Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
87. Hèdde semènketije et Tilburgs woordebuukske op zak?
 

Titel:   

Hèdde semènketije et Tilburgs woordebuukske op zak?

Ondertitel:    

Niet alleen geografie bepalend voor dialect 

Auteur:   

Bernard van Dijk*

Jaargang:   

XI (1993) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

2

Pagina´s:   

40-46


Jarenlang hebben Tilburgse dialectsprekers me uitgelachen als ik beweerde dat soms in het Tilburgs semènketije is, of beter: was. Nu staat tot mijn vreugde dat woord - zij het in een iets andere spelling, waarover later meer - in het onlangs bij Boekhandel Gianotten verschenen 'Mèn Tilbörgs Wôordeboek' van Henk van Rijen. 
Het is trouwens lekker druk aan het Middenbrabantse dialectenfront. Intussen alweer driekwart jaar geleden is 'Dè's Biks' uitgekomen, een verklarende dialectwoordenlijst van de hand van Jan Naaijkens. Zijn werk is uitgegeven door drukkerij De Hilverbode, uitgeefster van het gelijknamige Hilvarenbeekse weekblad. Dit bestond vorig jaar oktober vijfentwintig jaar, bij welke gelegenheid 'Dè's Biks' tot stand kwam.
'Tilburgs vur Tonpraoters' is het derde dialectboek dat de aandacht verdient. Het is geschreven door de journalist en wijnschrijver Frans Verbunt, zelf een begenadigd tonpraoter. 


Hij is nu ook uitgever, van zijn eigen dialectboek. Het is niet in de handel, maar Verbunt hoopt dat zo veel mogelijk Tilburgers het bij hem zullen aanvragen. Want zijn werk is nog voortdurend in staat van wording. Verbunt liet in het voorjaar een voorlopige lijst het licht zien; hij vroeg om opmerkingen en aanvullingen. En die zijn er massaal gekomen, zodat hij vrij snel daarna met een uitgebreide lijst op de proppen kwam. Verbunt werkt nog voortdurend aan zijn 'Tilburgs vur Tonpraoters' en wacht nog steeds aanvullingen in. 

De drie dialectboeken zijn zeer verschillend van karakter. Frans Verbunt heeft de bedoeling zo veel mogelijk Tilburgs voor tonpraoters vast te leggen, omdat een fatsoenlijke tonpraot in Tilburg nu eenmaal in het Tilburgs hoort afgestoken te worden. Dit wil niet zeggen dat zijn voorbeeldzinnen speciaal humoristisch zijn. 
'Dè's Biks' is meer een encyclopedie, die veel vertelt over typisch Beekse dingen, folklore en lokale toestanden. Een wouwer bijvoorbeeld (die bij Henk van Rijen een waawer is) geeft Jan Naaijkens de gelegenheid een interessant historisch verhaaltje te vertellen over twee wouwers of waterlopen die ooit door Hilvarenbeek hebben gestroomd. Van een van die wouwers is nog een rest te zien, toevallig achter het pand van zijn buurman. 
Het laatste typeert het 'mens-nabije' in Naaijkens' boek, dat intussen al niet anders dan langs antiquarische weg te verkrijgen is. 




'Dè's Biks' biedt meer leeswerk dan Van Rijens 'Mèn Tilbörgs Wôordeboek'. Het laatste werk scoort vooral met de alfabetische lijst van circa vierduizend woorden. Het heeft de vorm van een klassieke dictionaire: woord - verklaring - voorbeeldzin. Schrijver en uitgever hebben kennelijk moeite gedaan iets van allure te creëren, het Tilburgse dialect waardig. Daar zijn ze in geslaagd. De uitgever scoort met een fraai vormgegeven boek, prachtig papier, stevig bindwerk en een degelijke linnen kaft. En dat alles voor f 39,50. 


