![]() |
|||
![]() |
567. Tentoonstelling ‘De wollendekenfabriek 1900-1940’ | ||
![]() |
|||
|
Titel: |
Tentoonstelling ‘De wollendekenfabriek 1900-1940’ |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
N.N. (Persbericht) |
|
Jaargang: |
XX (2002) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina’ s: |
107-108 |
In het Nederlands Textielmuseum is in de nieuwe opstelling ‘De wollendekenfabriek’ een beeld en sfeer gecreëerd van een textielfabriek zoals die in de periode van 1900 tot 1940 in Nederland bestond. De machines laten zien hoe van ruwe wol een deken wordt gemaakt. Net als vroeger worden de machines aangedreven door een stoommachine. De machines worden gedemonstreerd, het stampende en repeterende geluid en de geur van wol en olie verspreiden zich door de ruimte. De vele materialen, van balen ruwe wol tot rekken vol met dekens, tonen een fabriek die volop in bedrijf was. Het lijkt of de arbeiders van toen even de fabriek hebben verlaten. Historische foto’s en filmfragmenten zijn ‘verstopt’ in de tentoonstelling en laten de arbeiders zien die werkzaam waren in de fabrieken.
Duivelen, kaarden, spinnen, spoelen …..
Meteen bij binnenkomst is het duidelijk dat het om een wollendekenfabriek gaat. Grote balen ruwe wol staan klaar om gewogen te worden. De bezoeker ruikt de geur van smoutolie die op de wol werd gegoten om de wolvezels te beschermen tijdens het productieproces. Het smouten en duivelen, het met enorme kracht losmaken en mengen van de wol, was typisch mannenwerk. Het was zwaar en vies werk. Tijdens het tillen kwam de wol steeds tegen de kleding van de arbeiders aan. Geen wonder dat de duivelaars er altijd vies en vettig uitzagen: ‘vethol’ was hun bijnaam. Na het duivelen en kaarden (kammen) wordt de wol met een spinmachine tot garen gesponnen. Ook spoelmachines staan opgesteld, waarmee het gesponnen garen op pijpjes en klossen werd gespoeld. De spoelafdeling was vaak het werkterrein van de vrouwen, die werkten op tariefloon. Per gespoelde kilo garen werd een vergoeding uitbetaald: het was dus maar afwachten wat er per dag werd verdiend.
Nopsters, stopsters en ‘kruikenzeikers’
Buckskinweefgetouwen werden gebruikt voor het weven van het ruwe dekendoek. Nopsters controleerden of er geen fouten in het weefsel zaten. Andere vrouwen herstelden de fouten: de stopsters. Na al deze handelingen is het doek nog geen zachte, warme deken. Het weefsel heeft een ‘open’ structuur: de draden zijn nog goed te zien. Om het doek dichter, dus warmer te maken, moet het gevold worden. Bij het vollen worden de schubben van de wolvezels door de toegevoegde chemicaliën geopend. Door warmte en wrijving wordt het doek vervilt en ontstaat er een stevige, dichte stof. Dit vervilten (vollen) van de stof gebeurt in een volkom.
In de fabrieken in het begin van de 20ste eeuw gebeurde het vollen van het doek met soda en ammoniak. Vollen werd echter al heel lang gedaan, en voordat er chemicaliën waren, werd hiervoor (menselijke) urine gebruikt. Nog steeds heeft de Tilburger hieraan de bijnaam ‘kruikenzeiker’ te danken.
Het gevolde doek wordt vervolgens geruwd. Dit gebeurt ineen ruwmolen, die bestaat uit een wals bekleed met natuurdistels. De haakjes van de distels trekken de wolvezels los tot een wollige laag. Nu kan de deken op maat worden gesneden, afgewerkt en in het magazijn worden opgeslagen. De tentoonstelling ‘De wollendekenfabriek’ eindigt dan ook met een uitpuilend magazijnrek vol met zachte, bontgekleurde wollen dekens.
Het ‘AaBe-panorama’ herleeft
Speciaal ter gelegenheid van de openstelling van deze nieuwe presentatie is het (bij veel mensen bekende) AaBe-panorama opgebouwd. Het stond tot circa 1965 opgesteld in het centrum van Tilburg en is het beeldmerk geworden van het etiket dat in de dekens werd gestikt. Het panorama bestond uit een poollandschap waarin een slee werd voortgetrokken door een rendier. Op de slee lag een dikke stapel dekens die werden afgeleverd bij een Eskimogezin. Helaas is het originele panorama verloren gegaan. Het panorama is tot en met 5 januari 2003 in het museum te zien.
Logo van de AaBe op een wolkist. (Coll. Nederlands Textielmuseum, Tilburg).










