Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
98. Tilburgse toponiemen, een repliek
 

Titel:   

Tilburgse toponiemen, een repliek *

Ondertitel:    

Auteur:   

Jan Trommelen

Jaargang:   

XIII (1995) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur
1995 1

Pagina´s:   

20-22


Onder de kop 'Tilburgse toponiemen. Enkele beschouwingen bij een boek' geeft de heer Toorians naar zijn zeggen enkele kanttekeningen bij het boek Tilburgse toponiemen in de 16e eeuw, welk commentaar opgenomen is in het tijdschrift Tilburg, jaargang 12, nr. 3 van september 1994.
Kanttekeningen en ook kritiek zijn welkom, maar we mogen verwachten dat die kritiek opbouwend en zinnig is. Daar ontbreekt het in het genoemde artikel soms wel aan.


Waar haalt hij de kennis vandaan, dat wij, de auteurs, zo'n gebrek aan taalkundige kennis en ervaring hebben, wat volgens hem in het hele boek merkbaar zou zijn. Hij baseert deze uitspraak op het feit, dat we in plaats van ablativus de uitdrukking 6e naamval gebruiken (pag. 15) bij het woord Tilliburgis. Mogelijk is de heer Toorians er niet van op de hoogte, dat het gros van de Nederlanders geen Latijn kent en dat daarom de naam ablativus hun niets zegt. Dat is de reden waarom we de term 6e naamval gebruikt hebben. De niet-latinist weet dan ook niet wat dat precies is, maar hij ziet dan wel dat het om een in het Nederlands onbekende naamval gaat.

Op pag. 16 wordt inderdaad gesproken over een datief meervoud, maar dit slaat niet op Tilliburgis. De betreffende zin staat tussen aanhalingstekens, omdat hij een aanhaling is uit een werk van M. Gysseling; dat geldt ook voor de schrijfwijze Tilliburgum. Goed lezen alvorens kritiek te leveren is belangrijk.
Een andere kwalijke methode is het suggereren van dingen zonder te verklaren waarom, of het suggereren van dingen die onwaar zijn. Een dergelijke suggestie is zijn opmerking over onze slechte taalkundige kennis, terwijl hij ook schamper opmerkt dat we, zoals vrijwel alle amateurs, er genoegen in scheppen alle verwante vormen van een woord op te sommen, daarbij teruggaande tot op minstens het Proto-Germaans. Om dat te kunnen is wel enige taalkundige kennis noodzakelijk, nietwaar?

Bij de verklaring van het toponiem Achtermal wordt het wel erg bont gemaakt. Er wordt namelijk gesuggereerd dat de betekenis van mal = laagte voorkomt bij de betekenissen van het woord mal, gegeven in het Nederlands Etymologisch Woordenboek van prof. De Vries. Dat is niet waar; de daar gegeven betekenissen zijn:
1. geërfden, erfgenamen, markgenoten,
verzameling, gerechtsplaats.
2. een koe van anderhalf jaar oud.
3. een koffer of tas
4. teken, kenteken
5. Tijd, tijdstip, maaltijd.
We hebben alleen de betekenissen van 1 en 4 gebruikt, omdat de andere niet relevant zijn. Mal in de betekenis van laaggelegen land komt daarbij niet voor. Waarschijnlijk is de schrijver in de war met de naam Malland, die inderdaad laaggelegen land betekent. Echter Malland is niet ontstaan uit Mal-land, maar uit Man-land, dat door een regressieve assimilatie van -n- naar -l- Malland werd. Als taalkundige dient Toorians dit toch te weten. Het woord -man- komt ook voor bij de behandelde Tilburgse toponiemen en wel in de naam de Goerman (nr. 214, blz. 226), 'het laaggelegen Goor'.

Met betrekking tot de akten van 7 mei 1259 doet hij voorkomen, dat we de citaten niet letterlijk weergeven. Hij zegt echter niet welk citaat we foutief aangehaald hebben. De citaten zijn op blz. 171 in schuinschrift gegegeven en zijn volkomen juist. Dat we in de tekst - niet in een citaat - Ghiselbert zeggen in plaats van Ghilbert kan, want beide vormen komen voor bij dezelfde naam.

