Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
597. In het voetspoor van Henri Rutten, missionaris
 

Titel:   

In het voetspoor van Henri Rutten, missionaris

Ondertitel:   

Auteur:   

Joep Eijkens

Jaargang:   

XXII (2004) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

3

Pagina’ s:   

83-91


In de Tilburgse wijk ’t Goirke ligt de Pater Ruttenstraat. Missionaris en martelaar, staat op het straatbord. Op 13 augustus was het honderd jaar geleden dat hij vermoord werd op het eiland Neu Pommern, een Duitse kolonie in de Stille Zuidzee. Heeroom leeft nog altijd voort bij de familie.

Op een herfstachtige avond, nu al vele jaren geleden, was ik in het Missiehuis van de Missionarissen van het H. Hart (MSC) aan de Bredaseweg te Tilburg om boeken te zoeken in de oude studiebibliotheek die opgeheven werd. Op zeker moment viel mijn oog op een in zacht leer gebonden boek, goud op snee, met de titel Korte levensschets van den eerw. pater Henri Rutten den marteldood gestorven als missionaris te Nacharunep, in de Bainingerbergen, N. Pommeren 14 augustus 1904. 

Voorzijde van het bidprentje van Henri Rutten. (Coll. RA Tilburg).


De datum klopte niet, maar inderdaad de Tilburgse pater werd, 31 jaar oud, op 13 augustus 1904 vermoord in Neu Pommern. Nog negen andere missionarissen vonden diezelfde dag een gruwelijke dood in de Duitse kolonie die tegenwoordig New Britain heet en deel uitmaakt van Papua New Guinea. Behalve een Duitse trappist en zes Duitse MSC’ers, onder wie vijf zusters, hoorden twee andere Nederlandse MSC’ers tot de slachtoffers: broeder Johannes Schellekens uit Oisterwijk en broeder Eduard Plasschaert uit het Zeeuwse Overslag. De eveneens 31-jarige Oisterwijkse broeder - voor de familie Knillis of Keesoom - was de kok, ‘waschvrouw’ en manusje van alles van de Tilburgse pater.(1)

Het tamelijk luxe uitgevoerde boek dat ik nu in handen hield, kwam in 1922 uit bij gelegenheid van de gouden bruiloft van Henri’s ouders en van datzelfde jaar dateerde ook de opdracht die de auteur, pater Henri. Peeters MSC, er eigenhandig in geschreven had. De bibliotheek telde wel meer van dit soort biografieën, maar dit ene exemplaar nam ik mee; misschien ook vanwege de mooie foto’s, waaronder die ene van een prelaat en twee ‘zwartjes’ die hij mee naar Europa had genomen om propaganda te maken voor de missie onder de Bainingers op het eiland in de Stille Zuidzee.

Dat Tilburg ooit Roomser dan Rome genoemd werd, kwam niet op de laatste plaats tot uiting in het grote aantal missionarissen dat de stad heeft voortgebracht. Zeker vóór de oorlog had menige Midden-Brabantse familie wel een heeroom of tante nonneke die ergens in Afrika of nog verder weg in de missie werkte. En als de missionaris op verlof kwam, werd hem meestal een warm welkom bereid, temeer omdat het thuisfront - en dan zeker de jeugd - al bij voorbaat genoot van de wonderlijke, vaak avontuurlijke verhalen die de eerwaarde globetrotter te vertellen had. Ook kon je hem tegenkomen als gastprediker in de zondagse mis van zijn geboorteparochie.
Sommige Tilburgse missionarissen werden ook buiten de familiekring bekend. Peerke Donders, de apostel van de melaatsen in Suriname, is natuurlijk verreweg de beroemdste in zijn geboortestad. Maar pater Henri Rutten zou wel eens op de tweede plaats kunnen komen, al is hij eigenlijk pas het afgelopen jaar, na vele decennia vergetelheid, weer in de schijnwerpers gezet. Dat was op de eerste plaats te danken aan Mieke-Nelie van der Heijden (1948), een achternicht van ‘ome Harrie’ zoals Henri Rutten ook genoemd werd in de familie. Zij zette me op het spoor dat leidde tot enige artikelen in het Brabants Dagblad en bracht me in contact met diverse familieleden, van wie ze er verschillende zelf interviewde.(2) 

Niet alleen uit die interviews maar ook uit de herinneringen die deze en gene op papier zette, bleek zonneklaar hoe deze ene heeroom ook honderd jaar na dato nog in de harten van de nabestaanden voortleefde. Tot mijn verrassing was een achterneef druk doende om alle brieven van Henri Rutten aan het thuisfront uit te typen. En niet minder verbaasd vernam ik dat er zelfs enige familieleden waren - en bepaald niet de jongste - die de moeite hadden genomen om duizenden kilometers ver te reizen en te lopen waar Henri gelopen had en stil te staan waar hij begraven lag, samen met de negen andere ‘martelaren van Rabaul’. 

    Huursoldaat van Willem II
Loek en José Meijs-Rutten uit Huizen waren de eersten van de familie die het graf bezochten. Voordat Meijs over die reis verhaalt, gaat hij in gedachten terug naar de jaren vijftig, toen hij verkering kreeg met José, een dochter van Henri’s broer Cas. Het was ook de tijd dat het reeds lang voor de oorlog op gang gekomen zaligverklaringsproces van de tien vermoorde missionarissen opnieuw in de belangstelling stond. “De Ruttens waren een grote familie”, vertelt Meijs over zijn eerste kennismaking. “En bij al die ooms en tantes hing het portret van Henri Rutten in huis. In die tijd werd er ook elk jaar nog een jaargetijde voor hem gehouden, dus een mis opgedragen ter nagedachtenis. Dat gebeurde in de kerk van Broekhoven 1.” Henri’s ouders woonden lang in de Piusstraat.
Gefascineerd hoorde Meijs in de familie het verhaal van Henri’s grootvader, een Zwitser, die als huursoldaat van Willem II deelnam aan de Tiendaagse Veldtocht in 1830. “Die is toen aan een Tilburgs meisje blijven hangen. Een katholiek meisje, terwijl hij protestant was. Bij zijn trouwen heeft hij de bisschop moeten beloven dat de kinderen katholiek opgevoed zouden worden.” 

