| 97. Tilburgs dialect beschreven | |||
|
Titel: |
Tilburgs dialect beschreven |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Lauran Toorians* |
|
Jaargang: |
XV (1997) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina´s: |
14-17 |
Het komt niet zo erg vaak voor dat een Nederlands stadsdialect op wetenschappelijke wijze wordt beschreven. Alleen al daardoor is
Het stadsdialekt van Tilburg een bijzonder boekje.
Bijzonder is waarschijnlijk ook wel dat deze beschrijving puur vanuit een wetenschappelijk taalkundige belangstelling is ontstaan, en niet zoals op het gebied van dialect nog zo vaak het geval is, werd ingegeven door liefde voor eigen huis en haard. Dat het boekje over het Tilburgs gaat, is louter en alleen te danken aan het gegeven dat een van de twee auteurs, Dirk Boutkan, in Tilburg en met het Tilburgs is opgegroeid.
Beide auteurs zijn verbonden aan de vakgroep Vergelijkende Taalwetenschappen van de Rijksuniversiteit Leiden. Dirk Boutkan is oudgermanist en promoveerde in 1994 op een proefschrift over de zogenaamde 'Auslautgesetze' in het Germaans. Momenteel werkt hij aan de Germaanse en Indo-europese etymologieën van het Fries. De combinatie van zijn taalkundige belangstelling en het toeval dat hij juist in Tilburg heeft leren praten, heeft bepaald dat het hier besproken boek nu juist het Tilburgs als onderwerp heeft. Voor beide auteurs vormde het een soort bijproduct van hun dagelijkse werkzaamheden. De tweede auteur, Maarten Kossmann, groeide op in Groningen en houdt zich als taalkundige bezig met de Berbertalen in Marokko.
Grammatica
De presentatie van Het stadsdialekt van Tilburg als een grammatica - wat het daadwerkelijk is - kan gemakkelijk tot verwarring leiden. Menige dialectspreker denkt daarbij meteen aan een dik boek met voorschriften over hoe een taal (of dialect) gebruikt moet worden. Net zoals ook een woordenboek meteen een voorschrijvend karakter neigt te krijgen. Dergelijke grammatica's en woordenboeken bestaan natuurlijk wel degelijk. Het onderwijs kan moeilijk zonder. Maar een wetenschapper schrijft niet voor hoe het moet, die doet slechts zijn best te beschrijven hoe het in de praktijk toegaat, en om daar zo goed mogelijk verklaringen voor te vinden.
Die tweede stap wordt in deze grammatica trouwens niet gezet. Boutkan en Kossmann beperken zich tot een gedetailleerde beschrijving. Net zoals een taalkundige dat in een ver en exotisch land zou doen (bijvoorbeeld in een Berberdorp in het zuiden van Marokko) zo beperken zij zich daarbij tot de taal van één of enkele sprekers (informanten) die zij representatief achten voor het grotere geheel. In dit geval is de voornaamste informant Dirk Boutkan zelf, bijgestaan door enkele familieleden. Verdere bronnen vormen het boekje
Tilburgs dialect (tweede, uitgebreide druk, uitgegeven door Drukkerij Piet Smits, Tilburg, 1985) en het boek
De Prent van de Week in het zilver van Cees Robben (Tilburg, 1987).
Wat deze grammatica voor de doorsneespreker van het Tilburgs vooral ontoegankelijk zal maken, is niet zozeer de wetenschappelijke aanpak van de auteurs, als wel het feit dat zij voor het dialect een spelling gebruiken die is gebaseerd op het Internationaal Fonetisch Alfabet (IPA). In de taalkunde is dat weliswaar goed gebruik, maar voor een ongeschoolde lezer worden de voorbeelden daarmee nogal lastig te lezen. In de inleiding van het boek staat dan wel een tabel waarin deze spelling naast de voor het Tilburgs ingeburgerde
'Sterenborg-spelling' is gezet, maar dat is toch niet meer dan een hulpmiddel. Temeer omdat beide spellingen elkaar nergens echt voor de voeten lopen, en het hier puur om een kwestie van schrijfwijze gaat, was het op zijn minst gebruiksvriendelijker geweest ook in dit boek de
'Sterenborg-spelling' te hanteren. Ook om druktechnische redenen zal ik dat in deze bespreking zoveel mogelijk wel doen.

