| 95. Tilburgse toponiemen | |||
|
Titel: |
Tilburgse toponiemen * |
|
Ondertitel: |
Enkele beschouwingen bij een boek |
|
Auteur: |
Lauran Toorians ** |
|
Jaargang: |
XII (1994) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina´s: |
77-80 |
Sinds het voorjaar van 1994 is het historisch onderzoek van Tilburg een belangrijk hulpmiddel rijker. Het boek
Tilburgse toponiemen in de 16e eeuw, samengesteld door vader en zoon Trommelen levert een belangrijke bijdrage aan het inzicht hoe Tilburg er in het verleden uitzag. In deze bijdrage enkele kanttekeningen bij het boek.
Toponiemen is een verzamelterm voor namen die specifieke elementen in het landschap aanduiden. Dus niet alleen plaatsnamen, maar ook namen van waterlopen en plassen, velden en akkers, bossen, heuvels, wegen en dergelijke. Bestudeerd in hun juiste context, kunnen toponiemen een belangrijke bron van historische informatie vormen.
Een probleem daarbij is wel, dat historici vrijwel nooit ook taalkundig geschoold zijn. Mede daardoor is de toponymie een bezigheid vol valkuilen. Behalve het probleem de namen zo ver mogelijk in het verleden te traceren
- wat letterlijk uitputtend archiefwerk vereist - dient de onderzoeker zich ook rekenschap te geven van de geografische realiteit, en van de historische context waarin de naam ontstond en functioneerde. Aan de hand van het hier besproken boek laten zowel het belang als de problemen van dergelijk onderzoek zich eenvoudig illustreren. Laat ik daarom ook vooraf en met klem stellen dat
Tilburgse toponiemen een erg nuttig boek is, en dat de beide auteurs een titanenwerk hebben verricht. De kritische opmerkingen die ik me hier veroorloof, kunnen alleen daardoor al niet meer zijn dan speldeprikken.
Het boek bevat twee afdelingen. In de eerste wordt per stadsdeel een gedetailleerde beschrijving gegeven van de toponiemen zoals die in de civielrechtelijke archieven voor 1531?1550 voorkomen. Dat is ongeveer de periode waarin Maria van Hongarije landvoogdes was over de Nederlanden. In dit deel staat de geografische beschrijving voorop, de lezer krijgt een beeld van hoe Tilburg er toen uitzag. Dit deel wordt nog voorafgegaan door een algemeem hoofdstuk over de wordingsgeschiedenis en over Tilburg in de 16e eeuw, en door een hoofdstuk over de waterlopen. Het grootste gemis in het hele boek doet zich in deze eerste afdeling sterk voelen: een gedetailleerde overzichtskaart ontbreekt.
Waarschijnlijk zullen de hoge drukkosten daar debet aan zijn, maar de kleine deelkaartjes in het boek zijn onvoldoende om het betoog steeds goed te kunnen volgen. Als geboren en getogen Tilburger kon ik mij met een moderne plattegrond onder handbereik nog wel oriënteren, maar een omschrijving als 'naar het voormalig huis van Van Coulsteren' (p.48) kan ik toch echt niet plaatsen. En de verwijzing naar de plek 'waar kortgeleden het kantoor van de Vereniging voor Volkshuisvesting Tilburg stond' (p.52), is voor toekomstige (of
buiten-Tilburgse) gebruikers natuurlijk ook niet echt verhelderend.
De tweede afdeling is een alfabetisch overzicht van alle toponiemen die in de onderzochte periode voorkomen, waarbij opvalt dat de naam
Tilburg zelf niet is opgenomen! Enigszins onhandig is wel dat dit deel strikt op spelling is geordend. Het samenvoegen van C, K en Q zou het opzoeken bijvoorbeeld in een aantal gevallen vereenvoudigen, maar dat is een detail. Verwarrender zijn de verwijzingen tussen het eerste en het tweede deel, die niet altijd juist blijken. Van deel een naar deel twee is dat niet zo'n probleem, want het tweede deel is alfabetisch geordend, maar andersom levert dat nog wel eens gezoek op.
De eerste vraag van iedereen die dit boek ter hand neemt, is natuurlijk naar de naam
Tilburg zelf. Op de betekenis daarvan kom ik hieronder terug, maar het is opvallend dat de auteurs eerst (op p.17) veronderstellen dat de meervoudsvorm uit het jaar 709 ('de Tilburgen') al duidt op de tweedeling zoals we die later kennen tussen Oost? en West?Tilburg. Een bladzijde later al, dateren zij nu juist die tweedeling in de tijd van hertog Hendrik I, dus driehonderd jaar later. Dergelijke onduidelijkheden komen helaas vaker voor, ook wanneer we de informatie van de beide hoofdafdelingen naast elkaar leggen. Overigens komen plaatsnamen in het meervoud in deze periode vaker voor, misschien omdat de benaming sloeg op een groepje huizen die dan als 'de woonplaatsen' werden beschouwd.
