|
613. Schilderende fabrikantenzoon |
|||
|
Titel: |
Schilderende fabrikantenzoon |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Lauran Toorians |
|
Jaargang: |
XXIII (2005) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina’ s: |
26-27 |
Sinds aan de schilder Theo Swagemakers in Haarlem een museum is gewijd, worden
ook het leven en werk van deze schilder breder onder de aandacht gebracht, niet
alleen door middel van exposities, maar ook door publicaties. Swagemakers leefde
van 1898 tot in 1994 en vijf jaar na zijn dood werd het museum geopend. De
schilder was de oudste zoon van de Tilburgse textielfabrikant Daniël Swagemakers
en het kostte hem nogal wat moeite om zich uit het fabrikantenmilieu los te
maken en zijn vader ervan te overtuigen dat zijn roeping toch echt bij de
schilderkunst lag. Pas op zijn vijfentwintigste ging hij naar de Brusselse
Academie des Beaux-Arts en aansluitend trok hij naar Parijs. Een portret dat hij
daar schilderde van de Russische prins Obolensky werd in 1929 in Parijs
geëxposeerd en trok meteen de aandacht, waarna een carrière als portretschilder
open lag.
Om dicht bij de klandizie te zitten, vestigde Swagemakers zich in Amsterdam.
Vele bekende en minder bekende Nederlanders hebben voor hem ‘gezeten’ en hoewel
Swagemakers nooit echt doorbrak als kunstenaar, kan hij beslist worden beschouwd
als een geslaagd portretschilder. Daarnaast maakte hij ook vrij werk dat bepaald
niet slecht is en dat Aldo Rossi er in 1949 toe bracht hem zelfs te vergelijken
met Giorgio Morandi. Dat Swagemakers zich niet verder op deze weg heeft gewaagd,
lijkt vooral ingegeven door het feit dat portretten brood op de plank brachten
en het vrije kunstenaarschap een onzeker bestaan is. De kunst beoefende hij als
hobby.
Jammer is dat ook Frans Duister in zijn boek over Swagemakers als schilder het
accent zo zwaar op de portretten legt. Daarmee kiest hij voor de kwantiteit
binnen het oeuvre en mist hij de kans die een terugblikkend overzicht nu juist
biedt om andere accenten te leggen en daarbij de kwaliteit op de voorgrond te
trekken. Niet dat de portretten slecht zijn (sommige zijn dat wel degelijk),
maar zij getuigen meer van vakmanschap dan van kunstzin en inventiviteit. In
zijn vrije werk – vaak zijn het vakantieschetsen – laat Swagemakers zien veel
meer in zijn mars te hebben. Een vernieuwer toont hij zich nergens, en de
vergelijking met Morandi is wellicht wat al te hoopvol, maar toch niet geheel
uit de lucht gegrepen. De illustraties in dit boek getuigen daarvan en nodigen
uit tot een vergelijking met Swagemakers’ Limburgse leeftijdgenoot Charles Eyck
(1897-1983). Daarmee wordt ook duidelijk dat Swagemakers een betere
schildersbiografie verdient, een studie die minder een vriendenboek is en waarin
kritischer wordt onderscheiden wat de schilder ‘om den brode’ maakte en wat
werkelijk kwaliteit heeft.
.jpg)
Frans Duister, Theo Swagemakers, 1898-1994. Schilder tussen proza en poëzie.
Haarlem: Stg Vrienden Theo Swagemakers / Venlo: Van Spijk Art Projects 2003, 144
pp., ISBN 90-6216-614-8, hb., € 32,50.
Theo Swagemakers Museum, Pietershuis, Stoofstraat 6, Haarlem. Info: tel.
023-432.7761, www.swagemakersmuseum.nl.