Oerle versus Groeseind
Na een korte inleiding waarin het begrip 'Tilburgs' nader wordt omschreven, volgt een gedetailleerde beschrijving van de klanken van het dialect. Vooral de klinkers krijgen daarin ruim aandacht. In een excursus wordt bij uitzondering zelfs een taalhistorisch overzicht van de klinkers gegeven. De medeklinkers van het Tilburg wijken nauwelijks af van die van het ABN. Wat mij in dit hoofdstuk vooral opvalt, is dat het voorzetsel 'òp' consequent als 'óp' wordt geschreven, dus met dezelfde klinker als in 'ónder'. Dit is in overeenstemming met de Tilburgse woordenboeken, maar absoluut strijdig met mijn eigen Tilburgse taalgevoel. Dit probleem doet zich in deze beschrijving vaker voelen - blijkbaar bestaat er nogal een verschil tussen het Tilburgs van Oerle waarmee Boutkan opgroeide en het Tilburgs van het Groeseind dat ik zelf als 'mijn' dialect beschouw. Ik kan hier slechts aan toevoegen dat ik nog nooit (bewust) iemand 'óp de grónd' (dus met twee keer dezelfde
o-klank) heb horen zeggen.
Verder zijn hier enkele aanvullingen mogelijk, zoals bijvoorbeeld op bladzijde 22 bij de voetnoten 13 en 14 dat 'start' voor ABN 'staart' mij wel bekend is, en dat de archaïsche vorm 'mèrt' voortleeft in de voor mij nog gangbare uitdrukking 'mèrtse kat' voor een kat geboren in maart.
Klinkerwisseling
In het volgende hoofdstuk wordt de morfofonologie behandeld, dat wil zeggen alle verschijnselen die zich afspelen in het grensgebied van klank- en vormleer. Het gaat daarbij in hoofdzaak op klinkerwisselingen zoals bijvoorbeeld in
'stêen' - 'stintje', 'haand' - 'hendje', 'kook' - 'kókt'. Over dit verschijnsel publiceerde Boutkan eerder al een artikel waarin hij ook de historische achtergronden van deze wisselingen verklaart (in
Taal en Tongval 42/1 (1990), 46-60). Een probleem heb ik in dit hoofdstuk vooral met de interpretatie van het postcliticum (achtervoegsel)
'-der', dat opnieuw ter sprake komt bij de behandeling van het werkwoord. Opnieuw kan ik hierbij echter alleen opmerken dat de gegeven voorbeelden ('ik rôok-der vier' en 'ik lôop-der wel eeve nòrtoe') naar mijn taalgevoel niet grammaticaal zijn. Hetzelfde geldt voor de voorbeelden op bladzijde 72 in het hoofdstuk over het werkwoord.
Een fenomeen dat ik in dit hoofdstuk heb gemist is de vereenvoudiging (in snel spraakgebruik) van de groep
-ns tot -s, waarbij de nasaliteit van de -n- in de voorafgaande klinker bewaard blijft. Voorbeelden zijn de woorden 'meens' ('mens') en 'gaans' ('gans'). Dat dit verschijnsel niet alleen aan het eind van een woord of in woorden van één lettergreep optreedt, blijkt uit een voorbeeld als 'kwaansele' ('morsen'). In een vorm als 'mènsie maoke' ('aanstalten maken') treedt het verschijnsel ook op na een korte klinker. Tenminste in het zeer frequente woord 'meens' heeft deze nasaliteit een onderscheidende functie tegenover 'mees' (vogelsoort), waardoor ik meen dat dit verschijnsel toch tenminste ergens in deze beschrijving genoemd had moeten worden. (Vergelijk A. Weijnen,
Vergelijkende klankleer van de Nederlandse dialecten ('s-Gravenhage, 1991), 214: nasaliseringscorrelatie bij de vocalen.)
Interferentie
Na deze hoofdstukken die geheel of gedeeltelijk over de klanken van het Tilburgs gaan, en die bijna de helft van de grammatica in beslag nemen, komt de vormleer aan de beurt. Begonnen wordt met het naamwoord. Hoewel er natuurlijk niet valt de debatteren over de verschillen tussen mijn Tilburgs en dat van Boutkan, maken mijns inziens de auteurs hier toch een ernstige fout. Bij onzijdige zelfstandige naamwoorden heeft een bijvoeglijk naamwoord in het Tilburgs - anders dan in het Nederlands - namelijk nooit een uitgang, ook niet wanneer het lidwoord bepaald is. De vormen met een 'stomme e' als uitgang kunnen, evenals de variatie die wordt beschreven op bladzijde 46, volgens mij alleen worden beschouwd als een gevolg van interferentie met het Nederlands. (Met 'interferentie' wordt hier bedoeld dat twee talen elkaar beïnvloeden of dat de grammatica's en/of woordenschatten van twee talen door elkaar gaan lopen.)
Wanneer deze vormen daadwerkelijk door sprekers van het Tilburgs worden gebezigd, dan dient de beschrijver dit te accepteren als een ontwikkeling binnen het dialect. Het is daarbij dan echter wel zo dat deze ontwikkeling de onderscheiding van het grammaticaal geslacht verzwakt. Juist in dit soort gevallen zou een korte historische excurs erg verhelderend kunnen zijn.
