Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
463. De Willem II-straat, voorheen Komediestraat (1870-1992)
 

Titel:   

De Willem II-straat, voorheen Komediestraat (1870-1992)

Ondertitel:   

Stedebouwkundige, kunsthistorische en sociale ontwikkelingen

Auteurs:   

Luud de Brouwer en Joost van Hest

Jaargang:   

X (1992) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

3

Pagina’ s:   

56-69

 

Toen het gebied van de Heuvelse Akkers werd bebouwd en ontsloten na de aanleg van de spoorlijn Breda-Tilburg, gebeurde dat niet door een gemeentebestuur dat vooropliep met initiatieven. De gemeente had echter wel duidelijke ideeën ten aanzien van het uiterlijk van de hoofdstraten die, aangelegd door de Heuvelse Akkers, het stationscomplex met het centrum van de stad gingen verbinden. De entree van Tilburg moest stedelijke allure krijgen.

Van de twee straten die het 19de-eeuwse gemeentebestuur vanuit het stationscomplex liet aanleggen naar het centrum van de toenmalige gemeente, de Stationsstraat en de Willem II-straat, is de laatste het meest in haar oorspronkelijke staat bewaard gebleven. De panden die vanaf 1870 gebouwd zijn, vinden we nog steeds terug in de huidige Willem II-straat. Daarentegen raakt de Stationsstraat steeds meer haar oorspronkelijke karakter kwijt. Om die reden hebben we de Willem II-straat gekozen als onderwerp van dit artikel.


De aankoop van de Oude Komedie

Toen duidelijk werd dat het station gebouwd zou worden aan de zuidkant van de spoorlijn langs de aan te leggen Parallelweg (tegenwoordig Spoorlaan) tussen de Gasthuisring en de huidige Willem II-straat (1), kwam in een geheime vergadering van de gemeenteraad van Tilburg op 1 maart 1862 raadslid C.J. Jansens met het voorstel om het huis genaamd de Oude Komedie, toebehorend aan de erven D. van der Sande, aan te kopen. Dit complex gebouwen, gelegen aan de Heuvelstraat, zou een goede gelegenheid bieden om een nieuwe verbindingsweg te maken tussen het aan te leggen stationsgebouw aan de Parallelweg en de Heuvelstraat. Daarnaast zou er voldoende grond beschikbaar komen om langs die weg bouwterreinen te verkopen die de kosten van aankoop van alle percelen en de aanleg van de straat zouden dekken. Dit voorstel werd aangehouden op grond van het feit dat de exacte plaats van het station nog niet bekend was en men daarop niet wilde vooruitlopen.



Cornelis Johannes Janssens (1789-1868). Anoniem schilderij, olieverf op doek, ca. 1840. 
Part. coll. Tilburg.

Toen het nieuwe stationsgebouw was geopend, kwam C.J. Jansens in de vergadering van 21 december 1863 terug op zijn voorstel. Nu opperde hij twee mogelijkheden: een nieuwe straat die ruwweg het traject van de huidige Langestraat zou volgen en een nieuwe straat vanuit de Heuvelstraat, beginnend bij de gebouwen van de Oude Komedie. In beide gevallen zou dat een betere aansluiting bewerkstelligen tussen de kom van de gemeente en het spoorwegemplacement. Er werd besloten een commissie aan te stellen die deze mogelijkheden zou gaan onderzoeken. De commissie kwam vervolgens met het plan om beide straten aan te leggen. Aanvankelijk staakten de stemmen, maar bij een herstemming in de volgende vergadering werd het voorstel met 8 tegen 7 stemmen verworpen.
In 1864 probeerde Janssens het opnieuw. Hij betoogde in de vergadering van 5 april dat de Oude Komedie voor f 6500 kon worden aangekocht. Ondanks het instellen van nieuwe commissies werd de knoop over de aankoop nog steeds niet doorgehakt.
In 1869 - C.J. Janssen was inmiddels overleden - deed de eigenaar van de Oude Komedie, Jan Baptist Marinus, het voorstel aan de gemeente om de panden van die Oude Komedie aan te kopen mede 'dewijl hij vernomen heeft dat vele ingezetenen het maken van eene openbare straat, wenschelijk achten vanaf dit punt, in regte lijn naar de Paralelstraat'.(2) De commissie die dit onderzocht, oordeelde dat de aankoop moest plaatsvinden. Daarbij speelde een brief van de directeur van het postkantoor een rol, waarin deze te kennen gaf dat de minister van financiën namens hem in overweging had gegeven 'of de gemeente genegen is zich te verbinden tot het beschikbaar stellen het inrichten en het onderhouden van een geschikt postkantoor tevens dienende tot woning voor den directeur'. Het Rijk was bereid om een langlopend huurcontract voor dat gebouw te aanvaarden. Met deze wetenschap werd het verzoek van J.B. Marinus gehonoreerd en kocht de gemeente Tilburg de Oude Komedie voor f 10.647,50, ruim f 4000 meer dan de gebouwen in 1864 gekost zouden hebben. Ze ging vervolgens over tot sloop van de panden. Daarna werden de eigenaren van de overige percelen die in het traject van de nieuwe straat lagen, bereid gevonden deze percelen voor billijke prijzen aan de gemeente af te staan of voor gemeentegrond te ruilen.



Bestek en voorwaarden van aanbesteding voor de aanleg van de Willem II-straat, 1870. 
RHC Tilburg, Secretariearchief 1810-1907, voorl. inv. nr. 845.

In 1870 volgde de aanbesteding van het aanleggen van de keibestrating met trottoirs. De laagste inschrijvers waren J. de Beer, aannemer van publieke werken, samen met M. van Eijk en W. van Eijk, meester-metselaars. Zij voerden deze werkzaamheden uit voor de som van f 19.968,90.(3) In de vergadering van 30 maart 1870 werd de naam van de nieuwe straat vastgesteld als Komediestraat. In 1881 wijzigde de gemeenteraad de naam in Willem II-straat.


Het uiterlijk van de straat

In een eerder artikel (4) zijn wij ingegaan op het verschil in bouwstijl tussen de straten die door of op initiatief van particulieren zijn aangelegd en de straten die de gemeente aanlegde. Na de Stationsstraat was de Willem II-straat de tweede straat die op initatief van de gemeente werd gerealiseerd. De leden van de gemeenteraad hadden een duidelijk beeld over het type woning dat de nieuwe straat zou moeten begrenzen. De gemeente was eigenaar geworden van nagenoeg alle grond langs de aangelegde straat ten noorden van de huidige Tuinstraat. In een transportakte van 18 augustus 1870 werden de eerste percelen bouwgrond langs de nieuwe straat verkocht. In die akte stonden onder artikel 10 de speciale voorwaarden opgesomd die de gemeente stelde aan de kopers ten aanzien van het uiterlijk van de te bouwen panden:

'De speciale voorwaarden Zijn:
1º De Koopers zijn verplicht binnen twee jaren na de dagteekening der Koopakte op het gekochte terrein een (woon)gebouw te stichten en zoo ver te voltooien dat de buitenmuren tot de volle hoogte zijn opgetrokken en het gebouw behoorlijk onder dak is gebracht.
2º De Voorgevel der gebouwen moet in eene rechte lijn tegen den trottoir aansluiten, zullende de fondamenten tot gelijke hoogte als de trottoirs moeten opgetrokken en de bovenkant van de deurdrempels hoogstens 12 centimeters boven den trottoir gelegd worden. De grond die tusschen de gebouwen opengelaten wordt hetzij voor uitweg, hetzij voor het ontvangen van licht als anders mag niet breeder zijn dan vier meters; deze open plaatsen moeten binnen voorschreven tijd worden afgesloten door een schansmuur ter hoogte van minstens twee meters boven de trottoir, die gelijk met den voorgevel moeten gebracht worden en alleen naar binnen mogen afwateren; deze schansmuren moeten gemaakt worden of van eerste soort gevelsteen langs de straatzijde gevoegd, of worden bezet met portlandsche cement of dergelijke specie, mits in ieder geval net afgemaakt.
Met toestemming van Burgemeester en Wethouders kan de muur door een sierlijk ijzeren hek vervangen worden. In de schansmuren mogen geene andere openingen gelaten worden dan ten behoeve van een uitweg voorzien van eene aan den buitenkant geschaafde en geverwde poort tot dezelfde hoogte als de muur tegen de schansmuur mogen geene van de straat zichtbare gebouwen of getimmerten worden aangebracht.
3º De Huizen moeten met minstens eene bovenverdieping gebouwd worden; de voorgevels mogen geene mindere hoogten hebben dan zeven en een halve meters en zullen moeten voorzien zijn van dakgooten met kroonlijsten, benevens afvoerbuizen vast tegen den muur geplaatst tot op hoogstens drie decimeters uitstek. De Voetkrabbers moeten in den gevelmuur zijn vastgemaakt en mogen niet meer dan een decimeter voor den gevel uitsteken.
4º Voor iederen blok of perceel zal de Kooper bij wijze van boete betalen eene som van duizend gulden voor het geval hij zal nalatig blijven om overeenkomstig voorschreven bepalingen en binnen den bepaalden tijd van twee jaren op de bouwterreinen de gebouwen te stichten. Hij zal in verzuim zijn en de boeten beloopen hebben door het enkel verloop van den bepaalden tijd onaangezien het recht van de zijde der Gemeente om de ontbinding der overeenkomst te vorderen.'


Uit deze speciale voorwaarden blijkt duidelijk dat de gemeenteraad ernaar streefde om de Komediestraat een voornaam en stedelijk aanzien te geven. De verplichting van de tweede verdieping en de voorschriften ten aanzien van specifieke uiterlijke kenmerken moesten de straat haar stedelijke karakter geven. Tevens garandeerde dat een zekere welstand van de toekomstige bewoners. De beperking in bouwtijd moest waarschijnlijk een waarborg geven tegen grondspeculatie en daarnaast een garantie zijn dat de straat binnen afzienbare tijd bebouwd zou raken. 
De gemeente hield het uiterlijk van de nieuwe straat nauwlettend in de gaten. Na het gereedkomen van het telegraafkantoor in het nieuwe postkantoor aan de Willem II-straat in 1871, gaf de gemeente te kennen dat er geen telegraafpalen mochten komen in de straat 'wijl dit de net aangelegde straat te veel zou ontsieren'. De raad gaf toestemming om een ondergrondse leiding aan te leggen.(5)



Plattegrond van de Komediestraat (Comediestraat), met aanduiding van de percelen daarlangs die 
eigendom zijn van de gemeente, 1870. RHC Tilburg, Coll. Beeld en geluid (oorspronkelijk 
vermoedelijk behorend tot het Secretariearchief 1810-1907).

De gemeente had zich voorgenomen om de bouwterreinen geleidelijk aan openbaar te verkopen. Men wilde niet alles in één keer gaan verkopen.(6) De reden daarvoor is niet bekend.
Van de vier hoeken van de nieuwe straat was er al één bebouwd; de oosthoek met de Heuvelstraat. De andere drie hoeken werden nog in 1870 verkocht. Of de westhoek met de Spoorlaan (niet in handen van de gemeente), tot aan de Karrestraat al voor de aanleg van de straat bebouwd was, is niet duidelijk.
Tussen 1870 en 1874 lag het zwaartepunt van de verkopen van bouwterreinen op de oostzijde van het noordelijk deel van de Komediestraat. In de periode 1876-1878 werd het grootste deel van de westzijde tussen Karrestraat en Tuinstraat verkocht.
In het zuidelijk deel van de Willem II-straat was de situatie geheel anders. Aan de westzijde werden tussen 1870-1874 percelen verkocht voorzover die in handen van de gemeente waren gekomen bij de aankoop van de Oude Komedie. Maar daar bezaten Adriaan Pieter Ledeboer, en later Vincentius Bogaers, een groot perceel dat van de Willem II-straat tot aan de huidige Telefoonstraat doorliep.
Aan de oostzijde was de gemeente er helemaal niet in geslaagd percelen te verwerven. De grond was daar in handen van Henricus Dominicus van de Sande en firma Daamen (hoek met de Tuinstraat).
Uit het bovenstaande blijkt dat er in de Komediestraat nog lang lege bouwterreinen langs de straat lagen. Rond 1880 was er sprake van een enigszins gesloten straatwand.



Adriaan Pieter Ledeboer (1828-1898) omstreeks 1864. RHC Tilburg, 
Fotocoll. Diepen, inv. nr. 183.

Ondanks de duidelijke bedoelingen en regelgeving van de gemeente Tilburg is zij er niet in geslaagd in alles het beoogde doel te realiseren.
Uit het bovenstaande bleek al dat het de gemeente niet gelukt was om alle percelen langs de nieuwe straat in handen te krijgen. Dat betekende dat daar geen speciale voorwaarden konden worden gesteld ten aanzien van het uiterlijk van de te bouwen panden. De gevolgen daarvan konden niet uitblijven. In het noordelijk gedeelte van de straat was het westelijk hoekpand niet gebouwd volgens de wensen van het gemeentebestuur; de verdieping ontbrak. In het zuidelijk deel was de situatie nog slechter. Henricus van de Sande bouwde kort na 1870 enkele panden op zijn terrein langs de nieuwe straat. Uit een artikel in de Tilburgsche Courant van 7 november 1880 bleek dat die panden geen sieraad voor de straat waren. Deze panden verdwenen tussen 1875 en 1890 successievelijk onder de slopershamer en in hun plaats verschenen woningen die wel aan de uiterlijke eisen voldeden. Ook deze panden hoefden niet te voldoen aan de eisen van de gemeente, maar werden wel met een verdieping gebouwd. De enige uitzondering daarop waren de woningen die Petrus van Gool daar neerzette.