De klas van Henri Rutten in het oude Missiehuis op de Veldhoven, ca. 1886. Aan het bord staat Henri. 
(Foto uit ‘Korte Levensschets’ door pater Henri Peeters).


Ook Henri’s vader Jan Rutten was geen doorsneeman. Hij werkte zich op van spinner tot employé van de Levensverzekeringsbank Amsterdam, terwijl zijn vrouw Mie Nouwens een winkeltje dreef. Het echtpaar kreeg zestien kinderen, van wie er vijf in hun eerste levensjaar overleden. Henricus Wilhelmus Franciscus was hun eerste kind. Hij werd op 30 januari 1873 geboren in een arbeidershuisje in de Oude Kerkstraat ‘achter de Vreede’s fabriek’(3), en de volgende dag gedoopt in de kerk van ’t Heike. Hendrik of Harrie - we kennen zijn roepnaam niet - bezocht de school van de Fraters van Tilburg in de Schijfstraat, later op de Heuvel, en volgde bovendien ‘de avondschool op Korvel van meester Reabel’. Zagen de fraters er een goede kwekeling in, zelf wilde de veelbelovende jongeling liever naar de missie. Hij werd daartoe kennelijk geïnspireerd door het lezen van de Annalen van O.L. Vrouw van het h. hart, een blad dat toen nog gedrukt werd in het R.K. Jongensweeshuis van de fraters. De Rooi Harten zoals de MSC’ers in de Tilburgse volksmond heetten vanwege het insigne dat ze op hun toog droegen, waren oorspronkelijk afkomstig uit Frankrijk. Net zoals dat bij trappisten uit Frankrijk gebeurd was, had een aantal congregatiegenoten vanwege het anticlericale klimaat in hun land een toevlucht gezocht in Nederland.

Apostolische School van het oude Missiehuis op de Veldhoven in 1886. 
(Foto archief Missiehuis Tilburg).


    Lakenfabriek
In Tilburg werd de oude lakenfabriek van Schreppers op de Veldhoven (nu Wilhelminapark) als Missiehuis betrokken. Hier was het dat de jonge Rutten op 24 september 1885 zijn intrede deed bij de ‘Fransche Paters’. Vermoedelijk vanaf dat moment heette hij Henri, hoewel hij zijn brieven aan het thuisfront aanvankelijk nog signeerde met ‘uw liefhebbende zoon Hendrik M.S.C.’
Henri hoorde niet tot de eerste studenten van het nieuwe Missiehuis dat in 1890 aan de Bredaseweg verrees, schuin tegenover de Watertoren. In plaats daarvan vervolgde hij zijn studie in Frankrijk en deed in 1896 zijn eeuwige geloften in het klooster van de MSC te Borgerhout, Antwerpen. In feite leefde hij dus al jaren ver van zijn ouders voor hij naar de missie vertrok. Opmerkelijk detail: toen zijn moeder in 1892 beviel van een drieling, bood Henri aan om zijn studie op te geven en in plaats daarvan naar Transvaal te trekken om met het daar verdiende geld zijn ouders te ondersteunen. Zo ver kwam het niet. Pater Peeters, die er gewag van maakt in zijn ‘Korte levensschets’, noteert: ‘Onze Lieve Heer zou zich met de drie lieve kinderen belasten en maakte van hen voor ouders en familie even zooveel bewaarengeltjes in den Hemel’. De drie baby’s stierven nog datzelfde jaar.

Kort voordat Henri Rutten naar de missie vertrok, ging hij met zijn ouders en broers en 
zusters op de foto. (Foto uit ‘Korte levensschets’).


    Een steunpilaar
Tijdens een verblijf in Australië in 1996 besloot het echtpaar Meijs-Rutten ‘in een opwelling’ het graf van heeroom en zijn lotgenoten te bezoeken in New Britain. “Het was niet eenvoudig om er te komen”, vertelt Loek Meijs. “Ik zeg wel eens: ze leven daar in het stenen tijdperk met de broek aan. Op de markt werd nog betaald met schelpjes.”
Voor zijn echtgenote was het bezoek aan het graf van ‘onze ome Harrie’ heel emotioneel. Ze voelde zich de plaatsvervangster van haar vader ‘die zeer verbonden was met zijn broer en altijd de grote wens had om daar nog eens heen te gaan’. Vandaar dat ze behalve een bosje goed houdbare kunstbloemen ook een foto en bidprentje van haar vader op het graf legde. “Het gaf ons echt het gevoel dat wij daar namens hem en de hele familie waren… Terug in Nederland waren we nog maanden van slag, en werd er nergens anders over gesproken.”

