Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
554. Een bijzonder Tilburgs missionaris
 

Titel:   

Een bijzonder Tilburgs missionaris

Ondertitel:   

Leven en werk van de zalige Peerke Donders (1)

Auteur:   

Karin Bijker*

Jaargang:   

XX (2002) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina’ s:   

3-12



Foto 1931

Peerke Donders, in 1925 geschilderd door 
Albin Windhausen (Coll. Petrus Donderskapel).



Peerke Donders werd op 27 oktober 1809 in Tilburg, aan de Heikant, geboren, in een klein huisje aan de Moerstraat, dat tegen een grotere woning aanleunde. Het huisje bestond uit een huiskamer, een weefkamer en een schuur. Vader Arnold Donders werkte als huiswever voor een Tilburgse lakenfabriek. Huiswevers kregen garen en andere benodigdheden van de fabrikant, weefden thuis de lakens en leverden die af bij de fabriek. 

Dit werk bracht vaak nauwelijks genoeg geld op om een gezin te kunnen onderhouden. Een bescheiden aanvulling leverde het kleine stukje grond dat de meeste families bezaten. Maar al met al leidden deze mensen een armoedig bestaan onder slechte hygiënische omstandigheden. Peerke's moeder, Petronella van den Brekel, stierf toen hij zes jaar oud was. Ruim een jaar later hertrouwde Arnold Donders met Johanna Maria van de Pas, die volgens de overlevering een goede stiefmoeder was voor Peerke en diens jongere broer Martin.

Een vrome weverszoon

Ondanks haar goede zorgen waren de beide jongens niet erg sterk. Martin was gehandicapt door een vergroeiing van zijn ruggengraat en Peerke had een zwak gestel. Zo zwak zelfs dat zijn bezorgde vader hem, zoals de mare gaat, bij regen van school kwam halen, hem in een meelzak liet springen en hem op zijn rug naar huis droeg. Aanleiding voor vader Donders’ bezorgdheid was waarschijnlijk dat hij voor Petronella van den Brekel al twee eerdere echtgenotes en drie jonge kinderen had verloren. Maar al had hij dan een zwak gestel, de kleine Peerke had een sterke wil: al op vijf- of zesjarige leeftijd gaf hij blijk van zijn wens priester te worden. Hij gaf hieraan in zijn spel uiting: hij bouwde altaartjes en een kapelletje van klei, hij speelde misje en hield preekjes voor de kinderen uit de buurt, staande in een wastobbe. 


     

     

     

Geromantiseerde prentjes naar A. Windhausen over het leven van Peerke Donders, uitgegeven als ansichtkaarten: 
Peerke preekt als kind in een wastobbe, in gebed in de Hasseltse kapel,  zijn aankomst in Suriname,
Peerke verpleegt de melaatsen, met de melaatsen op weg naar de Mariakapel en bij de bosnegers. (coll. RHC Tilburg).


Tot zijn twaalfde jaar ging Peerke Donders naar school, waar hij een stille, toegewijde, maar niet al te intelligente leerling schijnt te zijn geweest. Nadien moest Peerke bijdragen aan het gezinsinkomen. Hij leerde eerst om te spinnen, daarna hielp hij zijn vader bij het weven. Naar verluidt was hij tijdens de vele uren achter het weefgetouw voortdurend aan het bidden. Dit kwam zijn werk uiteraard niet altijd ten goede. Zo zou zijn werkgever, de lakenfabrikant Janssens-Van Buren, wel eens hebben geklaagd over de kwaliteit van het door Peerke geleverde werk. ‘Ach neen’, zei hij dan, ‘daar staan geen handen aan; 't is een sukkelaar. Maar men moet het hem vergeven, hij heeft het te druk met Onzen Lieven Heer’.(2) 

Een langgekoesterde wens

Zijn voor het gezin Donders noodzakelijke werk weerhield Peerke er niet van vaak de kerk te bezoeken. Hij woonde de zondagse missen bij en ging bovendien dagelijks in alle vroegte ter kerke om te bidden. Verder ging hij twee keer per week ter communie. De ingetogen religiositeit, die hij hierbij aan de dag zou hebben gelegd, viel de pastoor op en hij zag er een bestemming voor: hij vroeg Peerke de kinderen uit de buurt godsdienstles te geven. Dit was na de preekjes vanuit de wastobbe een tweede stap in de richting van een nog altijd ver ideaal: priester worden. Dat ideaal was vooral ook ver omdat de opleiding tot priester in die tijd voorbehouden was aan jongens uit gegoede Brabantse families. Toch trok Peerke Donders, toen hij tot vijf keer toe was afgekeurd voor militaire dienst vanwege zijn zwakke gezondheid en uiteindelijk vrijstelling van de dienstplicht kreeg, de stoute schoenen aan. In 1831 schreef hij zijn biechtvader, W. van de Ven van parochie het Goirke, een brief waarin hij zijn langgekoesterde wens uiteenzette. Hij was toen 22 jaar oud.


Foto 1906

Reconstructie van het geboortehuisje van Peerke Donders (rechts) aan 
de Moerstraat. (Coll. RHC Tilburg). 

De pastoor kende Peerke goed; hij was reeds in 1817 als kapelaan op het Goirke gekomen en was er vanaf 1826 pastoor.(3) Maar Van de Ven had gegronde redenen om te aarzelen aan het verzoek te voldoen. De kandidaat was immers niet bijzonder begaafd en ontwikkeld, hij was arm en kon nauwelijks gemist worden in het gezin. Anderzijds was de jonge Donders overtuigd van zijn doel en een voorbeeld voor de parochianen. De pastoor was hoe dan ook van mening dat hij de vasthoudendheid van zijn biechteling moest belonen. Naast zijn eigen persoon vond hij nog twee weldoeners om Peerke’s studie aan het kleinseminarie financieel mogelijk te maken. Het ging om G.W. van Someren, die van 1826 tot 1829 kapelaan van het Goirke was geweest, en later professor in de wijsbegeerte aan het kleinseminarie en professor in de theologie aan het grootseminarie werd, en de tot een Tilburgse fabrikantenfamilie behorende dame Maria Antonia Mutsaerts. 

