Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
609. Moderne architectuur en cultuurhistorie

Titel:   

Moderne architectuur en cultuurhistorie

Ondertitel:   

Auteur:   

Louis Houët *

Jaargang:   

XXIII (2005) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina’ s:   

20-25

 

Tilburg beschikt over beleid op het gebied van moderne architectuur en Tilburg beschikt over beleid op het gebied van cultuurhistorie. Levert dat een paradox op? Sinds medio 2004 is een Tilburgse welstandsnota van kracht. Aan de criteria in deze nota worden vanaf dat moment bouwplannen getoetst. Het is daarom een belangrijk instrument voor ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit, welke ook middels architectuurbeleid en monumentenbeleid wordt beoogd. Op welke wijze deze aspecten samenhangen en onderling verweven zijn, zodat van een meerwaarde zou kunnen worden gesproken, wordt in onderstaand artikel beschreven.

Tilburg afficheert zich als: moderne stad met respect voor cultuurhistorie.
Wat betekent zo’n motto in de uitwerking van gemeentelijk beleid en de praktijk van alle dag?
Op verschillende niveaus kan hiernaar worden gekeken. Zelfs als het alleen gaat om fysiek-ruimtelijke aspecten (maatschappelijke en economische zaken blijven dan buiten beschouwing) is er een heel scala van planniveaus waarop de relatie “moderne stad” en “respect voor cultuurhistorie” tot uitdrukking kan worden gebracht: van strategische structuurplanning via stedenbouwkundige planvorming, zoals bestemmingsplannen naar bouwplanniveau en vergunningverlening.
Over het laatste wil dit artikel de huidige stand van zaken in Tilburg beschrijven en daarop – met gepaste terughoudendheid – reflecteren.


Wetten en regels!
Om te kunnen bouwen moet men - tenzij het over zeer ondergeschikte activiteiten gaat - beschikken over een bouwvergunning. Zoals bekend mag worden verondersteld, wordt een aanvraag tot bouwvergunning getoetst aan vier zaken: aan het landelijk geldende bouwbesluit, aan de gemeentelijke bouwverordening, aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan en aan redelijke eisen van welstand. Daarnaast zijn er nog enkele andere gevallen waarin een bouwvergunning moet worden geweigerd, bijvoorbeeld als een benodigde monumentenvergunning niet is verstrekt, hetgeen cultuurhistorisch uiterst relevant is, maar die redenen blijven hier verder buiten beschouwing.

Bij stedenbouwkundige planfiguren voor nieuwe ontwikkelingen zoals bestemmingsplannen en bestemmingsplanvrijstellingen dient in de motivering en toelichting een verantwoording te worden gegeven van de met het plan samenhangende cultuurhistorische aspecten waaronder archeologie. In de Tilburgse praktijk is dat inmiddels goed ingebed. Op die wijze wordt er al een eerste link gelegd tussen het concrete bouwen en de cultuurhistorie, omdat vergunningaanvragen immers aan het bestemmingsplan moeten worden getoetst. Maar verder zegt een bestemmingsplan, dat immers een stedenbouwkundig instrument is, niet hoe het uiterlijk van een gebouw zich verhoudt tot een reeds langer bestaande omgeving. Daarvoor hebben we in Nederland de welstandstoetsing.

De welstandstoetsing heeft de afgelopen decennia voortdurend onder vuur gelegen: onnodige bemoeizucht, willekeur, hobbyisme en achterkamertjesgedoe waren kwalificaties op basis waarvan diverse malen is gepoogd de welstandstoetsing af te schaffen. Dit is echter niet gebeurd, omdat uiteindelijk toch het gevoelen overheerste dat welstand wezenlijk is voor ruimtelijke kwaliteit. In de laatste grote wijziging van de Woningwet (met ingang van 1 januari 2003) is vanwege bovengenoemde vermeende twijfelachtige reputatie van welstand en die van de commissies die het welstandstoezicht uitoefenen, de verplichting opgenomen dat gemeenten hun welstandsbeleid dienen vast te leggen in een welstandsnota, waarin de criteria zijn opgenomen waaraan bouwplannen uit het oogpunt van welstand worden getoetst. Een inspraakprocedure en vaststelling door de gemeenteraad van de welstandsnota waarborgt het publieke en democratische gehalte ervan. Alle gemeentes kregen tot 1 juli 2004 de tijd om aan deze verplichting te voldoen. Op twee na hebben ze daaraan voldaan. In Tilburg werd de Welstandsnota 2004 op 7 juni 2004 vastgesteld door de gemeenteraad.