Zo nodigt het boek ook regelmatig uit tot bespiegelingen over het ontstaan van die 'Tilburgen', waarbij het wel degelijk ook informatie toevoegt. Wat de Trommelens hierover zelf noteren is niet veel meer dan de grote lijn, en regelmatig ook nogal speculatief. Maar het oplossen van dat probleem was natuurlijk ook geen onderdeel van de taak die zij zichzelf hadden gesteld.
Nu is een boekbespreking daar misschien de plaats niet voor, maar ik wil hier wel een speculatie aan de reeks toevoegen: de oudste permanente bewoning in Tilburg en omgeving is aangetoond in het stroomgebied van de Leij, ondermeer in het grensgebied van Tilburg en Goirle. In de Karolingische periode werd het door verbeterde landbouwtechnieken mogelijk om ook hogere gronden in cultuur te brengen. De bewoning schoof daarmee vanuit het Leijdal naar het noorden. Dat zal de periode zijn waarin Broekhoven, Korvel en wellicht ook Veldhoven ontstonden, en het ligt voor de hand te denken dat dit ook de periode is waarin de naam
Tilburg ontstond.

Fragment van de kaart van de Heerlijkheid Tilburg en Goirle door Diederik Zijnen (1760), met
de omgeving van de 'Steenen Camer' (het kasteel.
(coll. RHC Tilburg).
In de elfde eeuw vond opnieuw in grote delen van Europa een explosieve uitbreiding van het landbouw?areaal plaats. In deze periode ontstonden grote aaneengesloten akkercomplexen, waarrond de boeren in kleine groepjes boerderijen bij elkaar woonden. De Schijf, die in de eeuwen die daarop volgden het uiterlijk van Tilburg sterk zou bepalen, was (m.i.) dit akkercomplex. Dit verklaart dan meteen ook waarom de Schijf in de zestiende eeuw nog vrijwel onbewoond was, en onverdeeld. De naam
Schijf lijkt mij een (sub-)regionale variant van wat in Vlaanderen en Noord-Frankrijk kouter, en elders in het hertogdom Brabant akker heet.
Dat de Trommelens de naamsverklaring van de Schijf vooral in verband brengen met de rechtspraak, is hiermee niet zonder meer strijdig. Wel vermoed ik dat zij het accent te zwaar op het juridische aspect leggen. Belangrijk lijkt mij hier de opmerking van Jan de Vries in zijn
Nederlands etymologisch woordenboek bij het woord schiften. Als een belangrijke taak van de volksvergadering noemt hij 'het toedelen aan de leden der groep (...) van arbeidsplichten'.
En dat er op de Schijf ook, zoals de Trommelens vermoeden, een kerk of kapel heeft gestaan, heeft mij niet kunnen overtuigen. Als de interpretatie van de naam
Bedbuer als 'bede-huis' (p.127) al juist is, moeten we dan bij bede niet eerder denken aan de feodale betekenis van dat woord?
Bede is dan de Nederlandse vertaling van het Franse aide (Latijn
auxilium) en het equivalent van de 'daad' uit de 'raad en daad' die een leenman zijn heer verschuldigd is. Deze
bede werd al vrij snel in de middeleeuwen tot een geldelijke verplichting, en in de zestiende eeuw betekende het woord gewoon 'belasting'. De
Bedbuer zou dan zoiets geweest kunnen zijn als een tiendschuur, of waarschijnlijker nog alleen maar het gebouwtje waar de verdeling ('schifting'?) van de last over de ingezetenen werd bepaald.
De neiging om bij meerdere mogelijkheden voor een naamsverklaring de 'meest gewichtige' te kiezen, lijkt vaker aanwezig. Zo worden uit het
Nederlands etymologisch woordenboek van De Vries bij Achtermal voor 'mal' alleen de betekenissen 1 en 4 gegeven. En daardoor wordt de betekenis van het geheel in een juridische richting gestuurd: zoiets als 'grens(markering) tussen twee domeinen' (vgl. p.120). Maar
mal, maal kan ook 'laagte' betekenen, een betekenis die gezien de lokalisering in of bij het huidige Leijpark uitstekend past.