We hebben eerder opgemerkt, dat Toorians wat moeite heeft met lezen. Zo blijkt uit onze verklaring op blz. 17 van de naam Tilburg niet dat de meervoudsvorm Tilliburgis zou duiden op een twee-deling van Tilburg in Oost- en West-Tilburg. Bovenaan op blz. 17 is duidelijk gesteld dat uit woonplaatsen begrepen moet worden herengoederen en bijbehorende hovels, nederzettingen. De opmerking van Toorians dat de benaming sloeg op een groepje huizen als woonplaatsen, is dan ook volkomen overbodig.
Met de akten over Ghilbertus Rex (Ghijsbrecht de Koning) hebben we aangetoond, dat een belangrijke persoon 'koning' genoemd kon worden en zoo ook genoemd werd. Dat was het hulpmiddel om de naam Conincxvoert te verklaren. Dat de genoemde akten betrekking hebben op tiendrechten in Oost-Tilburg, niet op een stuk grond zoals Toorians zegt, is niet relevant; ook niet een verwantschap tussen Ghijsbrecht de Koning en de Ghiselberten van Tilburg. Maar om te zeggen dat er geen enkele zekerheid bestaat over deze verwantschap, is ook maar zo een bewering. Meneer Toorians, wie waren de ontginners in de twaalfde en dertiende eeuw anders dan de lokale heren? En deze konden 'koning' genoemd worden.

Een helemaal niet relevante zaak wordt door Toorians naar voren gehaald als hij voor de periode waarin de in het boek behandelde toponiemen gevonden zijn, namelijk 1530-1550, toevoegt: 'dat is ongeveer de periode waarin Maria van Hongarije landvoogdes was over de Nederlanden'. De bepaling 1530-1550 is nauwkeuriger dan de toegevoegde opmerking, die helemaal niet ter zake is.

Dat de naam Schijf een (sub-)regionale variant is van wat in Vlaanderen en in Noord-Frankrijk kouter en elders in het Hertogdom Brabant akker heet, is maar ten dele juist. Er waren in Tilburg meerdere akkercomplexen, zoals bijvoorbeeld de Corvel Ackeren, de Broechoven Ackeren en de Loven Ackeren. Waarom werden deze nooit Schijf genoemd? Schijf, of de oudere vorm Scive duidt wel degelijk op een gebied, waar de dingvergaderingen werden gehouden. Het accent is niet te zwaar gelegd op het juridische aspect. Er wordt alleen aangegeven dat de naam verband houdt met het burengerecht.

Dat de interpretatie van de naam Bedbuer, Bedehuis (=kerk) de heer Toorians niet kan overtuigen is alleen jammer voor hem.
Dat bedehuis het gebouwtje zou zijn, waar de verdeling van de 'bede' (dit is het hertogelijke verzoek om geld) werd bepaald, is volkomen uit de lucht gegrepen. Ten eerste kwam volgens Gysseling's 'Toponymisch woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland voor 1226' deze naam al in de twaalfde eeuw voor. Het naamsdeel 'bede' in het woord bedbuer voor de hertogelijke belasting is pas ontstaan na overleg van hertog Jan II met de adel en burgerij, waaruit het beroemde Charter van Kortenberg is voortgekomen, uitgegeven op 12 september 1312, dus pas in de veertiende eeuw. De naam bedbuer kan daarom geen betrekking hebben op de 'bede'. Evemnin kan de betekenis zijn: tiendschuur. De Tiende was geen bede, maar een heffing, die afgeleverd werd bij de eigenaren, van de tweede helft van de dertiende eeuw af o.a. aan de abdij van Tongerlo in hun granarium of Spijker; een klein deel werd geleverd aan de pastoor op de Moerenborch.
Het woord bede is helemaal geen Nederlandse vertaling van het Franse woord aide. Het is juist andersom. In de franstalige Brusselse akten van de zestiende eeuw wordt het woord aide gebruikt voor het Nederlandse woord bede. In Frankrijk kende men geen bede. De naam is ontstaan uit het feit, dat de hertog een 'verzoek' tot adel en burgerij richtte om een bepaalde som geld te leveren. De Brabanders stonden deze bede niet altijd zo maar toe.

