Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
605. Het Tilburgs
 

Titel:   

Het Tilburgs

Ondertitel:    

Dialect van een stad en van een streek

Auteur:   

Jos Swanenberg*  

Jaargang:   

XXIII (2005) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina´s:   

7-10


In deze bijdrage wil ik graag ingaan op het Tilburgs, zowel als stadsdialect als dialect van een streek, want in die laatste betekenis wordt het door dialectologen ook wel gebruikt. Maar eerst zou men zich moeten afvragen wat een dialect is. Volgens het woordenboek Van Dale is dat een taal van een plaats of een streek die verschilt van het Nederlands. Maar daarmee is veel te weinig gezegd, omdat men dan een dialect bekijkt met een Nederlandse bril op, dus vanuit het Nederlands.

 

Dialecten moeten niet beschouwd worden als relicten van een ver verleden, als onvolkomen taalproducten met wellicht bijzondere folkloristische kwaliteiten. Dialecten moeten worden gezien als echte talen, cognitief volwaardige communicatiesystemen, met culturele wortels diep in het verleden en met een sterke, emotionele band naar de lokale herkenbaarheid en de moderne identiteit. En zo'n cognitief volwaardig communiecatiesysteem vormt het onderwerp van deze bijdrage: het Tilburgs.

 

De plaatsing van het Tilburgs in het Noord-Brabantse dialectlandschap

Dat de dialecten van Noord-Brabant onderling verschillen, is algemeen bekend. Zij verschillen niet allemaal evenveel van elkaar. Sommige dialecten lijken veel op hun buurdialecten en andere doen dat weer niet. Het dialect van Goirle lijkt veel op dat van Hilvarenbeek, maar dat van Alphen lijkt veel minder op die twee dialecten. Om die onderlinge verschillen en verwantschappen te structureren, is er een indeling van de Noord-Brabantse dialecten gemaakt.

In de indeling van de Noord-Brabantse dialecten ligt Tilburg midden in een gebied dat zelf ook weer het Tilburgse dialectgebied heet en dat een brede strook vormt tussen het West-Brabantse en het Oost-Brabantse dialectgebied. Het Tilburgs ligt grofweg tussen de rivier de Donge in het westen en de heidevelden van de Kempen in het oosten en tussen de staatsgrens in het zuiden en de Loonse en Drunense duinen in het noorden. De stad Tilburg ligt dus midden in dat Tilburgse dialectgebied en je zou daarom kunnen zeggen dat het stadsdialect van Tilburg een centrale positie inneemt in het dialectlandschap van Noord-Brabant. Er is dus sprake van Tilburgs in ruime zin, een Midden-Brabants dialectgebied, en Tilburgs in enge zin, het dialect van de stad Tilburg. Tilburgs in ruime zin vormt nu eerst het onderwerp van deze paragraaf en het dialect van de stad Tilburg zal onderwerp zijn van de volgende paragrafen.

 

De indeling van de Noord-Brabantse dialecten is voornamelijk gebaseerd op het werk van professor Antoon Weijnen uit de jaren 1930 en ‘40. De grenzen tussen verschillende dialectgebieden zijn gebaseerd op taalbewustzijn (daarbij werd aan mensen gevraagd op welk dialect zij het hunne vonden lijken) en op taalverschijnselen, waarvan hieronder een aantal voorbeelden zal volgen.

Die taalgrenzen lopen vaak parallel met andere grenzen, bijvoorbeeld aardrijkskundige, staatkundige, volkskundige, economische en kerkelijke grenzen en taalgrenzen vinden daarin ook hun oorsprong. De oorzaak van de ligging van die taalgrenzen ligt dus buiten de taalkunde. De belangrijkste parallel van een Tilburgse dialectologische eenheid is volgens Weijnen die met een economische eenheid: de functie van de stad Tilburg als marktplaats. De dorpen van waaruit men van oudsher in Tilburg naar de markt ging, hebben een dialect dat tot de groep van Tilburgse dialecten behoort. De grens van het Tilburgse dialectgebied is dus behalve een dialectologische ook een economische. Bovendien komt het Tilburgse dialectgebied overeen met het gebied dat het kwartier Oisterwijk vormde in het oude hertogdom Brabant; dus de grens is op de derde plaats ook een oude staatkundige grens. Of er evenwel een oorzakelijk verband gelegd mag worden tussen deze oude politieke grens en de dialectgrens, is nog niet bewezen.