Dat interferentie en taalverandering een grote rol spelen, blijkt ook bij de bespreking van de verkleinvormen. Naar mijn gevoel zijn alle vormen op
'-je' die de auteurs op bladzijde 52 geven in feite insluipers uit het ABN. Interessant is daarbij de betekenisonderscheiding die zij noteren tussen 'mèske' ('meisje') en 'mèsje' ('mesje'). Ook hier lijkt mij namelijk de tweede vorm geleend uit het ABN. In het Tilburgs waarmee ik als spreker opgroeide, zijn beide vormen homoniem ('mèske'), terwijl ik van oudere sprekers bekend ben met de vormen 'mis' en 'miske' voor 'mes(je)'. (Vergelijk ook de varianten 'zis' en 'zès' bij de telwoorden.) Het Tilburgse woord voor 'mes' heeft dus blijkbaar twee keer na elkaar een aanpassing aan het ABN ondergaan, eerst in de stamklinker en daarna in de verkleinvorm. Een vergelijkbaar probleem geldt volgens mij de vormen op
'-etje' op bladzijde 53. De haast onuitputtelijke vormenrijkdom van het dialect laat zich daar ook nog illustreren met het feit dat ik naast 'slangetje' (ABN?) en 'slangske' ook nog de vormen 'slengske' en 'slangeske' ken.
Bijzonder complex
Ook in de hoofdstukken vijf en zes, over respectievelijk het voornaamwoord en het werkwoord en de postclitica (achtervoegsels) kom ik regelmatig vormen tegen waartegen mijn eigen taalgevoel zich heftig verzet. In een aantal gevallen weet ik dat die vormen inderdaad in bepaalde varianten van het Tilburgs voorkomen, in andere gevallen is dat niet zo. Zo is voor mij - net als voor de samenstellers van
Tilburgs dialect (Tilburg, 1985) - een vorm als 'gij blêek' zonder -t ondenkbaar.
Het dient echter gezegd dat juist de werkwoordsvervoeging (inclusief de achtergevoegde persoonlijke voornaamwoorden) in het Tilburgs bijzonder complex is. Elke serieuze poging om hier orde in aan te brengen, verdient dan ook bewondering. Dat ik toch bij een flink aantal gevallen twijfel en alternatieven kan geven, maakt deze beschrijving niet minder waardevol en beslist niet 'slecht' of 'fout'. Wel zou het juist hier verhelderend zijn geweest wanneer de auteurs met meer systematiek onderscheid hadden gemaakt tussen lento- en allegrovormen, ofwel de verschillen die bestaan tussen langzaam en nadrukkelijk spreken en sneller ('slordiger') taalgebruik.
Een aantal malen roepen zij dit onderscheid te hulp ter verklaring van varianten. Dit gebeurt echter niet consequent, terwijl naar mijn gevoel vaak lento- en allegrovormen door elkaar worden gebruikt zonder onderscheid te maken. In een taal die vrijwel honderd procent spreektaal is en die zich kenmerkt door een grote sociale en lokale diversiteit, kan dit nogal verwarrend werken. Een voorbeeld hiervan is de opmerking op bladzijde 77, dat van het-werkwoord
'krèège' de vorm van de tweede persoon voor een postcliticum altijd 'krèè-' is. Ik ben geneigd dit als een allegrovorm te beschouwen; in meer nadrukkelijk spraakgebruik is 'dè krèèg-de(gij) nie' niet onmogelijk. Hetzelfde doet zich overigens ook voor bij andere stammen die uitgaan op
-g: 'dè meu(g)-de nie' ('dat mag je niet'). Zo verdient in mijn Tilburgs ook 'gullie meugt nie klaoge' de voorkeur boven een vorm zonder
-g- (vergelijk het rijtje op bladzijde 78).
Als verder voorbeeld van mogelijk commentaar enkele opmerkingen bij bladzijde 71. Daar wordt eerst het achtervoegsel
'-tem' beschreven als optioneel in gevallen als 'hij zie-tem' versus 'hij zie-em' en 'hij dee-tem' versus 'hij dee-em'. Voor mijn gevoel zijn hier alleen 'zie-tem' en 'dee-em' acceptabel, in het tweede geval waarschijnlijk omdat de
'-ee' van 'dee' ('deed') in feite een tweeklank is (dus 'deej'). Overigens zou ik ook geneigd zijn de eerste vorm te analyseren als 'ziet-em', zodat de uitgang in alle gevallen
'-em' is. Liever dan 'dee-em' zou ik de vorm 'dittem' gebruiken (zo ook 'gij dit' op bladzijde 76, in plaats van 'gij dee(t)'). Dat vervolgens de vorm
'-tem' wel kan voorkomen na 'wè' ('wat') en '(óm)dè' ('(om)dat'), maar niet na 'die' en 'wie', kan ik in elk geval voor 'wie' meteen weerleggen met de uitdrukking 'wietem vat die heetem' ('wie hem pakt, die heeft hem').

