leeftijd plotseling overleed, werd daar een definitieve streep door gezet. Dit is zijn grootste frustratie geweest.
De Prent van 3 maart 1978 waarop Robben zich bij hoge mate van uitzondering zelf vereeuwigde, kon hij zich heel goed veroorloven. Hij is dan al lang een zeer bekende persoonlijkheid in met name Tilburg en Goirle en verder in het verschijningsgebied van Het Nieuwsblad van het Zuiden. Later werd hij een bekende Brabander, passend in het rijtje van Jan Naaijkens of Nol van Roessel en Cor Swanenberg. Naar aanleiding van de dood van Robben, schreef Jan Naaijkens aan de familie van de overledene: 'In onze opvattingen, hoop en verwachtingen en soms ook in onze woede om alles wat er aan goeds verloren ging, zaten we op dezelfde lijn.' Van Roessel en Robben traden een keer samen op in het
Tilburgs Prentenbuukske Deel VI, getiteld ''t Vrouwvolk'. Van Roessel gaf bij de teksten uitleg over het dialect ('toepertoe = geheel en al'). Dit zesde deeltje heeft als extra bijzonderheid, dat het Prenten bevat die eerder waren gepubliceerd in zowel Rooms Leven/Kerknieuws als Het Nieuwsblad van het Zuiden.
Naar Goirle
Zijn grootste bekendheid in Goirle en Tilburg heeft te maken met uiteenlopende factoren. Zijn onderwerpen speelden zich het meest in deze twee plaatsen af. Nogal eens een keer maakte hij een uitstapje naar Hilvarenbeek, althans in zijn Prenten. Want Robben maakte ook graag echte uitstapjes. Met zijn tweede vrouw en een bevriend Goirles echtpaar dat ook in de Bergstraat woonde, werden bijvoorbeeld alle Nederlandse provincies letterlijk doorkruist. Robben, die in zijn hart altijd opentop Tilburger is gebleven, verhuisde in 1956 naar Goirle. Hij was en bleef Tilburger en hij was Goirlenaar tegelijk. Veelzeggend wat dat laatste betreft is zijn opmerking in het boekje
Fraters,. Robben beschrijft een ritje met de beroemde Körvelse tram naar Goirle: '(…)In het korte stukske van Tilburg naar Goirle rekende ik af met mijn verleden in Tilburg.'

De laatste Prent van de Week, gepubliceerd in
Het Nieuwsblad op 12 februari 1988.
Zijn tweede vrouw Mieke is de drijvende kracht geweest achter de verhuizing naar de Bergstraat in Goirle. Zij was afkomstig van een grote boerderij in Bladel. Het leven midden in de stad met vier kinderen uit het eerste huwelijk (in Goirle kwamen daar nog drie kinderen bij) in een klein huis viel haar zwaar. Hij had dan wel een mooie betrekking als boekhouder bij de TWM, het vrijstaande herenhuis aan de rand van het dorp kon hij zich niet veroorloven. De woning had dan ook een zilveren dak, zoals dat werd gezegd wanneer er fiks voor moest worden geleend. Eigenlijk was het in het geval van Robben geen lenen; de ouders van zijn vrouw betaalden de helft. Als tegenprestatie mochten ze hun oude dag bij het gezin Robben slijten, wat ook is geschied. Tot verbazing van de kinderen waren opa en oma er ineens om pas in een 'houten overjas' weg te gaan. Hun was niks gevraagd. Dat paste niet in de behoudende kraam van Cees Robben.
Na zijn komst naar Goirle, werd Robben terstond actief lid van de samenleving, op 1 juni 1979 beloond met de Zilveren Erepenning van de gemeente Goirle. 'Hij is actief in vele plaatselijke verenigingen en vertegenwoordigt de plaatselijke gemeenschap naar buiten in vele lagen der bevolking', was het belangrijkste motief voor het toekennen van deze onderscheiding. Het jaar daarvoor, op 1 oktober 1978, was Robben de Gouden Speld van de gemeente Tilburg opgespeld, dit ter gelegenheid van 25 jaar Prent van de Week. In dit verband is ook het jubileumboek
De Prent van de Week in het Zilver uitgegeven en is de tentoonstelling '25 Jaar Prent van de Week' ingericht. Deze expositie, de enige die ooit van het werk van Robben is gehouden, werd eerst in Tilburg verlengd en was later te bezichtigen in dorpshuis Den Domp in Haaren. In juni 1979 was werk van Robben te zien in De Heemschuur in Goirle. Robben kreeg deze tentoonstelling aangeboden door de Goirlese heemkundekring De Vyer Heertgangen ter gelegenheid van diens 70-ste verjaardag en twintigjarig voorzitterschap van deze heemkundekring. Op de expositie was een vijftigtal tekeningen te zien, Prenten van de Week en schetsen van karakteristieke plekjes in
Goirle.
In Goirle schreef Robben vier revues. Dat hij dat heeft gedaan, wilde in Goirle wat zeggen, omdat dit dorp een bijzonder rijke traditie heeft op het gebied van toneel, revues en volkse kleinkunstenaars als tonpraters en vertolkers van het levenslied. Een van de revues, getiteld 'En zo is 't gekomen' van mei 1965 gaat over het 75-jarig bestaan van het fraterhuis Franciscus van Sales van Goirle:
Verbleekte bilden… haost vergaon
Te laachen mee den rôôzenkraans
Te laachen mee den schôônen glaans
Van aauw gebruik en plattebuis
Hok z'allebaai mar wir in huis.