 

‘Auwbètte’ onder de lindeboom op de Heuvel, 1954. (Coll. RA Tilburg).

Wat hebben die Tilburgse dialecten gemeenschappelijk? In verhouding tot de aangrenzende West-Brabantse dialecten, het gebied ten westen van de Donge, hebben de Tilburgse dialecten:

 - wel de h-; in West-Brabantse dialecten spreekt men de h- niet uit (vandaar dat West-Brabanders wel eens geplaagd worden met de spotzin Geef het ondje wat ooj in z’n okske).
 
- wel de umlaut in woorden zoals gruun, vuule, gelêûve en heure; umlaut wil zeggen dat de klinker van een woord anders wordt uitgeproken , i.c. verder naar voren in de mond (dus -aa- wordt -ee-, oe- wordt -uu- en -oo- wordt -eu-). Sporadisch komt in het Tilburgs ook de meervoudsvorm zonder uitgang en met umlaut voor, bijv. twee beum.
 
- wel de verkortingen in bijv. knèèn - knèntje (konijn), ik spèùt vs. gij spöt, grôot vs. grotter, spoor vs. sporbaon.

Een en ander betekent dat de Tilburgse dialecten behoorlijk veel taalverschijnselen gemeen hebben met de Oost-Brabantse ofwel de Meierijse dialecten. Die hebben namelijk ook wel de -h-, wel de umlaut en wel de verkorting. Maar in verhouding tot die aangrenzende Oost-Brabantse dialecten, het gebied dat begint bij Boxtel, de Beerzen en Reusel, missen de Tilburgse dialecten de umlaut in werkwoorden, om precies te zijn de persoonsvorm in de derde persoon enkelvoud. Dat wil zeggen dat men niet hij velt en hij gu zegt in het Tilburgs, maar men zegt er hij valt en hij gao. De meervoudsvormen zonder uitgang en met umlaut, ‘twee beum’, zijn in het Tilburgs vrij zeldzaam (volgens Boutkam archaïsch) en in het oosten veel gebruikelijker. Hoe verder naar het oosten, hoe meer umlaut, zo luidt de regel.

Op deze manier vormt het Tilburgse dialectgebied een overgangszone tussen Oost- en West-Brabant, waarbij enkele Oost-Brabantse dialectkenmerken verder naar het westen steeds meer afnemen. Een klein voorbeeldje nog:

‘Vader’ wordt uitgesproken in de stad Tilburg, in Udenhout en Moergestel als vadder of vódder, en in Riel als vaoder, dus in Riel is er geen verkorting.
‘Droog’ klinkt in Tilburg, Udenhout en Moergestel als drêûg, maar in Riel als dróóg, dus er is geen umlaut in Riel. Riel heeft dus al veel minder Midden-Brabantse kenmerken dan de andere drie plaatsen.

Naast al deze klankverschijnselen heeft Weijnen maar een woord gevonden dat uitsluitend Tilburgs is: de oude agrarische term kap of kabbe voor big, maar dat woord zal inmiddels wel niet meer in gebruik zijn, zeker niet in het stads-Tilburgs, want het is een agrarische term. De Tilburgse dialectwoordenboeken hebben het woord niet opgenomen.

