Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
574. Mr. Pius Arts (1881-1955) 
 

Titel:   

Mr. Pius Arts (1881-1955)

Ondertitel:   

De politicus van diverse katholiek-democratische partijen

Auteur:   

Anton van Oirschot *

Jaargang:   

XXI  (2003) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina’ s:   

21-25


De Tilburgse advocaat en politicus mr. Pius Arts (1881-1955) zou bekend worden als de man van de vele katholiek-democratische politieke partijen, zowel op landelijk, provinciaal als plaatselijk gebied. Hij begon voor de politieke organisatie van katholieken in Nederland, opgericht in 1904 als Bond van Katholieke Kieskringen. Later werd dat de R.K. Staatspartij, waarvoor Pius Arts tussen 1913 en 1922 lid werd van de gemeenteraad van Tilburg.

Mr. Pius Arts (1881-1955) (Coll. RHC Tilburg).


Hij sloot zich echter in 1922 aan bij de toen pas opgerichte R.K. Volkspartij, die een socialer en democratischer programma voorstond dan bij de R.K. Staatspartij het geval was. Toen deze volkspartij, die gezien werd als de voornaamste katholieke splinterpartij in Nederland, in 1933 fuseerde met de Katholieke Democratische Bond tot de Katholieke Democratische Partij was het opnieuw Pius Arts, die hiervoor zitting kreeg in de gemeenteraad van Tilburg, in de Provinciale Staten van Noord-Brabant en in de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij op persoonlijke titel – de Vrije Lijst Arts – weer aangezocht voor de voorlopige gemeenteraad van Tilburg. Bij de verkiezingen in 1946 behaalde de Lijst-Arts twee zetels. Pius Arts sloot zich in 1949 uiteindelijk aan bij de KVP, die de oude benaming van zijn vroegere Rooms-Katholieke Volkspartij had overgenomen.

De politicus-advocaat mr. Pius Arts werd geboren in Tilburg op 29 september 1881 als zoon van Antoine Arts, oud-zoeavenofficier en oprichter-uitgever van de Nieuwe Tilburgsche Courant (NTC) in 1879 en het Tilburgsch Dagblad van het Volksbelang in 1898, samen in 1900 verenigd in de NTC.
Pius Arts studeerde aan de gymnasia in Roermond en in ’s-Hertogenbosch en vervolgens rechten aan de Universiteit van Utrecht; hij werd in 1908 doctor in de rechtswetenschappen. In 1911 trouwde hij in Tilburg met Leonie Gimbrère, dochter van een paraplufabrikant. Zij kregen twee zonen en twee dochters. Mr. Pius Arts, politicus in hart en nieren, had tien jaren zitting in de Tweede Kamer voor kleine politieke partijen, meer dan twintig jaren in de Provinciale Staten van Noord-Brabant en meer dan veertig jaren in de Tilburgse gemeenteraad.

Spelers van het eerst elftal van Willem II, seizoen 1904-1905. Geheel links zittend Pius Arts 
(Coll. RHC Tilburg).

Het bestuur van de R.K. Leeszaal in Tilburg omstreeks 1913. Vierde van rechts mr. Pius Arts 
(Coll. RHC Tilburg).


Pius Arts was een kleurrijke figuur in de Tilburgse en in de landelijke politiek, waarin hij de voorman werd, eerst van de Rooms-Katholieke Volkspartij en later van zijn Katholieke Democratische Partij. Aanvankelijk had hij zich aangesloten bij de R.K. Staatspartij, welke naam pas werd gevoerd vanaf 1926 door de politieke organisatie van katholieken in Nederland, in mei 1864 opgericht als Bond van Katholieke Kieskringen. 

