Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
560. De etymologie van Tilburg en van Udenhout
 

Titel:   

De etymologie van Tilburg en van Udenhout

Ondertitel:   

Auteur:   

Lauran Toorians

Jaargang:   

XX (2002) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

2

Pagina’ s:   

64-70


In een erg vriendelijke recensie van het boek Tilburg, stad met een levend verleden gaat Jan Franken kort in op de etymologie van de naam Tilburg. (1) Hij spreekt daarbij zijn voorkeur uit voor de etymologie die A. Weijnen ooit zou hebben voorgesteld en waarin het element til- wordt afgeleid van Latijn tilia ‘linde(boom)’. Ook in een eerste bespreking van genoemd boek in het Brabants Dagblad (editie Tilburg, 7 november 2001) werd mijn opmerking over de naam Tilburg enigszins uit haar verband gehaald, wat de duidelijkheid niet ten goede kwam. 

In dat grote boek ging het dan ook bijna om een voetnoot, waarbij de ruimte voor een gedetailleerde argumentatie ontbrak en waarin een dergelijke specialistische uitweiding ook niet op haar plaats zou zijn geweest. Reden genoeg dus om de etymologie van Tilburg nog eens wat uitvoeriger tegen het licht te houden.(2)
Waar en wanneer Weijnen het voorstel betreffende Latijn tilia publiceerde, is mij niet bekend, maar hij was hierin reeds voorgegaan door de eminente kerkhistoricus Schutjes die daarbij dacht aan ‘een kasteel met linden omgeven’.(3) Het voorstel zelf kende ik al wel, en het leek mij op voorhand onwaarschijnlijk omdat Tilburg dan een plaatsnaam in het Latijn zou hebben gekregen, iets wat in de (vroege) Middeleeuwen hoogst ongebruikelijk was. Sterker nog, ik ken geen enkel ander voorbeeld.

In een artikel in het Dagblad De Stem van 22 januari 1949 schreef Weijnen over de plaatsnaam Tilburg, en toen wees hij in elk geval een verbinding met Latijn tilia ‘linde’ van de hand. Zelf houdt hij het op een afleiding van een woord til ‘bruggetje’, met als – in zijn ogen overkomelijk – bezwaar dat het hierbij om een ‘kustwoord’ gaat, een zogenaamd ingwaeonisme. Zo kent het Fries nog een woord tille ‘brug(getje)’ en ligt in de gemeente Dongeradeel (Friesland) een gehucht Tilburen dat dit woord voor ‘brug’ in de naam heeft. In de provincie Groningen schijnt een gehucht Tilbrug te liggen, waarvan kan worden aangenomen dat het dit Friese woord tille bevat. Voor het Noordbrabantse Tilburg is dit echter weinig waarschijnlijk. Hier zijn geen andere invloeden van deze ‘kustdialecten’ aanwijsbaar, en ook niet waarschijnlijk. Weijnen wijst nog op de ‘heel dicht bij Tilburg’ gelegen plaatsnamen Made en Meeuwen, die wel ingwaeoonse invloeden verraden, maar daarbij gaat het toch om plaatsen die in het rivierengebied liggen, waar invloeden vanaf de kust eerder denkbaar zijn dan in het geval van Tilburg.(4) Overigens is de oorspronkelijke betekenis van dit woord ‘plank’, komt het in een aantal dialecten (in Zuid-Holland en Utrecht) ook voor in de betekenis ‘zolder’ en is het ook het Nederlandse ‘(duiven)til’. Wat er specifiek ingwaeoons (‘Fries’) aan is, is de t- aan het begin, die hier staat voor een Nederlandse d-. De Nederlandse vorm is dan ook deel, met betekenissen als ‘plank’ en ‘(dors)vloer’. Indien hier de etymologie van Tilburg moet worden gezocht, zouden we dus eerder zoiets als ‘Dilburg’ of ‘Deelburg’ verwachten.

De redenering zoals Franken die geeft, levert nog een ander probleempje op. Hij schrijft te vermoeden dat de naam Tilburg ‘een rechtsgebied aanduidde van meer woonplaatsen’. Vervolgens laat hij niet na bij de lindeboom van Schutjes op te merken dat dit ‘de oude gerechtsboom’ is. Aangezien we geen flauw idee hebben of er al in de zevende eeuw een linde als rechtsboom in Tilburg stond, en zelfs niet of er al sprake was van ‘een rechtsgebied’, neigt deze gedachte sterk naar een cirkelredenering (het betekent linde omdat er een linde stond, en er moet wel een linde hebben gestaan, omdat het linde betekent). Het is de wetenschappelijke methode (de methodologie) die zegt dat zoiets niet mag. We kunnen de betekenis van de naam niet afleiden uit omstandigheden die we niet kennen, maar die we op basis van de naamsverklaring (die we op voorhand niet hebben) graag zouden veronderstellen. De etymologie van de naam zal moeten worden gevonden vanuit die naam zelf, en door vergelijking met andere namen en met de rest van de taal waaruit die naam voortkomt.