Aan de westzijde bouwde Ledeboer omstreeks 1872 een riant woonhuis op zijn perceel. Pas in 1898 verscheen er een tweede pand op de hoek met de Tuinstraat. Aan deze zijde van de straat bleef tot 1911 een groot gedeelte onbebouwd liggen.
In één geval kwam er een klacht binnen over het niet snel genoeg bebouwen van een perceel. In de vergadering van 17 mei 1876 behandelde de raad een verzoekschrift van bewoners in de Komediestraat, waarin te kennen werd gegeven dat van het terrein dat Mathias Adrianus van Velthoven had aangekocht op 17 november 1874, slechts het noordelijk deel was bebouwd. De bewoners vonden dat 'voor de sierlijkheid der straat en ter bevordering van het handelsverkeer' de tijdelijk verleende vergunning moest worden ingetrokken om het terrein alsnog geheel te laten bebouwen. De raad oordeelde dat de heer Van Velthoven nog tot 30 december de tijd had om het terrein tenminste met een sierlijk ijzeren hek af te sluiten. Eerder kon men geen maatregelen nemen.(7) Blijkbaar is Van Velthoven direct ingelicht over deze affaire. Op 19 mei kwam er een tekening binnen van het te plaatsen hek, welke tekening op 24 mei door B & W werd goedgekeurd.(8)


Verkoop van bouwterreinen

Aanvankelijk verliep de verkoop van de bouwterreinen voorspoedig. In de periode 1870-1873 werden 19 percelen verkocht. In het midden van de jaren zeventig van de vorige eeuw ontstond er een stagnatie in de verkoop. Het eerste teken van verminderde kooplust ten aanzien van de bouwterreinen vinden we in 1873. De Israëlitische gemeente vroeg in mei van dat jaar toestemming om op voordelige voorwaarden en een heel billijke prijs, liefst gratis, een perceel grond ten noorden van het postkantoor te verkrijgen. De gemeenteraad besloot daarin toe te stemmen, zij het dat de Israëlitische gemeente een bedrag van f 800 zou moeten betalen. Dat was f 700 minder dan dezelfde grond zou moeten opleveren bij een publieke veiling. De raad rechtvaardigde deze gulle bui in de memorie van toelichting door erop te wijzen dat het bouwen van de synagoge 'een sierlijk aanzien aan de straat zal geven en momenteel ten gevolge van de mindere bouwlust niet te voorzien is, dat bij eene publieke verkoop (...) dat perceeltje meer dan f 800 zal opleveren'.(9) Deze verklaring toonde duidelijk aan dat de klad in de verkopen zat. 

In het licht van dit commentaar is het optreden van de gemeente later in dat jaar op zijn minst merkwaardig te noemen. In de Tilburgsche Courant van 1 november 1873 werd de verkoop van bouwterreinen langs de 'Komediestraat', op 20 november daaropvolgende, aangekondigd. Vervolgens verscheen in de krant van 23 november de uitslag van die inschrijving. De gemeenteraad keurde deze verkopen niet goed, want op 27 november werd de herveiling van dezelfde percelen aangekondigd. De Tilburgsche Courant van 12 december meldde dat er geen liefhebbers voor deze bouwterreinen waren 'althans er werd niet op geboden, zoodat er bijgevolg ook niets verkocht werd. Deze zeldzaamheid werd veroorzaakt doordien Burgemeester en Wethouders nader bepaald hadden dat op de hoeken in die straat niet minder dan 12 strekkende meters kan genomen worden. Een liefhebber voor den hoek Poststraat reclameerde teleur gesteld te zijn, daar van die bepaling niets bekend was, waarop de burgemeester verklaarde dat die wijziging later daaraan is toegevoegd geworden.' In de vergadering van 20 december 1873 werd een brief behandeld van reclamant Augustinus van den Abeelen, die had geboden op het hoekterrein Poststraat/Willem II-straat, en zich beklaagde dat hem dat perceel niet was toegewezen. De gemeenteraad oordeelde dat er ten minste 12 meter moest worden gekocht, terwijl Van den Abeelen slechts 8 meter wenste te kopen. Daarnaast had hij slechts f 7 geboden en wilde de raad tenminste f 8 geboden zien.(10) Conform artikel 2 en 7 van het verkoopreglement was de raad gerechtigd zo te handelen.(11) Hierop volgde een staaltje negentiende-eeuws protest van kopers en op de nieuwe aanbieding van de gronden werd niet gereageerd. Het was een weinig stimulerende houding van het gemeentebestuur, dat kort daarvoor constateerde dat de verkoop van bouwterreinen stagneerde. Misschien dat deze botsing tussen gemeentebestuur en potentiële kopers (mede) de animo om bouwterreinen in de Willem II-straat te kopen negatief beïnvloedde. In het daaropvolgende jaar 1874 werd slechts één perceel verkocht. Pas in 1875 werden de betreffende percelen voor de gewenste som verkocht, overigens niet aan dezelfde kopers als in 1873.

In mei 1876 vroeg het bestuur van de Liedertafel 'Souvenir des Montagnards' toestemming om een stuk grond van 42 meter te kopen tegen dezelfde gunstige voorwaarden als de Israëlitische gemeente. Van die 42 meter zouden slechts 13 meter worden bebouwd en het overige terrein zou tuin worden, afgesloten met een sierlijk hekwerk. Over de prijs bestond onenigheid tussen de raadsleden. De meerderheid wilde vasthouden aan de eerder vastgestelde prijs van f 5 per meter, die ook andere kopers moesten betalen. Men was bang dat vervolgens andere gezelschappen dezelfde korting zouden wensen. De Liedertafel kreeg het perceel uiteindelijk voor f 5 per meter. Verder stond als voorwaarde in de koopakte nadrukkelijk vermeld dat '(..) het niet te bebouwen terrein, zal moeten worden afgesloten, door een sierlijk ijzeren hek, onder goedkeuring van Burgemeester en Wethouders.' (12)

Uit het bovenstaande blijkt dat de markt voor bouwterreinen enigszins verbeterd was; daardoor kon men de prijs per meter verhogen. De prijs van f 8 per meter zoals de raad in 1875 na de nodige perikelen nog bedong, kon niet meer worden gehaald. De vergadering besloot dan ook in het vervolg f 6 per meter te vragen. Dat besluit kwam mede voort uit een tussenbalans waaruit bleek dat het aanleggen van de Komediestraat ca. f 45.000 had gekost en dat uit de verkoop van bouwterreinen ca. f 36.300 aan inkomsten was binnengekomen. Om het tekort sneller aan te vullen, verhoogde men de prijs per meter.(13) Deze verhoging belemmerde de verkoop niet; in de periode 1875-1877 werden nog eens 13 percelen verkocht. Het laatste perceel aan de oostzijde, ten noorden van de synagoge, werd pas in 1885 verkocht.