Ook Çoise Appels - dochter van Henri’s jongste zus Constance - is in New Britain geweest. Al drie keer zelfs. De eerste keer in 2000. Er was een periode van ernstig ziek zijn aan voorafgegaan. “Het klinkt misschien vreemd”, zegt de Goirlese, “maar er ging geen dag voorbij of ik riep heeroom aan, zoveel vertrouwen had ik in hem. En ik ben ook wonderbaarlijk genezen.” Van de eerste ‘pelgrimage naar heeroom’ herinnert ze zich nog goed het moment waarop ze, net aangekomen op het eiland, opeens in een klooster oog in oog stond met het fotoportret van heeroom. “Die foto van hem…hij kijkt door je zielement heen”, zegt ze. “Vroeger hing diezelfde foto bij ons thuis midden in de huiskamer, levensgroot boven de piano, en als je dan iets verkeerds gedaan had, zag je gewoon dat hij lelijk keek. Maar ook bij ziekte of bijvoorbeeld een examen was het bij ons thuis: ‘Bid maar tot onzen heeroom.’ Op ’n gegeven moment vond ik die foto ouderwets, stopte hem ergens weg, maar jaren later moest hij weer in het middelpunt staan en hebben we zijn portret weer beneden opgehangen. Ja, onze heeroom is onze steunpilaar.”

    Vergevingsritueel
Maakte Çoise Appels de reis in 2000 met een zus uit Canada, het jaar daarop keerde ze terug met haar broer. Bijzondere reizen waren het, maar het meest indrukwekkend was toch wel de pelgrimstocht die ze afgelopen zomer in augustus maakte. Samen met twee zussen woonde ze drie dagen lang de herdenkingsplechtigheden bij rond de honderdste sterfdag van ‘de martelaren van Bainingen’, zoals ze ook genoemd werden. Natuurlijk onmogelijk om alle ervaringen in kort bestek onder woorden te brengen, maar één gebeurtenis is haar wel heel sterk bij gebleven: “Tijdens een viering in een kerk met duizenden mensen moest ik samen met vier andere Europeanen aan de ene kant van het altaar staan, terwijl aan de andere kant vijf Papoea’s stonden.” De Europese groep vertegenwoordigde de vermoorde missionarissen, de andere de moordenaars. “We wisselden fruit met elkaar uit om daarmee tot uiting te brengen dat wij hun vergaven en dat zij de vergeving aanvaardden.”
Mevrouw Appels was op tijd weer terug in Nederland om op 29 augustus deel te kunnen nemen aan de herdenkingsdienst die op initiatief van Mieke-Nelie van der Heijden plaatsvond in het Missiehuis van de MSC aan de Bredaseweg. Tijdens de dienst stonden de portretten van de drie Nederlandse MSC’ers die bij de moordpartij om het leven waren gekomen, voor het altaar.

    Mythevorming
Henri Rutten leeft in diverse verhalen en op diverse manieren voort in de familie. Natuurlijk is er hier en daar ook sprake van mythevorming geweest. Zo vertelde Annalies Canny-Vissers (1945), een achternicht die sinds 1952 in Australië woont, dat zij aanvankelijk niet beter wist dan dat haar oudoom ‘in een pot gekookt was en opgegeten door de inboorlingen’. Zij was niet de enige. 
Jacq van der Heijden-Rutten (1921) moet een jaar of twaalf zijn geweest toen ze begin jaren dertig op de dichtgevroren Piushaven aan het schaatsen was en haar naam hoorde roepen. “Ik moest thuiskomen omdat er een kapelaan op bezoek was”, vertelde de Tilburgse aan haar dochter Mieke-Nelie van der Heijden. “Hij kwam bidprentjes brengen van ome Harrie, en die moesten wij, kinderen, langs de deuren gaan verkopen. De opbrengst was voor de kosten van het proces van zaligverklaring van ome Harrie. Ik geloof, dat we dat geld naar het klooster op de Bredaseweg moesten brengen.” Ze kwamen daar vaker. “Om zilverpapier voor de missie te brengen, dat vonden we op straat of schraapten van het papier waarin sigaretten verpakt werden. Ook gingen we er met z’n allen heen als er een missietentoonstelling was.” 

Maar dat was vóór de oorlog. In 1954 werd de hele familie Rutten uitgenodigd om in het Missiehuis aan de Bredaseweg een herdenkingsdienst bij te wonen in verband met de vijftigste sterfdag van hun heeroom. 
Het zou kunnen dat bij die gelegenheid menig familielid geld heeft gestort in het ‘Pater Rutten Fonds’. Van een ‘Pater Henri Rutten-Beurs’ was vermoedelijk al sprake in 1922, toen pater Peeters zijn ‘Korte levensschets’ aanbood aan de ouders van de vermoorde missionaris. In een aparte folder werd de stichting aangekondigd van ‘een studiebeurs, van welker rente ten eeuwigen dage een priester-missionaris kan worden opgeleid en een nieuwe apostel de plaats van Henri z.g. kan innemen’. Bij wie het initiatief lag, is niet duidelijk, maar wel wordt gewag gemaakt van ’de bij familieleden geplaatste offerbusjes tot stichting der Pater Henri Rutten-beurs’. 

Mevrouw Van der Heijden-Rutten meent dat de beurs, die kennelijk later omgezet werd in een fonds, op de eerste plaats bedoeld was voor kinderen uit de eigen familie. Of ook de studie van haar broer Jan erdoor bekostigd is, weet ze niet. “Wel weet ik dat ome Frans van Asten ervoor zorgde dat overal in Tilburg regelmatig geld werd opgehaald. Ik heb wel eens gehoord, dat het geld van het fonds ook bedoeld was voor de reiskosten van familieleden naar Rome, als de zaligverklaring van ome Harrie eenmaal een feit zou zijn. Maar dat is er nooit van gekomen en ik weet niet waar dat geld gebleven is.”