Vervolgens pleegde Van de Ven overleg met de regent van het kleinseminarie Beekvliet te Sint Michielsgestel, J.H. Smits. Ze besloten voor de late leerling een tussenoplossing te kiezen, waardoor een waarachtige roeping niet werd tegengehouden en tegelijkertijd rekening werd gehouden met een mogelijke mislukking.(4) Peerke Donders zou aan het seminarie werken als huisknecht en mocht dan in zijn vrije tijd studeren. Beide partijen waren bij deze regeling gebaat omdat het kleinseminarie wegens de Belgische Opstand in 1830 een groot gebrek aan knechten had. Bij zijn aankomst op Beekvliet in 1831 werd Peerke’s voorkennis getest. Maar hij had alleen de lagere school doorlopen en had daar slechts in de godsdienstige vakken goede resultaten behaald. De regent beoordeelde zijn intellectuele bagage dan ook als te gering en besloot, in weerwil van de overeenkomst met Van de Ven, dat Donders voorlopig alleen als knecht zou werken. 

Desondanks bleef Peerke kennelijk geloven dat hij ooit zijn ideaal zou bereiken. Volgens de overlevering oefende hij zijn taken namelijk geduldig en toegewijd uit. Toen de regent en de professoren dat zagen, vonden ze dat hij een kans moest krijgen. Na een halfjaar mocht Peerke Donders dan ook alsnog de lessen volgen, en hoefde hij alleen 's avonds de knechten te helpen. Hij studeerde hard maar het resultaat bleef beperkt, behalve opnieuw in de godsdienstige vakken - daarin was hij altijd een van de besten. Zijn positie als knecht-student was ondertussen nogal ongemakkelijk. De knechten beschouwden hem als een flemer en de studenten, van wie de meeste zo'n tien jaar jonger waren, plaagden en treiterden hem. Maar volgens getuigenissen kreeg hij uiteindelijk toch van bijna iedereen medelijden of sympathie. Zijn eindexamen legde hij in 1837 af, met redelijke cijfers.

De Voortplanting des Geloofs

Inmiddels was Arnold Donders op 28 december 1834 gestorven en zijn weduwe was daarop teruggekeerd naar haar familie in Enschot. Peerke en Martin hadden het huisje aan de Heikant af laten breken en de grond verkocht. Martin was elders in de kost gegaan, en Peerke had gaandeweg zijn ogen op de missie gericht. Hij las de Annalen van de Voortplanting des Geloofs en ontwikkelde het voornemen missionaris in Noord-Amerika te worden. Dat voornemen sloot in zekere zin aan bij het advies dat de president van het grootseminarie, Ph. van de Ven, hem na zijn studie op Beekvliet gaf. Hij stelde dat het verstandiger zou zijn, bij een kloosterorde in te treden die in de buitenlandse missie werkzaam was en niet aan de studie op het grootseminarie te beginnen. Van de Ven betwijfelde of Donders’ weldoeners hun steun zouden aanhouden. Bij een kloosterorde zou Peerke in ieder geval de betrekkelijk sterke financiële basis hebben van de gemeenschap. 

Een groter bezwaar, zoals Van de Ven zich ongetwijfeld realiseerde, was dat de jongeman Donders wegens zijn afkomst niet gemakkelijk zou aarden in de kringen van de Bossche clerus, waar een zekere maatschappelijke standing meer dan wenselijk was.(5) Wat er ook van zij, Peerke Donders, die nooit naar het kloosterleven had getaald, nam de raad van de president in acht en bood zich aan bij drie ordes. Bij alledrie werd hij afgewezen: de jezuïeten vonden hem te oud, de redemptoristen vonden dat hij over te weinig kennis beschikte en de franciscanen zeiden hem het over een jaar nog eens te proberen. Hierop nam president Van de Ven hem, op 28-jarige leeftijd, toch maar aan op het grootseminarie Nieuw-Herlaar, vanaf 1839 gevestigd te Haaren. Ook hier studeerde Peerke hard, maar hij boekte nu veel betere resultaten. 

Houtsnede van Peerke Donders onder de melaatsen, door 
J.B. Sleper. Uit: Ben Rademaker CssR, Petrus Donders. 
Pelgrimage naar een melaatsendorp
(Bussum, 1956). 

Zijn weldoener Van Someren dacht inmiddels na over Peerke’s toekomst. Hij kende zijn belangstelling voor de missie en wees hem op het tekort aan priesters in Suriname. Voelde de ijverige seminarist ervoor in de kolonie missionaris te worden? Deze suggestie was alleszins tactisch. Een werkkring in Suriname zou een pijnlijke situatie voor alle betrokkenen voorkomen. Daarginds zou Donders minder uit de toon vallen; en de missionarissen in Suriname waren seculiere priesters, zoals hij er zelf ook een zou worden. Maar Peerke's belangstelling werd pas echt gewekt toen in 1838 J. Grooff, de apostolisch prefect van de Surinaamse missie, die naar Nederland was gekomen om missionarissen te werven, een lezing op Nieuw-Herlaar hield. Na een persoonlijk gesprek met Grooff zegde Peerke toe naar Suriname te komen wanneer hij de priesterwijding zou hebben ontvangen en zijn theologiestudie zou hebben voltooid. 

Op 26 april 1840 ontving hij de lagere wijdingen en het subdiaconaat, een jaar later de diaconaatswijding. Het was gebruikelijk dat er daarna nog een jaar verstreek voor de priesterwijding plaatsvond, maar Peerke Donders ontving deze wijding al op 5 juni 1841. Het is onduidelijk waarom. Mogelijk twijfelde de bisschop over het tijdstip waarop hij Peerke naar Suriname zou zenden, en wilde hij hem alvast beschikbaar hebben.(6) In het daarop volgende jaar voltooide Peerke in ieder geval zijn studie en was het wachten op het bericht dat hij kon vertrekken. Toen het zover leek te zijn, hield hij, op 22 mei 1842, onder grote belangstelling zijn afscheidspreek in de kerk van het Goirke. 