De kopers en bewoners (14)

In de meeste gevallen gingen de kopers van de percelen ook in de Willem II-straat wonen. Van de 53 eigenaren was dit bij 12 personen niet het geval.
De kopers van de percelen bouwgrond langs de nieuw aangelegde straat waren over het algemeen redelijk welgestelde mensen. Uitzondering daarop was Adriaan Ledeboer, die zijn huis en grond later verkocht aan Vincentius Bogaers. Deze laatste had zijn fabriek in de Tuinstraat liggen en de pleziertuin bij dat huis liep door tot aan zijn fabriek. Deze beide heren verdienden veruit het meeste van alle bewoners in de Willem II-straat en behoorden bij de toplaag van de Tilburgse samenleving.
De mensen die huurden in de Willem II-straat, zowel de hoofdhuurders als degenen die er op kamers woonden, kwamen uit dezelfde middenklasse als de eigenaren. Een uitzondering vormden aanvankelijk de bewoners van de oude panden die H.D. van de Zande rond 1870 bouwde. Hier woonden fabriekswerkers, dagloners of mensen zonder beroep. Volgens de kohieren van de hoofdelijke omslag (een soort belasting) verdienden zij te weinig om belasting te betalen. Toen die panden ca. 1890 werden gesloopt en vervangen door nieuwbouw, kwam er één nieuwe bewoner terug: Charles M. Marsé, met als beroep koopman en een geschat jaarinkomen van f 2500, later f 3000. Hij paste helemaal in de klasse die de Willem II-straat bewoonde.



Vincent Bogaers (1838-1901) en zijn vrouw Isabella Pollet (1842-1909). 
Foto K. Festge, Tilburg, omstreeks 1865. (coll. RHC Tilburg).

Twee eigenaren waren joods (Jacobus Jeronimus Hartogensis en Levi Lion) en slechts één was Nederlands hervormd (Adriaan Ledeboer). De overige eigenaren waren allemaal rooms-katholiek. Het overgrote deel van de huurders en inwonenden was eveneens rooms-katholiek. In de hele periode 1870-1900 woonden er 11 joden en 34 Nederlands hervormden op een totaal van 366 bewoners.
Negentien (van de overwegend mannelijke) eigenaren waren niet geboren in Tilburg. Slechts 6 daarvan hadden een vrouw die evenmin uit Tilburg afkomstig was. De overige 13 niet-Tilburgse eigenaren waren getrouwd met een Tilburgse vrouw. Van de 34 Tilburgse eigenaren waren er 10 getrouwd met een niet-Tilburgse vrouw.

Wanneer we de totale bevolking, zowel de eigenaren als de huurders en inwonenden, van de Willem II-straat tussen 1870 en 1900 bekijken, zien we dat van de 366 bewoners er 223 niet uit Tilburg kwamen.
Hierbij moet worden aangetekend dat met name de inwonenden (63 personen) betrekkelijk kort in Tilburg woonden. De meesten van hen werkten op de werkplaats van de Staatsspoorwegen en daar was het verloop erg groot.
Ondanks deze kanttekening tonen de cijfers duidelijk aan dat, hoewel de eigenaren voor een belangrijk deel uit Tilburgers bestonden, de bevolking in de Willem II-straat hoofdzakelijk uit niet-Tilburgers was opgebouwd. De oorzaak hiervan moet gezocht worden in de sterke groei van de Tilburgse bevolking in deze en de voorafgaande periode, een groei die vooral bestond uit een sterke immigratie.


De bebouwing (15)

Wandelend door de Willem II-straat kan men nog steeds de sfeer proeven van laat-19e-eeuwse deftigheid. De hoge en ruime herenhuizen hebben een voornaam en veelal afstandelijk karakter dat typerend is voor een 'betere wijk' aan het einde van de vorige eeuw. Dit is niet alleen typisch voor de situatie in Tilburg. Dergelijke straten kunnen ook aangetroffen worden in andere Nederlandse steden evenals buiten de grenzen van ons land. Hun aanwezigheid is een illustratie van de vooraanstaande maatschappelijke positie die de bourgeoisieklasse zich tussen ca. 1850 en 1900 verworven had. Die positie werd kenbaar gemaakt door de bouw van woonhuizen waarvan de stijl teruggreep op kunstvormen uit het verleden. Vooral de stijlen die gehanteerd werden om de woon- en leefomgeving van een voortvarende elite vorm te geven, waren zeer populair, met andere woorden de inspiratie op de Renaissance en de Barok vierde hoogtij. Deze stijlen hadden tussen ca. 1400 en de tweede helft van de 18e eeuw de vormgeving bepaald van de villa's en paleizen van een voorname burger- en adelsklasse. De bourgeoisie uit de 19e eeuw vond zich inmiddels belangrijk genoeg om zich te spiegelen aan de aristocraten en vorsten van weleer.



De panden zonder verdieping die Petrus van Gool omstreeks 1887 liet bouwen. Foto J. Brieffies, 
1980. (coll. RHC Tilburg).

In de meeste Europese steden kon rond de eeuwwisseling dan ook een enorme bouwactiviteit geconstateerd worden. In veel gevallen viel die samen met de afbraak van de aanwezige stadsmuren die sedert de Middeleeuwen de grenzen van een plaats afgebakend hadden. Bevorderd door de groei van de stedelijke bevolking en voortschrijdende industrialisatie werden de inmiddels nutteloos geworden wallen gesloopt. Steden barstten letterlijk uit hun voegen. Op deze manier kwam er ruimte vrij voor de aanleg van voorname woonwijken. De ligging ervan is gewoonlijk net buiten het eigenlijke stadscentrum.
Het beroemdste voorbeeld is te vinden in Wenen. Daar werd vanaf ca. 1860 gebouwd aan de vele patriciërshuizen en openbare gebouwen langs de Ringstrasse(16), een straat die in de plaats gekomen was van de vroegere wallen en als een krans om het stadscentrum lag. De bebouwing toont een mengelmoes van historiserende kunstvormen. Neo (= nieuwe)-barok, neorenaissance, neogotiek en neoclassicisme kunnen er in de meest overdadige toepassingen aangetroffen worden. Te zamen geven ze een beeld van de westerse kunstgeschiedenis vanaf de Klassieke Oudheid tot de 19e eeuw. 



Tekening van het siermuurtje dat M.A. van Velthoven in 1876 liet bouwen op het
braakliggend gedeelte van zijn bouwterrein. RHC Tilburg, Secretariearchief 
1810-1907, voorl. inv. nr. 261, aanvraag 19 mei 1876.

Typerend voor het teruggrijpen op het verleden is dat men de verschillende stijlvormen gewoonlijk niet op een puristische wijze hanteerde maar dit naar eigen smaak en fantasie deed. Een gebouw kon op deze manier zowel kenmerken uit de tijd van de Renaissance als van de Barok te zien geven. Ook paste men met het grootste gemak gotische motieven toe binnen een neobarok gebouw. Dit gebruik van historiserende vormen zonder zich te laten hinderen door stijlgrenzen of -fases is kenmerkend voor het zogenaamde Eclecticisme, de officiële benaming voor het teruggrijpen op het verleden.

De herenhuizen in de Willem II-straat zijn een voorbeeld van dit Eclecticisme. Hun ontstaan hangt niet samen met de afbraak van oude stadsmuren (die heeft Tilburg nooit gekend) maar met de verstedelijking van het gebied De Heuvelse Akkers na de bouw van het spoorwegstation in 1863.(17) Het merendeel heeft motieven die ontleend zijn aan de Barok. Van de huidige bebouwing tonen niet minder dan 36 panden in meerdere of mindere mate de betreffende stijlkenmerken.(18) Hiervan hebben 14 panden een bepleisterde gevel (19), de andere hebben een bakstenen muur.