Voor het zuidelijk district Tilburg was zijn vader Antoine Arts al tot lid van de Tweede Kamer gekozen. Hij was vooral de behartiger van de arbeidersbelangen. Door een overwinning op bankdirecteur A. van Waesberghe was Arts sr. in 1899 in de Tweede Kamer gekomen. Vanaf 1896 had hij al zitting in de Tilburgse gemeenteraad. Hij kon niet meteen zijn zetel innemen, omdat hij zoeaaf was geweest. Daarom werd zijn Nederlanderschap betwist, maar zijn bezwaarschrift werd gegrond verklaard en daardoor werd zijn raadslidmaatschap alsnog geaccepteerd. In zijn NTC propageerde Arts de oprichting van een katholieke vakorganisatie, waarvan een afdeling in 1894 werd opgericht. Ondanks het pleidooi in 1891 in de Encycliek Rerum Novarum van paus Leo XIII hielden de deken en de pastoors in Tilburg zich afzijdig. De Tilburgse fabrikanten verboden in 1895 hun arbeiders om lid te worden van de Tilburgse R.K. Weversbond op straffe van ontslag. Ondanks dat er in Tilburg sprake was van ‘zaalafdrijvingen’ voor vergaderingen, zorgde Arts ervoor dat er toch een bijeenkomst kon worden gehouden. Vijfhonderd wevers kwamen op, vierhonderd meldden zich als lid. De geestelijkheid plaatste in de ‘Artsekrant’ een advertentie met de mededeling dat de bond was opgericht tegen het geestelijk gezag en waarin de arbeiders werden ‘gewaarschuwd’. In 1905 werd Arts sr. met een overweldigende meerderheid in de Tweede Kamer herkozen en opnieuw in 1913.

Oproep voor de verkiezing voor de Provinciale 
Staten in 1916 (Coll. RHC Tilburg).


Bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten in 1916 kwam de R.K. Kiesvereniging met de kandidaten J. van de Mortel, H. Blomjous, P. Arts en F. Verbunt. Pius Arts werd niet verkozen, maar deed toch mee aan de verkiezingen. En toen werd onthuld wat zich achter de schermen had afgespeeld: Van Rijzewijk (arbeider) was met Blomjous (fabrikant) overeengekomen, dat er geen werkman kandidaat gesteld zou worden. Blomjous zegde daarop toe, dat zijn partij hem zou helpen bij de Tweede Kamerverkiezing van 1917. Toen bleek, dat in overleg met de R.K. Politieke Studieclub, Pius Arts niet gekozen werd, hoewel hij in Tilburg de meeste stemmen had behaald. Arts had er tevoren op gewezen dat het lidmaatschap van de R.K. Kiesvereniging en van ‘Ons Politiek Recht’ niet verenigbaar kon zijn. Eind 1918 kwam alles opnieuw aan de orde. Er werd overleg gepleegd met de deken van Tilburg, wat leidde tot de uitspraak van de bisschop, dat ‘de landelijke organisatie van “Ons Politiek Recht” wordt afgekeurd.’ En zo ontstond er een strijd binnen de R.K. Kiesvereniging tussen de commissie Gemeente Belang (waar Arts achter zat) en de voormalige groep Ons Politiek Recht. Door Gemeente Belang werden uit diverse groeperingen landbouwers, middenstanders en arbeiders kandidaten naar voren gebracht (onder wie vijf arbeiders). De voormalige Ons Politiek Recht had achttien arbeiders als kandidaten naar voren geschoven. Het werd een politieke tweespalt tussen de fabrikanten enerzijds en Arts en de ‘Artsianen’ anderzijds. De ‘congsi’ tussen Blomjous en de arbeiderskandidaat Van Rijzewijk uit 1917 was ook bij de eigen achterban verkeerd gevallen. Een van de gevolgen was wel de oprichting door Blomjous en de zijnen van de ‘fabrikantenkrant’ Het Nieuwsblad van het Zuiden als tegenpool van de Nieuwe Tilburgsche Courant van Arts, die tot 1925 de spreekbuis was van de partij van Pius. In 1919 kwam de S.D.A.P. in Tilburg met zeven zetels in de raad, wat tot een splitsing in de katholieke gelederen leidde. De nieuw opgerichte R.K. Volkspartij van Pius Arts behaalde in 1923 meteen negen raadszetels (tegen twintig voor de fabrikanten en drie voor de socialisten).

Oproep voor de verkiezing van mr. Pius Arts als eerste kandidaat van de 
R.K. Kiesvereniging voor de Provinciale Staten (Coll. RHC Tilburg).