Geschiedenis van een moderne stad
De voorbereiding van de welstandsnota bood de gelegenheid om structureel na te denken over de vraag hoe moderne stad en cultuurhistorie met elkaar konden worden verbonden. Daaraan vooraf gaat natuurlijk de vraag: wat is een moderne stad en wat is in de (ruimtelijke) kern de Tilburgse cultuurhistorie?
De ruimtelijke ontwikkeling van Tilburg vanuit de historie is in Nederland volstrekt uniek te noemen. Er is geen andere stad die zich vanuit een conglomeraat van afzonderlijke (agrarische) buurtschappen onder één bestuur vanaf het begin van de negentiende eeuw heeft ontwikkeld tot een van de grotere steden van ons land. Vooral het gebied binnen de ringbanen legt van die ontwikkeling nog getuigenis af. De belangrijkste historische stedenbouwkundige ingreep in dit conglomeraat is waarschijnlijk geweest de projectie en realisering van het ringbanenstelsel tussen ca. 1920 en 1955, waardoor een zekere eenheid en samenhang werd gebracht in het min of meer chaotische – je kunt ook zeggen: organisch gegroeide – stadsweefsel.


Een inventarisatiekaart uit 1975 waarbij in een oogopslag het structurele onderscheid tussen linten en planmatige
(woning)bouw zichtbaar is.

De kiem van het expliciet gaan voor de moderne stad is gelegd in de zestiger jaren van de twintigste eeuw, toen onder aanvoering van burgemeester Becht en wethouder Baggerman omvangrijke binnenstedelijke sanerings- en reconstructieoperaties werden uitgevoerd. Deze waren ingegeven door de teloorgang van de textielindustrie en hadden het oogmerk de (inter)nationale uitstraling van Tilburg te vergroten ten behoeve van nieuwe bedrijfsvestigingen. Ook buiten de binnenstad werden daarvoor overigens de nodige activiteiten ontplooid en plannen ontwikkeld. Gekozen werd daarbij bewust voor een moderne uitstraling. Schouwburg, stadhuis, Koningsplein, station: architecten van nationale naam en faam werden aan het werk gezet. Dankzij de voortvarendheid van de bestuurders werden de plannen – in tegenstelling tot veel andere Nederlandse voorbeelden uit die periode, en ook wel met vallen en opstaan – voltooid.
Het behoeft geen betoog dat het respect voor cultuurhistorie in het Tilburg van de zestiger jaren van de vorige eeuw niet zo groot was. Integendeel: men wilde juist breken met het verleden en de blik volledig op een veelbelovende toekomst richten. Deze expliciete houding veroorzaakte een maatschappelijke en politieke tegenbeweging welke uiteindelijk leidde tot een gemeentelijke monumentenverordening met vele monumenten en vijf gemeentelijk beschermde stadsgezichten. Daarmee was Tilburg de eerste gemeente met gemeentelijk beschermde stadsgezichten! Anno 2005 kun je overigens de grootschalige ingrepen uit de periode 1960-1970 weer tot de Tilburgse cultuurhistorie rekenen.
Gemeentebesturen uit latere periodes hebben de voorkeur voor moderne architectuur en een vruchtbaar architectuurklimaat voortgezet. Onder andere in plannen als Kromhoutpark/Regenboogpark, Thomas de Beerdriehoek, centrum-zuid, Tivoli en uiteraard Reeshof is dat zichtbaar geworden, evenals in gemeentelijke en andere grote gebouwen (bijv. concertzaal, Interpolis, 013).
Daarmee is het motto moderne stad met respect voor cultuurhistorie verklaard.


Naast de oude hoofdstructuur komt er ook lintbebouwing van
een bescheidener schaal voor met vele individuele verschillen.
(Foto auteur).

Nieuwe invulling in de Koestraat van één perceel breed, waarbij
de hoogteverschillen duidelijk zijn. (Foto auteur).



