| 26. De angst voor 'minder geschikte' lectuur | |||
|
Titel: |
De angst voor 'minder geschikte' lectuur |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Henk van Doremalen * |
|
Jaargang: |
XII (1994) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina’ s: |
18-21 |
Toen de RK Leeszaal in 1913 in Tilburg werd opgericht, lag daar een aantal motieven aan ten grondslag, die moesten voorkomen dat de Tilburgers boeken of tijdschriften ter hand zouden nemen die 'minder geschikt' werden geacht. De RK Openbare Leeszaal en Bibliotheek St. Dionysius, zoals de instelling voluit heette, moest de 'betere' literatuur gaan aanbieden.
Wat 'minder geschikt' en wat 'beter' was, werd in eerste instantie ingegeven door het in de stad vrijwel algemeen aanvaarde katholieke waarden- en normenpatroon.
Vooral op het gebied van politiek, ethiek en moraal diende de RKOLB zich zuiver op te stellen. Pas later (na de Tweede Wereldoorlog) moest men na gaan denken over de kwaliteit van de literatuur die aangeboden werd. De discussie of het lezerspubliek echt alles voorgeschoteld mocht krijgen, is pas enkele decennia geleden gevoerd.
Tot in de jaren zestig bleef bij de RK openbare bibliotheek de vrees een rol spelen dat de Tilburgse bevolking in aanraking zou komen met 'slechte', 'minder geschikte' of 'andere' lectuur.
De oprichters van de eerste RK Leeszalen waren bevreesd dat er in de katholieke steden mogelijk neutrale leeszalen zouden komen waartegen men op moest werken. Deze defensieve houding komt op wel meer terreinen voor. Er waren eerst algemene, neutrale vakbonden, daartegenover ontstonden katholieke. Zo ook met
geheelonthoudersverenigingen, tuberculosebestrijding enz. Neutraal tendeerde vaak in de richting van socialistisch; en socialisme werd, ondanks goedbedoelde pogingen van enkelen, om politieke opvattingen en geloofsbeleving uit elkaar te houden, al te vaak gestigmatiseerd als anti-katholiek. In Tilburg was de houding tegenover het latere gemeenteraadslid Bart van Pelt, een van de eerste geboren en getogen Tilburgse socialisten, een typerend voorbeeld dat socialisme (politiek) en katholiek (geloofsovertuiging) niet samen mochten.
De landelijke bibliotheekbeweging, stond een algemene, neutrale, openbare leeszaal voor waarin iedereen kon lenen en lezen wat hij wilde. Uiteraard golden daarbij de toen heersende normen en waarden over wat fatsoenlijk was, als grens van wat de bibliotheken en leeszalen zouden moeten aanreiken. Het openbare-bibliotheekwerk dat eind vorige, begin twintigste eeuw in Nederland op gang begon te komen, wilde de bibliotheken en leeszalen voor iedereen toegankelijk maken. In het achterhoofd zat, zo blijkt uit de literatuur die over het onderwerp verscheen, het beeld van volksopvoeding. Vanwege praktische omstandigheden (de RK kamerleden zouden anders niet instemmen met een subsidieregeling voor het bibliotheekwerk) ging de in 1908 opgerichte Centrale Vereniging voor Openbare Leeszalen en Bibliotheken, zij het schoorvoetend, akkoord met aparte RK openbare bibliotheken.
'Openbaar' voor de bibliotheek in Tilburg betekende 'katholiek openbaar'. Dat werd in de statuten als volgt verwoord: "Het doel der vereeniging is de geestelijke ontwikkeling der ingezetenen van Tilburg te bevorderen, overeenkomstig de Katholieke beginselen." Alleen katholieken konden lid worden van de vereniging, maar niet-katholieken konden wel abonnee-lid worden van de RKOLB. Ze stonden daar niet in alle opzichten om te springen.
De ontwikkeling naar een eigen RK leeszaalbeweging is niet los te zien van de tijdgeest. In de eerste decennia van de 20e eeuw verzuilde de Nederlandse samenleving. Er ontstonden RK vakbonden, RK middenstandsverenigingen, RK jongerenorganisaties, een RK sportbeweging en later ook RK omroepen.