De inspanningen van Van Rijen en zijn uitgever hebben niet zonder meer het standaardwerk over het Tilburgse dialect opgeleverd; daarvoor is het te beperkt gebleven. Woorden die in het Nederlands en in het Tilburgs of Hilvarenbeeks alleen in klank verschillen, laten Van Rijen en Naaijkens bij voorkeur weg. Met dit uitgangspunt voorkomen ze behalve tientallen jaren noeste arbeid, dat er woordenboeken ontstaan van het kaliber driedelige Van Dale, voor een relatief geringe groep dialectsprekers wegens de kosten een onmogelijke zaak. Maar hun uitgangspunt is uit het oogpunt van woordenboekenmakerij nogal absurd. Stel je voor dat iemand die een Duits woordenboek maakt, Stuhl en Sturm en sich waschen weglaat, omdat die alleen in klank een beetje van stoel en storm en zich wassen verschillen. Zulk een woordenboek zou alleen maar een curiosum zijn, en meer zijn de hier besproken dialectwoordenboeken eigenlijk ook niet. 

Het Tilburgs zal wel nooit min of meer compleet op papier komen. Maar nu steeds meer mensen - gezien het gemak waarmee dialectwoordenboeken aan de man plegen te worden gebracht - zich voor dialecten interesseren, zou het niet gek zijn als er tussen hen die zich tot woordenboekenmakerij geroepen voelen een vorm van samenwerking ontstond. Die leidt misschien wél tot een standaardwerk. Laat die geroepenen het dan in 's hemelsnaam vooraf eens worden over een spelling van het Middenbrabants; die bestaat er een, maar het schijnt moeilijk te zijn zich eraan te houden. 


Semènketije = sewèèle

Semènketije leerde ik een jaar of veertig geleden van een Tilburgse tuinder, die inmiddels allang overleden is. Hij zou nu meer dan honderd jaar oud zijn. De man gebruikte het woord in volle ernst; het behoorde gewoon tot zijn moedertaal. 
Tegenwoordig hoor je Tilburgse dialectsprekers voor soms weleens schertsenderwijs sewèèle zeggen. Sewèèle (in antiek Nederlands somwijlen) staat ook in Van Rijens woordenboek, wat niet per se betekent dat hedendaagse Tilburgers in hun dialect niet de voorkeur aan soms geven.


Chronologisch

Een en ander geeft aan dat een woordenboek van een dialect iets verraderlijks heeft; je denkt het dialect van een bepaalde streek te lezen, maar je vergeet - of liever: de woordenboekenmaker heeft vergeten - dat dialect niet alleen geografisch, maar ook chronologisch bepaald wordt. Het Tilburgs van nu is heel anders dan het Tilburgs van vijfentwintig jaar geleden; en het Tilburgs van vijfentwintig jaar geleden was heel anders dan het Tilburgs dat ik van die oude tuinder destijds te horen kreeg. 

Mensen die veertig jaar geleden hun broer of zus in de emigratiegolf van toen zagen verdwijnen naar Canada of Australië of Nieuw-Zeeland, verbazen zich over het Tilburgs dat die familieleden nu spreken als ze voor vakantie of wegens hun oudedag overkomen. Die broer of zus, zeker als ze indertijd met een spreker van het Tilburgse dialect de wijde zee overgetrokken zijn - en wie sprak hier veertig jaar geleden geen Tilburgs? - heeft de moedertaal bewaard, onaangeraakt door taalverandering in de geboortestreek. 



'Prent van de Week' door Cees Robben gepubliceerd in 
Het Nieuwsblad van het Zuiden (orig. coll.
RHC Tilburg).

Spreken die geëmigreerde oud-Tilburgers het dialect van Tilburg? Nee, ze spreken een dialect dat ooit Tilburgs was. Tilburg heeft nog steeds een dialect; dat van mij en dat van de oude buurten in de stad, waar geen aanleiding bestaan heeft de alledaagse omgangstaal door een andere taal, het standaard-Nederlands, te vervangen. 
Om terug te komen op het Tilburgse woordenboek van Henk van Rijen: in die volksbuurten zullen ze er wel van opkijken als ze lezen dat Tilburgers volgens Henk van Rijen geen hij en wij zeggen, maar en (met als varianten hèj of hèèj en wèj of wèèj). Zo geeft Van Rijen ook lèèje (lijden), rèèje (rijden) en lèèster (lijster). Alle Tilburgse dialectsprekers, oud en jong, die ik ernaar gevraagd heb, zeiden 'gewoon' hij, wij, lije, rije en lijster