In 1922 was Pius Arts raads- en statenlid van de Algemene Bond van R.K. Kiesverenigingen; hij volgde toen zijn vader op en trad uit de bond om met een eigen lijst mee te doen aan de verkiezingen, met zijn vader Antoine op 1 en Pius op 2. Antoine Arts trok zich vervolgens terug uit de politiek. De R.K. Volkspartij van Pius Arts werd een sociale, vooruitstrevende en pascifistische partij, die de Algemene Bond rechts voorbijging met eisen als processievrijheid en missievrijheid in Nederlands Oost-Indië. Eind december 1922 was deze RKVP in Amsterdam opgericht, afgescheiden van de Algemene Bond van R.K. Kiesverenigingen. Zij wilde die democratiseren als reactie op het ‘rechtse drijven’ van de katholieke fabrikanten, onder anderen ingezet door de Delftse prof. J. Veraart. Arts wist het concept-programma van de nieuwe R.K. Volkspartij zo bij te stellen, dat er een positieve kijk bij kwam op de middenstand. In Tilburg kwam zij bij de raadsverkiezing in 1923 met twee verbonden lijsten uit, een voor de arbeiders en een voor de middenstand. De middenstandslijst was goed voor vijf zetels, de arbeiderslijst voor vier, dus samen voor negen zetels. De Katholieke Kiesvereniging kreeg twintig zetels, de SDAP dook van zeven naar drie zetels. Bij de Statenverkiezingen in 1923 behaalde de RKVP in Brabant twee zetels.

In 1925 werd de populaire Pius Arts Tweede-Kamerlid voor de R.K. Volkspartij. Een-vierde van de stemmen kwam uit het district Tilburg, ondanks een oproep van mgr. A.F. Diepen (uit een Tilburgse fabrikantenfamilie) om op de RKSP te stemmen. Maar Pius Arts trok de boer op, van de stad naar het dorp, van boer naar arbeider en middenstander. Hij bleef overigens in zijn eigen ‘kringen’ verblijven, zoals met de fabrikanten, die in Tilburg regelmatig in Hotel Suisse aan de stamtafel bijeenkwamen. Toen men hem vlak voor de verkiezingen vroeg hoe hij het er in die beperkte kring met zo’n man of acht aan tafel vanaf zou brengen, antwoordde Arts: ‘Ik denk dat ik hier wel zo’n zes tot zeven stemmen haal’, waarop het gezelschap in de lach schoot. En ze zeiden: ‘Bewijs dat dan maar eens.’ Pius wendde zich tot de kelner en zei: ‘Ober, zou je even het keukenpersoneel willen roepen en vragen op wie jullie volgende week gaan stemmen?’ Het gevolg was, dat Arts in Suisse al meer dan zeven stemmen op zijn naam had, niet van zijn borrel- en kaartvrienden, of het zou moeten zijn dat ze het hem eerder gunden dan zijn rivaal Blomjous.
In Tilburg bleef de RKSP op twintig zetels, de RKVP op negen, met de afsplitsing daarvan van de arbeidersgroep onder leiding van J. van Nunen (twee zetels).

Gemeenteraad met burgemeester Vonk de Both in 1915. Op de voorgrond rechts zit 
mr. Pius Arts (Coll. RHC Tilburg).


Aanvankelijk kreeg de RKVP al spoedig weerklank in het gehele land. Toch was de partij landelijk minder succesvol, omdat prominente vooruitstrevende katholieken, zoals prof. J.A. Veraart het verkozen om binnen de Katholieke Staatspartij te werken aan democratisering van die partij middels de studieclub St. Michaël. Later zou hij de Katholieke Democratische Bond oprichten, die nog in het eerste jaar, in 1933, zou fuseren met de R.K. Volkspartij van Arts. Maar deze partij kreeg ook al geen steun van de bisschoppen en evenmin van de katholieke pers.