Een opmerkelijke historische vergissing in het boek is de omschrijving van een middeleeuwse
heerweg als 'een deel (...) van een oude Romeinse heerweg'. Het trace van deze weg wordt uitvoerig beschreven op p.35, en komt ook later in het boek nog enkele keren terug (bv. p.55). Een Romeinse weg is op dit trace echter nooit aangetoond, noch verondersteld. Waarmee niet gezegd is dat het trace als zodanig niet oud kan zijn.
Zoals in de ondertitel wordt vermeld, poogt het boek ook stelselmatig de gevonden namen te 'verklaren'. Daar schuilt dan ook meteen het zwakke punt van dit omvangrijke werk, want het gebrek aan taalkundige kennis en ervaring van de auteurs is het hele boek door merkbaar. Dat begint al in de eerste alinea van hoofdstuk 1 (p.15), waar sprake is van 'de 6e naamval meervoud' in het Latijn voor een ablativus meervoud (het probleem is dat niet alle grammaticale beschrijvingen van het Latijn de naamvallen in dezelfde volgorde presenteren). Een bladzijde verder is dan plotseling sprake van een datief meervoud, maar dat zal wel een vergissing zijn (de uitgangen zijn identiek). Maar
Tilliburgis is niet een 'latinisatie voor Tilliburgum', en Tilliburgum mag ook niet 'voor oudgermaans doorgaan'. Volgens mij is
-burgum een niet-bestaande vorm, die hier staat voor -burgus 'burg, woonplaats'. En dat is Latijn, net als de naamvalsvorm op
-is. De Germaanse (Oudnederfrankische) vorm zal in deze periode (709) al zijn uitgegaan op
-burge of -burg. Afgezien van deze details lijkt me de betekenis van de naam van onze stad nu wel afdoende verklaard als 'woonplaats(en) in nieuw verworven/ontgonnen land'
(pp.16-17).
Etymologie is vaak eindeloos en vereist daardoor een erg kritische houding. Zoals vrijwel alle amateurs scheppen ook de Trommelens er groot plezier in alle verwante vormen van een woord op te sommen, en daarbij liefst terug te gaan tot in de donkere prehistorie van het
Proto-Indo-europees, of toch tenminste het Proto-Germaans. Een aardig voorbeeld daarvan is hun opsomming bij het woord
land op p.126, terwijl dat woord toch ook zonder toelichting voor iedereen nog steeds te begrijpen is. Een dergelijke opsomming voegt niets toe aan de verklaring van de betreffende naam, zegt niets over de ouderdom ervan, en is hier dus overbodig.
Nog gladder wordt het ijs, wanneer er gespeculeerd wordt op betekenisassociaties. Dat gebeurt bijvoorbeeld rond de persoonsnaam Back (later ook Bax, enz.) op
pp.125-126. Van de betekenis 'rug' (alleen Vlaams?) komen zij via 'zwijnenrug' op '(ever)zwijn', waarna dan in een voetnoot staat dat 'ever(zwijn)' in andere Germaanse talen een metafoor kon zijn voor 'vorst, aanvoerder'. Of dit soort associaties ook voor de Tilburgse Back gelden, is echter volstrekt oncontroleerbaar, en de hele gedachtengang is dan ook tamelijk zinloos. De volgende verklaring die het boek geeft voor
Back is die van een verkorte vorm ('lalnaam') van Bertold, waarbij opnieuw in een etymologische valkuil wordt gelopen.
Bertold is een Germaanse naam en betekent oorspronkelijk 'schitterende heerser'. Maar ook die betekenis is in deze context vrijwel zeker van geen enkel belang, want in de zestiende eeuw (en waarschijnlijk ook in de dertiende of veertiende) zal die betekenis al lang geen rol meer hebben gespeeld (welke Hilde weet tegenwoordig nog dat haar naam 'strijd' betekent?). En het 'verbinden' van deze verklaring met de vorige door de aardige associatie met een 'Gijsbert de Koning' is methodologisch ook uit den boze. Uiteindelijk zal er tussen verschillende mogelijke verklaringen toch een keuze moeten worden gemaakt.