 

Typisch Tilburgse dialectkenmerken

In deze paragraaf zal worden bekeken wat nu precies typisch is aan het dialect van de stad Tilburg. In het vervolg gaat het niet meer over het Midden-Brabantse gebied maar over het stadsdialect van Tilburg als het gaat over het Tilburgs. Woorden en klanken die uitsluitend in de stad Tilburg gehoord kunnen worden en nergens anders, zullen er wel geen zijn. Maar er zijn genoeg voorbeelden te geven van typische dialectkenmerken, want de gehele woordenschat en het complete klankenpalet van een dialect zijn wel uniek. Daarbij heb je het eigenlijk over een min of meer abstracte verzameling. Het stadsdialect van Tilburg is immers niet één bepaald dialect dat door de Tilburgers wordt gebezigd. Nee, per wijk, per straat, per leeftijdsgroep en per sociale klasse verschilt dat dialect weer en het stadsdialect van Tilburg bevat eigenlijk weer een aantal verschillende varianten. Sterenborg (1984) noemt bijvoorbeeld het Broekhovens en het Hasselts en ook Körvel, Oel, Gurke, en de Haajkaant hebben een afwijkend dialect.

Een voorbeeld van een typische dialectkenmerk is de rekking en nasalering van een korte -a- voor het medeklinkerpaar -ns-. Dat wordt ervaren als echt Tilburgs. Rekking en nasalering dat wil zeggen dat de -a- lang en een beetje door de neus, op zijn Frans wordt uitgesproken. Om die reden wordt het Tilburgs wel eens gekarakteriseerd met de plaagvraag Gaode mee daanse bij Fraans Jaanse? (Ga je mee dansen bij Frans Jansen?) Rekking van de -a- komt voor verschillende medeklinkergroepen in verschillende dialectgebieden in Brabant voor, maar enkel dit Tilburgse geval is er ‘beroemd’ mee geworden in de vorm van zo’n plaagvraag. Daarmee is gezegd dat het dialectkenmerk taalkundig beschouwd niet exclusief Tilburgs is, maar dat het in het bewustzijn van dialectsprekers wel als typisch Tilburgs wordt beschouwd, niet alleen door Tilburgers maar juist ook door mensen van buiten Tilburg.

In 1991 werd er door de Stichting Nederlandse Dialecten een enquête afgenomen, waarbij mensen gevraagd werd een top tien van de mooiste, meest eigen of typische dialectwoorden samen te stellen (Crompvoets en Dams 1991). De Tilburgers die op deze oproep reageerden, noemden onder meer de volgende woorden. Op de eerste plaats is er verkèt, dat ‘vork’ betekent en gebaseerd is op het Noord-Franse dialectwoord fourquet. Verder gaf men op sebiet, dat betekent ‘dadelijk, meteen’ en komt van het Franse subit. En meepesaant, dat betekent ‘in het voorbijgaan’ en een mengvorm of contaminatie is uit het Brabantse mee en het Franse en passant. Die Franse verbinding wordt ook zonder contaminatie ontleend in Brabantse dialecten en dan klinkt het als impesaant. Drie ontleningen aan het Frans noemde men dus! Ten slotte leverde de enquête voor Tilburg stikkebezie op, letterlijk “stekebes”, het woord voor de kruisbes, maar ik verkeerde in de veronderstelling dat knoezel het Tilburgse woord voor kruisbes was. Dat kan een vergissing zijn, maar misschien is er wel meer dan één woord voor de kruisbes in gebruik of in gebruik geweest in de verschillende varianten van het Tilburgse dialect.