Een ander probleem lijkt mij hier overigens het tweede element: -burg. Lang werd ervan uitgegaan dat dit element in plaatsnamen in de zevende eeuw duidde op een Merovingische versterking, en dus qua betekenis overeenkwam met het tegenwoordige burcht. Wanneer dat juist is, zal die burcht toch op één specifieke plek in het landschap hebben gelegen, en zal de naam Tilburg dus ook die ene plek hebben aangeduid. Een bijbehorend rechtsgebied zou dan op zijn best zoiets als ‘het Tilburgse’ hebben geheten, dus iets met een genitief enkelvoud, en niet ‘de Tilburgen’ met de datief meervoud zoals die op 21 mei 709 werd genoteerd. Helaas weten we niets van een zesde-eeuws rechtsgebied, is nooit een Merovingische ‘burcht’ gevonden, en zijn we er intussen ook veel minder zeker van dat dit tweede element in de plaatsnaam daadwerkelijk naar een versterking moet verwijzen. We zijn terug bij af.

‘Teel-burg’

Laten we beginnen bij het minst omstreden deel van de naam: -burg. Dit is inderdaad hetzelfde woord als burcht. De -t is hier een typisch Nederlandse toevoeging die in een aantal woorden is opgetreden en in dialecten vaker voorkomt dan in de standaardtaal (vergelijk Nederlands inkt met Engels ink, en bijvoorbeeld dialectisch misschient, en langst in de betekenis van ‘langs, naast’).(5) Op de betekenis heeft deze toegevoegde -t geen enkele invloed. Het woord burg komt in veel Germaanse talen voor, ook al in de vroege Middeleeuwen. Het betekende niet alleen ‘burcht, versterkte plaats’, maar ook ‘stad’ en ‘woonplaats’.(6) Hoe het zit met de ‘bepaalde juridische status’ die bij een ‘burg’ hoorde, is zeker voor de zevende eeuw onduidelijk. Aangezien vrijwel al onze bronnen voor plaatsnamen in deze vroege periode oorkonden (en dus juridische documenten) zijn, is enige vorm van ‘juridische status’ vrijwel altijd inbegrepen. Bovendien is bij een woonplaats (hoeve, gehucht) altijd eigendom in het geding, en dat is een juridisch begrip. Ook hier dreigt dus een cirkelredenering. Zolang de archeologie niet anders uitwijst, mogen we dan ook niet uitgaan van een Merovingische versterking in of bij Tilburg. De plaatsnaam kan daarvoor niet als bewijs worden ingezet. Tilburg is een ‘til-(woon)plaats’.

Het is echter vooral het eerste deel van de naam (til-) dat tot problemen leidt, problemen die soms meer te maken lijken te hebben met de smaak van de betrokken historici dan met taalkundige argumenten. Dat het element een afleiding is van Germaans *tilja- ‘nieuw gewonnen land’ is onder plaatsnaamkundigen namelijk nauwelijks nog een punt van discussie.(7) In de vroege zevende eeuw werd *tilja- tot tilla en dat is in feite de vorm die we aantreffen in het Tilliburgis van 709. Als er daarbij al een probleem bestaat, dan zou dat de -i-kunnen zijn, waar we eerder zoiets als **Tilleburg- zouden verwachten, maar hier zal waarschijnlijk het Latijn als schrijftaal van invloed zijn geweest – net als bij de naamvalsuitgang.(8) Zowel deze bindvocaal (de tussenklinker tussen de samenstellende delen van een compositum of samengesteld woord) als de oorspronkelijk Germaanse (Oudnederlandse) naamvalsuitgang vielen later weg, met de naam Tilburg als resultaat.(9) De meest directe afstammelingen van dit Germaanse woord *tilja- in het Modern Nederlands zijn telen en teelt. (10)

Fragment uit het ‘Liber aureus Epternacensis’, het gouden (Evangelie)boek uit het einde van de 12de eeuw van de abdij van 
Echternach (Lux.), dat zich in de Forschungsbibliothek te Gotha (D.) bevindt. Hierin is de tekst van een akte van 21 mei 709 
opgenomen. Deze akte werd opgemaakt te Tilburg (‘Actum publice Tilliburgis’) (Foto coll. RHC Tilburg).