Hypercorrectie

Er is een verschijnsel dat hypercorrectie heet; het komt in alle talen voor. Een Tilburger die 'netjes' wil spreken, dat is hoog-Hollands of standaard-Nederlands ten gehore brengen, kan hypercorrigerend scheer zeggen voor schaar (Tilburgs: schèèr), omdat hij in het Nederlands ook peer moet zeggen voor het Tilburgse pèèr. Of hij zegt de bloemen bloeden, omdat hij op de Nederlandse-taalles steeds te horen heeft gekregen dat hij mijn vinger bloedt moet zeggen voor het Tilburgse m'ne vinger bloejt. 
Omgekeerd kan iemand die Tilburgs spreekt, denken dat hij en wij, lijden en rijden in zijn dialect als , wè, lèèje en rèèje horen te klinken, naar het voorbeeld van krèège en kèèke en talloze andere woorden, die in het Nederlands ook die ij hebben. Om op semènketije terug te komen: Henk van Rijen spelt dat als semènketèèje, misschien wel omdat tijd in het Tilburgs tèèd is. Ook een geval van hypercorrectie, denk ik. 


Tilbörgs

Zo vrees ik ook dat Tilbörgs nooit gezegd is. Wel börger en börgemister. Wijlen mr. C. Becht, burgemeester van Tilburg, die ook wel van een grapje hield, placht over het college van B. en W. te zeggen: "Tilburg heeft vijf wethouders en één wethaawer". De laatste was Piet van Ierlant, die zich als wielrenner onder meer in de Tour de France wel de Franse taal had eigen gemaakt, maar het Nederlands links had laten liggen: hij sprak altijd Tilburgs. Als hij geconfronteerd werd met het grapje van Becht, riposteerde hij met: "Den börger wit et hil aoreg te zègge". 
Op een casettebandje heb ik een twintigtal jaren geleden een lezing van Piet van Ierland opgenomen, over Tilburg en de wielrennerij. Op dat bandje gebruikt Piet vele malen de woorden Tilburg en Tilburgs, niet één keer Tilbörg of Tilbörgs. 

Het is niet vreemd dat een woord als burg in het Nederlands een u heeft en in een dialect een o, die dan in bepaalde omstandigheden ö wordt, een geval van umlaut. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft op kolom 1902 van deel III 'burger - vroeger ook borger', voor bewoner van een versterkte plaats, later een stad. 
Talen zoals het Tilburgs, die dapper de umlaut toepassen (denk maar aan kop-köpke en bak-bäkske of bèkske), doen dat als de klinker van het grondwoord onder invloed komt van een volgende klinker. Bij Tilburg en Tilburgs, die ooit Tilborg en Tilborgs geklonken moeten hebben, is na de o in borg geen sprake van een volgende klinker en dus geen reden of oorzaak voor umlaut. Dat is wel het geval bij de afleidingen börger en börgemister. 

Hoewel het bovenstaande geen echt bewijs is, ben ik toch eigenwijs genoeg om te blijven stellen dat de vorm Tilbörgs nooit bestaan heeft, ook al omdat ik die vorm nooit gehoord heb. 


Dialectisme

Hypercorrectie kan als het over dialecten gaat ook wel 'dialectisme' genoemd worden. Zo hoor ik tegenwoordig Tilburgssprekers wel zeggen: "Gif diejen kèèr es en douwke" (geef die kar eens een duwtje) en: "Ik hèb enen tòffel gekòcht" (ik heb een tafel gekocht). Het klinkt wel flink Tilburgs: diejen kèèr, enen tòffel, maar kèèr en tòffel zijn vrouwelijk, dus móet het zijn: die kèèr en en tòffel. 
Dat lidwoorden en diverse voornaamwoorden die bij vrouwelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden horen of daarnaar verwijzen in het Tilburgs geen e als uitgang krijgen, komt overeen met het Nederlands. In het Tilburgs krijgen lidwoorden en voornaamwoorden, betrekking hebbend op mannelijke woorden in het enkelvoud wel een uitgangs-e, dikwijls -en: Onze Vadder, die in den heemel zèèt. Dialectisme plakt die -e of -en graag ook achter lidwoorden en voornaamwoorden bij vrouwelijke zelfstandige naamwoorden, omdat het dan allemaal nog echter Tilburgs klinkt.