Om een indruk te geven van een neobarok pand volgt hier een beschrijving van het herenhuis op nr. 49 dat omstreeks 1872 gebouwd werd voor de fabrikant Adriaan Pieter Ledeboer. De brede voorgevel bestaande uit een sousterrain-, beneden- en bovenverdieping, heeft een symmetrische indeling. Het middendeel is geaccentueerd door een risaliet c.q. een over de gehele lengte van de gevel naar voren springend gedeelte. Hierin bevindt zich de deurpartij met aan weerskanten een venster. De dubbele deuren zijn opgenomen binnen een portiek met trap. Boven het portiek is een balkon.(20) De balkondeuren worden geflankeerd door twee ramen. Links en rechts van de risaliet bevinden zich zowel op de beneden- als de bovenverdieping telkens twee vensters. De basis van de gevel wordt gevormd door een hardstenen sokkel waarin twee keer drie sousterrainvensters uitgespaard zijn. Hardsteen is voorts toegepast voor de gelede cordonlijst (afbakeningslijst) die de beneden- en bovenverdieping van elkaar scheidt. De gevel wordt naar boven toe afgesloten door een lijst met steunconsoles. Deze fungeren als basis voor de goot, die de vorm heeft van een geprofileerde kroonlijst. 



Het neobarokke herenhuis op nr. 49 dat omstreeks 1872 gebouwd werd voor fabrikant Adriaan 
Pieter Ledeboer. Foto J. Brieffies, 1980. (coll. RHC Tilburg).

Tussen de consoles zijn omlijste siervelden te zien. Voorts loopt langs de onderkant van de goot een tandlijst. De risaliet wordt bekroond door een timpaan (geveldriehoek) waarbinnen een klein, rond venster. Ook de diagonale timpaanlijsten zijn voorzien van een tandlijst. De hoeken van de gevel zijn verlevendigd door 'halfpilasters' die de suggestie wekken te zijn opgebouwd uit forse steenblokken. Dit suggestieve karakter is verkregen door bepleistering. Op dezelfde wijze zien we zulke steenblokken langs de gehele benedenverdieping. De overige bepleistering, langs de rest van de voorgevel evenals aan de andere zijden van het pand, is glad gelaten. De decoratie van het huis bestaat onder andere uit de reeds genoemde consoles, die de vorm hebben van overdadig krulwerk met leeuwekoppen. Voorts zijn er kruldecoraties boven het portiek en de ramen van de benedenverdieping. Ook de beide steunconsoles van het balkon bestaan uit krulwerk. De balkondeuren en de ramen van de bovenverdieping worden bekroond door een architraaf (sierbalk) op twee consoles. De architraven binnen het risalietgedeelte hebben naar het midden toe een gebogen vorm. Tot slot dient nog melding gemaakt te worden van de twee veelhoekige erkers tegen de zijgevels. Deze onderstrepen het symmetrische karakter van het pand en zijn eveneens versierd met consoles en kruldecoraties. 
De zojuist beschreven kenmerken kunnen teruggevonden worden bij barokke gebouwen als het Koninklijk Paleis te Amsterdam uit 1648 vv.(21) of het Haagse Mauritshuis uit 1635.(22) Ook daar zien we de toepassing van 'krulwerk' (in de vorm van gebeeldhouwde guirlandes), architraven, een risaliet en een timpaan. Het eclectische aspect blijkt uit de tamelijk stereotiepe toepassing evenals een detail als de gotische vierpassen met punthoeken in de siervelden onder de dakgoot. 



Neoclassicistisch herenhuis op nr. 45. In 1898 gebouwd voor 
wolfabrikant Petrus Bogaers.
Foto A. van Beurden, 1945. (coll. RHC Tilburg).

De neobarokke huizen worden afgewisseld door panden in neoclassicistische of neorenaissance-stijl. De classicistische vormgeving is te zien bij acht panden (23) waarvan de helft bepleisterd is.(24) Renaissancistische kenmerken zijn in zes gevallen zichtbaar.(25)
Bepalend voor het neoclassicisme is de beheerste vormgeving. Overdaad aan decoratieve details is achterwege gelaten. Gewoonlijk zijn de gevels bepleisterd en wordt de suggestie gewekt dat ze opgebouwd zijn uit steenblokken. Voorbeelden hiervan zijn het pand op nr. 5 uit 1878 en het hoekhuis aan de noordoost-zijde van de straat (Spoorlaan 360) uit 1871. De steenblokkensuggestie wijst terug naar het decoratieve gebruik van de zogenaamde rustica dat in de 15e eeuw geïntroduceerd werd binnen de Italiaanse bouwkunst.(26) Ook toen werd de suggestie gewekt van een gevel die opgebouwd was uit zware stenen. Het bepleisterde hoekpand op nr. 45 uit 1898 heeft een veelheid aan classicistische details als gebroken timpanen, architraven en halfpilasters. In plaats van de klassieke beheersing zien we hier een barokke overdaad. Een kroonlijst met palmetmotieven sluit de gevels naar boven toe af. Classicistische panden zonder bepleistering zoals op de nrs. 9, 11, 13 en 15 (1875) hebben een eenvoudige bakstenen gevel. De hier aanwezige kroonlijsten (onder de dakgoot) en sierlijsten (langs de ramen) worden gekenmerkt door een strakke profilering zonder krulwerk. Ter verlevendiging is aan de kroonlijst een tandlijst toegevoegd.(27) Afwijkend van het strakke neoclassicisme zijn de neobarokke consoles die de architraaf dragen boven de deurpartijen.



Boogveld boven het linkerraam (benedenverdieping) op nr. 40. De beeldhouwer Petrus van Tielraden heeft hier op zinnebeeldige wijze de architectuur en de beeldende kunsten voorgesteld. Foto Paul van de Sande, 1985. (coll. RHC Tilburg).

Een voorbeeld van neorenaissance-architectuur zijn de panden op de nrs. 40 en 42. Omstreeks 1878 zijn ze als een geheel gebouwd. Bepalend zijn de bakstenen gevel, de speklagen (horizontale contrastbanden), de boogvelden boven vensters en deuren, en de sluitstenen met leeuwekoppen. Dergelijke motieven zijn ontleend aan de Hollandse Renaissance uit de 16e eeuw. Een typisch eclectisch kenmerk zijn de consoles onder de dakgoot, die eerder thuishoren bij een neobarok pand. In of kort na 1888 is door beeldhouwer Petrus van Tielraden het fraaie beeldhouwwerk aangebracht dat zich in de boogvelden van de benedenverdieping bevindt. Van Tielraden, die tussen 1888 en 1905 eigenaar was van deze panden, verbeeldde hiermee op zinnebeeldige wijze de beeldhouw-, schilder- en bouwkunst (boven het linkerraam) en gaf middels een cartouche met tekst aan dat hij hier zijn atelier had (boven de beide deuren; de tekst luidt: ATELIER/VAN/BEELDHOUWKUNDE/EN/POLYCHROMIE). De cartouche wordt vastgehouden door twee griffioenen (fabeldieren met het gevleugelde lijf van een leeuw en de kop van een adelaar). Boven de benedenramen van het woongedeelte beeldde hij zichzelf af (rechts) en zijn vrouw. 