Tilburg betekent dus ‘woonplaats op/in nieuw gewonnen land’. Tot zover weinig nieuws, want hierover waren plaatsnaamkundigen het al geruime tijd eens. Nieuw was wel – voorzover ik kan overzien – mijn suggestie dat we het Latijnse Tilliburgis uit 709 dienen op te vatten als een enkelvoud en dat we de datumregel in de oorkonde (Actum publice Tilliburgis, XII kalendas iunias, anno XV Childeberti gloriosissimi regis; Oorkondeboek van Noord-Brabant [ONB] nr. 888) dus niet mogen vertalen met ‘In het openbaar gedaan in de Tilburgen, op 21 mei in het vijftiende (regerings)jaar van Childebert (709), zeer roemrijke koning’ zoals nu nog vaak wordt gedaan. Wat de schrijver hier kort en bondig bedoelde, is ‘in Tilburg’. Plaatsnamen in het Oudnederlands staan vaak in het meervoud, en in de datief, en alles wijst erop dat dit weinig of niets betekende. De uitgang lijkt te hebben gefungeerd als een locatief, een naamval die als zodanig in de Germaanse talen al niet meer bestond, met de betekenis ‘in/bij’.

Het Proto-Indoe-Europees, de ‘oertaal’ waaruit de vele Indo-Europese talen zich ontwikkelden, bezat een complex systeem van acht naamvallen voor het zelfstandig naamwoord (het nomen, het systeem heet ook wel nominale flectie). Deze naamvallen werden aangegeven door uitgangen en dienden om de functie van het zelfstandig naamwoord in de zin aan te geven. In de loop van de tijd evolueerde dit systeem in vrijwel alle talen tot een systeem waarbij niet een naamvalsuitgang, maar een voorzetsel of een andere vorm van ‘omschrijving’ de relatie aangeeft. De Germaanse talen in de (vroege) Middeleeuwen bezaten nog vier naamvallen (met in het Gotisch nog resten van een vijfde) die in het Duits nog steeds bestaan. Dit verdwijnen van naamvallen (in historische grammatica’s omschreven als ‘deflectie’) leidde er in eerste instantie toe dat de overblijvende naamvalsuitgangen er functies van de verdwijnende uitgangen bij kregen, met als bijverschijnsel dat daarmee de functies van de overblijvende uitgangen vervaagden. Zo zijn in het Gotisch in de uitgang van de datief de betekenissen van de Proto-Indo-Europese datief, locatief, ablatief en instrumentalis samengevallen. In het Oudnederlands hebben we veel te weinig lopende tekst om goed te kunnen vaststellen hoe de verschillende naamvallen daar functioneerden.

Wat nu 21 mei 709 lijkt te zijn gebeurd, is dat de schrijver van onze oorkonde al te letterlijk nam wat hij op school had geleerd, namelijk dat in een Latijnse tekst ook de vreemde woorden van een Latijnse uitgang worden voorzien en zo in de grammatica van de tekst worden ingepast. Hij verving de datief meervoud van het Oudnederlands door een Latijnse datief meervoud en schreef Tilliburgis.(11) Dat was misschien wat vreemd, maar als excuus mogen we aanvoeren dat Tilburg een nogal vreemde plek moet zijn geweest om een oorkonde op te stellen – we kennen immers geen andere voorbeelden die zo vroeg zijn – en dat de schrijver dus geen voorbeeld zal hebben gehad om de ‘correcte’ Latijnse vorm van de naam van af te kijken. Hij moest improviseren.

Behalve dat hij in belangrijke mate bijdraagt aan de etymologie van de naam, leert deze oorkonde uit 709 ons in het geheel niets over Tilburg, behalve dan dat de plaats bestond en een naam had. Degenen die nu al hebben bedacht dat er in 2009 in Tilburg een feestje gebouwd zou kunnen worden, doen er dan ook goed aan zich nog eens te bezinnen. Iets anders dan 1300 jaar naamsvermelding valt er mijns inziens als aanleiding niet te bedenken en dat lijkt mij nogal mager. Vragen die mogelijk nog door archeologisch onderzoek beantwoord kunnen worden, zijn natuurlijk waar dit Tilburg van 709 precies heeft gelegen en hoe ‘nieuw’ de ontginningen waren waarin de nederzetting op dat moment lag.

Tilburgen

Pas een kleine vijf eeuwen na 709 duikt Tilburg opnieuw in de bronnen op. Er is dan met enige regelmaat sprake van Oost-Tilburg en West-Tilburg, waardoor het gebruikelijk is dit geheel aan te duiden als ‘de Tilburgen’. In vergelijking met ‘de Beerzen’ voor Oost-, West- en Middelbeers, of ‘de Zwaluwen’ voor Hooge en Lage Zwaluwe is dit geen gek spraakgebruik en wanneer we het hebben over de periode van eind twaalfde eeuw tot midden vijftiende eeuw is er dus niets mis met ‘de Tilburgen’.