In zijn maidenspeech in de Tweede Kamer had Pius Arts in 1922 al flink uitgehaald naar de RKSP, omdat hem de toegang tot de Katholieke Kamer-club in het kamergebouw was ontzegd. In 1926 en in 1927 toen de RKSP bezig was om tot reorganisatie over te gaan, zijn er nog pogingen gedaan om tot een samenwerking met de RKVP te komen, maar die liepen uit op een mislukking. In 1933 kreeg de RKVP concurrentie van de R.K. Arbeiderspartij en van de Katholieke Democratische Bond. De Volkspartij was de enige, die in de Kamer een zetel wist te behalen. Deze zou opnieuw door mr. Pius Arts worden ingenomen. Het was de Katholieke Democratische Bond van prof. Veraart, die nu toenadering zocht tot de RKVP. Nog in 1933 kwam het tot een fusie. De nieuwe naam van de partij werd Katholieke Democratische Partij, met Arts als Kamerlid, Veraart als voorzitter en de journalist C. Wesseling als secretaris. Het partijblad bleef ‘Onze Vaan’, toen al de spreekbuis van de R.K. Volkspartij.
De Katholieke Democratische Partij was tussen 1933 en begin 1939 ‘de voornaamste katholieke splinterpartij met aanhang vooral in de katholieke industriesteden als Tilburg, Eindhoven en Enschede’, zoals later werd geconstateerd. Al gauw, in 1934, sloot ook de Roomsch Katholieke Arbeiderspartij zich bij de KDP aan.
Bij de provincialestatenverkiezingen van 1935 verkreeg de KDP in totaal vijf statenzetels. Kort daarop stapte Veraart op als voorzitter. Zou hij dat niet hebben gedaan, dan zou hij, zoals Arts in de gemeenteraad van Tilburg zei, geroyeerd zijn als lid. Op welke gronden werd in het midden gelaten. Opnieuw kreeg deze katholieke groepering tegenwerking van de Katholieke Kerk, de pers en de vakbonden. Er werden zelfs op enkele plaatsen aan KDP’ers de sacramenten geweigerd, anderen werden uit katholieke organisaties geweerd of geroyeerd.

In 1935 werd Arts verweten, dat hij het Zuiderfront met zijn fascistische ideeën niet heeft bestreden. Maar in de verkiezingsredevoeringen was het juist Pius Arts, die het fascisme bestreed en was hij de enige, die in Tilburg met succes een openbaar debat tegen Arnold Meijer van Zwart Front aanging. De leden van Zuiderfront (vijf zetels in de raad van Tilburg) gingen later over naar Zwart Front en kregen in 1939 dertien zetels in de raad.
De KDP koos voor de leuze ‘Tegenover het kapitalisme het katholicisme’. Met vreugde werd de Encycliek Quadragesima Anno begroet. De KDP was voor afschaffing van de ‘verouderde’ Eerste Kamer, het invoeren van staatkundige decentralisatie, ‘de ministeries zouden programs moeten hebben, die overeenkomen met de belangrijkste delen van die der partijen, die gezamenlijk de meerderheid van het Nederlandsche volk vertegenwoordigen’. De partij is voor vrijheid van prediking van de katholieke godsdienst in Nederland en overzeese gewesten. Processies zouden onbelemmerd kunnen worden gehouden. Het voltrekken van het huwelijk als sacrament kan, volgens de partij, aan de burgerlijke verplichting voorafgaan. Het gezantschap bij de Heilige Stoel moet hersteld worden.
Het was ook zo, dat de partij haar tijd ver vooruit was wat andere programmapunten betreft, zoals: ‘Afschaffing van de militaire dienstdwang; opheffing van strafbepaling voor principiële dienstweigeraars; het in het leven roepen van een Rijkskinderfonds, waardoor grote gezinnen steun ontvangen’ en zij was voor een publieksrechtelijke organisatie van het bedrijfsleven. Punten die veel later door andere politieke partijen zouden worden overgenomen.

Begin 1939 werden er weer fusiebesprekingen gehouden met de RKSP. Toen vond ook het laatste congres van de KDP plaats in Utrecht. Er werd besloten de partij op te heffen en zich bij de RKSP aan te sluiten. Maar een kleine groep ging daar niet mee akkoord en richtte de Katholieke Volkspartij op. In Tilburg sloten Arts en Van Nunen zich in 1939 aan bij de Katholieke Staatspartij, die tot 26 zetels in de raad behaalde. En toen kwam de oorlog.

