Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
467. Tilburg in beweging 
 

Titel:   

Tilburg in beweging 

Ondertitel:   

Dertig jaar veranderingen binnen de ruimtelijke structuur van de stad 

Auteur:   

Joost van Hest

Jaargang:   

IX (1991) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

4

Pagina’ s:   

103-106


De afgelopen dertig jaar is de Tilburgse gemeenschap herhaaldelijk geconfronteerd met grootscheepse stadsdoorbraken en veranderingen. Veel herkenbaars is daardoor verloren gegaan. Daartegenover staat dat er verschillende interessante nieuwbouwprojecten gerealiseerd zijn. Sloop en nieuwbouw leiden in Tilburg nogal eens tot hooglopende spanningen. In het onderliggende artikel wordt een overzicht gegeven van de ontwikkelingen die in het kader hiervan plaatsgevonden hebben. 

Sloopplannen

In 1988 verscheen in Het Nieuwsblad (12 april) het bericht dat het college van B & W het plan had om twee herenhuizen aan de Bisschop Zwijsenstraat 24-26 aan te kopen. De bedoeling was ze te slopen en op de vrijgekomen plek een ontsluitingsweg aan te leggen. Op deze manier zou het nieuwe woongebied aan het Koningsplein beter verbonden kunnen worden met de Bisschop Zwijsenstraat. 
De voorzitter van de Gemeentelijke Monumentencommissie, drs. A. Plevoets, reageerde hierop 'onaangenaam verrast'. Nog in 1987 (Het Nieuwsblad 30 juli) had hij de Bisschop Zwijsenstraat een waardevolle straat genoemd. Met name het gedeelte tussen de Stadstraat en het Stadhuisplein, waarin zich de twee herenhuizen bevinden, beschouwde hij als bijzonder interessant. Er staan verschillende typisch 19e-eeuwse panden en in ieder geval een pand, nr. 22, is zelfs van 18e-eeuwse oorsprong. Om deze redenen, evenals door het uitblijven van tijdig overleg tussen gemeente en monumentencommissie, was de reactie van de heer Plevoets dan ook niet ongegrond. 



De twee herenhuizen aan de Bisschop Zwijsenstraat 24-26. In 1988 konden ze gered worden van de sloop.
Foto 1985 (Coll. RHC Tilburg).

Uiteindelijk is de hele kwestie toch nog met een sisser afgelopen. Nadat de monumentencommissie in een brief aan de gemeenteraadsfracties haar bezorgdheid uitgesproken had, plaatste de raad zich ten slotte niet achter de voorgestelde doorbraakplannen. Sloop kon zo voorkomen worden. 

De perikelen rondom de herenhuizen zijn een voorbeeld van de problemen die in Tilburg geconstateerd kunnen worden bij sloopplannen voor interessante panden. Enerzijds is er een gemeentebestuur dat er zich in zijn beleid op richt de stad bij de tijd te houden en haar een aanzicht te geven dat aantrekkelijk is voor mensen van binnen en buiten. Anderzijds zien we instanties en particulieren die op de bres springen wanneer de handhaving van waardevolle huizen en gebouwen in gevaar dreigt te komen. Zij laten zich vooral leiden door een argument als de herkenbaarheid van de Tilburgse binnenstad, die gedurende de laatste decennia een behoorlijk aantal karakteristieke bouwwerken en plekjes heeft zien verdwijnen. Naast de herenhuizen in de Bisschop Zwijsenstraat kan men denken aan voorbeelden als het wel of niet slopen van het poortgebouw en het 'carré' van het voormalige St.-Elisabethziekenhuis (1982), de sloop van het St.-Ursulaklooster aan de Elzenstraat (1981) en, het meest recent, de commotie rond de eventuele sloop van 'Huize Nazareth' aan de Nazarethstraat. 