Uit een andere bron, Onder ons gezegd ... in Brabant (Swanenberg 1993) komt een veel meer persoonlijke Tilburgse top tien, waarin onder meer blauwe voor iemand met rood haar voorkomt, en enen bos hout vur de deur, gezegd om aan te geven dat een vrouw grote borsten heeft. Voorts worden enkele zinnetjes genoemd: kèkt es òf ie kèkt, èn assie kèkt, nie kèèke of bèttie akkem aaj? gevraagd aan iemand die zijn hond uitlaat (bijt hij als ik hem aai?). Dat zijn zinnen waarmee men wil laten zien dat men dialect spreekt, waarmee men zijn identiteit wil benadrukken. Vaak gaat het daarbij om samentrekkingen, die door hun ondoorzichtigheid op een soort gezamenlijke geheimtaal gaan lijken. In het oeuvre van de Tilburger Cees Robben, die jarenlang de Prent van de Week met bijschrift in het dialect tekende, spelen dergelijke zinnen een grote rol. Over Cees Robben gesproken: ik heb liever degge den haaikese toren omstôôt as degge menne borrel leegkwaanselt...taotolf. Borrels kom je ook veel tegen in het oeuvre van Robben en met kwaansele ‘het knoeien met vloeistoffen’ is weer een echt Tilburgs woord genoemd, mét de rekking van -a- voor -ns. Taotolf, ‘sufferd’ is een woord dat vroeger in het Nederlands voorkwam maar is uitgestorven. Het leeft nog voort in het Tilburgs.

 Ook in deze toptien komt meepesaant weer voor. Dat woord speelde een rol in de Tilburgse revue “Hemel en Aarde” uit 1988. Er werd een quiz opgevoerd en de quizmaster vroeg de kandidaten een woord te maken met de letters MPSNT. De wedstrijd ging tussen een stel uit de Blaak en een stel uit Broekhoven en Broekhoven antwoordde: meepesaant. Het publiek juichte, maar helaas... het antwoord was onjuist; het had ‘imposant’ moeten zijn. Nog steeds uit dezelfde bron met de persoonlijke top tien: “Echt gebeurd. Een opleiding voor kantoorpersoneel. Les: Nederlands. Lesplan: moeilijke woorden. Vraag: maak een zin met “aureool”. Meisje steekt haar hand op, en antwoordt: Ze hèbbe hil onze straot oopegebrooke om ‘t aaw rieool te vervange.” (Swanenberg 1993: 252). Zoiets kun je niet typisch Tilburgs meer noemen, zo’n grap kun je in ieder Brabants dialect maken.

 


Personeel van de schoenfabriek van Nard de Beer in de Goirkestraat,
omstreeks 1905. De anonieme Tilburgse arbeider op de tweede rij van onderen,
vierde van links, stond model voor het bekende beeldje van de Kruikezeiker
van Henk Smulders uit 1967. (Coll. RA Tilburg).


De volksaard van de Tilburger, inwoner van een grote stad, maar een stad met een dorpskarakter met relatief weinig bestuurders en notabelen, maar veel arbeiders, die volksaard komt tot uitdrukking in het dialect. Tegen iemand die het hoog in de bol heeft, zegt de Tilburger stront, wie heetoe gescheete. Tegen iemand die rijk geworden is, zegt men Den duuvel schèt ok aaltij op êenen hôop. Stads meej haajkaants praote is Standaardnederlands willen praten als je het eigenlijk niet beheerst. Iemand die overdreven vroom is, is zo fèèn as gemaole poppestront. Tegen iemand die zeer goed gekleed is, zegt men Tere ere van wèlken hèllege ziede gij der zo pontiefiekaol èùt?. Pontiefiekaol, dat betekent van origine ‘bisschoppelijk’, dus dan zie je er heel deftig uit.

Een laatste typisch Tilburgs woord om deze paragraaf passend af te sluiten: olf, bijvoorbeeld in ik heb zelf mar olf gemakt, dat betekent ‘gereed of niet, ik ben er mee gestopt’, en in ik heb olf, dat betekent ‘ik heb mijn taak volbracht’. Het woord is waarschijnlijk een verkorting van oorlof, dat betekent verlof, vergunning, in het bijzonder verlof om heen te gaan.