Het merendeel van de huizen zal ontworpen zijn door handwerkslieden als timmerlui en metselaars. Onder een dergelijke aanduiding moet iets anders verstaan worden dan wat men daar tegenwoordig mee bedoelt. Het gaat hier om ambachten die gelijkstaan met een beroep als aannemer of ongediplomeerd architect. Een aantal personen dat geregistreerd staat als eerste eigenaar wordt aangeduid als timmerman, metselaar, steenfabrikant en/of aannemer, waardoor deze groep niet alleen het initiatief nam tot de bouw van verschillende panden maar naar alle waarschijnlijkheid ook het ontwerp geleverd heeft.(28) Deze situatie is niet ongebruikelijk en kan ook elders geconstateerd worden.(29) 



De oostzijde van de Willem II-straat (gedeelte tussen de Telegraafstraat en de Tuinstraat), 
anno 1918. Duidelijk is de identieke vormgeving te zien van elkaar begrenzende panden. 
Het gaat daarbij om huizen die het eigendom waren van één eigenaar. (coll. RHC Tilburg).

Verondersteld mag worden dat minstens drie gediplomeerde architecten een woonhuis in de Willem II-straat ontworpen hebben. Omstreeks 1874 werd het neobarokke pand op nr. 57 gebouwd voor de gezusters Allegonda en Catharina van Tulder. Hun broer Henri van Tulder (1819-1903), een bekende Tilburgse architect die gestudeerd had te Antwerpen en Brussel(30), zal het ontwerp geleverd hebben. Het 'dubbel huis met aanhooren' op de nrs. 25 en 27 is ontworpen door de Tilburgse bouwkundige F. Goijaerts.(31)
Een ander aspect dat typerend is voor 19e-eeuwse herenhuizen, is het feit dat de vormgeving van elkaar begrenzende panden die het bezit zijn van dezelfde eigenaar in veel gevallen nagenoeg identiek is. De eventuele verschillen betreffen louter decoratieve details.(32)

Naast de woonhuizen treffen we in de Willem II-straat ook verschillende (semi-)openbare gebouwen aan. Hiervan bestaan nog: de voormalige synagoge op nr. 20 (1874), het voormalige sociteitsgebouw van de Liedertafel 'Souvenir des Montagnards' op nr. 29 (1877) en verschillende winkel- c.q. bedrijfspanden. Een aantal hiervan vertoont nog steeds de eclectische stijl van hun ontstaanstijd. Bij de synagoge, ontworpen door de architect Edouard Fremau (hij leverde ook het ontwerp voor het genoemde sociëteitsgebouw)(33) zien we de orintaliserende vormgeving die men in de vorige eeuw toepasselijk vond voor een dergelijk gebouw. Dit blijkt onder andere uit de Moors aandoende ojiefboogvensters in de zijgevels. Het voormalige bedrijfspand van ijzerhandel Van der Schoot op nr. 56 (1873) heeft een typisch 19e-eeuwse winkelpui. De etalageruiten en toegangsdeuren worden geflankeerd door gietijzeren atlanten (dragende mannen) en dito leeuwen met schilden. Op de schilden staan de attributen van een ijzerhandel afgebeeld.



Advertenties in de Tilburgsche Courant van respectievelijk 19 juli 1876 (l) en 2 augustus 1877. 
(coll. RHC Tilburg).

Omstreeks de eeuwwisseling treden er belangrijke vernieuwingen op binnen de westerse kunstvormen. Steeds meer kunstenaars en architecten proberen iets naar voren te brengen dat getuigt van een oorspronkelijke inspiratie. Deze vindt men onder andere in de plantaardige vormen van de natuur (Jugendstil) en het hanteren van bloksgewijs opgebouwde vormen (de Nieuwe Zakelijkheid). Dit laatste beleeft zijn hoogtepunt omstreeks de jaren dertig. De Willem II-straat heeft hiervan een tweetal fraaie voorbeelden.
Het eerste voorbeeld is het bedrijfspand op nr. 2. Blijkens de eerste steen (links van de inrijpoort) vond in 1934 de modernisering plaats van het pakhuis met bovenwoning dat hier omstreeks 1876 neergezet was. Rijwielhandelaar en mecanicien Marinus van Osch liet zijn bedrijf vernieuwen in de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid. Deze blijkt uit de benadrukking van grote, onversierde gevelvelden die gekenmerkt worden door smalle bakstenen. Die bakstenen onderstrepen de horizontaliserende werking van het totaalontwerp. Afgezien van architectonische details heeft het pand een symmetrische opbouw.

Een tweede voorbeeld is te zien op nr. 50. De bakkerij die hier vanaf ca. 1874 gevestigd was, kreeg in de jaren dertig een nieuw uiterlijk. Kenmerkend zijn ook hier de grote gevelvelden met smalle bakstenen en de symmetrische opbouw. De horizontaliserende werking van de bakstenen wordt versterkt door de diepliggende horizontale voegen. Typerend zijn voorts: het hanteren van smalle ijzeren kozijnen en de toepassing van glas-in-lood bestaande uit kleurige blokvormen.(34) Dat het pand oorspronkelijk een neobarok uiterlijk had, blijkt uit het gevelrestant boven de smalle poort rechts van nr. 44. Hier is nog een overdadige console zichtbaar van de reeks die de oorspronkelijke goot gedragen moet hebben. 
Andere vernieuwende panden zijn de kantoorpanden op de nrs. 29A en 29B, het notariskantoor op nr. 45A en het woonhuis op nr. 53. Vermeld dient echter te worden dat de vernieuwende aspecten hier veel voorzichtiger zijn gehanteerd dan bij de twee zojuist beschreven voorbeelden. 



Het woonhuis op nr. 53 uit 1911. Foto Joost van Hest, 
december 1990.

Het kantoorpand op nr. 29A en B is in 1925 gebouwd in de tuin van het naastliggende sociëteitsgebouw. C.J.J. Wouters, wolfabrikant, legde op 19 maart de eerste steen (linksonder op de zijgevel). De vormgeving toont een bewust gebruik van bak- en natuursteen. De strak ingedeelde voorgevel is verlevendigd door stenen in verschillende kleuren en een spel van verspringende stenen. Een natuurstenen omlijsting accentueert de deurpartij. Voorts zien we een breed uitstekende dakgoot. 
Het notariskantoor op nr. 45A dateert van 1922. Door de kolossale orde (halfpilasters langs de gehele lengte van de gevel) en de symmetrische opbouw blijkt de invloed van de Italiaanse Hoogrenaissance uit de 16e eeuw.(35) In tegenstelling tot het Eclecticisme is hier echter geen sprake van een stereotiepe nabootsing. Dit blijkt allereerst uit een detail als het ontbreken van kapitelen (dekstukken) boven de pilasters. Voorts wordt ook hier de nadruk gelegd op de horizontaliserende werking van smalle bakstenen die een evenwicht creëren met de verticale werking van de kolossale orde.
Het woonhuis op nr. 53 getuigt van de invloed van de 'cottage'-stijl, die op het einde van de 19e eeuw geïntroduceerd werd in Engeland. Dit in 1911 gebouwde pand (zie de eerste steen in de linkerzijgevel, waarop de vermelding 5-9-1911, en de jaarsteen op de erker) is enerzijds nog tamelijk traditioneel in de regelmatige gevelindeling, de toepassing van renaissancistische sluitstenen boven de vensters en een timpaan met tandlijsten als afsluiting van de erker. Anderzijds is die erker door de contrasterende werking van verspringende hoekstenen en het onverhuld tonen van de dragende balkenconstructie, typerend voor het rustieke aspect zoals we dat in Engeland kunnen aantreffen bij de villa's en landhuizen van de architect Charles Voysey (1857-1941) die in hun totaalontwerp evenmin een radicale breuk vormen met het verleden.(36)