Stadsdoorbraken en vernieuwingen

De geschetste situatie getuigt van een groeiproces, dat ruwweg gedurende de periode 1960-1975 in gang gezet is. In die periode werd Tilburg onderworpen aan grootscheepse ingrepen die het bestaande karakter drastisch veranderd hebben. Het duidelijkst komt dit tot uiting in het centrumgebied. Op de plaats waar in de 19e eeuw een typische volkswijk met de naam 'Koningswei' ontstaan was, kwam een groot plein omringd door hoogbouw. Het gebied tussen de Bredaseweg en het tegenwoordige Stadhuisplein kreeg een brede doorgangsweg met aan weerskanten winkelgalerijen waarboven flatwoningen en kantoren. De veranderingen tussen de Oude Markt en de Bisschop Zwijsenstraat gingen o.a. ten koste van het karakteristieke classicistische stadhuis uit 1849. Het is niet verwonderlijk dat menige Tilburger nog steeds moeite heeft met het verdwijnen van de voor hem herkenbare en vertrouwde omgeving. Toch mag niet uit het oog verloren worden dat Tilburg op deze manier de kans heeft gekregen een moderne structuur te bezitten die noodzakelijk is om haar in het laatste kwart van de 20e eeuw en daarna goed te laten functioneren. 



Een blik op  het gebied tussen de Bredaseweg en het tegenwoordige Stadhuisplein in 1964. De Stads-
schouwburg (l.) is reeds voltooid. Daarachter is men bezig aan de bouw van de flats langs de geplande
Schouwburgring (Coll. RHC Tilburg).

De vele sloopactiviteiten leidden in 1975 voor het eerst tot een krachtig protest, dat zelfs een nationaal karakter kreeg. In dat jaar werd de Tilburgse bevolking vrijwel van het ene op het andere moment geconfronteerd met de sloop van het leegstaande fabriekscomplex van Pieter van Dooren aan de Hilvarenbeekseweg. Het college van B & W wilde deze fabriek zo snel mogelijk slopen ten behoeve van ontwikkelingsplannen in het gebied 'Groenewoud' en de nieuwbouw van het St.-Elisabethziekenhuis. Het college negeerde hierbij een onafhankelijk rapport waarin de unieke waarde van het in 1825 ontstane complex benadrukt werd. Bovendien kreeg de gemeenteraad vrijwel niet de kans om zich tegen de sloopplannen op te stellen. Terwijl de afbraak reeds gaande was, werd het steeds duidelijker dat het hier ging om een van de weinige nog bestaande fabriekscomplexen die een totaalbeeld geven van anderhalve eeuw industriële ontwikkeling. Door de opstellers van het rapport was deze betekenis in sterke mate benadrukt. De gemoederen liepen zo hoog op dat op een gegeven moment zelfs de toenmalige minister van Cultuur, mr. H. van Doorn, zich ermee ging bemoeien. Deze had verrast gereageerd op de sloop, maar kon na inschakeling van een onderzoekscommissie alleen maar concluderen dat de fabriek vanwege de vergevorderde afbraakwerkzaamheden niet meer te redden viel. 'Pieter van Dooren' zou dus definitief tot het verleden gaan behoren. Het navrante van de hele situatie was dat de sloop plaatsvond in het jaar dat door de Raad van Europa uitgeroepen was tot Monumentenjaar.



In 1975 werd de vervallen fabriek van Pieter van Dooren door een geruchtmakende sloop met de grond
gelijkgemaakt (Coll. RHC Tilburg).

De kwestie heeft ertoe bijgedragen dat in 1976 de Tilburgse Monumentencommissie geïnstalleerd werd. Deze commissie, waartoe het initiatief genomen was vanuit de gemeenteraad, zou er in de toekomst voor kunnen waken dat waardevolle gebouwen zomaar met de grond gelijkgemaakt konden worden. Het middel daartoe zou de plaatsing zijn op een Gemeentelijke Monumentenlijst. Het nieuwe orgaan kreeg echter slechts een adviserende en voorlichtende betekenis. De gemeente hoefde zich niet gebonden te voelen.