Andersdenkenden
Welke mogelijkheden waren er voor de Tilburgers die kennis wilden nemen van zaken die niet aanwezig waren op de RKOLB aan de Langestraat en vanaf 1922 aan de Willem II-straat. Laten we maar eens vooropstellen dat de groep die belangstelling had voor bibliotheken en lezen voor WO II zeer beperkt was. Tot 1938 was de RKOLB nooit aan 1000 ingeschreven lezers toegekomen. Er was een piek in de oorlog toen er plotseling 3000 lezers begroet mochten worden. De 'hausse' in het lezen komt eind jaren zestig. Van 6000 ingeschreven lezers omstreeks 1965 stijgt de belangstelling via ongeveer 19.000 in 1970 naar bijna 40.000 in 1975. Voor de oorlog werd de bibliotheek als iets elitairs ervaren, ondanks alle ijverige pogingen van de RK vakbeweging om 'de werkende man' aan het lezen te krijgen. Veel verder dan de krant kwamen de meesten niet. Was het al moeilijk genoeg om de leeszaal en bibliotheek te bezoeken, de drempel overschrijden om te zoeken naar wat 'buiten de orde' was, was aan slechts weinigen voorbehouden. Daartoe behoorden allereerst diegenen die niet tot de 95 % katholieken gerekend konden worden.

Pagina uit de eerste 'Catalogus der R.K. Openbare
Leeszaal en Leesbibliotheek Tilburg - Langestraat.
Afdeeling: Letterkunde', 1914. (coll. Openbare
Bibliotheek Tilburg).
Kees Andriesse, lid van de SDAP en later de PvdA, heeft eens opgesomd wat er in de vooroorlogse jaren niet te vinden was op de RK Openbare Leeszaal. Uit den boze waren vooral boeken over ethische zaken, geschreven vanuit een andere visie dan de katholieke. Er waren wel boeken over onderwerpen als marxisme, socialisme, geboortenbeperking, erfelijkheidsleer enz., maar dan uitsluitend met de denkbeelden die daar in katholieke kring over bestonden. Wel hoe de kerk over geboortenbeperking dacht, maar niet de werken van Darwin of de Malthusiaanse Bond. Wel opvattingen van jezuïeten over het socialisme, maar niet de denkbeelden van de socialistische voormannen of filosofen. Van de duizenden boeken die op de Index stonden, had men wel het een en ander in huis, maar het was slechts aan enkelen voorbehouden daar een blik in te werpen. In de beginjaren van de RKOLB werden Couperus en Multatuli als 'schadelijk' gezien, terwijl Rousseau, Voltaire en Emile Zola geheel verboden waren. Wie niet schadelijk was en veelvuldig voorkomt in de eerste catalogi, was Guido Gezelle.
De socialistische beweging had haar eigen methode om aan literatuur te komen. Naast een eigen kleine collectie in het Volksgebouw op de Besterd maakte ze vanaf 1923 gebruik van een roulatiesysteem, waarbij door de Arbeiderspers boeken werden uitgeleend of verkocht. Dat werkte niet optimaal, een openbare bibliotheek en leeszaal waar 'alles' te raadplegen was, zou beter zijn. De sociaal-democratie was nog voor de oorlog een in Nederland vrijwel algemeen geaccepteerde politieke stroming geworden, die haar revolutionaire kleed had afgelegd en braaf haar zegje deed in het parlementaire spel. Ook in Tilburg was de sociaal-democratie in de raad vertegenwoordigd, maar socialistische lectuur (en daar werden ook romans van 'linkse' schrijvers toe gerekend) was op de RKOLB nog niet zo maar voorhanden. De (socialistische) gids was wel aanwezig, maar 'niet voor iedereen voor het grijpen'.
Volksbibliotheken
Nog voor WO II bestond er naast de RKOLB nog een aantal andere bibliotheken in de stad. Voorts waren er al langer wat mogelijkheden om bij (soms niet-rk-erkende) boekhandelaren lectuur te halen die de RKOLB 'van laag allooi' vond. Boekhandel De Kempen (Pillot) leverde geen problemen op, maar de firma Spijkers, De Wekker, Triborgh en de boekhandel J.P. Coenstraat wensen zich niet naar de normen van de RKOLB te richten. Na de oorlog, als de teugels op het gebied van normen en waarden weer wat aangetrokken worden, blijkt niet de 'linkse' literatuur, maar de goedkope lectuur die aangeboden wordt de steen des aanstoots.