De Willem II-straat anno 1992

Tegenwoordig is de oorspronkelijke functie van veel panden in deze straat sterk gewijzigd. De veranderde ideeën over het persoonlijke leefklimaat die na de Tweede Wereldoorlog steeds meer opgang deden, hebben ertoe geleid dat veel herenhuizen hun authentieke woonfunctie verloren hebben. Ze werden opgedeeld in appartementen of in gebruik genomen als kantoor. Ook panden als de synagoge en het sociëteitsgebouw 'Souvenir des Montagnards' hebben een bestemming gekregen die sterk verschilt van die waarvoor ze gebouwd waren. Van een klein aantal winkelpanden getuigt het daarin gevestigde bedrijf tot op de dag van vandaag van een historie die teruggaat tot voor de Eerste Wereldoorlog. Sloop heeft slechts in zeer beperkte mate plaatsgevonden. In 1975 vond de afbraak plaats van het voormalige postkantoor op de noordwest-hoek van de Telegraafstraat. Dit gebouw was in 1910 gebouwd op de plaats van het oorspronkelijke postkantoor.(37) Tegenwoordig is hier een klein plantsoen. Het woonhuis met sigarenwinkel op de hoek met de Tuinstraat moest in 1981 in allerijl gesloopt worden vanwege verzakkingen. Later verscheen hier nieuwbouw. Ook in het gedeelte tussen de Tuinstraat en de Heuvelstraat is oorspronkelijke bebouwing vervangen door nieuwbouw. Omstreeks de jaren vijftig hebben hier de eerste afbraakactiviteiten plaatsgevonden.
De wijzigingen hebben er niet toe geleid dat het eigen karakter van de Willem II-straat onherkenbaar geworden is. Zelfs ondanks de sloop van panden geeft de straat een overtuigend beeld van de geschetste ontwikkelingen in de afgelopen driekwart eeuw. 

Een aantal panden is inmiddels reeds geplaatst op de gemeentelijke monumentenlijst.(38) Verheugend is het feit dat er binnen de gemeente plannen bestaan om de straat de status te geven van Beschermd Stadsgezicht. Dit zou dan aansluiten op het landelijke monumentenbeleid, dat erop gericht is om ook panden en gebouwen uit de periode 1850-1940 tot beschermd monument te verklaren. In het kader hiervan heeft de afgelopen jaren het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) plaatsgevonden, dat in Tilburg inmiddels afgesloten is. Desondanks was op het moment van het ter perse gaan van dit artikel de sloop van het woonhuis op nr. 53 in volle gang. Door de gemeente was een bouwvergunning verleend voor te realiseren nieuwbouw.
Vanzelfsprekend zijn de tegenwoordige gemeentebestuurders verantwoordelijk voor het vitaal houden van de Tilburgse binnenstad. Onzes inziens is het in het onderhavige geval echter volkomen roekeloos om voorbij te gaan aan de architectuurhistorische waarde van dit pand en aan het authentieke karakter van de betreffende straatwand. Dit gedeelte van de Willem II-straat is weliswaar het meest aangetast door sloop (het gaat hier om het gebied tussen de Tuinstraat en de Heuvelstraat, zie hierboven), hetgeen niet wegneemt dat nr. 53 zowel links als rechts geflankeerd werd door oorspronkelijke bebouwing, waardoor tengevolge van de sloop een onherstelbare bres geslagen is binnen het authentieke straatbeeld. Mede gezien het feit dat het belendende pand op nr. 49 behoort tot de oudste bebouwing en een van de meest karakteristieke objecten vormt, is het zeer betreurenswaardig dat de originele context door de gevolgde gang van zaken aangetast is. De gemeente Tilburg heeft op deze wijze opnieuw een kans verspeeld om een nagenoeg gaaf voorbeeld van haar verleden krachtdadig te beschermen. 



De oostzijde van de Willem II-straat (gedeelte tussen Telegraafstraat en Spoorlaan), 
omstreeks 1900. Het hoekpand is het vroegere postkantoor; daarnaast staat de Joodse synagoge.
(coll. RHC Tilburg).


Luud de Brouwer (1958) volgde na zijn studie aan de Nieuwe Lerarenopleiding
(geschiedenis/aardrijkskunde) de opleiding aan de Rijksarchiefschool. Thans is hij werkzaam op het 
Gemeentearchief Tilburg. Hij publiceerde eerder in 'Tilburg' over de muziekinstrumentenfabriek van 
Kessels, en samen met Joost van Hest over de Heuvelse Akkers.

Drs. Joost van Hest (1962) studeerde kunstgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hij 
publiceerde eerder in 'Tilburg' over de kerk van het Heike, en samen met Luud de Brouwer over de 
verstedelijking van de Heuvelse Akkers.


Noten

(1)  

 Jacob H.S.M. Veen, Sporen over de heuvel, de geschiedenis van de spoorwegen in en om Tilburg, (Tilburg, 1988), p. 20.

(2)  

 Gemeentearchief Tilburg (GAT), Secretariearchief 1810-1907, voorl. inv.nr. 250.

(3)  

 GAT, Secretariearchief 1810-1907, voorl. inv.nr. 845.

(4)  

 Luud de Brouwer en Joost van Hest, 'Van akkergebied tot Stadswijk, de verstedelijking van de Heuvelse Akkers', in: Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jrg. 9 (1991) nr. 2, pp. 32-40.

(5)  

 GAT, Secretariearchief 1810-1907, voorl. inv.nr. 158, Minuten van uitgaande brieven; brief van 11 mei 1871.

(6)  

 GAT, Secretariearchief 1810-1907, voorl. inv.nr. 23; vergadering van 15 juni 1870, memorie van toelichting bij punt 2.

(7)  

 GAT, Secretariearchief 1810-1907, voorl. inv.nr. 24, vergadering van 17 mei 1876, punt 7.

(8)  

 GAT, Secretariearchief 1810-1907, voorl. inv.nr. 261; het verzoekschrift bevindt zich niet (meer) bij de ingekomen stukken.

(9)  

 GAT, Secretariearchief 1810-1907, voorl. inv.nr. 24, vergadering van 28 mei 1873.

(10)  

 GAT, Secretariearchief 1810-1907, voorl. inv.nr. 24, vergadering van 20 december 1873.