In de volgende jaren bleef men werken aan de vernieuwing van de stad. Vanuit de gemeente werden verschillende plannen geïnitieerd. Zo lanceerde men in 1976 het 'Structuurplan Oude Stad'. Dit richtte zich op het gebied binnen de ringbanen. In 1985 volgde het plan 'Compacte Stad' en in 1989 het 'Stadsbeheerplan'. In tegenstelling tot de eerstgenoemde plannen richtte het laatste zich op de totale stad. Deze zou niet alleen vernieuwd moeten worden maar ook een beter imago moeten krijgen om haar betekenis als regionaal centrum en zevende stad van het land omhoog te stuwen. 



Het Schoolstraatgebied in maart 1988. Een gedeelte van de geplande nieuwbouw was toen reeds gerealiseerd
(Coll. RHC Tilburg).

De resultaten van de verschillende plannen zijn overal zichtbaar. Zo zijn de verpauperde plekken die gevormd werden door vervallen fabriekscomplexen ingrijpend aangepakt. Een voorbeeld is het Schoolstraatgebied. Op de plaats van het tot ruïne vervallen gebouw van 'Brouwers Lakenfabrieken' (hoek Korte Schijfstraat), is in de vorm van hoogbouw een aanzienlijke uitbreiding van het Tilburgse woningbestand gerealiseerd. Ook in de rest van dit gebied zijn verschillende flatgebouwen verrezen. Naast de omtovering van oude fabrieksterreinen in woonwijken, is er ook woongelegenheid gecreëerd in de vorm van een nieuwe wijk, de Reeshof. Aan de Spoorlaan is op het vroegere terrein van de BBA een uitgebreid kantorencomplex verrezen. Voorts is nog maar onlangs een nieuwe winkelgalerij voltooid, de Emmapassage, op de plaats van de voormalige Emmastraat, die geldt als een belangrijke revitalisering van het betreffende gebied. De revitalisering van het Koningsplein, o.a. met de bouw van het tweede stadskantoor, nadert zijn voltooiing. 



De westzijde van de Heuvelring voor de renovatie. Foto 1979 (Coll. RHC Tilburg).

Wanneer we ons verplaatsen naar de Heuvelring en bedenken dat deze in 1973 nog gedomineerd werd door verschillende bouwvallen, dan zien we dat ook hier een ingrijpende facelift plaatsgevonden heeft. Zo is op de plaats van het vroegere hotel Riche en aanpalende bebouwing het Heuvelpoortcomplex ontstaan. Aan de westzijde van het plein, tussen de Tuinstraat en de Telegraafstraat, zijn de open plekken en vervallen gebouwen vervangen door hoogbouw in de vorm van woningen, winkels en kantoren. De leegstaande panden in de richting van de Spoorlaan zijn opnieuw in gebruik genomen. 
Genoemde voorbeelden zijn slechts enkele van de vele veranderingen die er de laatste decennia hebben plaatsgevonden en nog zullen plaats vinden. Ze tonen dat Tilburg een dynamische stad is en allang niet meer de textielplaats van jaren geleden. 

Monumentenbehoud en nieuwbouw

In de loop van ruim dertig jaar heeft Tilburg niet alleen ruimtelijke vernieuwingen gekend, maar is er ook een situatie ontstaan waarbij een instantie als de Gemeentelijke Monumentencommissie niet meer weg te denken is bij de publieke discussies rondom uit te voeren veranderingen. Sedert haar installatie is deze commissie uitgegroeid tot een volwaardig orgaan dat, ondanks haar zwakke positie, niet bij voorbaat reeds genegeerd kan worden. Haar optreden bij de sloopplannen voor de hierboven genoemde herenhuizen in de Bisschop Zwijsenstraat is een voorbeeld.

Toch is de situatie nog verre van ideaal. In de loop van de jaren heeft de monumentencommissie weliswaar de kans gekregen om het behoud van waardevolle panden veilig te stellen door de plaatsing op de Gemeentelijke Monumentenlijst of aanwijzing als 'Beschermd Stadsgezicht'; zij blijft echter in een afhankelijkheidspositie. Dit bleek bijvoorbeeld in 1989. In dat jaar kon de monumentenlijst aangevuld worden met 35 panden. De inventarisatieronde van de commissie had daarentegen een veel groter aantal objecten opgeleverd. Financiële redenen gaven de doorslag. 