De Tilburgse welstandsnota
Maar er is wel een voortdurend spanningsveld. Binnen dat spanningsveld is de welstandsnota tot stand gekomen. Deze is te raadplegen op www.tilburg.nl.
In de Tilburgse welstandsnota 2004 worden naast de verplichte onderdelen als beleidsuitgangspunten, loketcriteria en allerlei organisatorische kwesties welstandsniveaus en gebiedstypen onderscheiden. De wijze waarop dat gebeurt, wijkt in de Tilburgse nota waarschijnlijk af van de landelijk meest frequent gevolgde gedragslijnen. In veel andere welstandsnota’s zijn gedetailleerd vele tientallen gebieden beschreven met eigen karakteristieken, terwijl in de Tilburgse situatie is gezocht naar kenmerkende typologische verschillen die te maken hebben met de totstandkomingswijze.

Er worden drie welstandsniveaus onderscheiden en tien gebiedstypen. Bij beide aspecten zijn moderne stad en respect voor cultuurhistorie in beeld.
Welstandsniveau 3 betekent welstandsvrij en geldt voor delen van bedrijventerreinen en bepaalde beganegrondse bebouwing in achtertuinen. Bijzonderheid is dat lichtvergunningplichtige activiteiten met betrekking tot monumenten ook welstandsvrij zijn. Dat zou niet van respect voor cultuurhistorie getuigen, ware het niet dat bij monumenten altijd een monumentenvergunning vereist is. In dat kader komt ook als toetsingscriterium de schoonheid aan de orde. Voor kleine bouwwerken – en daar is bij lichtvergunningplichtige activiteiten sprake van – behoeft het achterwege blijven van de welstandstoets geen probleem te zijn. Op deze wijze kan het wettelijk verplichte formuleren van loketcriteria – wat voor monumenten natuurlijk lastig is – ook achterwege blijven.
Welstandsniveau 2 is het vanouds bekende reguliere welstandstoezicht: een voldoende kwalificatie van een plan is goed genoeg. Dit geldt voor het overgrote deel van het gemeentelijk grondgebied.
In gebieden met welstandsniveau 1 wordt ernaar gestreefd om een bovengemiddelde architectonische kwaliteit te bereiken. Daar is de kwalificatie “goed” vereist om te voldoen aan redelijke eisen van welstand. Niveau 1 geldt voor het stadscentrum, de ruimtelijke en functionele hoofdstructuur van de stad, voor enkele zogenaamde archipunctuurgebieden én voor de vijf beschermde stadsgezichten. Overigens geldt daarbij steeds dat niveau 1 slechts vereist is bij nieuwbouw en grotere verbouwingsprojecten. Voor bouwactiviteiten in de beheersfeer wordt het niet redelijk geacht om zware welstandseisen te stellen.
Door op deze manier de beschermde stadsgezichten te rekenen tot de ruimtelijk belangrijkste plekken in de stad wordt uitdrukking gegeven aan de relatie moderne stad en respect voor cultuurhistorie.

Dezelfde invulling van de andere zijde: nog maar twee lagen
verschil. (Foto auteur).