Een 'hendje' helpen op een prent van Cees Robben (1909-1988)
(part. coll.).
Onderaan op dezelfde bladzijde wordt nog gesteld dat in de derde persoon enkelvoud de tegenwoordige- en de verledentijdsvormen van 'zègge' en 'lègge' zijn samengevallen in 'lee' en 'zee'. Voor mij zijn beide vormen echter uitsluitend tegenwoordige tijd. In de verleden tijd zeg ik: 'hij zi dè-tie et op tòffel li, mar daor laag-et nie.' Opnieuw blijkt de grote variatie die binnen het Tilburgs bestaat, waarbij elke spreker toch zijn eigen variant als meer correct zal beschouwen dan enige andere. Het opsommen van alle verschillen tussen de taal die Boutkan en Kossmann hier zo gedetailleerd beschrijven en mijn eigen variant van het Tilburgs heeft dan ook weinig zin (tenzij ik het natuurlijk systematisch zou doen en zo een tweede grammatica zou produceren).
Een kort slothoofdstuk is gewijd aan het telwoord. Daarbij wees ik hierboven al op de varianten 'zis' en 'zès'. Opmerkelijk daarbij is dat de vorm 'zistien' alleen tussen haakjes wordt gegeven met de aantekening dat die 'minder gangbaar' is. Bij alle hogere telwoorden blijft de vorm met
-i- achterwege, terwijl ik toch wel degelijk ook nog 'sisteg' zeg (en 'zisentwinteg'). Verder ken ik naast 'taggeteg' ook de vorm 'taageteg' (en dus ook 'aachtetaageteg'). Hieraan ligt waarschijnlijk een nu vervaagd geografisch onderscheid tussen een lange en een korte a ten grondslag (vergelijk 'lamp' - 'laamp', 'plank' - 'plaank', 'drank' - 'draank', en ook 'tòffel' - 'taofel'). Nog in de jaren '40 (en '50?) was het voor Tilburgers mogelijk op basis van dit soort onderscheidingen vast te stellen uit welk deel van de stad een spreker afkomstig was.
Tot slot dient te worden opgemerkt dat zetfouten in dit boekje opmerkelijk zeldzaam zijn. Op bladzijde 17 vond ik een werkwoordsvorm in de verleden tijd meervoud met een
slot-n (voor 'zónge'), en in de voetnoot op bladzijde 37 worden twee identieke vormen met elkaar gecontrasteerd. De eerste zal daar 'gij lêek' moeten zijn, zonder -t. Op bladzijde 75 noteerde ik tot slot 'lgij biet'. Het zal duidelijk zijn dat daar gij' bedoeld is.
Aanwinst
Concluderend kan worden gesteld dat dit boekje een belangrijke bijdrage is, zowel voor de Nederlandse dialectologie als voor de beschrijving van het Tilburgs. De dialectologie is verrijkt met een wetenschappelijk verantwoorde beschrijving van een stadsdialect dat door een explosieve groei en verandering van de stad in de afgelopen halve eeuw vele invloeden heeft ondergaan en geassimileerd. Het Tilburgs beschikt naast enkele woordenboeken in een gestandaardiseerde spelling nu ook over een gedegen beschrijving van de taal van enkele sprekers die met dit dialect zijn opgegroeid. Het is een beschrijving van de stand van zaken zoals die nu is. Dat is onder andere ook belangrijk omdat dialect nog al te vaak alleen onder de hoede wordt genomen door mensen die meer waarde hechten aan de taal van hun grootouders dan aan die van hun buurkinderen.
De momentopname die Boutkan en Kossmann ons geven, is waardevoller - zolang iedereen maar blijft beseffen dat
Het stadsdialekt van Tilburg geen grammatica vol dwingende regels is. Het is een nauwkeurige beschrijving van de toestand op een bepaald moment en op een bepaalde plek, bij een beperkt aantal sprekers. Precies dat is waar taalkundigen mee gebaat zijn. En de sprekers van het Tilburgs...? Ach, die moeten gewoon blijven praten zoals ze gebekt zijn. Voor hen schuilt de winst vooral in de erkenning van hun dialect als een vorm van taal die het waard is serieus te worden genomen.
Dirk Boutkan en Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en
vormleer. Cahiers van het P.J. Meertensinstituut Nr. 7 / Tilburgse Bronnenreeks 2, (Amsterdam/Tilburg, 1996), (vi+)+viii+102 blz., ISBN 90-70389-51-7.
* Lauran Toorians (1958) is historicus en taalkundige. Hij publiceerde eerder in
'Tilburg' (1994 en 1995).