Dit, gezien de voorgeschiedenis opmerkelijke, voorlopige hoogtepunt in zijn levensloop werd voor het nageslacht vastgelegd in de Tilburgse Cronique van Lelie en De Beer: “1842. Op den 22 Mei heeft P. Donders een afscheidsSermoon gehouden in de Goirkensche Kerk. Hij gaat als missionaris naar America. Gemelde P. Donders is Tilburger van geboorte en van zeer minvermogende ouders.” (7) Maar de inscheping moest wegens slechte weersomstandigheden worden uitgesteld. In afwachting van verbetering ontbood de bisschop Peerke naar Leiden om in de tussentijd te werken als assistent van pastoor G. Hoes van Warmond. Uiteindelijk vertrok Peerke Donders op 1 augustus 1842 dan toch vanuit de haven van Den Helder. Op 16 september arriveerde hij in Paramaribo. Hij zou nooit meer voet op Nederlandse bodem zetten.

“Wee! Wee! Ja, duizendmaal Wee”

De eerste veertien jaar na zijn aankomst werkte Peerke Donders in Paramaribo, in die tijd een in katholieke ogen goddeloze en zedeloze stad. De verschillende in de stad vertegenwoordigde bevolkingsgroepen hadden ieder hun eigen religieuze, volgens de rooms-katholieke leer bijgelovige denkbeelden, en met de seksuele mores werd het volgens roomse maatstaven ook al niet zo nauw genomen. Bovendien hadden alle rijkere blanken slaven, die niet zelden op mensonterende wijze werden behandeld. Het was de slaven verboden rooms-katholiek te worden: zij zouden te veel tijd verliezen aan het kerkbezoek. De bekeerde slaven kwamen daarom in het geheim naar de kerk en werden in het geheim door de missionarissen bezocht. Die konden weinig anders tegen de slavernij doen dan protest aantekenen bij het gouvernement wanneer er al te buitensporige lijfstraffen werden toegepast. Het gouvernement volstond meestal met een geldboete voor de eigenaar van de slaaf in kwestie. 

Kapelaan Donders was aangedaan door wat hij waarnam. Hij drukte zijn afschuw uit in een brief aan zijn gewezen weldoener Van Someren, geschreven van 8 september tot 5 december 1846: “O! had men hier zoo veel zorg voor het behoud en welzijn der slaven, als men in Europa voor de lastdieren heeft, dan zou het er beter uitzien. Dan wilde ik UwEerw alles verhalen, hetgeen ik daarvan gehoord en gezien heb..., doch dit wil ik liever stilzwijgend voorbij gaan, want dit gaat alle verbeelding te boven, en ik ijs, als ik er aan denk, en wil mij dus liever bepalen om met een diep medelijden uit te roepen: `Wee! Wee! Suriname in den grooten oordeelsdag! Wee! Wee! Ja, duizendmaal Wee den Europeanen, den Eigenaren van Plantage-Slaven, den Administrateuren, den Directeuren en Blank-Officieren (die allen over de Slaven heerschen)!!! Ongelukkig zij, die zich met het zweet en bloed van die arme slaven, die geen verdedigers vinden dan God, verrijken.”(8) 

De kerk te Paramaribo waaraan Peerke Donders veertien jaar verbonden was. Uit: N. Govers CssR, 
Leven van den Eerbiedwaardigen Petrus Donders CssR. Apostel der indianen en melaatsen in 
Suriname
(Heerlen,1946).

Deze observaties zetten Peerke Donders in deze eerste jaren aan tot een naar verluidt niet aflatende inzet en ijver. Zijn werkzaamheden bestonden uit huisbezoek, godsdienstonderricht en het verzorgen van de verschillende diensten van de kerkelijke liturgie. De jongste missionaris stoorde zich aan tropische hitte noch aan onwillige slaveneigenaars. Hij bleef net zo lang terugkomen totdat hij de gelegenheid kreeg zijn parochiaan te spreken. Die hardnekkigheid kenmerkte hem; zij spreekt ook uit het feit dat, zoals zijn biografen benadrukken, Peerke Donders in de biechtstoel tamelijk streng was en dikwijls zware penitenties oplegde. Zijn reputatie werd in zijn vroege Surinaamse jaren al geschraagd door opmerkelijke daden. Zo schonk hij, hoewel hij geen salaris kreeg van het gouvernement en zelf geen fondsen had, het kleine maandelijkse bedrag dat de prefect hem gaf, grotendeels aan de armen. Ook zijn eigen kleding en voedsel gaf hij regelmatig weg. Deze gewoonten dreven apostolisch prefect Grooff en diens opvolgers weliswaar soms tot wanhoop, maar Peerke zal er voldoende bekeerlingen tegenover hebben gesteld om zijn aanpak te kunnen rechtvaardigen. Al snel was Grooff volgens de bronnen zelfs zo met hem ingenomen dat hij, toen hij in 1843 een paar weken in Nederland verbleef, Martin Donders bij zich liet komen om hem in kennis te stellen van het goede werk dat zijn heerbroer voor het ‘heil der zielen’ verrichtte.(9) 

Het rijk der jammeren

In 1855 werd Peerke Donders aangesteld als pastoor van het melaatsenetablissement Batavia. Batavia lag aan de Coppenamerivier, ver verwijderd van de stad. Er waren ongeveer vier- tot vijfhonderd leprozen samengebracht, die onder ook voor die dagen erbarmelijke omstandigheden leefden. Deze melaatsen waren vooral negerslaven. De nederzetting werd bestierd door een van overheidswege aangestelde directeur, die nauwelijks beschikte over medisch personeel. Pastoor Donders zette zich met korte onderbrekingen tot zijn dood in voor de zieken te Batavia. Hij bezocht hen dagelijks, verbond en waste hun wonden, en gaf hun van zijn eigen voedsel en kleding. 