Maar dat zegt nog niets over hoe het er gaat uitzien. Daarvoor dienen de gebiedsgerichte welstandscriteria voor de tien verschillende gebiedstypen. Het voert in het kader van dit artikel te ver om gedetailleerd op alle gebiedstypen en daarbijbehorende criteria in te gaan. Voor het onderhavige onderwerp springt één aspect erbovenuit. Bedoeld is het onderscheid tussen lintbebouwing en planmatige clusterbebouwing. Dit onderscheid is in de Tilburgse situatie uit een oogpunt van cultuurhistorie van eminent belang. Het is dan ook niet gek dat de vijf beschermde stadsgezichten juist deze lintbebouwing betreffen.
Tot het begin van de twintigste eeuw kende Tilburg uitsluitend lintbebouwing. Meestal op het niveau van het individuele pand, maar ook wel in de vorm van kleine groepjes panden. Vanaf het begin van de twintigste eeuw werden voor de stadsuitbreiding (die in Tilburg eigenlijk toen al stadsinbreiding was) stratenplan en bouwplan in samenhang ontworpen en uitgevoerd. Het plan-Rückert uit 1917 vormde daarbij het beleidskader.
De welstandscriteria voor de verschillende gebiedstypen spitsen zich toe op dit onderscheid. In de lintbebouwing dient sprake te zijn van een fijnschalige korrel en van individuele kwaliteit, waarbij contrasten met buurpanden worden gezocht. In de planmatige clusters wordt juist gestreefd naar vormverwantschap, samenhang en harmonie met de directe omgeving. In architectonische zin wordt dat nog ondersteund door het verlangen van een verticale gevelopbouw in de lintbebouwing en een horizontale in de clusters, ook als deze niet aanwezig is!
Via welstand wordt zo min of meer afgedwongen dat een historisch in principe duidelijk onderscheid niet alleen overeind blijft maar zelfs sterker wordt. Straten (zoals Hasseltstraat en Broekhovenseweg) die door een min of meer rigide bestemmingsplanregiem (5,5 m goothoogte) in de loop der jaren veel van hun lintbebouwingskarakter hebben verloren, zouden dat op deze wijze terug kunnen krijgen. Uiteraard dient dat planologisch te worden ondersteund door in nieuwe bestemmingsplannen aldaar ruimere bebouwingsmogelijkheden toe te staan. Het huidige stedenbouwkundige beleid is daarop ook gericht. Een bouwhoogte van 15 m (met beperkingen naar belendingen en naar de goothoogte gerelateerd aan de straatbreedte), zoals die bijvoorbeeld steeds is blijven gelden in straten als Hoefstraat, Molenstraat en Veldhovenring, vormt daarbij het uitgangspunt.
Uiteraard zijn de welstandscriteria zodanig geformuleerd dat moderne architectuur zich uitstekend kan voegen in de verschillende historische contexten.

Zo wordt een cultuurhistorisch gegeven ingezet om in deze moderne tijd en met moderne middelen een herkenbare zonering van gebieden en structuren in het stadsweefsel te bewerkstelligen. Moderne stad en respect voor cultuurhistorie komen hier bij elkaar.
Maar dat gaat niet zonder problemen.

Een nieuwbouwplan van 5 lagen en 15 m hoogte is nauwelijks
hoger dan historische grotere panden van 2 lagen met kap
(Wilhelminapark/Gasthuisring). (Foto auteur).

Moderne invulling op de Heuvel van één perceel breed, waarbij
de verticale lijnen in de gevel overheersen. (Foto auteur).


Schaalvergroting, wat nu?
Vernieuwing van bebouwing gepaard gaande met economische wetmatigheden en verdichtingsdoelstellingen brengt ook schaalvergroting met zich mee. Schaalvergroting die zich uit in aanzienlijke vergroting van bouwhoogte-, bouwdiepte- en bouwbreedtematen van nieuwbouwprojecten ten opzichte van bestaande belendende bebouwing. Protesten van omwonenden komen veelvuldig voor en daarbij wordt vaak gebruikgemaakt van het cultuurhistorische argument om de nieuwbouw te verhinderen. Bijt de cultuurhistorie hier zichzelf in de staart?


Grosso modo zijn er twee uitersten waarop je cultuurhistorie en monumentenzorg kunt bedrijven
Aan de ene kant is daar de museale vorm: het vasthouden aan en voor de toekomst vastleggen van een bepaalde verschijningsvorm die het meest bepalend is geweest voor de ontwikkelingsgeschiedenis van een object. Bij bepaalde unieke gebouwen ligt deze vorm uiteraard voor de hand.
Aan de andere kant is er de meer dynamische vorm, die zich toespitst op het zoeken naar en vastleggen van de systemen die de veranderingen van een object in de loop van de geschiedenis hebben bepaald en waarbij toekomstige veranderingen ook aan die systemen worden getoetst.
Het Tilburgse monumentenbeleid is vanuit de aard van de Tilburgse ontwikkelingsgeschiedenis met name gericht op deze dynamische vorm, terwijl de indruk bestaat dat protesterende omwonenden vaak hun toevlucht zouden willen nemen tot de museale vorm en alles bij het oude willen houden.
Het lijkt me dat de gemeentelijke keuze voor dynamiek strookt met de gedachte van een moderne stad met respect voor cultuurhistorie.