Wat betreft de schrijfwijze en uitspraak van Corvel moet opgemerkt worden, dat we niet mogen afgaan op de uitspraak in het huidige Tilburgs. Volgens taalkundigen is dat uit den boze. Ook dat de umlaut van de -o- automatisch wordt veroorzaakt door een volgende -r- is niet altijd waar; kijk bijvoorbeeld maar naar het woord morgen. Overigens zijn we de woorden: vorm, worm en zorg nog niet tegengekomen in de tienduizenden akten die we gelezen hebben. 
De verklaring hovel bij een curtis bij de behandeling van het toponiem Corvel op blz. 274 - 179 is weggevallen en dat is buitengewoon jammer. Een oorzaak van dit wegvallen, een verontschuldiging dus, is wel te geven, maar we willen ons niet verbergen achter tikfouten en errata.

De verklaring van Commerstraet bevat geen interne tegenspraak. Er worden twee mogelijkheden gegeven, waarbij de laatste voor de meest waarschijnlijke wordt gehouden.
We zijn niet van plan in eventuele volgende werken over Tilburgse toponiemen eerst aan Toorians te vragen, welke woorden we wel mogen verklaren en welke niet, zoals bijvoorbeeld land.

Dat we zo uitvoerig zijn ingegaan op de naam Bac vindt zijn oorzaak hierin dat het geslacht Bac de directe opvolger was van de Ghiselberten. Daarom was dat geslacht belangrijk voor Tilburg en het mag daarom zeker wel de aandacht hebben. De naam Bac is een lap- of toenaam. Hilde is een voornaam. Appelen moeten niet met peren vergeleken worden.

Ten slotte wil ik terugkomen op de verklaring van de veldnaam de Bedbuer. Wat is in 's hemelsnaam toch de reden, dat de verklaring bedehuis zo afgewezen wordt ? Niet alleen Toorians komt met een onmogelijke verklaring. Ook Berkelmans draagt in De Kleine Meijerij, jaargang 1994, no 2, blz. 55-58 zo een onwaarschijnlijk steentje bij door het toponiem Bedbuer te verklaren als: 'schuur, waar overnachting mogelijk is'. Als dat zo is, zou er taalkundig gezien Beddebuer gestaan moeten hebben.
In de akte Gemeentearchief Tilburg R 298 (fol. 119ro - 119vso) wordt gesproken over de huisvesting van Engel Jan Aert van Dun in de boer van de hoeve met 2 roeden hof. Het ware beter geweest, dat Berkelmans deze akte eerst geheel gelezen had; dan had hij zeker gezien, dat boer in deze akte niet 'schuur' betekent. Immers het genoemde stuk handelt over het feit dat Engel van Dun op hogere leeftijd al haar goederen overgedragen had aan haar kinderen. In ruil daarvoor wordt ze niet naar een schuur als woning verwezen. De zee aan vermeldingen bij het toponiem de bedbuer heeft niet de bedoeling de verklaring te ondersteunen maar wel om de plaats van het toponiem te bepalen.

In honderden akten uit de periode 1530-1550 wordt land ten westen van de Donge tot aan de Landscheiding aangeduid als gelegen in de parochie van Tilburg. Deze honderden akten wegen kennelijk niet op tegen de ene akte van 31-1-1446, opgemaakt ten overstaan van de schepenen van Oisterwijk, waarin de plaatsaanduiding van een beemd optie Leijde door de klerk veranderd was van in Westilborch tot int lant van Breda. Jammer genoeg vertelt Berkelmans er niet bij aan welke Leijde de betreffende beemd gelegen was. Tot in het begin van de negentiende eeuw is de westgrens van Tilburg geweest: in het noord-westen de Lantscheiding, die nu nog de gemeentegrens is; in het zuid-westen was de Hultense Leij zover zuidelijk tot aan de Meelberg bij Alphen toe de grens, om dan west van de bovenloop van de Donge weer noordwaarts te gaan tot ten noorden van Riel; daarna ging de grens (nu tussen Goirle en Riel) weer zuidwaarts langs de bovenloop van de Donge. De Donge zelf was pas grens van Tilburg voorbij de samenvloeiing van de Leij met de Lantscheiding bij Lichtenberch. Eerst bij de oprichting van de gemeente Alphen en Riel is deze grens gewijzigd zoals ze nu nog is. De bedoelde beemd zal niet gelegen hebben aan de Leij nu geheten de Donge.
Zie ook: Tilburgse toponiemen, een dupliek door Lauran Toorians.



`