Trouwens over het woord douwke is ook wel iets te zeggen. Duw staat in Van Rijens woordenboek als daaw; duwtje zou dan als daawke gespeld moeten worden; terwijl Van Rijen wel, nogal inconsequent, durdouwe spelt. De Tilburgse oud-leraar Nederlands W. Sterenborg heeft in 1984 een spelling voor het Tilburgs ontworpen. In de toelichting op die spelling onderscheidt hij de klanken aaw en ouw. Van Rijen gooit die twee klanken op één hoop en maakt overal aaw, een enkele keer aw, van. Zijn maaw, raaw en taaw klinken dialectischer dan mouw, rouw en touw. Ik denk dat ook hier dialectisme in het spel is; voorzover ik mijn diverse informanten en mezelf geloven mag, zeggen de Tilburgers wel aaw en gaaw, maar mouw, rouw en touw klinken net als in het Nederlands. Het klopt niet altijd: het Tilburgs zegt wel degelijk haawe (houden) en aawe (oude). Maar Van Rijens gaawe voor gouden en gawt voor goud zie ik niet zitten. 



'Prent van de Week' door Cees Robben gepubliceerd 
in Rooms Leven van 20 januari 1961 (orig. coll.
RHC Tilburg).

Dat het Nederlands au en ou kent, terwijl in die taal deze twee spellingen exact gelijk worden uitgesproken, heeft een historische oorzaak. In dialecten (ook het Tilburgs dus), waaruit het standaard-Nederlands is voortgekomen, klinken woorden met au gewoonlijk anders dan die met ou. Het Nederlands heeft voor het schrijven de twee spellingen gehandhaafd, maar in de uitspraak kent het geen verschil. Als het Tilburgs wel twee verschillende klanken: aaw en ou of ouw, laat horen, moet het die klanken ook verschillend spellen. 
Opmerkelijk in dit verband is dat Jan Naaijkens in zijn 'Dè's Biks' voor dauwtrappen de Bikse vorm douwtrappe geeft; de omgekeerde wereld dus. Het Beeks is zoals Jan Naaijkens opmerkt, als Middenbrabants in grote lijnen hetzelfde dialect als dat van Tilburg, Goirle, Moergestel, Riel, Diessen en Oisterwijk. "Tussen deze plaatsen bestaan slechts klankverschillen", schrijft Naaijkens. Dat dauw in het Beeks douw wordt, zal daar wel mee te maken hebben. Een ander opvallend verschil is de lange a-klank in veel Tilburgse woorden, die in het Nederlands - en volgens Jan Naaijkens en andere daarnaar gevraagde Hilvarenbekenaren ook in het Beeks - een korte a hebben: bekaant/bekant, daanse/danse, meepesaant/meepesant. Terwijl het Beeks weer wel aachter zegt voor achter.

Een probleem als het over dialect gaat, is dat binnen wat één dialect genoemd wordt, het Tilburgs bijvoorbeeld, toch in onderdelen verschillende dialecten schuilgaan. Het is niet uitgesloten dat in Zuid-Tilburg en Hilvarenbeek het Nederlandse au en ou steeds als ou worden uitgesproken, terwijl in Noord-Tilburg alleen de klank aaw te horen is. Zo schijnt ook in het ene deel van Tilburg een bezem bissem geheten te hebben en in het andere deel bèssem; in Zuid-Tilburg en Hilvarenbeek schijnen ze ooit geenekaant of geenekant en in Noord-Tilburg ginnekaant gezegd te hebben. "Op de Veldhoove praote ze hil aanders as op Broekhoove", hoorde ik in mijn jeugd weleens verklaren. Waarschijnlijk zullen we de finesses in dezen nooit meer kunnen achterhalen, bij gebrek aan Veldhovense en Broekhovense 'autochtonen'. 


Huuj

Het dialectisme is misschien ook wel actief waar Henk van Rijen als meervoud van hoed huuj geeft. Ik, mijn vrouw, al mijn broers en zussen, buren en nabije en verre vrienden die ik hierover kon raadplegen, kennen geen huuj, maar wel hoej, en dat is al mooi genoeg. Umlautisering bij meervoudsvorming kent het Tilburgs niet, al komt het wel in andere Brabantse dialecten voor. Een collega van mij, geboren en getogen in Gerwen, zegt bôom (ôo stelt een extra lange o voor) tegen boom, en beum tegen bomen, in het Tilburgs bôome

Terwijl ik hier almaar af zit te geven op details in het Tilburgse woordenboek, wat ik verderop blijf doen, realiseer ik me dat al die aanmerkingen geen recht doen aan de verdiensten van Henk van Rijen en zijn uitgever. En ook niet aan Jan Naaijkens en drukkerij De Hilverbode; maar dat komt vooral doordat ik een Tilburger en geen Hilvarenbekenaar ben en daardoor recht van spreken over het Biks mis. 
Een woordenboek maken is een gigantisch werk, vol hindernissen en valkuilen. Ieder woord kan aanleiding zijn tot bladzijden vol diepzinnige beschouwingen; snoepgoed voor een talengek, maar wat heeft de dialectspreker eraan in het alledaagse taalgebruik? 