Oost-Tilburg was de naam van de nederzetting die in de buurt lag van de motte van ‘de Giselberten’ als heren van Tilburg. Of hier ook de oorsprong lag, zoals Franken stelt, is bepaald niet zeker.(12) We weten weinig van ‘de Giselberten’, over hoe en wanneer zij in onze contreien terechtgekomen zijn, en al helemaal niets over de toestand die daaraan is voorafgegaan. Misschien is het dan ook zuiverder om de plaatsaanduiding om te keren en te zeggen dat ‘de Giselberten’ hun motte bouwden op een strategische locatie nabij Oost-Tilburg. Oost-Tilburg zal hebben gelegen waar ook de kerk van Oost-Tilburg stond, op dezelfde plek waar nu de neogotische kerk van St Petrus Banden in Oisterwijk zich bevindt. De motte Ter Borch lag in de ‘vork’ waar Voorste Stroom en Achterste Stroom zich samenvoegen tot de Essche Stroom. Tussen deze beide locaties in, stichtte Hendrik I, hertog van Brabant, ergens niet lang vóór 25 februari 1212 de ‘vrijheid’ (een marktplaats) Oisterwijk. Deze ‘vrijheid’ Oisterwijk lag – mogen we aannemen – waar zich nu De Lind bevindt, een langgerekte marktplaats. Door het succes van deze hertogelijke stichting ging Oisterwijk al snel Oost-Tilburg overvleugelen, waardoor die laatste naam in onbruik raakte. De nederzetting ging in zijn geheel Oisterwijk heten en van Oost-Tilburg werd alleen nog enige tijd gesproken wanneer het expliciet over de kerk ging. Met West-Tilburg werd de nederzetting (het groepje herdgangen) aangeduid dat later uitgroeide tot Tilburg. Met het in onbruik raken van de naam Oost-Tilburg werd ook het voorvoegsel West- overbodig.

Het Tilburg dat op 21 mei 709 in een oorkonde wordt genoemd, zou volgens Lauran Toorians 
misschien wel bij (Berkel-)Enschot kunnen hebben gelegen. Daar zijn nederzettingssporen 
uit de laat Merovingische tijd ontdekt. Foto van de parochiekerk van Enschot uit de jaren 
dertig (Coll. RHC Tilburg).


In het gangbare spraakgebruik onder (regionaal) historici is het echter geen gewoonte bij dit gebruik van de naam ‘de Tilburgen’ het voorbehoud te maken dat we het hebben over de volle Middeleeuwen. Dat komt doordat het Tilliburgis uit 709 steeds letterlijk werd genomen als een meervoud, wat het volgens mij niet is. Wanneer de tweedeling tussen Oost- en West-Tilburg tot stand kwam, gaat gehuld in de nevelen der tijd en onttrekt zich daarmee aan onze waarneming. Dat die verdeling op het moment dat we ze aantreffen (dus rond 1200) al vijf eeuwen oud is, valt echter op geen enkele wijze aan te tonen en ik geloof niet dat de oorkonde van 709 in deze kwestie een argument levert.

Geheel speculerend, ben ik geneigd te denken dat het Tilburg waar op 21 mei 709 de oorkonde ONB nr. 888 werd opgesteld bij (Berkel-)Enschot gelegen zal hebben. Daar zijn op de Enschotse Akkers ‘laat-Merovingische’ nederzettingssporen aangetroffen en hebben we mogelijk ook de oudste parochie in het gebied.(14) Het is natuurlijk van belang dat we hier tastbare sporen van bewoning hebben die uit de juiste periode dateren. Bij deze nederzetting hebben ongetwijfeld ook akkers gelegen. Het argument tegen mijn etymologie – dat nieuwe ontginningen in deze periode zeldzaam waren en zeker niet op grote schaal voorkwamen – verliest daarmee zijn kracht. Zeldzaam of niet, ontginningen kwamen voor en hier hebben we er een te pakken. In een later stadium kwamen nieuwe heren – zoals de Giselberten – zich in dit gebied vestigen, waarbij zij hun eigen domeinen inrichtten en daar ook kerken stichtten. Daaruit ontstonden nieuwe parochies, die aanleiding gaven tot de onderscheidende namen Oost- en West-Tilburg. Na de opkomst van Oisterwijk verdween de naam Oost-Tilburg, en werd vervolgens West-Tilburg afgekort tot Tilburg.

Over ‘de Tilburgen’ praten wanneer we het hebben over de periode vóór circa 1200 lijkt mij daarmee onjuist. Voor het onderzoek naar deze periode is het van groot belang om niet uit het oog te verliezen dat juist rond 1200 alles volop in beweging was en we beslist niet mogen veronderstellen dat wat we op dat moment of later zien, ook daarvoor al aanwezig was. Eén van de grote veranderingen was, dat steeds meer rechtshandelingen op schrift werden vastgelegd en voor ons dus de stroom historische bronnen op gang begint te komen. Die bronnen zijn echter slechts zelden bedoeld om geschiedenis te schrijven. Zij informeren ons over de toestand op het moment van hun ontstaan, en dan nog vanuit het gezichtspunt van hen die deze bronnen lieten opstellen. Het beeld dat wij hieruit putten, terugprojecteren in de tijd, is een gevaarlijke onderneming die mijns inziens ook methodologisch niet verantwoord is.