Nu is de concretisering van een beleid waarbij verschillende belangen om de hoek komen kijken vanzelfsprekend een kwestie van wikken en wegen. Dit neemt niet weg dat de verschillende belangen zorgvuldig tegen elkaar afgewogen moeten worden. Regelmatig overleg tussen betrokken instanties en personen is hiervoor een vereiste. Situaties waarbij de voorzitter van de monumentencommissie 'onaangenaam verrast' moet reageren (zie hierboven) zijn in deze optiek ontoelaatbaar. Ook het bericht in Het Nieuwsblad van 30 december 1989 waaruit blijkt dat de commissie zich vaak buitenspel voelt staan, getuigt van een frustrerende situatie.



In 1970 werd op de hoek van het Stadhuisplein en de Bisschop Zwijsenstraat dit Kantongerecht gebouwd
naar ontwerp van de architect J. Bedaux. Foto 1985 (Coll. RHC Tilburg).

Ik ben ervan overtuigd dat de gemeente niet onwelwillend staat tegenover de belangen van monumentenbehoud. Toch bestaat bij mij de indruk dat de monumentencommissie nogal eens gezien wordt als de 'lastige luis in de pels' van de gemeente. Ook dit is echter niet geheel onterecht. Tegenover de activiteiten om de stad een eigentijds en aantrekkelijk karakter te geven ziet men vaak een behoudzuchtige mentaliteit, die niet altijd reëel is. Deze mentaliteit komt zowel bij instanties als particulieren naar voren en is gebaseerd op een begrijpelijke bezorgdheid voor het herkenbare karakter van de eigen stad. Dit neemt niet weg dat men hierdoor vaak blind is voor de mogelijkheden om de stad ook goede, eigentijdse bouwwerken te geven. Als we kijken naar de afgelopen decennia, dan zien we dat de grootscheepse stadsveranderingen een groot aantal architectonische scheppingen van hoogstaande kwaliteit opgeleverd heeft. Om een drietal voorbeelden te noemen: de Stadsschouwburg aan de Schouwburgring door de architecten B. Bijvoet en G. Holt (1961), het Kantongerecht aan het Stadhuisplein door J. Bedaux (1970) en het betonnen voorplein met fontein voor het Paleis-Raadhuis door J. Beljon (1972). Stuk voor stuk interessante creaties en een verrijking van de Tilburgse binnenstad. Ook de recente scheppingen zoals het Triborghcomplex bij de Bisschop Zwijsenstraat en de flatgebouwen in het Schoolstraatgebied getuigen van een creatief, verrijkend beleid. Voorts is het inschakelen van vermaarde architecten als C. Weeber en J. Coenen voor de nog uit te voeren projec- ten (o.a. Tivoligebied en gebied centrum-zuid) hiervan een bewijs. 

Het is echter onontbeerlijk dat het belang van monumentenbehoud op een vergelijkbare wijze naar waarde geschat wordt. Hierdoor blijft Tilburg niet alleen herkenbaar voor zijn inwoners, maar draagt men tevens bij aan de noodzakelijke conservering van objecten en structuren die de stad in het verleden een eigen identiteit gegeven hebben. Regelmatig overleg tussen gemeente, monumentencommissie en derden is een eerste vereiste om de stad een aantrekkelijk en herkenbaar uiterlijk te verschaffen waarin zowel verleden, heden als toekomst weerspiegeld zijn. 




Het vervallen Hotel Riche aan de Heuvelring in 1978. De borden boven de balkons vermelden de bouw van
het Heuvelpoortcomplex (Coll. RHC Tilburg).


* Drs. Joost van Hest (1962) is kunsthistoricus. Na zijn studie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen heeft hij zich beziggehouden met verschillende Tilburgse onderwerpen. In het blad 'Tilburg' publiceerde hij reeds over de Heikese kerk (i.s.m. drs. Gerard Steijns) en de stadsontwikkeling in het gebied 'Heuvelsche Akkers' (i.s.m. Luud de Brouwer).