Donders deed er alles aan om de lepralijders gedisciplineerd katholiek te maken en te houden. Hij stimuleerde het godsdienstige leven, onder meer door het organiseren van processies, het geven van catechismuslessen, het lezen van missen, en het afnemen van de biecht, vanzelfsprekend met oplegging van penitenties. Verder sloot hij huwelijken, doopte hij en verzorgde hij begrafenissen. Wat hij zag als afgoderij en zedeloosheid, probeerde Peerke niet alleen door middel van rechtstreekse correcties te bestrijden, maar ook door te streven naar een verbetering in de algehele levensomstandigheden. Zo bepleitte hij bij het gouvernement een betere hygiëne -  en met succes: er kwamen houten vloeren in de hutten, de patiënten kregen bedden en de doden lijkkisten. Er kwam gezond dienstpersoneel door zijn toedoen; en hij zorgde ervoor dat gezonde kinderen werden verwijderd en elders een opvoeding kregen.

Brief van Peerke Donders die hij als ‘pastoor van het Etablissement Batavia, 
waar de lepreusen verpleegd worden’ op 24 september 1882 schreef aan de 
Tilburgse dames van de Sacramentsvereniging. Deze in 1863 opgerichte 
religieuze vereniging hield zich bezig met het vervaardigen en repareren 
van paramenten, die met name aan de kerken in de missiegebieden geschonken 
werden. In een bijgevoegde lijst zet Donders zijn wensen op een rij: van witte 
zijde om het tabernakel van binnen te bekleden tot toogjes voor de misdienaars 
(coll. Enneking-Van de Mortel in het RHC Tilburg).


Peerke Donders leefde meer dan een kwart eeuw op Batavia. Dat dit geen sinecure kan zijn geweest, blijkt uit een deel van de Beschrijving der in de kolonie Suriname voorkomende Elephantiasis en Lepra, waarin A. van Hasselaar, een lid van het Collegium Medicum te Paramaribo dat het melaatsendorp in 1835 bezocht, getuigt: “Nooit vergeet ik de eerste indruk, die Batavia op mij maakte, toen wij enige huizen waren binnengeleid en ik daar de verwoesting zag, welke door de melaatsheid in haar grootste woede wordt aangericht. Het is onmogelijk zich een denkbeeld te vormen van de monsters die wij daar aantroffen. Wij vonden er wier lichamen zodanig met grote, opgezette knobbels waren overdekt, dat de huid meer naar de bast van een oude wilgenboom dan naar het bekleedsel van een mens geleek. Er waren er verscheidenen, die noch handen noch voeten meer hadden. Het grootste gedeelte van het gehemelte en neusbeenderen verloren zijnde, waren de stemmen zo hees, dat het geluid dat zij voortbrachten onverstaanbaar was, zodat men geen woordenklank kon onderscheiden. (...) In één woord, het was de grootste verwoesting in menselijke lichamen, die ik ooit in mijn leven gezien heb en er nooit meer hoop te zien. De stank in de huizen bij enigen was zo verschrikkelijk, dat enige heren der commissie naar buiten vluchtten om te braken. Wij waren allen verblijd deze onaangename taak te hebben afgedaan en verlangden nu niets meer dan zo spoedig mogelijk dit rijk der jammeren te verlaten.”(10) 

De meest verlaten zielen

In 1863 werd in Suriname de slavernij afgeschaft. Voor de missie betekende dit extra alertheid want de nieuwe bewegingsvrijheid veroorzaakte: “zekere onrust in het werk en in de menschen. In de menschen zelven vond die onrust bovendien aanwakkering door het meer en meer bewust worden van de gewonnen vrijheid en den opvlammenden lust om daarvan ten volle te genieten, waartegenover plichten ongaarne werden aanvaard.”(11) Er konden nu dus enerzijds veel meer mensen bereikt en bekeerd worden, terwijl anderzijds gewaakt moest worden voor geestelijke verwatering bij degenen die reeds bekeerd waren. Dit gegeven was problematisch. Dat kwam doordat de missie werd bemand door wereldgeestelijken die uit vrije keuze naar Suriname moesten komen en dat, met het vooruitzicht van veel en hard werken in een afmattend tropisch klimaat, in onvoldoende mate deden. Wanneer er een priester in de kolonie stierf, was het daarom bepaald onzeker of zijn plaats weer op korte termijn zou worden ingenomen. 

Maar om aan de nieuwe situatie het hoofd te kunnen bieden, waren dringend meer missiekrachten nodig. De personele perikelen zou Rome op kunnen lossen door de Surinaamse missie toe te kennen aan een religieuze orde. Zo zouden priesters verplicht kunnen worden naar Suriname te gaan, op grond van de vereiste gehoorzaamheid aan hun provinciale overste. De internuntius in Den Haag vond de Nederlandse redemptoristen bereid de missie aan te nemen. De redemptoristen ofwel de congregatie van de Allerheiligste Verlosser konden daartoe als toegerust worden beschouwd sinds zij in 1855 een Nederlandse provincie hadden met kloosters te Wittem, Amsterdam, ‘s-Hertogenbosch en Roermond. De congregatie legde zich toe op de buitengewone zielzorg onder ‘de meest verlaten zielen’. Zij predikte een liefdevolle en barmhartige God. Bekeringen dienden niet op angst te berusten, maar moesten de bekeerlingen in hart en ziel bewegen. Het ging de redemptoristen om de duurzaamheid van de bekering en om de verdieping van het christelijk leven.(12) Oppervlakkig zieltjes winnen volstond dus niet. 

Peerke Donders (1809-1997), gefotografeerd door de Surinaamse fotograaf 
Eugen Klein (vm. coll. J. Dankelman CssR, Nijmegen; foto RHC Tilburg).


Op 26 maart 1866 kwamen de eerste redemptoristen in Paramaribo aan. Peerke Donders, toen 57 jaar oud, deed een verzoek tot intreding bij de congregatie. Hij was op de hoogte van aard en strekking van het werk van de redemptoristen en voelde zich er sterk door aangesproken. De volgens de overlevering probleemloze overgang van Donders naar de kloosterlijke staat kan inderdaad mede te danken zijn geweest aan overeenkomsten tussen zijn religieuze beleving en taakopvatting en de redemptoristische voorschriften. De nadruk die de redemptoristen legden op gebed, Mariaverering en verstervingen sloot aan bij zijn leefwijze. Terugkeer naar Nederland was voor hem trouwens ook een weinig aantrekkelijk alternatief. Behalve dat hij het werk onder zijn ‘kinderen’, zoals hij de leprozen noemde, wilde voortzetten, zou hij met zijn leeftijd en afkomst moeilijk zo niet onmogelijk aan passend parochiewerk zijn gekomen. Uitzending naar een andere missie had tot de mogelijkheden behoord, maar vanaf 1860 werden langzamerhand zo goed als alle missies door ordes overgenomen. Het Surinaamse avontuur van de redemptoristen paste wat dat aangaat dus in een trend.