Begin 1945 werd het Besluit Tijdelijke Voorzieningen Gemeenteraad van kracht. De voorlopige gemeenteraad kwam tot stand via getrapte weg van aanwijzing door het kiescollege. Bij de 35 vertegenwoordigers van het katholieke volksdeel was Pius Arts weer van de partij om bij de verkiezingen in september 1946 met twee zetels in de raad terug te keren. Drie jaar later zou hij zich toch nog aansluiten bij de opvolger van de R.K. Staatspartij, de Katholieke Volkspartij, een naam die hem enigszins vertrouwd voorkwam.

Niet alleen op politiek gebied maar ook op ander terrein heeft Pius Arts zijn sporen verdiend, onder meer als speler van het eerste elftal van Willem II tussen 1900 en 1908 en vooral als opvolger van Frits van den Bergh als voorzitter van Willem II wat hij was van 1901 tot 1919. In zijn tijd werd Willem II tot zesmaal toe kampioen van de Brabantse Voetbalbond. In 1913-14 was de club kampioen van de Nederlandse Voetbalbond, Eerste Klasse Zuid en in 1915-16 ook kampioen van Nederland. Tijdens zijn presidium sloot Willem II zich definitief aan bij de KNVB en verhuisde de club van de Bosscheweg naar Koningshoeven. Willem II werd de eerste landelijke kampioen van een niet-westerse club en veroverde tweemaal de zilveren bal met huldigingen in Amsterdam en Tilburg. Het voetbalveld moest in 1924 wijken voor de Piushaven. Inmiddels was aan de Goirleseweg het R.K. Tilburgs Sportpark aangelegd. Pius Arts was eerder al mede-oprichter van Voetbalclub Wilhelmina in ’s-Hertogenbosch en van de Brabantse Voetbalbond. Hij was ook bestuurslid van de KNVB.

Verder was hij vele jaren lid van het college van Lichamelijke opvoeding en sport, bestuurslid vanaf de oprichting van het Natuur Historisch Museum in Tilburg, bestuurslid van de Nederlandse Biljartbond en districtsvoorzitter daarvan, voorzitter van de Zwemvereniging RES en organisator van de Tilburgse Kanaalwedstrijden, bestuurslid van de VVV Tilburg Vooruit, een der oprichters van het Tilburgse Sportpark, mede-oprichter van de R.K. Openbare Leeszaal.
Van 1914-1918 was Pius Arts voorzitter van de vereniging plaatsing oorlogskinderen. In 1910 was hij door de regering benoemd tot secretaris van de Voogdijraad en lid van het Rijkscollege van advies voor de lichamelijke opvoeding. En nog is de lijst niet compleet.

Naar zijn vader is het Antoine Artsplein in Tilburg genoemd. Pius Arts werd wel geëerd met de zilveren legpenning van de stad, maar op de vraag of hij zich niet gepasseerd voelde door de straatnamencommissie van de gemeente, was zijn antwoord: ‘Nee hoor. Niemand heeft hier zoveel bordjes met zijn naam erop als ik: denk maar aan de Piusstraat, het Piusplein en de Piushaven, wat wil je nog meer?’

* Anton van Oirschot (1927) studeerde geschiedenis aan de R.K. Leergangen en journalistiek aan het Instituut voor Perswetenschappen, was vele jaren werkzaam als journalist, vestigde zich in 1967 als auteur op kasteel Nemerlaer in Haaren. Van Oirschot publiceerde tientallen boeken over historische onderwerpen.

N.B. Anton van Oirschot overleed op 4 december 2004.


Bronnen

- Gemeentearchief Tilburg: begrotingsdebatten jaren dertig.
- Instituut Nederlandse Geschiedenis Politieke Partijen ’s-Gravenhage: Onderzoeksrapporten (met dank aan K. Vossen), archief RKVP 1922-1933, archief KDP 1933-1939.
- Parlement en kiezer, jaarboek 1935-1936
- Nieuwe Tilburgse Courant van 26 september 1951 en 21 december 1955.