(11)  

 GAT, serie akten van aan- en verkoop van percelen door de gemeente Tilburg, nr. 62.

(12)  

 GAT, serie akten van aan- en verkoop, nr. 75.

(13)  

 GAT, Secretariearchief 1810-1907, voorl. inv.nr. 24, vergadering van 17 mei 1876, punt 7.

(14)  

 De gegevens in deze paragraaf zijn afkomstig uit de kohieren van de hoofdelijke omslag 1870-1899 en de bevolkingsregisters 1870-1900. De genoemde getallen zijn niet absoluut, d.w.z. dat wij niet de pretentie hebben dat we iedere inwoner van de Willem II-straat hebben kunnen achterhalen. Verder zijn de kinderen van de gezinnen niet als bewoners meegeteld.

(15)  

 Alle gegevens ten aanzien van eigenaren van percelen en bouwjaren zijn afkomstig uit het kadaster van de gemeente Tilburg, tenzij anders vermeld. Aangezien in het kadaster aangegeven bouwjaren een à twee jaar kunnen afwijken van de exacte bouwdatum, zijn de hieruit gedestilleerde bouwjaren bij benadering.

(16)  

 K. Varnedoe, Wien 1900. Kunst, Architektur & Design, (Keulen, 1987), p. 25.

(17)  

 Zie hierover: 'Van akkergebied tot stadswijk', a.w. (noot 4).

(18)  

 Het betreft hier de panden op de volgende nrs.: 1, 3, 10, 12, 15A, 16, 17, 21, 23, 24, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 41, 49, 57, 58, 59, 60, 62, 68, 70, 82, 84, 86, 88, 90. 

(19)  

 De nrs. 10, 12, 16, 24, 28, 30, 32, 38, 41, 49, 57, 82, 84, 86.

(20)  

 De oorspronkelijke hoofddeuren zijn vervangen door moderne exemplaren. Ook de balkonbalustrade is gemoderniseerd.

(21)  

 Voor een afbeelding, zie: A. Blunt e.a., Barok en rococo Architectuur en decoratie, (Amerongen, 1979), afb. 234.

(22)  

 Voor een afbeelding, zie: N. Pevsner, Europese architectuur, deel II, (Rotterdam, 1979), afb. 68.

(23)  

 De nrs. 2, 5, 9, 11, 13, 14, 15, 45. Verder dienen nog vermeld te worden: de hoekpanden aan de Spoorlaan 360 en 362.

(24)  

 De nrs. 2, 5, 14, 45. Ook de in de vorige noot genoemde hoekpanden zijn bepleisterd.

(25)  

 De nrs. 8, 18, 19, 40, 42, 56.

(26)  

 Een voorbeeld is het Palazzo Rucellai te Florence, door Leon Battista Alberti gebouwd in 1446-1451. Voor een afbeelding, zie: N. Pevsner, o.c. (noot 22), deel I, (Rotterdam, 1977), afb. 129.

(27)  

 Deze is slechts bewaard gebleven bij het pand op nr. 9.

(28)  

 Deze veronderstelling betreft de volgende panden. De nrs. 8, 10, 12, 14: eerste eigenaar is aannemer en steenfabrikant Johannes Cornelis van den Heuvel. De nrs. 16 en 18: idem. Nr. 19: timmerman en aannemer Johannes Wilhelmus van der Schoot e.a. Nr. 30: metselaar Wilhelmus van Gorp. Nr. 32: timmerman Johannes Kramer. De nrs. 34 en 36: metselaar Peter van Riel. De nrs. 41 en 43: metselaar Marinus van Eijck. De nrs. 52 en 52A: timmerman Ludovicus Adrianus Franciscus Franken e.a.

(29)  

 Zie: R van Ditzhuyzen, 'Heerenhuizen die den stand niet ontsieren'. De eerste bewoners en eigenaren van de Haagse Jan van Nassaustraat, (overdruk uit het jaarboek De Haghe), s.l. ('s-Gravenhage, 1987), pp. 108-109. Dit boekje is de weerslag van een vergelijkbare studie over een 19e-eeuwse straat met heren-huizen.

(30)  

 J. van Laarhoven (red.), tent. cat. Naar gothieken kunstzin' Kerkelijke Kunst en Cultuur in Noord-Brabant in de negentiende eeuw, ('s-Hertogenbosch, Noordbrabants Museum, 1979), p. 114.

(31)  

 GAT, Tilburgsche Courant (TC), 19-3-1876.

(32)  

 Dit is te zien bij de volgende nrs.: 1 en 3, gebouwd door de herbergier Norbertus Sebregts; de nrs. 9, 11, 13, 15, door wasbleker Petrus Blomjous; de nrs. 24-28, door grossier en banketbakker Josephus van de Pas (de gevels van de benedenverdieping zijn later gemoderniseerd); de nrs. 30 en 32, in 1876 gebouwd door metselaar Wilhelmus van Gorp (nr. 30) en de timmerman Joannes Kramer (nr. 32, op grond van Wilhelmus van Gorp); de nrs. 33 en 35, door commissionair Adrianus Justinus Boes; de nrs. 34 en 36, door metselaar Peter van Riel; de nrs. 40 en 42, door Johanna Eva Swagemakers, weduwe van de wijnkoper Mathias Adrianus van Velthoven; de nrs. 52 en 52A, door timmerman Ludovicus Adrianus Franciscus Franken en zijn vrouw Theresia Wilhelmina van Roessel; de nrs. 58 en 60, door verver en winkelier Adrianus Mathias van den Bosch; de nrs. 88 en 90, door kleermaker Josephus Norbertus van Beurden; de panden op de nrs. 8, 10, 12 en 14, door aannemer en steenfabrikant Joannes Cornelis van den Heuvel. Deze vier hebben een identieke gevelindeling (op nr. 12 is de gevel van de benedenverdieping veranderd) maar wijken van elkaar af in de stijlkeuze. Bovendien heeft alleen nr. 8 een bakstenen gevel, de overige panden zijn bepleisterd.

(33)  

 GAT, TC, 20-8-1874 en 26-7-1877.

(34)  

 Oorspronkelijk was de winkelpui omgeven door tegeltableaus waarin kleurige, blokvormige patronen. Deze zijn medio 1991 verwijderd.

(35)  

 Een voorbeeld van Hoogrenaissance-architectuur zijn de drie door Michelangelo ontworpen paleizen op het Capitool te Rome, 1538-1564. Voor een afb., zie: F. Hartt, History of Italian Renais-sance Art Painting.Sculpture.Architecture, (New York, 1987), afb. 703 en 704.

(36)  

 N. Pevsner, o.c., deel II, p. 210-211. De afbeeldingen 124 en 125 geven hier een voorbeeld van huizen naar ontwerp van Voysey.

(37)  

 Ronald Peeters, Tilburg in beeld 1945-1980, (Tilburg, 1982), p. 41.

(38)  

 De nrs. 9, 11, 13, 14, 15, 15A en 17, 16, 19, 20, 21, 23, 29, 30, 31, 32, 33, 34-34A, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 42, 45, 47-49, 57, 58, 60, 62, 68.