Ut en un


Na een voorwoord van prof. dr. J. Vromans, een Tilburger die aan de vrije universiteit van Brussel Nederlands doceert, en een eigen inleiding begint Van Rijen met een toelichting op de gebruikte spelling. Die is grotendeels ontleend aan die van Sterenborg. Jammer dat Henk van Rijen daar weer eigen, in mijn ogen overbodige, vondsten tussenstopt. Frans Verbunt heeft zich trouwens evenmin overal gehouden aan de Sterenborg-spelling. Deze lost alle spellingproblemen van het Tilburgs op en is consequent; en daarom goedgekeurd door het P.J. Meertens- Instituut voor Dialectologie, Volks- en Naamkunde van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen in Amsterdam. Een voorbeeld: Sterenborg koos voor alle gevallen waarin de 'sjwa' klinkt (de e van de woorden de, me, te) de weergave e. Argument: steeds hetzelfde teken voor dezelfde klank, en géén apostrof. In zijn spelling worden de Nederlandse woorden 't en 'n geschreven als et en en. Henk van Rijen maakt er ut en un van; veel dialectschrijvers doen dat omdat ze het verschil tussen de sjwa en de u (van put) niet kennen. 

Het woord 'sjwa' is Hebreeuws en over de hele wereld in de taalkunde in gebruik als naam van de klank die we in 'de' horen. Deze klank werd voorzover bekend voor het eerst van andere klanken onderscheiden door de Indiase taalgeleerde Pânini, die in de vijfde eeuw voor Christus in het Sanskrit zijn Asjtâdhjâjî-grammatica schreef. Hij legde in dat werk de taal vast van de toen al eeuwenoude Veda's, religieuze teksten die vergelijkbaar zijn met de Bijbel. 
De sjwa, een reuzehandig woord dat voorkómt dat we telkens 'de e van de' moeten schrijven, werd dus door een taalgeleerde van tweeëneenhalfduizend jaar geleden al als een afzonderlijke klank beschouwd. De naam die in Nederland aan de sjwa gegeven is: 'stomme e', doet geen recht wedervaren aan de sjwa, die helemaal niet stom is, maar integendeel in talloze talen veel voorkomt. De sjwa wordt wel een stemloze klinker genoemd, maar ook die benaming is ongelukkig; de definitie van een klinker is 'klank die de stembanden doet trillen en verder door niets gehinderd wordt' en dat heet dan stemhebbend. Een stemloze klinker is net zo iets als een vierkante cirkel. 

Toch gebruiken sommige taalkundigen de term 'stemloze klinker'. Misschien is het 't beste, de sjwa een 'bijna stemloze klinker' te noemen. Maar in ieder geval komt de sjwa niet overeen met de u in de woorden put, gunst en vlug, daar deze u duidelijk een volop stemhebbende klinker is. Vergelijk maar eens het nieuwe, door de Ster-reclame ingevoerde woord navulverpakking met het niet bestaande - maar bestaanbare - woord navelverpakking, de verpakking van een navel dus, waarvan we voor het gemak aannemen dat die om medische redenen weleens nuttig kan zijn. De u van navulverpakking wordt op een andere plaats in de mond gevormd dan de tweede klinker in navelverpakking. En voor beide klinkers heeft de klankleer verschillende symbolen; dat zegt ook wel iets. 