De kapucijn A. van de Weijer stelde in zijn in 1955 verschenen proefschrift 'De religieuse pracktijk in een brabantse industriestad' vast dat lezen tot de voornaamste ontspanningsmogelijkheden van de Tilburgers behoorde. Dat lezen, waarbij hij ook de kranten en weekbladen rekende, voldeed niet aan de normen die de geestelijkheid stelde. In de jaren vijftig werden daarbij twee zaken als concreet voorbeeld genoemd. In de eerste plaats de kwaliteit van de lectuur die bij sommige kiosken werd verkocht en vooral de boeken die de particuliere uitleenbibliotheken ter beschikking stelden. In de tweede plaats was er een groeiende belangstelling voor seksuele-voorlichtingslectuur. Vooral voor de lagere volksklasse schuilde hierin groot gevaar, zo meende Van de Weijer.

Pagina uit
de eerste catalogus (1914): Conscience mocht wel gelezen worden, 'Eline Vere'
van Louis Couperus
alleen onder voorbehoud (V) en het boek was zeker ongeschikt voor minderjarigen
(onderstreept).
Bibliotheek Tilburg).
Maar ook over de leesmogelijkheden waarover de geestelijkheid controle had, bestond onvrede. Er waren medio jaren vijftig drie officiële filialen van de RKOLB in de stad. Deze waren gevestigd in Loven, Trouwlaan en de Vredesparochie. Daarnaast beschikten 14 parochies over parochiebibliotheken die te zamen zo'n 2500 lezers telden. In 1955 waren deze volksbibliotheken goed voor ruim 160.000 uitleningen. De RKOLB telde in 1955 2826 ingeschreven lezers en 120.000 uitleningen. De cijfers zijn in zoverre geflatteerd dat de RKOLB aan sommige parochiebibliotheken boeken verstrekte. Bovendien exploiteerde de RKOLB een openbare leeszaal waar werken geraadpleegd konden worden. Het grote verschil tussen de RKOLB en de diverse parochiebibliotheken was vooral kwalitatief van aard. De volksbibliotheken werden door een commissie van de Culturele Raad bestempeld als zijnde van 'grote waarde voor de groei van het culturele leven der plaatselijke gemeenschap, in het bijzonder met betrekking tot de verspreiding van het goede boek'. Juist aan dat laatste werd door bestuur en medewerkers van de RKOLB nogal getwijfeld. De parochiebibliotheken waren maar zelden geopend (meestal zondags na de mis) en moesten zich in het algemeen beperken tot het aanschaffen van goedkope lectuur.
Uit een onderzoek van het Nijmeegse Hoogveldinstituut eind jaren vijftig kwam naar voren dat het met de leescultuur onder jongeren in Tilburg droevig gesteld was (Van de Weijer had een onderzoek gedaan onder alle Tilburgers en had ook tijdschriften en kranten in zijn bevindingen meegenomen; vandaar het verschil.) Voor de groep 14- tot 20-jarigen werd vastgesteld dat bij de jongens lezen ver achterbleef bij sport en film. Bij lezen werd aan cowboyboeken of andere spannende lectuur gedacht. Aan een 'goed' boek kwam vrijwel niemand toe. Bij meisjes lag de zaak nog lastiger. "... in onze huisbezoeken kwamen wij meermalen tegen, dat de ouders de meisjes soms verboden om 's avonds te gaan zitten lezen. Men vond het beter dat ze bezig waren in het huisgezin, of dat ze aan een handwerkje werkten, dat ze hun tijd minstens nuttig besteedden", zo stelden de onderzoekers vast. Binnen dit patroon was de stap naar een van de volksbibliotheken om zondags een of meer boeken te lenen al groot.
Samenvattend ontstaat het volgende beeld. In de jaren vijftig werd nauwelijks gelezen, zeker door de jongeren. Als er al gelezen werd, was dat lectuur die het niveau van kranten en weekbladen nauwelijks te boven ging. Wie gebruik maakte van de volksbibliotheken, kreeg weliswaar RK goedgekeurde lectuur in handen, maar het niveau daarvan werd door de RKOLB niet al te hoog geacht. De RKOLB zelf wist - mede door haar slechte huisvesting - slechts een beperkt aantal lezers te lokken. Andersdenkenden kwamen maar moeilijk aan hun trekken.