    Avonturenroman
Wat haar broer Jan Rutten betreft, die ging inderdaad naar de MSC, maar verliet kort voor zijn priesterwijding de congregatie. Diens zoon Jan (1949) raakte eveneens geïnteresseerd in de geschiedenis van zijn vermoorde oud-oom, niet op de laatste plaats dankzij diens gekopieerde brieven die hij van een tante cadeau kreeg op zijn trouwdag. “Ik dacht eerst: wat moet ik met die roomse verhalen uit de oude doos? Maar toen ik ze een paar jaar later op een mistige winterdag ging lezen, vond ik ze fascinerend. Een heel moderne stijl, veel humor en weinig katholiek geneuzel. Zijn brieven lezen als een avonturenroman. Ze gaan nauwelijks over Onze Lieve Heer, maar vooral over het avontuur. Wel af en toe de teleurstelling dat de wilden niet in roomse praatjes geïnteresseerd waren en rustig doorgingen met moorden en polygamie. Dat is hem uiteindelijk ook duur komen te staan.” 

Het leven van Henri Rutten doet hem denken aan Le rouge et le noir, de beroemde roman van Stendhal: “Als arbeiderskind waren er in vorige eeuwen maar twee manieren om uit de armoede en saaiheid van het dagelijks leven en je sociale milieu te ontsnappen: ofwel het leger of het klooster. Zo slecht was het dus niet als missionaris. Overigens heb ik elders ook gelezen dat de gemiddelde levensduur van de missionaris vijf jaar was: ze gingen snel dood door ziektes en moordpartijen.”
Een andere achterneef van Henri Rutten, Hein Donders (1942) uit Waalre, realiseerde zich pas recentelijk dat hij hoogstwaarschijnlijk naar heeroom genoemd is, net zoals dat bij zijn peettante Riek (Henrica) en diverse andere familieleden gebeurde. Bij de familie Donders - geen directe familie van Peerke - werd vroeger vaak over Henri gesproken, maar ook ome David was een dankbaar gespreksvoorwerp, meldt Donders: ‘Geëmigreerd naar Canada, rijk man, eigen eiland, het kon niet op.’ 
Hoe anders was het leven van heeroom verlopen! En de brieven die hij naar het thuisfront stuurde, gaven daarvan een heel boeiend beeld. Eén passage greep Donders bijzonder aan; ze staat in een brief die Henri Rutten op 24 maart 1900 aan zijn dierbare ouders schreef, dus pakweg een half jaar voordat hij naar de missie ging: 

‘Mij ook zal het vertrek veel smart berokkenen; ik zal van U, van mijne dierbare broeders en zusters, van mijne confraters van het klein liefdewerk, waaraan ik met alle krachten mijner ziel gehecht ben moeten afscheid nemen, om niets van dat alles weer te zien. Doch Gij hebt noch tien andere kinderen die U beminnen en liefhebben, het is niets te veel dat Gij er een van de elf die onze Onze Lieve Heer U gegeven heeft, geheel en al aan hem opoffert.’

Donders raakte zo geboeid door de brieven dat hij ze niet alleen helemaal uittypte maar ze ook in samenwerking met Mieke-Nelie van der Heijden uitgaf.(4)

Henri Rutten en de ‘zwartjes’ Lilis en Lama. Voorzover bekend, 
werd ook deze foto kort voor zijn definitieve vertrek naar Neu 
Pommern gemaakt, mogelijk in Tilburg.
 (Coll. Archief Missiehuis Tilburg).


    Geen vreugdevuren
Die brieven geven je een authentieke zij het fragmentarische inkijk in het dagelijks leven van Henri Rutten, en dan met name sinds hij op 13 oktober 1900 zijn geboortestad vaarwel zei. Begrijpelijk dus, dat pater Peeters dat primaire bronmateriaal graag gebruikt heeft voor zijn ‘Korte levensschets’. 
Uitvoerig beschrijft Henri de lange reis, eerst over land naar Genua en vervolgens aan boord van de Barbarossa, een groot schip met zo’n 1400 passagiers, via het Suezkanaal naar Azië en Australië. Het reisgezelschap van de MSC’ers bestaat uit 18 personen, onder wie Henri’s stadsgenoot broeder Hamers alsook mgr. Couppé, de leider van de missie op Neu Pommern, en zijn ‘zwartjes’ Lilis en Lama.
Vanuit Sydney vertrekt men op 28 november met de ‘Stettin’ over een verre van rustige zee naar de eindbestemming. Zo beschrijft Henri de aankomst:

‘Den 7den December dan voeren wij ’s avonds om 9 uur de Witte Baai in en wierpen het anker. Ons kanonschot dreunde door de baai doch wekte geen vreugdigen weergalm. Slechts de branding antwoordde door haar schrikkelijk geklots. In den schijn der sterren die hier heel wat helderder schijnen dan in Europa, zagen wij onze missie liggen met hare witte gebouwen, geen vreugdevuren geen vreugdekreten; alles bleef even rustig: eindelijk verscheen een witte gestalte op de veranda en twee geweerschoten knalden; daarmede was de pret geëindigd.
Wij waren niet gansch rustig, dat kunt Gij met 2 handen vatten. Eindelijk zou het raadsel opgelost worden. Na lang wachten zagen wij voor de gouvernementsgebouwen een bootje in zee steken; vijf blanken klommen aan boord, doch geen onzer paters. Weldra ging het praatje de ronde: De aanlegplaats van den gouverneur is weggeslagen en drie bootjes verloren. De werf der Genua Company nog door de haven beschermd heeft het zelfde lot getroffen. Van een Heer Die en Die is een bootje verbrijzeld enz. van de missie insgelijks enz. enz. Den geheelen nacht door regende het verschrikkelijk en de wind huilde dat het een liefhebberij was. Beiden werden noch overtroffen door de branding die mij niet tot rust liet komen.’ 