 
Dialect van een stad

Tilburgs als dialect uit de stad verschilt van de dialecten van de omliggende dorpen. Stadsdialecten nemen een bijzondere positie in. Lang werden de stadsdialecten niet serieus genomen. Men sprak natuurlijk in de steden ook altijd al dialect, maar pas in de 19e eeuw gaan stadsdialecten afwijken van het hun omringende platteland. Op de eerste plaats ontstonden stadsdialecten doordat burgers van een stad meer volgens de normen van het Standaardnederlands gingen spreken om zich af te zetten tegen de plattelandsdialecten. Zo werd een stadsdialect dus minder authentiek dan het plattelandsdialect. Op de tweede plaats groeiden vervolgens de steden in de tweede helft van de 19e eeuw sterk en nam de gelaagdheid van sociale klassen toe. Het stadsdialect van lagere sociale klassen werd juist minder volgens de normen van het Standaardnederlands gesproken. Het stadsplat neemt dan wraak op het burgermansfatsoen, zoals de Nijmeegse hoogleraar Toon Hagen het verwoordde in de inleiding bij Honderd jaar stadstaal (Kruijsen en Van der Sijs 1999). De grotere sociale gelaagdheid van een stad maakt stadsdialecten dus anders dan plattelandsdialecten. Dat wil niet zeggen dat notabelen geen dialect hebben gesproken, maar in de meeste steden is het echte stadsdialect het dialect van de lagere klassen. Stadsdialecten zijn dus eigenlijk ontstaan als sociolecten, dat zijn talen van een bepaalde klasse. Tilburg is natuurlijk een bijzonder geval, want het is een relatief nieuwe stad; het is geen oud bestuurlijk centrum, het heeft geen oude belangen op het gebied van politiek en rechtspraak, maar het is een arbeidersstad, gegroeid en belangrijk geworden door de industrie. De sociale gelaagdheid is hier dan ook anders, want in tegenstelling tot bestuurders in andere steden spraken de Tilburgse fabrikanten vaak hetzelfde dialect als de arbeiders.

De laatste jaren is de belangstelling voor stadsdialecten enorm toegenomen. Nu de plattelandsdialecten snel vervlakken, zijn stadsdialecten niet alleen onder taalkundigen maar ook bij het grote publiek populair geworden, zoals in cabaret en in strips. Maar stadsdialecten zijn vaak minder goed gedocumenteerd dan plattelandsdialecten, omdat ze minder oud zijn dan die dialecten van het platteland. De taalkundige interesse lag van oudsher meer bij die, voor het grootste deel, agrarische woordenschat, omdat men alsmaar zocht naar het meest authentieke dialect, de best bewaarde oude taallaag. Stadsdialecten werden eerder als sociolecten beschouwd, volkstaal van de lagere klasse, minderwaardig en fout. Dat is zoals gezegd de laatste jaren veranderd.

 Is dat in Noord-Brabant ook zo, dat stadsdialecten minder goed gedocumenteerd zijn? Ja, dat geldt zeker voor Eindhoven, Oss, Waalwijk en Roosendaal. Daar is bijna niets. Dialectbeschrijvingen voor Helmond en Bergen op Zoom zijn op zijn minst summier te noemen. Breda heeft een heel oud woordenboek uit 1836 en sindsdien staat de tijd er een beetje stil. ‘s-Hertogenbosch heeft een Bosch woordenboek en sinds vorig jaar een grammatica, dus daar is het iets beter mee gesteld.

Maar Tilburg is de uitzondering. Het is een stadsdialect waar al uitvoerig over is gepubliceerd. De klankleer en de vormleer zijn zeer precies, maar wel technisch en moeilijk toegankelijk, beschreven in Het stadsdialect van Tilburg (Boutkan en Kossmann 1996). Onlangs promoveerde Francine Swets aan de Universiteit van Amsterdam op een proefschrift met de titel The Phonological Word in Tilburg Dutch, “het woord in het dialect van Tilburg, bekeken door een fonologische bril, dat wil zeggen, kijkend naar de klanken”. Het theoretische boek behandelt onder meer de verkorting in het Tilburgs: stêen - stintje (dus een lange -ee- wordt verkort tot -i- als er iets aan het woord wordt geplakt), spoor - sporbaon, klèèn - klènder.