Heemkundige
Het beste bewijs dat Robben Goirlenaar met de Goirlenaren was geworden, was het feit dat hij van 1957 tot 1981 voorzitter is geweest van heemkundekring De Vyer Heertganghen. Daar kwam een even abrupt als opmerkelijk einde aan. Vele jaren sierde een tekening van hem het omslag van het heemkundetijdschrift. Toen deze tekening door die van een ander werd vervangen, heeft hij direct voor deze functie bedankt. Nooit is hij nog in het heemhuis geweest. Robben werd niet gemakkelijk kwaad, maar werd hij kwaad, dan was het ook raak. Na een ontlading, zakte de boosheid snel weg. In het geval van de heemkundekring is hij kwaad gebleven omdat hij zich miskend en gepasseerd voelde. Bij de entree tot het mooie heemcentrum van Goirle staat een bronzen kop van Robben, door de Goirlese kunstenaar Cor Pol in 1995 gemaakt, aangekocht door de Tilburgsche Waterleiding Maatschappij en door dit bedrijf in langdurig bruikleen gegeven aan de heemkundekring. In zijn vrije tijd was Robben naast tekenaar van de Prent van de Week vooral heemkundige. Al zijn vrije uurtjes was hij daarmee bezig, thuis of in archieven. Over heemkundige onderwerpen heeft hij talloze artikelen gepubliceerd in het tijdschrift 'Rond de Schutsboom'. Voor zijn onderzoek naar de geschiedenis van Goirle was Robben jarenlang een frequent bezoeker van het Tilburgs Gemeentearchief.
Cees Robben ontvangt in de Heemschuur in Gorile de Zilveren Erepenning van de gemeente
Goirle op 1 juni 1979 ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag en twintigjarig voorzitterschap
van de heemkundekring De Vyer Heertgangen. (Coll. Familie Robben).
In zijn Prenten van de Week komen zijn plezier in tekenen en heemkunde op een prachtige manier bij elkaar. Ook het gebruik van het dialect, dat het werk van Robben extra belangrijk maakt, is in zijn geval te beschouwen als een vorm van heemkunde - los van het feit natuurlijk dat de Prenten druipen van weemoed en van heimwee, van een intens verlangen naar vroeger, van een hang naar een voorbije wereld in Brabant waar het leven goed was, en begrijpelijk, want geordend door zekerheden als die van het geloof en van het gezin waarin de man de baas was. Zeer velen hebben zich daarin vroeger herkend en doen dat nu nog. De herkenning komt voort uit de laagdrempelige manier van tekenen, zonder enige poespas, uit de gepresenteerde tafereeltjes uit het leven van alledag van alleman, uit de uit het leven gegrepen gezegdes en wijs- en waarheden. In de allereerste plaats komt deze herkenning voort uit het gebruik van het dialect. Van nature voelde Robben aan, dat welke taal de Brabander ook zou gaan spreken - Nederlands boven de rivieren, Engels in Australië - hij in tijden van emotie altijd onbewust terug zou grijpen op zijn moeders taal. Dialect was voor Robben zijn grootste vermaak. Tal van typische woorden en zegswijzen zijn door hem met bevlogenheid geregistreerd. Dankzij Robben is veel van dit allerbelangrijkste cultuurgoed overgeleverd. Het was om deze reden dat de Stichting Tilburgse Taol Robben eerde door in 1993 de wisseltrofee voor het Grôot Diktee van de Tilburgse Taol naar hem te noemen. Het bronzen kunstwerk bestaat uit een tekenpen, bekroond door de kenmerkende pet die Robben tot aan zijn dood heeft gedragen vanaf het moment dat hij naar de kweekschool ging. In het boekje
Fraters, schreef Robben: 'Ik wist niet, dat ik later van deze hobby, in combinatie met mijn aanleg voor tekenen, de mensheid nog eens van dienst kon zijn met de Prent van de Week.'
Een week nadat de laatste Prent van de Week was
verschenen, plaatste Het Nieuwsblad dit zelfportret
met een in memoriam op dezelfde plek in de krant
waar anders altijd de Prent stond.
Bronvermelding
Kranten:
Nieuwsblad van het Zuiden: 30-4-1975, 17-10-1975, 9-9-1978, 29-9-1978, 2-10-1978, 6-10-1978, 11-10-1978, 21-10-1978, 24-10-1978, 28-5-1979, 2-6-1979, 31-10-1980, 19-12-1981, 27-3-1982,
Het Nieuwsblad: 17-5-1986, 16-2-1988, 17-2-1988, 29-10-1988.
Boeken:
Een 10 voor Robben (1988), Fraters, (z.j.), Tilburgs Prentebuukske delen I (1958), III (1969), V (1972) en VI (1975),
De Prent van de week in het Zilver (1978), Robben en Rooms (1982).
Interview met Bernard Robben, Goirle d.d. 22- en 30 juni 2001
Met dank aan Bernard van Dijk, Bernard Robben en Frans Tempelaars.
* Paul Spapens (1949) is journalist bij het Brabants Dagblad. Hij schreef een flink aantal boeken over o.a. Tilburg, Noord-Brabant, folkloristische onderwerpen en volksdevotie. Hij is voorzitter van de Stichting Tilburgse
Taol.