De schaalvergroting in de hoogte is in de welstandsnota opgelost met het volgende toetsingscriterium:
Zorgvuldige architectonische uitwerking van hoogtesprongen met belendingen door afwijkende materialisering in de bovenste bouwla(a)g(en) en/of verspringingen in de gebouwcontouren. Ook het volgende criterium heeft daarop betrekking: in het zicht komende kopgevels boven de belendingen, ook als zgn "wachtende" gevel, grafisch en/of plastisch verlevendigen.
In de stad zijn inmiddels diverse bouwprojecten gerealiseerd waarbij min of meer duidelijk is dat dit citerium vóór juli 2004 niet gold! Inmiddels hebben daarna weer diverse plannen de welstandscommissie gepasseerd, waarbij de toepassing van dit criterium tot levendige discussies en interessante oplossingen heeft geleid. Komende jaren zal dat zeker verder zichtbaar worden.

Deze moderne invulling aan de Veldhovenring wijkt niet alleen qua breedte, maar ook
qua architectonische behandeling van massa en gevel sterk af van het traditionele
lintbebouwingsbeeld. (Foto auteur).


De schaalvergroting in de breedte leidt bij de jongste plannen tot nieuwe discussies. De welstandsnota zegt daarover in termen van toetsingscriterium: Parcellering dan wel verticale architectonisch/stedenbouwkundige geleding van 6 tot 12 m dan wel anderszins voortkomend uit de situatie.
Bij het opstellen van de nota werd voorzien dat nieuwe ontwikkelingen niet tot één kavelbreedte beperkt zouden blijven. Twee tot vier kavels breedte werd als realistisch ingeschat in verband met de gewenste bouwprogramma's. Er is echter een tendens waarneembaar dat projectontwikkelaars steeds meer volume willen realiseren. Als dat stedenbouwkundig niet mag in de hoogte en in de diepte, zal men z'n heil moeten zoeken in de breedte. Verwerving van aangrenzende panden blijkt in de praktijk makkelijker dan je als cultuurhistorische behartiger van lintbebouwing zou willen. Door verbreding van planontwikkeling wordt de kleinschalige parcellering, wezenlijk voor de lintbebouwing, geweld aangedaan. Adequaat instrumentarium om dat tegen te gaan ontbreekt. Dit geldt overigens niet voor beschermde stadsgezichten waar via het vereiste van de monumentenvergunning en een beoogd strakker stedenbouwkundig regiem meer grip is op nieuwe ontwikkelingen.
De vraag die nu voorligt is, of met het parcelleringscriterium uit de welstandsnota, dat in feite een architectonisch lapmiddel is, voldoende recht kan blijven gedaan worden aan de cultuurhistorische waarden van de lintbebouwing. Misschien ook ontstaat een nieuw fenomeen, zoals iedere periode zijn nieuwigheden heeft opgeleverd. De tijd zal het moeten leren.


Besluit
En tijd is belangrijk op het terrein van ruimtelijke ordening en bouwen. Het zijn bij uitstek zorggebieden met een lange adem. Debat over ruimtelijke kwaliteit – of dat nu gaat over moderne architectuur of over cultuurhistorische waarden in een moderne stad met respect voor cultuurhistorie – werpt pas vruchten af als over een langjarige periode consistent en consequent beleid kan worden gevoerd en vervolgens worden geëvalueerd. Maar aan de maatschappelijke voorwaarde dat beleid over een langere periode, bijvoorbeeld meerdere decennia, kan worden voortgezet, ontbreekt het in onze hoogdynamische en hoogdemocratische omgeving. Misschien is dát nu juist wel een wezenskenmerk van de moderne stad. En op de keper beschouwd is de geschiedenis ook slechts één grote aaneenschakeling van toevalligheden.


Moderne invulling in een historische omgeving,
hoek Tuinstraat - IJzerstraat. (Foto auteur).


* Ir. Louis Houët is sedert 1972 werkzaam bij de gemeente Tilburg op het terrein van ruimtelijke ordening en planontwikkeling. Hij was onder andere hoofd van de afdeling Stedenbouw van de dienst Publieke Werken (1989-1996) en hoofd van de afdeling Ruimtelijke Inrichting van de dienst Wijkzaken (1997-2002). Momenteel is hij senior beleidsmedewerker kwaliteit en manager van het team Architectuur, Beeldende Kunst en Cultuurhistorie van de afdeling Ruimtelijke Ordening van de dienst Beleidsontwikkeling. Onder dat team ressorteren de gemeentelijke welstandszorg en monumentenzorg.