Udenhout

Wat niet met zoveel woorden in Tilburg, stad met een levend verleden staat, maar door Franken als een onverwachte – en in zijn ogen welkome – constatering wordt genoteerd, is dat de naam van het domein In’t Hout ‘de naam “uit den hout (Udenhout)”’ verheldert.(15) Dat is mooi gevonden, zeker omdat het zo’n prachtige parallel heeft in bijvoorbeeld Utrecht (‘uut-trecht’, dus ‘buiten, stroomafwaarts van, Traiectum gelegen’), Uitwijk en Uithoorn. Jammer dat het niet waar kan zijn.

Om te beginnen zou het natuurlijk vreemd zijn dat in twee zo dicht bij elkaar gelegen plaatsen/namen in het ene geval sprake is van ‘het hout’ en in het andere van ‘de hout’, maar mijn bezwaar is wezenlijker. Onder de oudste vermeldingen van Udenhout vinden we ook de vormen als Odenhout en Eudenhout, en die maken een afleiding van ‘uit’ onmogelijk. Het element -hout vormt natuurlijk geen probleem. Dit betekent ‘(hoogstammig) bos’. Uden- zorgt echter wel voor problemen en een bevredigende etymologie hiervoor is nog niet voorgesteld. Dat de tegenstelling tussen ‘In’t Hout’ en ‘Uut ten Hout’ wel kan hebben bijgedragen aan het feit dat de beginklinker van de naam uiteindelijk een u- is geworden, valt niet geheel uit te sluiten. In dat geval is er echter sprake van zogenaamde ‘volksetymologie’ en niet van een taalkundig verantwoorde naamsverklaring. Een tweede bezwaar tegen een verklaring als ‘uit den hout’ is de veronderstelling dat de opeenvolging van een stemloze stop als slotmedeklinker van ‘uit’ en de (homorganische) stemhebbende stop aan het begin van ‘den’ zou resulteren in een stemhebbende stop (d). Een dergelijke opeenvolging een stemloze plus een stemhebbende medeklinker resulteert in het Nederlands nu juist in een geheel stemloze cluster (let op het verschil in uitspraak tussen bijvoorbeeld ‘roodgeel’ (stemhebbend) en ‘zachtgeel’ (stemloos)). Dat dit ook in de middeleeuwen al zo was, kunnen we zien in de redelijk frequent in oorkonden voorkomende dateringsformules zoals bijvoorbeeld op ten achsten dag in die maent van Meye. Hier is de stemloos geworden d- van ‘den’ daadwerkelijk als t- geschreven. De plaatsnaam zou in dit geval dus **Utenhout hebben moeten luiden, wat niet het geval is.

Het Oorkondenboek van Noord-Brabant levert de volgende vermeldingen van de naam op (waarbij ik de schrijfwijzen met U en V niet onderscheidt): Odenhout (1233, 2x), Eudenhout (1269, 2x), (16) Udenhout (1290-1312, 21x), Uudenhout (1299).(17) De spelling eu (voor de klank in neus) is in het Middelnederlands nogal zeldzaam, vaker vinden we ue.(18) Deze eu-klank kan in het Middelnederlands van oostelijk Nederland zijn ontstaan uit een oudere (Oudwestgermaanse) lange o en daar – door de verschillende dialectische ontwikkelingen – ook nog naast staan, een gegeven waarbij onze vormen Odenhout en Eudenhout lijken te passen. De ‘normale’ ontwikkeling in het Nederlands is dat deze Oudwestgermaanse lange o uiteindelijk een oe opleverde. In een aantal gebieden, waaronder Brabant en de Betuwe, dus ook bij ons, verliep de ontwikkeling echter anders en was het resultaat uu.(19) Enkele woorden die dit illustreren zijn bijvoorbeeld Nederlands broer naast dialectisch bruur (uit Oudwestgermaans *brōthar), Nederlands beuk naast dialectisch buuk (uit Oudwestgermaans *bōka), de plaatsnaam Vleuten naast Nederlands vloed (uit Oudwestgermaans *flōt(ina)) en Nederlands moe naast dialectisch muug en meug (dit laatste in Limburg).(20) 

Wanneer deze etymologie klopt, kunnen we in elk geval alle spellingvarianten van Udenhout in één plaatje vatten. De oudste vorm is dan inderdaad Odenhout, met een o- als eerste klinker. Dit werd in eerste instantie tot Eudenhout, maar deze ontwikkeling werd blijkbaar ‘ingehaald’ door Udenhout dat vanaf 1290 de enige nog voorkomende vorm is (spellingvarianten daargelaten). Of de volksetymologische vergelijking met de naam In’t Hout daarbij een rol speelde, is mogelijk, maar onttrekt zich aan ons blikveld en is ook niet echt van belang. Een naam waarin we dezelfde klankontwikkeling zien is die van het nabijgelegen Drunen (met onbekende betekenis).