Was hij maar jonger 

Op 24 juni 1867 legde Peerke Donders zijn kloostergeloften af. Zijn overste, mgr. J.B. Swinkels, toonde zich in een brief aan de provinciale overste in Nederland niet ontevreden met de nieuwe aanwinst: “Hij heeft hier den naam van een heilige. Bidden, zich versterven, aalmoezen geven is zijn genoegen. De armste, afzichtelijkste en zwaarste zondaars bewerkt hij bij voorkeur. (…) Zijn inborst is zeer levendig — als onverstoorbaar in gemoedsstemming — minzaam in den omgang met zijne medebroeders; het eenige, wat ik in hem anders zou wenschen, is, dat hij veel jonger ware. Hij heeft hier bij jood en ketter, bij rijk en arm, zelfs bij den Gouverneur en bij de hoogste ambtenaren den grootsten invloed. Hij is zeer gezond en zeer taai.”(13) In zijn dagelijkse werk op Batavia werd pater Donders voortaan bijgestaan door een of meerdere confraters. Een lekenbroeder verzorgde het huishouden op de pastorie. Verder was Peerke verplicht om enige malen per jaar gedurende twee weken naar de stad te reizen om daar in de communiteit te verblijven. 

Al met al bood de nieuwe situatie de mogelijkheid het werkterrein uit te breiden. Peerke Donders maakte lange reizen om nederzettingen van indianen en van bosnegers te lokaliseren en vervolgens regelmatig te bezoeken. Hij stuitte op veel weerstand, vooral van de piaai(medicijn)-mannen. Maar deze tegenstand wist hij grotendeels te breken met behulp van wat een centralisatieplan genoemd zou kunnen worden. Pater Donders wist gedaan te krijgen dat de gouverneur de piaaiman Christiaan benoemde tot opperhoofd van alle Indiaanse groepen die tussen de Corantijn en de Surinamerivier woonden. De desbetreffende oorkonde en een bij dit luisterrijke ambt passend geachte staf met een vergulde knop, die hij een broeder had laten maken, bracht de pater zelf. Christiaan bekeerde zich onmiddellijk en stond Donders toe zich op zijn zojuist verkregen gebied vrij te bewegen. Het opperhoofd ‘verviel’ overigens later toch weer tot zijn piaai-activiteiten, maar zou als christen zijn gestorven.

Vervolgens trad de tweede fase van Donders’ campagne in werking. Die behelsde dat hij telkens terugkeerde in de Indianenkampen om zich te verzetten tegen ‘bijgelovige’ praktijken, daarmee respect af te dwingen en zo bekeerlingen te maken. Het werkte: in 1882 kon hij zijn overste berichten dat hij 662 indianen had gedoopt.(14) Bij de bosnegers had de missionaris veel minder succes. De meesten wilden niets van het christendom weten. Dit was allerminst verwonderlijk; deze weggelopen slaven hadden immers niet de meest geweldige ervaringen opgedaan met blanken en hun geloof. In eerste instantie haalde pater Donders zich ook nog hun woede op de hals doordat hij in zijn verontwaardiging over de door hem aangetroffen ‘heidense’ praktijken enkele ‘afgodische’ voorwerpen aan stukken smeet. Later maakte hij alsnog enige bekeerlingen en vond hij zelfs een bosnegerkapitein bereid tot het oprichten van een missiepost. Maar die kwam er niet omdat er onvoldoende missionarissen beschikbaar waren. Dat neemt niet weg dat Peerke de dorpen bleef bezoeken.

Een schat van religieuze en priesterlijke deugd

In 1883 hoorde zijn overste tijdens een kerkelijke visitatie te Batavia tot zijn verbazing enkele leprozen een klacht tegen Peerke Donders indienen. De missionaris zou te oud worden en daarom in zijn preken onverstaanbaar zijn. Hoewel Peerke inderdaad tandeloos was, kwamen de bezwaren volgens zijn biografen slechts van enkele leprozen die weigerden af te zien van hun liederlijke leefwijze. Hoe dan ook bood het voorval de overste een aanleiding voor de uitvoering van zijn voornemen om Donders naar Paramaribo te halen voor een wat langer verblijf in het klooster. Pater Donders nam vervolgens gedurende acht maanden de zielzorg voor de armen en de zieken in de stad waar. Vervolgens werd hij overgeplaatst naar Coronie. Pater A. Bossers legde in die tijd in de kronieken van de missie vast: “Geen der Missionarissen heeft zich zoo vele jaren, onafgebroken ten dienste van Suriname's katholieken en heidenen, inzonderheid op het leprozenetablissement, geheel en al ten offer gebracht, als de Eerw. Heer Donders. Thans nog, 23 Mei 1884, na een bijna 42-jarig verblijf in de Kolonie en op vijf-en-zeventigjarigen leeftijd is hij aanhoudend werkzaam voor het heil der zielen en in den regel met eene rapheid, als ware hij een jeugdig priester.”(15) 

Jeugdig was hij natuurlijk allerminst toen hij in 1885 terugkeerde naar Batavia en daar zijn oude bezigheden weer opnam: het bezoeken van plantages, indianennederzettingen en bosnegerdorpen, en de zorg voor de melaatsen. Die zorg gold intussen minder verpleegden dan voorheen, want hun aantal was na de afschaffing van de slavernij flink gedaald: van tweehonderd personen in 1866 tot 148 in 1872 en omstreeks honderd vanaf 1878.(16) Wel woonden er bij Donders’ terugkeer naast de patiënten nog altijd zo'n zeventig andere personen in Batavia, waaronder de geestelijken, de huisbedienden, de roeiers en de arts en de directeur met hun gezinnen. Hun aanwezigheid zal ook enige rapheid hebben gevergd want op de laatstgenoemden en nog enkelen na waren inmiddels alle bewoners rooms-katholiek.(17)

De Tilburgse fraters hadden op 11 oktober 1933 op de plantage Batavia in het 
Surinaamse district Coppename een houten kruis op het eerste graf van hun in 
1887 overleden stadgenoot Peerke Donders geplaatst. Het kruis werd in 1938 
vervangen door een grafmonument. (coll. RHC Tilburg).