Overigens is er met de genoemde 'Gijsbert de Koning' ook iets aan de hand. Hij was actief in het midden van de dertiende eeuw en ik zou willen suggereren dat hij zijn bijnaam misschien wel ontleende aan het feit dat hij een ontginning leidde. De Trommelens noemen hem opnieuw bij de verklaring van de naam
Coninxvoert (p.171). Deze Gijsbert trok mijn aandacht, en ik sloeg er het oorkondenboek op na. Hij wordt voluit genoemd in twee akten uit 1259, achtereenvolgens als
Gilberti dicti Regis en Gilberto dicto Rege 'Gijsbert, genaamd Koning' (7 mei), en
Gilbertum laicum dictum Regem 'Gijsbert, een leek genaamd Koning' (1 oktober). Hij blijkt de enige met deze bijnaam in het oorkondenboek. Lastig voor
Tilburgse toponiemen is dan weer, dat beide akten betrekking lijken te hebben op een stuk grond in Oosttilburg (Oisterwijk), en er geen enkele zekerheid bestaat dat deze Gijsbert de Koning identiek is met een van de Giselberten die Heer van Tilburg waren. Dat is nu weer typisch een oorkondenprobleem. Erger is evenwel, dat de datum van de eerste akte in de voetnoot op p.125 van
Tilburgse toponiemen wordt gegeven als 5 mei, wat een drukfout zal zijn, en dat de citaten niet letterlijk de tekst van de oorkonde volgen. Het is toch precies dit soort informatie die in een dergelijk boek geen twijfel behoort op te roepen.

Fragmentkaart van 'Corvel' door Diederik Zijnen (1759). Rechtsonder de
'Corvelsche Moelen'.
(coll. RHC Tilburg).
De verbinding van het toponiem Korvel met goor 'lage, natte grond' (p.175) is ook weinig voor de hand liggend. De klanken
k en g zijn in het Nederlands niet zomaar verwisselbaar (klanveranderingen verlopen volgens strikte regels, de zogenaamde klankwetten) en deze suggestie is al te impressionistisch. En ook de suggestie dat de oude spelling
Corvel niet de uitspraak 'körvel' (met umlaut) zou weergeven, lijkt mij onjuist. Uiteraard werd er in de zestiende eeuw in Tilburg alleen Tilburgs gesproken en geschreven, en aangezien in een woord als Korvel de umlaut ('ronding') van de o automatisch wordt veroorzaakt door de volgende r (vgl. de Tilburgse uitspraak van
vorm, worm, zorg, enz.), was er geen reden om die in de spelling nog eens extra aan te geven. Ik zou het persoonlijk overigens wel dienstig hebben gevonden om in het boek bij alle nog bestaande toponiemen ook de lokale uitspraak te geven.
Verder wijken soms de interpretaties in beide delen van het boek van elkaar af. Zo vinden we op p.64 als 'beste verklaring' voor
Corvel 'hovel bij een curtis', terwijl die verklaring in het tweede deel onder
Corvel (pp.174-179) nergens terug te vinden is! Maar daar dient dan wel aan te worden toegevoegd dat in etymologisch opzicht dit zonder meer het lastigste toponiem in het boek is. Vergelijkbaar is het gegeven dat de verklaring 'het grote huis of woning aan het water' voor
Eselven op p.88 'hoogst onwaarschijnlijk' wordt genoemd, terwijl dezelfde verklaring als eerste en zonder commentaar in het tweede deel terugkomt (p.214). Nog pregnanter is de interne tegenspraak binnen het lemma
Commerstraat op p.169, waar de eerste en de laatste zin elkaar flagrant tegenspreken.
Deze bespreking komt misschien wel erg kritisch over, maar dan is het goed te bedenken dat de aangehaalde punten details zijn in een boek van bijna vijfhonderd bladzijden. Het geheel vormt een uiterst nuttige ontsluiting van belangrijk historisch materiaal en juist de nagestreefde volledigheid van alle verwijsplaatsen in het archief zal dit boek tot een blijvend naslagwerk maken.
Dat een dergelijk pionierswerk niet op alle punten even volmaakt is, is onvermijdelijk. Dat het boek ook stimulerende lectuur is, heb ik al aangegeven met mijn korte bespiegeling over de middeleeuwse ontwikkeling van Tilburg. Daarnaast bevat het ook in details een zee aan materiaal dat om een nadere beschouwing vraagt. Zo zijn niet alleen de etymologieën van een flink aantal toponiemen nog lang niet afdoende doorgrond (dat zou ook niet kunnen in een boek als dit), en nodigt het boek uit om met deze
historisch-geografische informatie al het andere bronnenmateriaal weer eens opnieuw tegen het licht te houden. Zo hoort dat, bij geschiedkundige publikaties.
J.R.O. Trommelen en M.P.E.Trommelen, Tilburgse toponiemen in de 16e eeuw. Een tentatieve reconstructie en naamsverklaring
(Tilburg, Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed, 1994) Tilburgse Bronnenreeks 1; 496 blz.; geïll.;
krtn.; ISBN 90-74418-03-1; prijs f 65.
* Zie ook repliek
op
dit artikel door Jan Trommelen, en de dupliek ![]()
door Lauran Toorians in 'Tilburg' 1995, p. 20-23
** Lauran Toorians (1958) is historicus en taalkundige.




