| 465. Stadsvorm Tilburg | |||
|
Titel: |
Stadsvorm Tilburg |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Henk van Doremalen |
|
Jaargang: |
XII (1994) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina’ s: |
89 |
De faculteit Bouwkunde van de TU Eindhoven heeft samen met de Dienst Publieke Werken van de gemeente Tilburg een zeer fraai boek samengesteld waarin de historische ontwikkeling van de stadsvorm van Tilburg wordt beschreven en geïllustreerd.
Tilburg is geen historische stad wordt wel beweerd. Als je historie beschouwd met in het achterhoofd de fraaie bouwwerken, die bijvoorbeeld de Italiaanse Renaissance of de Hollandse Gouden Eeuw hebben voortgebracht, dan ontbreekt het daar in Tilburg inderdaad aan. Wanneer de negentiende- en vroeg twintigste-eeuwse industriële ontwikkeling in ogenschouw wordt genomen dan heeft Tilburg tal van interessante bouwwerken. Het is maar vanuit welke conceptie je iets als historisch waardevol beschouwd.
Zo is het ontstaan van de woongemeenschap Tilburg en het patroon waarlangs de stad zich ontwikkelde historisch gezien bijzonder waardevol. Die patronen die hier en daar nog zichtbaar zijn in de stad dateren al uit de periode dat steden als Den Bosch of Amsterdam om maar eens wat te noemen, nog niet bestonden. Terecht constateren de samenstellers dat de stadsstructuur van Tilburg bijzonder is en niet in clichés valt te vangen.
De samenstellers stellen in de inleiding dat er volop historische literatuur is over Tilburg, maar dat er tot nu toe geen publikatie was die inzicht bood in de vorm van de stad. Geheel juist is dit niet, hooguit kan gesproken worden over het ontbreken van een samenvattend geheel dat fraai vormgegeven uitgebracht is. In die lacune voorziet deze studie.
De indeling in periodes die de samenstellers hanteren lijkt wat willekeurig. Zo is 1826 gekozen, omdat de weg Breda-Tilburg-'s-Hertogenbosch toen werd aangelegd. Overigens, zowel naar Den Bosch als naar Breda bestond toen al een verbinding, maar die liep bepaald niet in kaarsrechte lijn. 1863 luidt geen nieuwe periode in. Was de aanleg van de spoorlijn Breda-Tilburg-Boxtel geen duidelijke cesuur ? Door het nieuwe transportmiddel verbeterde de aan- en afvoermogelijkheden. Ook ruimtelijk gezien betekende de aanleg van de spoorlijn en (een paar jaar later) de totstandkoming van de werkplaatsen van de spoorwegen een forse ingreep in de stad. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw is ook voor het eerst sprake van en flinke bevolkingstoename en gaat de belangrijkste fabrieksstraat in het noordelijk stadsdeel (de Goirkestraat) zich sterk ontwikkelen.
De gehanteerde invalshoek is niet zo zeer historisch als wel gebaseerd op de geconstateerde stedebouwkundige vorm. Zo gaat in de negentiende eeuw de lintbebouwing ontstaan, waarbij de herdgangen door het bouwen langs de verbindingswegen met elkaar verbonden raken. Die bebouwing vond plaats langs veelal bestaande paden. Wat merkwaardig vind ik het daarbij dat weinig gebruik gemaakt is van de uitvoerige studies die over de Goirkestraat en dan met name het Mommerscomplex zijn verricht. Mommers is een specifiek voorbeeld van de ontwikkeling van een fabriekscomplex waar zeer uitgebreid studie naar is verricht door ondermeer Ton Wagemakers en ondergetekende.
De negentiende-eeuwse vorm, de herdgangen met lintbebouwing gaat op het einde van de negentiende en vooral in de twintigste eeuw ingrijpend veranderen. Te denken valt daarbij aan het ringbanenplan van Rückert en de invulling van de ruimte binnen die ringbanen. Voor het eerst werd toen de min of meer vrije of wilde ontwikkeling van de stad gestuurd. Echt ingrijpend zijn de grote na-oorlogse plannen voor stadsuitbreidingen in westelijke en noordelijke richting. Tilburg lag op de Heikant en wat verspreide boerderijen na tot in de jaren vijftig van deze eeuw binnen de ringbanen. De Oude Markt was het centrale punt in de stad. Anno 1994 is Boerke Mutsaerts (de omgeving van station West) het centrale deel van de bebouwing.
Het morfologisch patroon staat centraal in deze studie. De historische uitleg is ondersteunend. Zo nu en dan slaan de samenstellers op dat terrein de plank wat mis. Zo begrijp ik het verband niet tussen de door Willem II gebouwde schaapskooi op de Koningshoeven (p. 93 en 95) in de periferie van de gemeente (feitelijk op de grens van het grondgebied van Hilvarenbeek/Berkel-Enschot) en de stedebouwkundige ontwikkeling van Tilburg. De aanleg van de riolering in de stad (p. 143) is absoluut niet verlopen volgens een in 1870 samengesteld plan. Pas in het tweede decennium van de twintigste eeuw kwam de gemeente Tilburg met een uitvoerbaar rioleringsplan. Tot dan toe liepen de zogenoemde blauwsloten (p. 52 en 85, met wateraanvoer hadden ze niets te maken) kris-kras door de stad en was slechts een klein deel van de centrale bebouwing van slecht functionerende riolen voorzien.
De kleine historische omissies laten onverlet dat 'Stadsvorm Tilburg, historische ontwikkeling' een uitermate fraai en rijk met foto's, kaarten en tekeningen geïllustreerd werk is dat niet alleen voor insiders is bedoeld. Het boek is in eerste instantie geschreven voor de vakwereld, maar het is voor iedereen die in de geschiedenis van Tilburg geïnteresseerd is uitermate boeiend.
Kees Doevendans, Jan Luiten, Inge Mekel en Reinder Rutgers, Stadsvorm Tilburg, historische ontwikkeling. Een methodisch morfologisch
onderzoek, Eindhoven/Tilburg, Technische Universiteit Eindhoven/Gemeente Tilburg Dienst Publieke Werken, 1993, 252 blz., geïll., ISBN 90-6814-046-9,f 25.