Het is niet overdreven te stellen dat dit een succes was waarop pater Donders nu, aan het eind van zijn leven, kon terugkijken. Want ondanks zijn vermaarde taaiheid was hij daar aangekomen. Hij werd op 1 januari 1887 ernstig ziek en de arts kon wat een nierontsteking bleek te zijn niet meer genezen. Peerke Donders stierf op vrijdagmiddag 14 januari 1887 en werd de volgende dag te Batavia begraven. Zijn overste had vanuit Paramaribo nog een boot gezonden om hem op te halen en in de stad te laten verplegen, maar die hulp kwam te laat. In zijn lijkrede roemde hij de overledene als volgt: “Van den eersten dag af, heeft hij zich als een volmaakt religieus gedragen, volmaakt in alles. Nooit, nooit hebben zijne Oversten of zijne medebroeders iets berispelijks in hem kunnen opmerken. Al aanstonds moesten wij bekennen, — en wij bekennen het onder dankbaar opzien tot Hem van wien alle goed neerdaalt —, dat Hij ons in P. Donders een waren schat van religieuze en priesterlijke deugd geschonken had. Wij maakten er ook voor elkander geen geheim van, dat wij in Pater Donders onzen meester gevonden hadden!” (18)

Buitengewoon in het gewone

Het meesterschap, waarvan de overste sprak, was gelegen in de wijze waarop Peerke Donders zijn roeping als priester en kloosterling gestalte had gegeven. Hij wist een actief met een contemplatief leven te verenigen. De zielzorg, zo stellen degenen die zich uitlieten over Donders' spiritualiteit, vormde zijn middel tot een hogere vereniging met God.(19) Hij leidde een nederig, bescheiden, werkzaam en sober leven (20), en dat gaf hem de faam dat hij zich in het gewone buitengewoon toonde. Dat maakte hem een typische redemptorist. Volgens de normen van zijn tijdgenoten moet Peerke dan ook een schier ideale geestelijke zijn geweest. Zijn biografen dichtten hem in elk geval bij die status passende kwaliteiten toe als: eenvoud, moed, ingetogenheid, geduld, voorzichtigheid, nuchterheid, opgeruimdheid, oprechtheid, ijver, vastberadenheid, invoelingsvermogen en dankbaarheid. 

Ongetwijfeld zijn andere eigenschappen bij dergelijke inventarisaties wat op de achtergrond geraakt. Zo schreef de visitator bijvoorbeeld in 1882 in zijn verslag: “Geestelijke vermogens tamelijk middelmatig, zijn geheugen is goed, zijn oordeel juist en helder. Kennis tamelijk gering, maar de deugd vult aan.” (21) En: “Geschiktheid voor het bestuur. Op zijn leeftijd zal men er niet meer aan denken hem er mee te belasten. Ik twijfel trouwens of zijn talenten hem geschikt zouden doen zijn voor een min of meer voornaam ambt.” (22) Het is al met al bepaald aannemelijk dat zekere beperkingen voor Peerke Donders de krachtige motor vormden achter zijn niet aflatende bekeringsdrang. Zijn biografen roemen zijn onverstoorbare blijmoedigheid en onwankelbaar Godsvertrouwen. “Hoe grooter de moeilijkheden waren, des te hooger vlamt zijn ijver op.” (23)

Opmerkelijk zijn de verstervingen die Peerke Donders zichzelf — zij het meer dan vereist en, mogelijk, gepast was — oplegde. Hij vastte drie dagen per week. In de voormiddag droeg hij enige uren een cilice en ‘s avonds geselde hij zichzelf met een koord vol spelden en nagels. Na het geselen ging hij ‘s nachts enige uren naar de kerk of de begraafplaats om er te bidden. Vervolgens sliep hij op de vloer of op een houten bed zonder matras. Pater Donders hield deze verstervingen naar verluidt verborgen. Hij wilde klaarblijkelijk geen openlijke uitzondering in de kloostergemeenschap zijn, maar hij viel natuurlijk toch op: “Vleesch at hij niet, voorgevend dat het ‘te taai’ was; geen soep, omdat ze ‘te zout’ heette; wijn gebruikte hij niet, omdat ‘hij liever water dronk’; de fel stekende muskieten sloeg hij niet af, omdat hij zeide, hun beten niet te voelen; de walgelijke lucht der leprozenhutten ademde hij zonder teekenen van weerzin in, omdat hij `er aan gewoon was'. (...) Als men hem voorhield, dat de hitte der tropen een siësta in het middaguur noodzakelijk maakte, antwoordde hij, dat hij over vermoeidheid niet te klagen had en `gewoon' was zoo maar stilletjes door te werken.” (24)


Het tijdelijke graf van Peerke Donders op de plantage Batavia is in 1900 overgebracht naar de kathedraal 
van Paramaribo. Daar werd hij aanvankelijk bijgezet in een graf achter de sacristie en vanaf 1921 voor 
het St. Jozefaltaar in de kathedraal. (coll. RHC Tilburg). 