Voorwaar geen prettig begin. En ik moet eerlijk zeggen dat deze regels me bij eerste lezing enigszins beklemden. Natuurlijk is dat achterafpraten omdat je weet dat de man die dit schrijft zo ellendig aan zijn einde kwam. 

Kaart van Neu Pommern/Nieuw Guinea (New Britain). (Graphic Femke Schilders-van Dijk).


    Onheilspellend
Maar ook zonder dat ‘voorgevoel’ kom je in de brieven aan het thuisfront af en toe onheilspellende passages tegen - hoezeer ook de enthousiaste verhalen over zijn leven als pionierend missionaris in de woeste maar paradijselijke natuur de overhand hebben. Zo schrijft hij op 3 november 1902 vanuit zijn missiepost Nacharunep: 

‘Er loopt hier op het oogenblik een kerel rond, die overal rondstrooit, dat hij mijn geweer zal stelen, en mij en mijn jongens benevens alle lui zal doodschieten. De lieden zijn bang voor hem en durven niet te verraden, waar hij schuilt. Heden avond kwam ik het bij verrassing te weten; en morgen, zoo hij niet gewaarschuwd is, zal een stevig touw zijn handen sieren en zal hij een uitstapje naar Rokopo maken, waar hij een jaar of wat zal brommen en waar ze hem wel tam zullen krijgen.’

En in een brief van 15 mei 1904 waarin hij trots kan melden dat hij op ‘Paaschdinsdag’ 21 jongemannen doopte, zijn ‘eerstelingen’, en in geuren en kleuren verhaalt over een grote rondreis, lezen we ook:

‘Onheimelijk deed het mij aan als ik de planting van den Heer Wolff passeerde. Hier had voor 2 jaren ongeveer de beruchte overval plaats. De planter was te paard de planting ingereden om de werklieden na te zien. Zijn vrouw met een kind en een jonge dame bleven thuis. De zonen van het opperhoofd van Paparatava kwamen vrouw Wolff iets te koop aanbieden, en terwijl zij het bezichtigde, sloeg de een haar met een bijl op het hoofd. De vrouw stortte neer. De eenige ooggetuige, de bovenvermelde jonge dame, kreeg eveneens een bijlslag, doch op het haar, zoodat zij half bewusteloos van de veranda viel; zij redde zich nochtans in de keuken. De vrouw werd van de veranda gesleurd en werd de speelbal van de woedende beestachtige aanvallers. Het kind werd den schedel met een bijl gekliefd.’

Het zou de laatste brief zijn die zijn ouders ontvingen.

    Zwartwaterkoorts
Henri Rutten schreef niet alleen brieven naar het thuisfront maar ook naar zijn overste in Nederland, pater Henri Peeters, inderdaad de man die zijn biograaf zou worden. Voorzover ik die brieven in heb kunnen zien op het archief van het Missiehuis5 werpen ze een ander, soms minder optimistisch stemmend licht op de gebeurtenissen. Zo blijkt Henri in 1902 ‘zwartwaterkoorts’ opgelopen te hebben, een ernstige ziekte die hij bijna met de dood heeft moeten bekopen. Op 15 december van dat jaar schrijft hij zijn overste: 
‘Vóór 2 maanden nog een reus aan krachten, kan een kind me omwerpen. ‘k Ben mager als een stuk hout en geel als een rijpen citroen. ‘k Verzoek UEerw mijnen Ouders dat voorloopig niet te laten weten.’

Uit diezelfde brief kan opgemaakt worden dat hij door zijn overste gekapitteld is over zijn bijdragen aan de Annalen van O.L. Vrouw van het h. hart. In dat tweewekelijks verschijnend missieblad deed pater Rutten enkele malen verslag over zijn ervaringen op Neu Pommern. Hij legde daarbij ook duidelijk interesse aan de dag voor gewoonten en gebruiken van ‘zijn’ mensen, de Bainingers. Mogelijk is hem te verstaan gegeven dat hij zijn tijd beter kon besteden aan het eigenlijke missiewerk dan aan het schrijven van dit soort bijdragen. In elk geval verschenen er vanaf 1903 geen artikelen meer van zijn hand.

Henri Rutten, samen met enige Bainingers, voor zijn ‘voorloopige woning’ in Nacharunep, vermoedelijk 
1902. (Foto uit ‘Korte levensschets’).


    Verpletterende tijding
De Annalen van 1 oktober 1904 openden met dramatisch nieuws. ‘Tien onzer Missionarissen vermoord’ kopte het blad. 

‘Een verpletterende tijding ontvangen wij zoo juist uit onze missie van Nieuw-Pommeren: door de wilde Kanakken is onder de Missionarissen een bloedige slachting aangericht en tien zijn daarvan het slachtoffer geworden. (…) Ons Missiehuis is in diepen rouw. Wij weten geen bijzonderheden, niets dan een kort telegram, dat in enkele woorden het jammerlijke nieuws mededeelt. Op verdere berichten moeten we wachten tot de brieven hier kunnen zijn en dat zal nog verscheidene weken duren.’

In de volgende aflevering werd al iets meer bekend over de slachtpartij. Dr. A. Muskens MSC sprak in het betreffende artikel de hoop uit dat ‘een rijke oogst van christenen de vrucht (moge) zijn van het bloed der martelaren, waarmede deze woeste bodem zoo rijkelijk werd gedrenkt’.

De missiestatie St. Paul. Hier vonden negen van de tien missionarissen 
de dood. (Foto uit ‘Korte levensschets’).