De ontwikkeling van de naam Udenhout is daarmee duidelijk, de betekenis nog niet. Er bestaat echter een woord dat zowel qua klanken (fonologisch) als qua betekenis (semantisch) aan alle eisen lijkt te voldoen en dat zelfs al eerder als mogelijk eerste deel van de naam werd voorgesteld.(21) In het Modern Nederlands bestaat dat woord niet meer, maar in het Duits kennen we het als öde ‘leeg, verlaten, eenzaam; saai, vervelend’.(22) In het Middelnederlands vinden we dit woord nog als het bijwoord ode ‘licht(elijk)’ en in het bijvoeglijk naamwoord odelijc ‘gering, nietig, weinig waard; onbeduidend; berooid’. Overigens kennen we dit bijvoeglijk naamwoord ook nog in het Modern Nederlands, maar dan met een geëvolueerde betekenis: olijk. (23)Ook in andere Germaanse talen komt dit bijvoeglijk naamwoord voor, en op basis daarvan kan een Germaanse vorm *ōdi- (dus met lange o) worden gereconstrueerd, wat precies de ‘oervorm’ is die we zoeken om via de hierboven beschreven klankveranderingen de vormen ode, eude en ude op te leveren. De -n- in Udenhout is een reguliere naamvalsuitgang, te vergelijken met wat we zien in namen als Aardenburg en Nieuwendijk. De naam Udenhout betekent dan ‘niet in cultuur gebracht, hoog opgaand bos’.(24) 

Zoals meestal kunnen we ook deze plaatsnaam niet nauwkeurig dateren. Verder dan de vaststelling dat hij in 1233 al bestond, komen we niet. In dat jaar schenkt Hendrik I, hertog van Brabant, zijn tiende in West-Tilburg en het gebruik van de bossen van Udenhout, aan de abdij van Tongerlo.(25) Of het gebied toen nog geheel uit onontgonnen bos bestond, of dat er zich toch al enkele ontginningen bevonden, zoals onder meer Fasel betoogt, kan in elk geval op basis van de naam niet worden besloten.(26) Voorzover het oorkondenmateriaal daar inzicht in geeft, lijken ontginningen op enige schaal echter pas te hebben plaatsgevonden in de decennia na 1290, maar dit is uiteraard geen waterdicht argument. Gebrek aan bronnen mag in deze periode niet worden gelijkgesteld met gebrek aan activiteit. Wel kan nog worden opgemerkt dat toponiemen met een lidwoord over het algemeen als ‘jong’ worden beschouwd en vaak teruggaan op ontginningen in de volle Middeleeuwen. Ook Udenhout heeft in het dialect een lidwoord – ‘den Unent’ – en lijkt dus tot deze groep namen te behoren.


‘De oorsprong van den naam Tilburg is nog niet afdoende verklaard’ 

(stelling uit het proefschrift van Berend Dijksterhuis, Bijdragen tot de Geschiedenis der heerlijkheid Tilburg en Goirle, Tilburg 1899).