Naast de verstervingen zou Peerke Donders ook wonderen hebben verricht. Maar hij verbood degenen die daarvan getuige waren geweest daarover te spreken. Uiteraard voldeed niet iedereen aan deze wens en na zijn dood kwamen er heel wat wonderverhalen boven tafel. Zo bracht pater Donders op een tocht in de tentboot een storm tot zwijgen door deze toe te spreken in het Latijn, een voor de roeiers onbegrijpelijke taal. Op dezelfde manier verjoeg hij een zeekoe definitief uit de baai waarin deze door een korjaal om te duwen enkele kinderen had laten verdrinken. Verstokte zondaars werden na pater Donders’ voorzegging zwaar gestraft, zoals het volgende voorbeeld illustreert: “Een vrouw te Batavia hield eenen ongeoorloofden omgang. Toen alle berispingen vergeefsch waren, sprak Gods Dienaar: ‘gij zult sterven als een hond’. Eenige dagen daarna werd de vrouw ziek en kon niet meer spreken, maar blafte als een hond en stierf.” (25)

Een potentiële heilige

Tijdens zijn leven hebben de redemptoristen in Peerke Donders beslist een potentiële heilige herkend. Het is de vraag of Peerke dat zelf heeft geweten. Opvallend is in ieder geval wel dat hij soms ineens afwijkend gedrag vertoonde. Zo kon de verstorven man zich plotseling wel eens extra eten opscheppen of op een vastendag een pijp roken, daarmee zijn heilige reputatie verstorend. Maar kennelijk lag het er nogal dik bovenop dat Peerke hiermee wilde voorkomen dat hij zich van zijn confraters zou onderscheiden. Dergelijk gedrag was in ieder geval geen aanleiding voor zijn oversten om hem niet langer nauwlettend in de gaten te houden. Zij troffen maatregelen om zijn faam vast te leggen. Zijn confrater in Batavia kreeg in 1882 bijvoorbeeld de opdracht Donders’ gedrag op schrift bij te houden. Ook bleek zijn overste in 1886 “eenige haren van den Eerbiedwaardigen man” te bewaren, “al sinds jaren in mijn bureau bij soortgelijke heiligdommetjes.” (26) De provinciale overste had Donders’ brieven zorgvuldig apart gehouden.(27) 

Een nieuwe heilige in de gelederen van de redemptoristen was namelijk meer dan welkom. De congregatie beschikte over slechts één heilige, de stichter. En dat terwijl heiligen een voorbeeldrol voor de gelovigen konden vervullen en bovendien door hun wervende uitstraling nieuwe novicen voor de congregatie zouden kunnen interesseren. De Nederlandse redemptoristenprovincie was nog in volle groei en kon nieuwe aanwas goed gebruiken. Dat was de achterliggende reden van de oplettendheid van Peerke Donders’ confraters, los van hun eigen verering voor de man, die ongetwijfeld een inspiratiebron vormde. Na Donders’ dood werd dan ook vooronderzoek verricht, waaruit bleek dat zijn reputatie inderdaad onbesproken was. Dat maakte de weg vrij om een kerkelijk zalig- en heiligverklaringsproces te kunnen starten voor Peerke Donders. Want de mensen in zijn omgeving mochten dan wel vinden dat ze met een heilige te maken hadden, maar dat moest volgens de kerkelijke wetten eerst nog bewezen worden.

In 1900 gingen de zogenaamde diocesane processen van start in Paramaribo en ‘s-Hertogenbosch, de bisdommen waartoe Peerke Donders had behoord. Aan de hand van 183 stellingen en artikelen werden in Paramaribo 46 getuigen en in Den Bosch 73 getuigen gehoord. Dit was het begin van een langdurige procedure, waarvan het eerste gedeelte in 1913 werd afgesloten met de goedkeuring van de gevoerde diocesane processen door het verantwoordelijke orgaan te Rome, de Ritencongregatie. Dit bracht met zich mee dat Peerke Donders voortaan met het predikaat ‘Eerbiedwaardige Dienaar Gods’ aangeduid mocht worden. Na de diocesane processen volgden nog uitgebreide apostolische processen in 1914, 1915, 1919, 1931 en 1936. In 1938 vaardigde paus Pius XI het decreet uit dat de geldigheid van de tot dan toe gevoerde processen bekrachtigde. In 1941, 1942 en 1943 werden in Rome drie vergaderingen over het deugdenleven van Peerke Donders belegd, waarin de algemene postulator alle bezwaren tegen de kandidaat-heilige van de ‘advocaat van de duivel’ wist te weerleggen. Paus Pius XII kondigde vervolgens op 25 maart 1945 het decreet af waarin hij verklaarde dat Donders de deugden ‘in heldhaftige graad’ had beoefend. 



In 1900 gingen de diocesane processen van start (coll. RHC Tilburg).


De procedure was nu in haar geheel doorlopen. Wat vooralsnog ontbrak voor de daadwerkelijke zaligverklaring waren twee in Rome goedgekeurde, dat wil zeggen niet op natuurlijke wijze verklaarbare, wonderen. Peerke Donders had inmiddels heel wat gebedsverhoringen op zijn naam staan en, naar later bleek, ook al een wonderbaarlijke. In 1929 was in Tilburg de anderhalf jaar oude Louis Westland genezen van beenmergontsteking. Na een incisie zou de wond aan zijn knietje in één nacht zijn genezen op voorspraak van pater Donders. De medische commissie in Rome, die zich in 1931 over deze gebedsverhoring boog, verklaarde tot tweemaal toe dat hier geen sprake was geweest van een wonderbaarlijke genezing. Pas in 1976 ontdekten de redemptoristen dat in de documenten die de commissie voorgelegd had gekregen, stond dat de wond binnen drie dagen in plaats van in één nacht was gedicht. Een nieuwe vergadering bracht de uitslag dat het hier wel degelijk een niet op natuurlijke wijze te verklaren genezing, een wonder, betrof. 

Op 11 september 1980 besloot paus Johannes Paulus II, daarbij voor het tweede wonder ontheffing verlenend, tot de zaligverklaring van Peerke Donders, die plaats vond op 23 mei 1982. Voor een eventuele heiligverklaring zijn volgens de procedure nogmaals twee wonderen of dispensatie daarvoor op grond van een ‘constante faam van tekenen’ vereist. Het is onduidelijk of de heiligverklaring van Peerke Donders binnen enkele jaren te verwachten valt. Dat neemt niet weg dat leven en werk van de arme weverszoon en bijzondere missionaris van de Heikant nog steeds vele mensen in zowel Nederland als Suriname aanspreken. Door hen wordt Peerke Donders dan ook al als een heilige beschouwd.