Er zijn dus heel wat redenen om 't en 'n te schrijven als et en en, en er zijn helemaal geen redenen aan te voeren om ut en un te spellen. Henk van Rijen doet dat en hij schrijft ook unne, munne, zun en dur voor ene, mene, zen en der
Wie ut en un schrijft, en de dialectlezer niet wil opzadelen met het voor de meesten van ons onbekende onderscheid tussen open en gesloten lettergrepen, zou in andere gevallen waarin de sjwa zich voordoet - en dat zijn er nogal wat - consequent moeten zijn: het Tilburgse woord rèègene (regenen) zou dan geschreven moeten worden als rèègunu. 
De oplossing van Sterenborg is simpel en daarom zo aantrekkelijk. Klinkt er in verband met de e iets anders dan de sjwa, dan lost Sterenborg dat op met accenten of met dubbelschrijving: è, èè, ee en êe. Bij hem wordt 'n en 't dus geschreven als en en et; het nevenschikkend voegwoord en schrijft hij in het Tilburgs als èn. De lange klinker in het Tilburgse woord voor peer schrijft hij als pèèr, en de lange e in het Tilburgse woord voor zegenen wordt ee: zeegene. Het Nederlandse heet wordt in het Tilburgs hêet. 


Slordig of dialect?

Ook met Van Rijens lijst van woordverbindingen, zoals a-ge (als je), hè d-ok (heb je ook) en meu-me-r (mogen we er), zal niet iedereen blij zijn. De vraag is of deze woordverbindingen eigenlijk wel echt tot het dialect behoren en niet eerder een gevolg zijn van slordige uitspraak. A-ge zijn gewoon twee woorden; daar hoeft geen verbindingsstreepje tussen. Hè d-ok is een afgesleten weergave van hèdde ok en meu-me-r is meuge me er of meuge we der. 
Voor iemand die de dialecten respecteert, ze interessant taalkundig studiemateriaal vindt en zelf met graagte zijn eigen dialect spreekt, is het tamelijk hinderlijk dat velen slordige uitspraak met dialect vereenzelvigen. Sommigen denken dat een dialect een onverzorgd uitgesproken vorm van een standaardtaal is. Dit impliceert dat de standaardtaal er eerst was en dat het dialect daaruit is voortgekomen. Het is evenwel juist andersom. 

Ooit waren er alleen maar dialecten. Ze bestonden bij de gratie van het feit dat de ene samenhangende bevolkingsgroep geen contact had met de andere groep. Binnen iedere groep ontwikkelde zich een eigen taal, ook wel dialect genaamd. Een mooi voorbeeld daarvan is aan te treffen in Bhutan, een land dat in de eigen taal trouwens Druk-Yul heet, in het Himalaya-gebergte. Het bestaat uit onbewoonde, tot 7500 meter hoge bergkammen met daartussenin bewoonde dalen. In elk dal wordt een ander dialect gesproken; de bewoners van het ene dal kunnen die van het volgende dal niet verstaan, ook al ligt dat hemelsbreed maar enkele tientallen kilometers weg, maar wel met die hoge bergkam daartussen. 

Naarmate de bevolkingsgroepen meer met elkaar in contact kwamen, vooral door uitbreiding van de verkeersmiddelen - wegen en voertuigen - werd de behoefte groter aan één gezamenlijke, voor iedereen verstaanbare en bruikbare taal. Uit die behoefte ontstonden de standaardtalen, die in de meeste gevallen voor een flink deel puur kunstmatig zijn. Ook de bewoners van Druk-Yul hebben een standaardtaal ontwikkeld, die misschien niet in alle dalen, maar wel in de winterhoofdstad Punakha, de zomerhoofdstad Tasji Cho Dzong en enkele grotere bevolkingsconcentraties gebruikt wordt.



'Prent van de Week' door Cees Robben 
gepubliceerd in Rooms Leven van 23 juni 1961
(orig. coll. RHC Tilburg).

Het Nederlands ontstond in de zeventiende eeuw. Gewoonlijk wordt gezegd dat de Statenbijbel de eerste presentatie van het standaard-Nederlands was. Theologen en predikanten, taalkundigen en vertalers uit Hebreeuws, Aramees en Grieks, afkomstig uit zowel de zuidelijke als de noordelijke Nederlanden, die allemaal hun eigen dialect meebrachten, werkten aan de Statenbijbel mee. Talloze woorden, die voordien in de Nederlanden niet algemeen bekend waren, kregen een plaats in de Statenbijbel. 
Schrijvers uit die tijd en uit latere perioden bleven aan de standaardtaal knutselen, die daardoor steeds rijker en steeds algemener werd. De dichter Joost van den Vondel, geboren in Keulen uit Antwerpse ouders en werkend in Amsterdam, die dus minstens drie ver uiteenliggende dialecten heeft gehoord en misschien gekend, heeft veel aan de vorming van de Nederlandse taal bijgedragen. Hij werkte daar welbewust aan, onder meer door geregeld de dichter Pieter Cornelisz Hooft en andere taalkunstenaars te ontmoeten om met hen over taalkwesties te spreken. 