Noten

(1) Jan Franken, ‘Van bivak tot postindustriële stad’, De Kleine Meijerij 52/4 (2001) 141-144 (over de etymologie op p. 143).Bespreking van Cock Gorisse (hoofdred.), Tilburg, stad met een levend verleden (Tilburg 2001).
(2) Opmerking over de etymologie in Gorisse, Tilburg, op p. 63: ‘Het til- van Tilburg wordt tegenwoordig algemeen in verband gebracht met een Frankisch woord tilli dat “nieuw ontgonnen land, ontginning” betekent.’
(3)L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom ’s-Hertogenbosch V (St.-Michielsgestel 1876) 705. Schutjes geeft meerdere mogelijkheden, aangehaald in Berend Dijksterhuis, Bijdragen tot de geschiedenis der heerlijkheid Tilburg en Goirle (Tilburg 1899) 5-6. Waarschijnlijk berust de toewijzing van dit idee aan Weijnen op een vergissing.
(4) Met dank aan Jan Franken, die mij een kopie van dit krantenartikel bezorgde en inzage gaf in een brief die prof. Weijnen op 25 februari 2002 aan hem schreef.
(5) In de historische taalkunde heet dit verschijnsel ‘t-paragoge’.
(6) Zie bijvoorbeeld Ferdinand Holthausen, Altsächsisches Wörterbuch (Münster / Köln 1954) 11, s.v. burg ‘Burg, Stadt, Ort’; J. Verdam, Middelnederlands handwoordenboek (’s-Gravenhage 1949) 110, s.v. borch ‘vlek, stad; burcht’. Zie ook J.R.O. Trommelen & M.P.E. Trommelen, Tilburgse toponiemen in de 16de eeuw (Tilburg 1994) 16, waar de verschillende betekenissen helder op een rij staan, maar waar wordt uitgegaan van het (middeleeuws) Latijn.
(7) R.E. Künzel, D.P. Blok & J.M. Verhoeff, Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200 (Amsterdam 1988) 348, s.v. Tilburg, met verwijzing voor (Oudnederlands) tilli naar R. Schmidt-Weigand, ‘Der Bauer in der Lex Salica’ in: R. Wenskus, H. Jankuhn & K. Grinda (eds), Wort und Begriff ‘Bauer’. Abh. d. Akad. d. Wissenschaften in Göttingen, Philologisch-historische Klasse, Dritte Folge 89 (Göttingen 1975) 150. Zo ook Gerald van Berkel & Kees Samplonius, Nederlandse plaatsnamen (Utrecht 1995) 230; en Trommelen & Trommelen (als in noot 5) 16-17 (met verwijzing naar een eerdere en minder goede editie van het boek van Van Berkel & Samplonius). De asterisk (*) voor een taalkundige vorm geeft aan dat het om een reconstructie gaat en dus niet om een woord dat in deze vorm in een historische bron voorkomt. Een fictieve vorm (en dat is iets anders dan een reconstructie!) krijgt een dubbele asterisk (**).
(8) In het Klassiek Latijn waren alle (oude) ongeaccentueerde klinkers in open lettergrepen veranderd in i. Cf. Ferdinand Sommer, Handbuch der Lateinischen Laut- und Formenlehre (Heidelberg 1914) 97, 104-106; L.R. Palmer, The Latin Language (London 1961) 219. Het is natuurlijk de vraag in welke mate de opsteller van de oorkonde in 709 het klassiek Latijn beheerste.
(9) Met Oudnederlandse naamvalsuitgang (dat.pl.) zal de naam *Tilleburgon hebben geluid. Samenstellingen met -i- als bindvocaal komen echter ook voor, bijvoorbeeld heriberga ‘herberg’ en reidiwagon ‘wagen’; cf. A. Quak & J.M. van der Horst, ‘Oudnederlands (tot circa 1200)’ in: M.C. van den Toorn e.a. (ed.), Geschiedenis van de Nederlandse taal (Amsterdam 1997) 37-68, voorbeelden op p. 68.
(10) Tilburgers noemen hun stad, zeker wanneer zij dialect spreken, in feite nog steeds ‘teel-burg’ (met dialectische kleuring van de -e(e)- voor -l). Hierbij is echter toeval in het spel, want in de dialecten van de zuidelijke Meierij, en ook in het Tilburgs, klinkt het werkwoord telen als ‘teule’. Hiervan afgeleid zijn weer de (familie)namen (Van) Tulder en Van Tulden.
(11) Deze gang van zaken is op zichzelf niet vreemd. Ook al in de Romeinse tijd werden vreemde namen zo ‘aangepast’, en op vergelijkbare wijze hebben we in het Nederlands van London ook Londen gemaakt, en Parijs van Paris.
(12) Franken (als in noot 1) 143.
(13) Voor de context en verwijzingen zie mijn bespreking van deze gebeurtenissen in het boek Tilburg (als in noot 1) 64.
(14) Voor de archeologie: Nico Arts, ‘Archeologische aspecten van het verleden’ in Tilburg (als in noot 1) 41; W.J.H. Verwers, North Brabant in Roman and Early Medieval Times: Habitation History (Amersfoort 1998; overdruk uit Berichten van de ROB 43) 82, 88, 131; M.E. Ter Schegget, Het archeologisch onderzoek van het tracé van de Noordoosttangent (Tilburg) 1994 en 1995 (ITHO Archeologische Reeks 8.2) (Tilburg 1995) 64-88. Voor de parochie: Ad van den Oord & Wil van Oosterhout, Berkel-Enschot-Heukelom, drie zielen en één bestuurlijk hart (Berkel-Enschot 1996) 20-21; W.A.M. Deliën, ‘Die kercke van Sinte Michiels tot Enschot. Bijdrage tot de geschiedenis van het dorp Enschot in het gebied der “Tilburgen”’, De Lindeboom 9-10 (1985/’86) 10-58.