Noten

(1) Voor de beschrijving van het leven van Peerke Donders heb ik me gebaseerd op verschillende boeken, die voor een groot deel overlappende informatie bevatten. De belangrijkste Nederlandstalige levensbeschrijvingen zijn: A. Beukers C.ss.R. & F. Schweigman C.ss.R., Twee Missionarissen onder de Melaatschen en Indianen van Suriname. Roermond 1894; door een Priester van dezelfde Congregatie, Leven van den Dienaar Gods Petrus Donders, Priester der Congregatie van den Allerh. Verlosser. ‘s-Hertogenbosch 1900; J. Kronenburg C.ss.R., De Eerbiedw. Dienaar Gods Petrus Donders C.ss.R. Nieuwe Levensbeschrijving. Tilburg 1925; Jozef Boon C.ss.R., Het leven van Peerke Donders in twaalf kapittelkens verteld. Hilversum 1930; N. Govers C.ss.R. Oud-Missionaris van Suriname, 45 Jaren onder de Tropenzon. Leven van den Eerbiedwaardigen Petrus Donders C.ss.R. Apostel der Indianen en Melaatsen in Suriname. Heerlen 1946; H. Helmer C.ss.R., Een groot Nederlander in Suriname. Leven en werken van den Eerbiedw. Dienaar Gods Petrus Donders. Tilburg 1946; H. Helmer C.ss.R., De levensdag van de Eerbiedwaardige Dienaar Gods Petrus Donders. Amsterdam 1963; Ben Rademaker C.ss.R., Petrus Donders. Pelgrimage naar een melaatsendorp. Bussum 1956; Bas Mulder C.ss.R., Petrus Donders. Apostel van de melaatsen. z.p. 1979; J.L.F. Dankelman C.ss.R., Peerke Donders. Schering en inslag van zijn leven. Hilversum 1982; J. Verhees, Peerke Donders. Apostel van de melaatsen en de indianen. Brugge 1984. 
Deze biografen waren allen priester en, met uitzondering van Verhees, redemptorist. Deze bronnen zijn dan ook hagiografisch van aard. Het is voor de schrijver erg lastig, zo niet onmogelijk, mythe en realiteit te ontwarren. Het ‘werkelijke’ leven van Petrus Donders is niet meer te achterhalen of exact te reconstrueren. Slechts wanneer er sprake is van niet elders vermelde gegevens, noem ik de betreffende bron.
(2) Kronenburg, J. C.ss.R., De Eerbiedwaardige Dienaar Gods Petrus Donders C.SS.R. Nieuwe Levensbeschrijving. Tilburg 1925, pagina 17.
(3) Schutjes, L.H.C., Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch. St. Michiels-Gestel 1876 deel V, pagina 722.
(4) Helmer 1946, pagina 8-9.
(5) Helmer 1963, pagina 8.
(6) Dankelman 1982, pagina 42.
(7) Lelie, L. de & J.B. de Beer, Uit het dagboek van een Tilburger. Cronique in en omtrent Tilburg voorgevallen. Tilburg 1918, pagina 111.
(8) Grinsven, M. van C.ss.R., Brieven van de Eerbiedwaardige Petrus Donders als wereldgeestelijke (1841-1867) verzameld en met korte toelichtingen voorzien. Tilburg 1947. Peerke Dondersreeks nr. 10, pagina 26.
(9) Kronenburg 1925, pagina 85.
(10) Van Hasselaar 1835, geciteerd in Helmer 1946, pagina 65-66.
(11) Staal, G.J., Nederlandsch Guyana. Een kort begrip van Suriname. Amsterdam z.j. (1928/29), pagina 146.
(12) Rey-Mermet, Th., Le saint du siècle des lumières. Alfonso de Liguori (1696-1787). Paris 1982, pagina 326 en 446-447.
(13) Kronenburg 1925, pagina 146.
(14) Tooren, G.A. van C.ss.R., "De eerste reis van P. Donders naar de Caraïben" In: "Petrus Donders". 1926 No. 4. Zesde jaargang, pp. 73-74, pagina 74.
(15) Chronica Haec chronica Missionis Surinamensis conscribere incapit. Rev. Pater Adr. Bossers, currente mense Novembris anni millesimi octingentissimi octagesimi tertii A. Bossers CSSR. Deel I 1683-1891 (handschrift). Vice-provinciaal archief van de redemptoristen te Paramaribo, pagina 181.
(16) Govers 1946, pagina 234.
(17) Chronica I 1883, pagina 330.
(18) Kronenburg 1925, pagina 1701-71.
(19) Verschueren, L. O.F.M., "Peerke Donders" In: Nederlandsche Katholieke Stemmen. Zwolle 1941, pp. 153-161, pagina 161.
(20)Dekkers, I., "Esquisse de la spiritualité du bienheureux Peter Donders" In: Studia Dondersiana. Romae 1982, pp. 278-291, pagina 279.
(21) Govers 1946, pagina 256.
(22) Ibid, pagina 257.
(23) Geurts, P., "De Eerbiedwaardige Petrus Donders" In: Gestalten en gedachten. Eerste deel. Amsterdam 1928, pp. 77-108, pagina 99.
(24) Ibid, pagina 101.
(25) Walle, J.A.M., Stellingen en Artikelen voor te stellen in de Zaak der Zalig- en Heiligverklaring van den Dienaar Gods Petrus Donders. Paramaribo 1900, pagina 48.
(26) Govers 1946, pagina 340.
(27) Ibid, pagina 341.


* Mevrouw drs. C. Bijker (1962) studeerde Culturele Antropologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. In 1987 verrichtte zij in het kader van haar afstuderen onderzoek naar het ontstaan en de ontwikkeling van de devotie tot Peerke Donders in Tilburg. Na haar afstuderen in 1988 zette zij dit onderzoek nog enige tijd voort. In 1989 verrichtte zij aanvullend onderzoek in Suriname. Karin Bijker is werkzaam als onderwijscoördinator van de faculteit Sociaal-Culturele Wetenschappen aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.