 Naast de klankleer en de vormleer is ook in de beschrijving van de Tilburgse woordenschat ruimschoots voorzien. Na Tilburgs dialect uit het midden van de jaren ‘80, het Grôot Woordeboek van de Tilburgse Taol (Perbeersels van Tilburgs vur tonpraoters en aandere saawelèèrs) van wijlen Frans Verbunt dat in 1996 in zijn zevende, maar nog niet uiteindelijke versie verscheen en Mèn Tilbörgs Wôordeboek van Van Rijen uit 1993 dat in 2002 in een tweede druk verscheen, aanschouwde in 2004 Goedgetòld het levenslicht. Deze Diksjenèèr van de Tilburgse taol is, al komt dat in de titel niet terug, veel meer dan een beschrijving van de woordenschat. Het boek levert door middel van aanvullende volkskundige informatie en uniek beeldmateriaal (oude foto's) een belangrijke bijdrage aan de beschrijving van de Tilburgse volkscultuur, zodat het niet mist, wat veel andere dialectwoordenboeken wel moeten ontberen: de cultuurhistorische context. Taal en cultuur, dialect en volkscultuur zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Met deze bijdrage hoop ik daarenboven een taalcontext van het dialect van de stad Tilburg geschetst te hebben, zowel in ruimtelijke zin (de positie van Tilburg in het Noord-Brabantse dialectlandschap) als in structurele zin (typisch Tilburgse kenmerken en hun grondslag).


Noot
Voor Tilburgse woorden is in principe de Tilburgse spelling gehanteerd van het woordenboek Goedgetòld.

Literatuur

- Boutkan, D. en M. Kossmann (1996) Het stadsdialekt van Tilburg. Klank- en vormleer. Amsterdam.
- Crompvoets, H. en A. Dams (red.) (1991) Kroesels op de bozzem. Het dialectenboek. Waalre.
- Klaassen, E., J. Smits, H. van Rijen, F. van Iersel en W. Sterenborg (1985) Tilburgs dialect. Tilburg.
- Kruijsen, J. en N. van der Sijs (red.) (1999) Honderd jaar stadstaal. Amsterdam / Antwerpen.
- Rijen, H. van (2002) Mèn Tilbörgs Wóórdeboek. Hoe-t ók kan! Tilburg.
- Spapens, P., G, Steijns, W. Sterenborg en F. Verbunt (2004) Goedgetòld. Diksjenèèr van de Tilbörgse taol. Zaltbommel.
- Sterenborg, W. (1984) “Erkende spelling voor Tilburgs dialect”, in Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur 2, blz. 10-11.
- Swanenberg, C. (red.) (1993) Onder ons gezegd...in Brabant. Delft.
- Swets, F. (2004) The Phonological Word in Tilburg Dutch. Utrecht.
- Verbunt, F. (1996) Tilburgs vur tonpraoters en aandere saaweleers. Grôot Woordeboek van de Tilburgse Taol. Tilburg.
- Weijnen, A. A. (1937) Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant. Fijnaart.
- Weijnen, A. A. (1947) “De onderscheiding van dialectgroepen in Noord-Brabant en Limburg”, in Akademiedagen I. Voordrachten gehouden te ‘s-Hertogenbosch op 11 en 12 Apr. 1947. Amsterdam, blz. 69-99.


* Jos Swanenberg (1968) uit ‘s-Hertogenbosch is dialectoloog en redacteur van het Woordenboek van de Brabantse Dialecten, een koepelproject van de KU Nijmegen en de KU Leuven. In 2000 promoveerde hij op een proefschrift over vogelnamen in Zuid-Nederlandse dialecten. Met zijn vader Cor schreef hij ‘Oost-Brabants’, deel 7 van de serie ‘Taal in stad en land’ (2002).