    Achtergronden
Welk drama had hier plaatsgevonden? Om de moordpartij in het juiste perspectief te plaatsen, gaan we eerst vijftien jaar terug in de tijd.(6) In 1889 begon de congregatie van de MSC aan de missie in Neu Pommern, dat deel uitmaakte van het Duitse koloniale rijk. Het langgerekte eiland in de Stille Zuidzee werd bewoond door verschillende volkeren.Voor ons verhaal zijn de Bainingers en de Tolai de belangrijkste. Pater Rutten en de zijnen werkten onder de Bainingers in het binnenland. Dit volk was onderhorig aan de van elders afkomstige Tolai die de kuststreek in bezit hadden genomen en van daaruit het hele gebied onder hun macht trachtten te brengen. De Bainingers, nomaden die nog min of meer in het stenen tijdperk leefden, werden als slaven gebruikt en soms zelfs gevangen genomen om te dienen als mensenvlees. Aan dat kannibalisme was overigens reeds rond 1880 min of meer een einde gekomen, toen het profijtelijker bleek om de Bainingers te laten werken op de suikerplantages waarmee de Tolai goede zaken konden doen met koloniale handelaren. 

De leiding van de missie op Neu-Pommern lag bij de Franse mgr. Louis Couppé die de bevrijding van de Bainingers uit de slavernij als een van zijn grootste opdrachten zag. Dat gold evenzeer voor zijn rechterhand pater Matthäus Rascher.
In de herfst van 1896 hielden de Tolai een grote mensenjacht onder de Bainingers. Op instigatie van mgr. Couppé en pater Rascher reageerde het Duitse koloniale bestuur met een strafexpeditie waarbij vele Tolai het leven lieten. De bevrijde Bainingers werden als het ware overgeplant, eerst naar Vunamarita aan de kust en vervolgens naar een soort modeldorp in het binnenland, St. Paul geheten. Hier moest onder pastorale leiding van pater Rascher een tweede, nog belangrijker speerpunt van de MSC-missie gerealiseerd worden. Kort samengevat zag het plan er als volgt uit. De vrijgemaakte ex-slaven zouden niet alleen gedoopt worden maar ook werk kunnen vinden en een gezin stichten zodat St. Paul een nieuw katholiek dorp zou worden, een eerste stap naar de volledige kerstening van de regio.

Fotocollage met links de kamer waar pater Rascher werd doodgeschoten en rechts het huis van pater Rutten 
in Nacharunep. Op de plaats van het kruis werd hij aanvankelijk begraven. (Illustratie uit ‘Korte levensschets’).


Volgens pater Reiner Jaspers die in de jaren zeventig het hele moorddrama grondig onderzocht en daarover een even interessant als verhelderend artikel publiceerde(7), had het grootse plan van meet af aan weinig kans van slagen. Net zoals de pastoor van St. Paul, pater Rascher, hield mgr. Couppé zijns inziens te weinig rekening met plaatselijke geloofsopvattingen en gewoontes, historisch gegroeide verhoudingen, en de feitelijke situatie. Zo bleken de bevrijde Bainingers helemaal niet zo goed te aarden in het nieuwe ‘christendorp’ dat een paar uur gaans lag van Nacharunep, de missiepost van pater Rutten. Het werk beviel hun niet. Menigeen wilde zelfs weer terug naar hun oude meesters, een gegeven dat de Tolai uiteraard uitbuitten. Bovendien waren er te weinig katholiek gedoopte huwbare meisjes, met het gevolg dat katholieke huwelijken meer theorie dan praktijk waren. Daar kwam dan nog bij dat de Bainingers er traditiegetrouw meer dan één vrouw op na mochten houden. 

Vroeger ging men er bij de MSC van uit dat pater Rascher en de zijnen met name slachtoffer waren geworden van hun strijd tegen polygamie. Was het immers niet zo dat de grote aanstichter van de slachtpartij onder de missionarissen, To Maria, door de pastoor van St. Paul gekapitteld was wegens zijn buitenechtelijke escapades? Maar er was dus veel meer aan de hand dan de wraakzucht van deze zoon van ‘een gewezen menscheneter’.(8) En misschien het opvallendste gegeven daarbij is het feit dat de Tolai, gedwarsboomd door de katholieke missie, de Bainingers gebruikten om diezelfde missie te saboteren.

    ‘Onthoofd’
Toen de Annalen van O.L. Vrouw van het h. hart op 15 oktober 1904 over de toedracht van het missiedrama in de Stille Zuidzee schreef, gebeurde dat op basis van enkele berichten uit de internationale pers. Volgens de Daily Chronicle (uit Australë?) was de aanleiding van de moordpartij gelegen in de berisping die pater Rascher toegediend had ‘aan een bediende die zich aan bigamie schuldig maakte’. Een correspondent van de Frankfurter Zeitung seinde vanuit Sydney dat de pater doodgeschoten was door de ‘door hem vrijgekochte slaaf Tamari, die steeds de liefderijkste behandeling genoot’. Was de naam van To Maria aldus verhaspeld, dat gold kennelijk ook voor de naam van Henri Rutten uit ‘Nachasap’ die ‘onthoofd’ zou zijn. In de volgende aflevering van de Annalen wordt pas echt duidelijk hoe gruwelijk de daders huisgehouden hebben en hoe ellendig de ‘martelaren’ aan hun eind gekomen zijn. De gegevens uit het desbetreffende artikel werden ook, soms vrijwel letterlijk, gebruikt door pater Peeters voor diens ‘Korte levensschets’ en het is die lezing die we hier volgen, althans tot op zekere hoogte, zoals we nog zullen zien. 

De uit Oisterwijk afkomstige broeder Johannes (‘Knillis’) 
Schellekens was de rechterhand van pater Rutten in 
Nacharunep. (Coll. Archief Missiehuis Tilburg).