Nutsbibliotheek
In 1953 was in de stad een Nutsbibliotheek opgericht. Aanvankelijk heette deze 'Het Koetshuis' naar de vestigingsplaats aan de St.Josephstraat naast het Duvelhok. Later verhuisde deze bibliotheek naar de Nieuwlandstraat (Terra Nova). In 1959 kwam de Algemene Nuts Openbare Bibliotheek tot stand. Tilburg kende toen twee openbare bibliotheken. Grofweg was de ene voor het katholieke en de andere voor het niet-katholieke deel van de bevolking. Een van de beweegredenen om de Nutsbibliotheek op te richten was dat de RKOLB niet in alle (niet-katholiek goedgekeurde) boeken kon voorzien. Tilburg was in de jaren vijftig voor andersdenkenden te karakteriseren als het 'Staphorst van Brabant'. Met 4500 boeken omstreeks 1960 en zo'n 10.000 tien jaar later bleef de collectie van de Nutsbibliotheek beperkt.
In 1967 kwam onder impuls van de toenmalige bestuursvoorzitters J.Penders en J. Metzlar een samenwerking tot stand tussen de beide openbare bibliotheken in de stad. Eind 1970 leidde dat tot de oprichting van een stichting die het openbaar bibliotheekwerk in Tilburg zou gaan beheren. Zoals de oprichting van de RKOLB een uitvloeisel was van de heersende maatschappelijke omstandigheden, zo was de fusie ook niet los te zien van de tijdgeest. De ontzuiling van de maatschappij was in gang gezet. Het bibliotheekwerk sprong daar relatief vlug op in. Erkend werd dat de verantwoordelijkheid bij de keuze van informatie en lectuur bij de lezer lag. In katholieke kringen was het denkbeeld lang gemeengoed dat de geestelijkheid het best verantwoordelijk kon zijn voor die keuze. Ook al noemde men het graag anders, er was in de vorm van de 'Index' wel degelijk sprake van censuur. De bibliotheek kreeg tot taak de collectie zo veelzijdig mogelijk samen te stellen en zo objectief mogelijk informatie aan te bieden.
De eenheid van de openbare bibliotheken in Tilburg was vanaf 1970 een feit, de katholieke censuur speelde geen rol meer. Met de nieuwe huisvesting aan het Koningsplein werd in 1972 letterlijk en figuurlijk de toegang geopend voor grote groepen nieuwe lezers. Die konden geleidelijk aan alles van hun gading vinden. De bezwaren tegen boekhandelaren die 'dubieuze' lectuur aanboden, verdwenen daarmee ook. Jacques Penders (voorzitter van het bestuur van 1966-1979) beschreef hoe het bestuur met het probleem worstelde hoe men om moest gaan met het beschikbaar stellen van seksbladen en -boeken. Nu tamelijk onschuldig overkomende 'zedenprikkelende' boeken waren in Tilburg nauwelijks verkrijgbaar. De problemen met de 'sekslectuur' die Penders voorzag, werden in de praktijk snel opgelost. Alles verdween.

Catalogus van de R.K. Openbare Leeszaal en
Bibliotheek uit 1956 (coll. Ronald
Peeters, Tilburg).
Bronnen
- GAT, documentatiemappen: bibliotheken, leeszalen.
- Jaarverslagen RKOLB en Openbare Bibliotheek Tilburg.
- Henk van Doremalen, '"Geen luxe maar levensbehoefte". 75 jaar Openbare bibliotheek Tilburg
1913-1988', Tilburg, 1988.
- Jeugd in Tilburg. Een sociaal-psychologisch onderzoek naar de opvoedkundige situatie van de rijpere
jeugd, Tilburg, Hoogveld-instituut, 1958.
- Paul Schneiders, Lezen voor iedereen. Geschiedenis van de openbare bibliotheek in
Nederland, Den Haag, 1990.
- A. van de Weijer, De religieuse pracktijk in een brabantse industriestad. Godsdienst-sociografische verkenningen in
Tilburg, Assen, 1955.
* Henk van Doremalen is freelance werkzaam als historicus en journalist. Hij publiceerde in 1988 een gedenkboek over de geschiedenis van de openbare bibliotheek in Tilburg. Voor het KLC schreef hij een rapport over de mogelijkheden om te komen tot een geschiedenis van het RK bibliotheekwerk in Nederland.
[zie ook verdere gegevens op deze site]