Een soortgelijk verhaal kan verteld worden van de Duitse taal. De kerkhervormer Maarten Luther schreef een bijbelvertaling voor alle Duitstaligen, dat is voor sprekers van tientallen verschillende dialecten. Het Duits van Luthers bijbelvertaling is het begin geweest van het standaard-Duits, zoals wij dat op school leren. Na Luther hebben taalkundigen als Von Goethe en de gebroeders Grimm het Duits verder uitgebouwd. 

Dat het Tilburgs niet zomaar een mislukt of slordig Nederlands is, maar wel degelijk een oorspronkelijke taal, dat zien we onder meer aan verschijnselen in het Tilburgs die rechtstreeks uit het oer-Germaans of nog ouder het Indo-europees stammen. (Meer dan honderd talen in Azië, vooral India, en bijna alle Europese talen vormen samen de Indo-europese taalfamilie. Het Baskisch, Turks, Hongaars en Fins horen er niet bij; wel de Slavische, Romaanse, Keltische en Germaanse talen, het Grieks en ook het oeroude Sanskrit, het Hindi en het Urdu, het Perzisch en het Koerdisch). 
Het oorspronkelijke van het Tilburgs blijkt onder meer de veelgebruikte umlaut: a, o, oe veranderen, net als in het Duits, in bepaalde omstandigheden systematisch in ä, ö en uu en varianten van deze drie klanken, zoals è, èè en eu. Het verschijnsel doet zich vooral voor bij de vorming van verkleinwoorden: baank, bènkske; pòt, pötje; boek, buukske. Het Nederlands kent ook umlautverschijnselen: lang/lengte, dak/dek, vallen/vellen, gom/gum, dof/duf, stoer/stuurs; maar niet zo systematisch als het Tilburgs. 


Verdwijnende taalschat

In beschouwingen over de diverse dialectwoordenboeken die de laatste tijd verschenen zijn (Schaijk, Hilvarenbeek, Tilburg, Den Bosch) wordt steeds gesteld dat die woordenboeken belangrijk zijn omdat ze een verdwijnende taalschat vastleggen. Dat doen ze inderdaad, maar daarmee is nog niet gezegd dat de dialecten aan het verdwijnen zijn.

Verdwijnen de dialecten? Dat zal wel! Het Tilburgs dat mijn voorouders in de veertiende eeuw spraken, en ook dat van Peerke Donders in de vorige eeuw, is verdwenen. Mijn kinderen, die overwegend Tilburgs spreken, doordat ik het van het begin af belangrijk vond dat ze het leerden, zeggen weleens "Hè, wès dè?" als ik een of ander hun onbekend en voor mij doodgewoon woord gebruik. Andersom hoor ik van hen woorden en uitdrukkingen die ik op mijn beurt niet thuis kan brengen, Tilburgs van klank, maar nieuw. 

Van het Tilburgs zullen meer woorden aan het verdwijnen zijn dan dat er bijkomen. Hetzelfde geldt voor het Hilvarenbeeks. Dorpen, gezien als gesloten gemeenschappen waar dialecten welig pleegden te tieren, zijn er eigenlijk niet meer in West-Europa. Zelfs de standaardtalen zoals het Nederlands, het Frans, Duits, Italiaans en Deens zijn niet meer veilig sinds we in Europa en de rest van de wereld allemaal Engels leren, omdat we alle kanten op reizen en doordat de televisie ons steeds maar Engels en Amerikaans Engels laat horen. 
Toch ben ik geneigd te veronderstellen dat de verschillende talen en dialecten niet uit de samenleving weg te denken zijn, met of zonder woordenboeken. Het Nederlands, het Frans, Duits, Italiaans en Deens; ze zullen echt wel blijven, en Tilburg zal echt wel een soort dialect houden, net zo goed als Parijs en Marseille, Bonn en Berlijn en Rome en Kopenhagen. Maar 'mèn èège Tilburgs' zal denk ik niet langer blijven dan ikzelf.


* Bernard van Dijk (58) is journalist.