(15) Franken (als in noot 1) 142. Deze zelfde suggestie ook al bij W.A. Fasel (& P.J.M. Wuisman), Geschiedenis van Udenhout (Udenhout 1974) 1, waar Fasel deze etymologie echter ook meteen verwerpt. Een iets kortere versie van deze paragraaf over de etymologie van Udenhout verscheen eerder in De Kleine Meijerij 53, nr. 2 (2002), 48-50.
(16) Het betreft hier de oorkonde waarin Willem van Horne wordt beleend met Loon op Zand en daarbij een tiende van Tilburg en het gebruik van gronden in Udenhout krijgt. In de variant-tekst die het ONB van deze oorkonde (nr 317) geeft, vinden we in beide gevallen de spelling Endenhout, die op een copieerfout zal berusten. Het sinds de publicatie van het ONB teruggevonden origineel in het heerlijkheidsarchief van Loon op Zand (RHCT) geeft duidelijk leesbaar Eudenhout.
(17) In ONB nr. 29 (‘de Ansfried-schenking aan Hohorst’ uit 1050; een falsum) is sprake van een Uothenholt, met als varianten Votherholt en Ooterholt. De frase waarin deze naam voorkomt, is gekopieerd naar ONB nr. 27 (1006, eveneens een falsum), waar deze naam voorkomt als Fugthhovte (met enkele weinig significante varianten). De naam komt voor in samenhang met Vught en Ruimel en zal waarschijnlijk moeten worden gelezen als ‘Vught(er)hout’, een niet meer bestaand toponiem. De suggestie van Bas Aarts dat we Uothenholt zouden mogen lezen als Udenhout lijkt mij daarmee zowel op filologisch/taalkundige gronden als vanuit historisch/diplomatische overwegingen niet waarschijnlijk; vgl. Bas Aarts, ‘Het “Ansfried-probleem” in Hilvarenbeek en elders’, in: Hilvarenbeek duizend jaar. Bijdragen tot een symposium over de geschiedenis der Brabantse dorpen (Hilvarenbeek [1988]) 9; en Idem, ‘Ansfried, graaf en bisschop. Een stand van zaken’ in Jan Coolen & Jac. Forschelen (red.), “Opera Omnia” II. Een verzameling geschied- en heemkundige opstellen (Thorn 1994) 12.
(18) A. van Loey, Middelnederlandse spraakkunst. II: Klankleer (Groningen 1976) 49.
(19) C. van Bree, Leerboek voor de historische grammatica van het Nederlands (Groningen 1977) 178-180.
(20) De oorzaak van deze verschillende ontwikkelingen is dat er twee klankveranderingen in het spel zijn die niet overal in dezelfde volgorde optraden. De ene heet ‘raising’, wat betekent dat het articulatiepunt van de klinker hoger in de mond komt te liggen. Als gevolg hiervan wordt de lange o tot oe. De andere verandering heet ‘i-umlaut’ en houdt in dat de klinker verandert onder invloed van een (later verdwenen) i in de volgende lettergreep. Het resultaat van oudwestgermaanse lange o van eerst i-umlaut en vervolgens raising is eu (in feite bleef raising in dit geval zonder gevolg). In gebieden – zoals bij ons – waar eerst raising plaatsvond, en pas daarna i-umlaut, is u(u) het resultaat. Wellicht arriveerden raising en i-umlaut in onze omgeving vrijwel gelijktijdig, waardoor enige tijd twijfel kon bestaan over welke vorm ‘correct’ was. In deze kwestie kan echter ook de (onbekende) herkomst van de schrijvers – en daarmee hun eigen dialect – van de betreffende oorkonden een rol hebben gespeeld.
(21) Mechelien Spierings, ‘De rol van de abdij van Tongerlo bij het ontstaan van het dorp Udenhout’, De Kleine Meijerij 40 (1989) 51-56, noot 1 (ook te raadplegen op de website van het Adriaen Snoerman Fonds: www.snoerman.org). Het blijft hier bij het suggereren van een verband van uden- ‘met het Duitse öde, uitspraak “eude”, dat “woest” en “leeg” betekent’ zonder enige nadere toelichting.
(22) In het Duits is (al in het Oudhoogduits) hiervan ook een zelfstandig naamwoord afgeleid: Modern Duits (die) Öde ‘ongecultiveerde grond, woestenij, verlaten gebied; verlatenheid; saaiheid’.
(23) A.A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (Assen 1996) 143, s.v. oorlek, olijk noteert hierbij voor Zuid-Nederland en de Achterhoek de dialectische betekenissen ‘ziek, niet goed in zijn soort’.
(24) Onduidelijk is of deze etymologie ook van toepassing kan zijn op Uden; de mogelijkheid is geopperd in J. de Vries, Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (Utrecht/Antwerpen 1962) 170 s.v. Uden. Van deze plaatsnaam zijn geen andere oude vormen bekend dan met u-.
(25) ONB nr 167.
(26) Fasel (als in noot 14) 1-2.

* Lauran Toorians (1958) is historicus en taalkundige. Hij publiceerde eerder in 'Tilburg'.