Broeder Johannes Schellekens, zoals gezegd Henri’s manusje van alles, was niet in Nacharunep toen To Maria en zijn trawanten op 13 augustus 1904 toesloegen. Op die bewuste zaterdag bevindt de broeder zich in St. Paul. Samen met broeder Eduard Plasschaert en de Duitse trappistenbroeder Aloysius-Joseph Bley is hij er aan het werk bij de nieuwe kerk. Die zal op 26 augustus ingewijd worden, en de Bainingers verheugen zich al op het grote feest dat daarna los zal barsten, met lekker eten en dansen. Om een en ander voor te bereiden waren ook de Duitse zusters Agnes, Angela en Agatha in St. Paul.
Pater Rascher is het eerste slachtoffer. To Maria schiet hem dood op zijn ziekbed. Hetzelfde lot treft zuster Anna. De slachtpartij die dan volgt, beschrijft pater Peeters in een soort telegramstijl, maar met gruwelijke details: 

‘Zuster Sophia, terugkeerend uit het dorp, waar zij de gewondenen verbonden heeft, wordt achter het huis door To Kagal met een bijlslag in de zijde afgemaakt, en wijl ze nog leefde, de ingewanden uit ’t lijf getrapt. Br. Bley, onder het huis aan ’t timmeren, komt eveneens aangesneld en krijgt een kogel door het hoofd; met bijlslagen wordt hij verder afgemaakt. Br. Schellekens, bezig met een cementen trap voor de kerk, wordt door To Ganakom het hoofd gekliefd met een bijl en valt met de truweel in de hand voorover.’ 

En zo worden ook de anderen afgeslacht door de bende van To Maria: in totaal negen slachtoffers. 

‘Terechtstelling van een der moordenaars door inlandsche soldaten’, luidt het 
bijschrift bij deze foto. (Foto uit ‘Korte levensschets’).


    Martelaren
En Henri Rutten? Die was alleen thuis in Nacharunep. Als we pater Peeters mogen geloven, zat hij ‘rustig in een klapstoel op de veranda het boek “De martelaren van ’t Colyseum” te lezen’ toen hij ongewenst bezoek kreeg: 

‘To Busse had zijn geweer gevraagd, zoogenaamd om op jacht te gaan, en schoot hem den schedel van het hoofd; de dood trad onmiddellijk in. Zijn bloed spatte rondom hem en op het leesboek heen, en naderhand vond men ter plaatse naast hem een plas geronnen bloed. Het was volbracht!’

Klinkt het niet te mooi om waar te zijn, dat pater Rutten nu juist dat ene boek las toen hij zo lafhartig werd vermoord?

Prentbriefkaart naar een schilderij van de ‘martelaren van 
Rabaul’, zoals de vermoorde missionarissen ook wel genoemd 
werden. Overigens zijn alleen de MSC’ers afgebeeld; de 
trappist Bley ontbreekt. (Coll. Archief Missiehuis Tilburg).


Betrouwbaarder en tegelijk ook rijker aan details komt mij de lezing voor van pater August Kleintitschen MSC, die drie dagen na het drama op de plaats des onheils was en ooggetuigen sprak. Samen met enkele vertegenwoordigers van de Duitse autoriteiten en zwarte ‘politiesoldaten’ bezocht hij St. Paul en Nacharunep. Niet op de laatste plaats is het gezelschap op zoek naar de moordenaars. Ook in de missiepost van pater Rutten blijken die flink huisgehouden te hebben. In diens huis is alles vernield of weggeroofd en in de kapel ligt het altaar in stukken geslagen. Op een tafel op de waranda ziet pater Kleintitschen inderdaad een boek over de ‘martelaren in de catacomben’ liggen. Daarin, zo denkt hij, heeft pater Rutten zitten lezen, alvorens z’n brevier ter hand te nemen: 

‘En terwijl hij bad, trof hem het dodelijke geweerschot dat hem toevoegde aan de martelaren, wier heldenmoed hij zojuist nog bewonderd had, die vol vreugde stierven en hun bloed voor het geloof vergoten.’

Hoe kwam Kleintitschen tot deze reconstructie? De stoel waarin zijn collega Rutten gezeten had, was bebloed, maar diens lichaam leek verdwenen. Nader onderzoek wees uit dat enkele ‘getrouwe’ dorpelingen hun pastoor diezelfde zaterdag nog begraven hadden vlak bij z’n huis, zodat de moordenaars niet aan de haal konden gaan met zijn lijk. Eerst hadden ze bij de dode gewaakt en vervolgens een kuil gegraven. Zoals ze pater Henri gevonden hadden, nog met het brevier in zijn handen, zo legden ze hem ook in het graf. Om te voorkomen dat de dode in aanraking zou komen met aarde, werd hij op een bed van vers geplukte bananenbladeren gelegd en dezelfde bladeren bedekten ook zijn lichaam, waarna het geheel afgedekt werd met grond. Sierstruiken moesten de plek onherkenbaar maken. 

‘Na de begrafenis hieven de getrouwen wenend de dodenklaagzang aan, ofschoon de opstandige Bainingers hen daarin wilden hinderen.’ 

Tot zover pater Kleintitschen.(9)

    Strafexpedities
De Duitse koloniale overheid trad keihard op tegen de moordenaars. Ook tal van onschuldigen vonden de dood bij strafexpedities, waarbij hele dorpen vernietigd werden. Maar, zoals pater Peeters in zijn ‘Korte levensschets’ schrijft: ‘Het bloed der martelaren is het zaad der christenen.’ 
En inderdaad betekenden de dramatische gebeurtenissen van 1904 absoluut niet het einde van de missie op Neu Pommern, later New Britain. Zoals gezegd, de honderdste sterfdag van de ‘martelaren van Bainingen’ is daar afgelopen maand augustus groots gevierd. En ook het zaligverklaringsproces dat eind jaren vijftig in de vergetelheid raakte is recentelijk weer nieuw leven ingeblazen.(10) Het kan niet anders dan dat daar ook - anders dan in het verleden - de zes of zeven Bainingers bij betrokken worden die eveneens in 1904 vermoord werden omdat ze weigerden aan de slachtpartij van de bende van To Maria mee te doen. Pater Reiner Jaspers omschrijft deze slachtoffers heel treffend als ‘in de ware zin van het woord bloedgetuigen van hun nieuwe geloof’.(11)

Bijeenkomst bij het graf van de vermoorde missionarissen in St. Paul, vermoedelijk op hun 25ste 
sterfdag, 13 augustus 1929. (Coll. Archief Missiehuis Tilburg).


    Geweer
In Tilburg is een straat naar pater Rutten genoemd; broeder Schellekens moet het zonder doen in Oisterwijk. Maar paters werden vroeger ook als een soort hogere klasse gezien dan broeders, die meer beschouwd werden als het werkvolk.
In het archief van het Missiehuis van de MSC aan de Bredaseweg kan men nog tal van sporen vinden van het missiedrama van 1904. Zo worden daar de brieven bewaard die pater Henri Rutten en broeder Johannes Schellekens naar hun familie en overste in Nederland schreven. En in het ‘museum’ op zolder staan tussen de vele devotionalia hun portretten. De broeder heeft iets goedmoedigs, de pater is meer de intellectueel. Maar zijn portret zou er ongetwijfeld anders uitgezien hebben als de schilder hem in Neu Pommern had zien rondbanjeren, in zijn vuile kleren ogend als ‘een echte roover’ zoals hij aan het thuisfront schrijft. ‘Mijn schoenen had de armste schooier te Tilburg op straat niet opgeraapt.’

Ooit moet in dit museum ook het fameuze geweer hebben gelegen waarmee hij doodgeschoten is. Maar ook de oudere paters en broeders weten niet meer waar het gebleven is. “Zo hadden wij vroeger ook het knijpbrilletje dat heeroom droeg en dat je ook op zijn foto ziet”, zegt Çoise Appels. “Op een gegeven moment konden we het nergens meer vinden.” Maar ook zonder die tastbare relicten, om niet te zeggen relikwieën, leeft de goede pater Henri Rutten voort, op zijn minst in zijn familie.



De herdenking van de 100ste sterfdag in St. Paul op 13 augustus 2004. Bainingers houden de portretten
 van de tien ‘martelaren’ vast. (Foto Çoise Appels).


    Noten

Met dank aan pater Arie Vriens, oud-archivaris van de MSC te Tilburg, die me aan het eerste archiefmateriaal hielp; pater Jan Bovenmars, de opvolger van pater Vriens, die me op diverse fronten assisteerde; dr. Gabrielle Dorren die mij inzage gaf in haar boek over de geschiedenis van de Nederlandse MSC-provincie; Çoise en Nell Appels die het missiedrama in familiair perspectief brachten; en met bijzondere dank aan Mieke-Nelie van der Heijden die diverse leden van de familie Rutten interviewde en mij op het spoor zette van deze geschiedenis. 

(1) In dit artikel heb ik me beperkt tot de persoon van Henri Rutten. Wie meer wil weten over broeder Schellekens: de priester H. Maas schreef over hem een boeiend artikel dat op 26 juni 1970 in het Oisterwijkse Kerkklokje verscheen onder de titel: ‘Kornelis Schellekens, de Oisterwijkse martelaar van de Kleine Heide’.
(2) Waar mogelijk verwerkte ik deze interviews ook in dit artikel.
(3) Ik volg hier de ‘Korte levensschets’ van pater Peeters die overigens enkel de doopdatum geeft.
(4) Pater Henri Rutten Brieven aan zijn familie. Uitgave in eigen beheer. ISBN 90-809-017-1-7. Oplage 100 ex. Zolang de voorraad strekt nog te bestellen via 013-5360039.
(5) Helaas kon pater-archivaris Jan Bovenmars mij geen inzage geven in alle brieven ‘vanwege het vertrouwelijke karakter’.
(6) Ik baseer me hierbij mede op een paragraaf uit het boek Door de wereld bewogen. Geschiedenis van de Nederlandse Missionarissen van het heilig Hart (MSC) van Gabrielle Dorren dat binnenkort verschijnt bij Uitgeverij Verloren te Hilversum.
(7) Reiner Jaspers MSC : ‘Historische Untersuchungen zu einem Mord an Missionaren auf New Britain (Papua New Guinea) 1904.’ In: Zeitschrift für Missionswissenschaft und Religionswissenschaft. Heft 1, 1979. 
(8) ‘Korte levensschets’, p. 68.
(9) Het verslag van pater Kleintitschen is opgenomen in Die Hiltruper Märtyrer von Sankt Paul samengesteld door P. Joseph Schmidt MSC, Regensburg/Münster, 1947. 
(10) Met name dankzij mgr. Karel Hesse, aartsbisschop van Rabaul en de Duitse MSC-zusters van Hiltrup tot welke congregatie de vijf vermoorde zusters hoorden.
(11) Dr. Reiner Jaspers MSC, Zum Seligsprechungsprozess P.M. Rascher MSC und Gefährten. Ongepubliceerd manuscript, 1977, p. 5. Archief Missiehuis Tilburg.


* Joep Eijkens (Tilburg, 1951) studeerde geschiedenis in Nijmegen. Hij is werkzaam als redacteur bij het Brabants Dagblad. Hij publiceerde eerder in ‘Tilburg’ (1996 en 1997).