Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
107. Wat de pot schaft
 

Titel:   

Wat de pot schaft

Ondertitel:   

Auteur:   

Ronald Peeters

Jaargang:   

XVII (1999) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

3

Pagina’ s:   

94-95

 

Het Nederlands Centrum voor Volkscultuur te Utrecht publiceerde in de Volkscultuurreeks onlangs de zevende uitgave onder de titel 'Wat de pot schaft. De geschiedenis van de dagelijkse maaltijd'. Het is een bundel gebaseerd op lezingen die op een gelijknamige studiedag in het Nederlands Textielmuseum te Tilburg zijn gehouden. Al een kleine twintig jaar worden in verschillende regio's in Nederland oude streekgerechten verzameld. Dat werd tijd want het traditionele Nederlandse gerecht werd en wordt steeds meer verdrongen door de exotische keuken. Het verzamelen van oude recepten en deze in een sociaal-historische context plaatsen is van groot belang om de Nederlandse eetcultuur in al haar aspecten voor het nageslacht te bewaren. Het boek 'Wat de pot schaft' geeft een gemêleerd, goed leesbaar en fraai geïllustreerd overzicht van eeuwen eetcultuur.

Een van de acht lezingen/hoofdstukken werd verzorgd door Paul Spapens die een 'kookbuukske open (doet) over de geschiedenis van het koken in Tilburg'. Hij deed al eerder onderzoek naar de Tilburgse keuken. In 1997 publiceerde hij samen met Martin Willemsen het 'Tilburgs kookbuukske'. Wat is er nu typisch Tilburgs in de eetcultuur, zo vroeg ik mij af. Groenten uit eigen tuin is niet typisch Tilburgs, stelt Spapens, maar wel een kenmerk van de Tilburgse keuken. De diepe tuinen achter de arbeidershuizen boden vooral tot in de jaren vijftig gelegenheid om flink te tuinieren. Maar ook met het vlees was men voor de Tweede Wereldoorlog vaak op zelfvoorziening ingesteld. Menig gezin hield een varken of een geit ('de melkkoe van den minderen man') voor eigen consumptie. 



‘Mik mee vinken’ in 1927. (coll. RHC Tilburg).

Spapens breekt een lans om maar zoveel mogelijk gegevens vast te leggen door middel van bijvoorbeeld interviews met bejaarde vrouwen die de kennis van het koken van moeder op dochter kregen overgeleverd. Weinig is vastgelegd, dus haast is geboden. Hij meldt ook één gebruik dat met eten te maken heeft dat uitsluitend uit Tilburg bekend is. Het is de traditie van 'mik meej vinken', die zeker tot in de jaren twintig werd gemaakt. Het was een luxe wit brood (mik) dat op Sinterklaasdag werd gebakken met daarop een paar vogeltjes (vinken), vervaardigd van krakelingetjes voor de lijfjes en krenten voor de ogen. Met een veer als staart tenslotte, werden ze met een stokje in de mik geprikt.
Ook de kermiskoek, die weer op initiatief van Spapens nieuw leven werd ingeblazen, is de typische Tilburgse lekkernij van hoge ouderdom. De nieuwjaarskoek kwam in heel Nederland voor, maar is tot op heden in Tilburg blijven bestaan. Deze en nog vele andere voorbeelden van Tilburgse gerechten (met recepten) zijn door Paul Spapens beschreven in zijn lezenswaardige bijdrage in dit boek. Het bijna een eeuw oude recept van de mosterd van het Mosterdmanneke, blijft nog steeds een groot geheim.


Ineke Strouken en Paul Spapens (red.), Wat de pot schaft. De geschiedenis van de dagelijkse maaltijd (Utrecht, Nederlands Centrum voor Volkskultuur, 1999), Volkscultuurreeks 7, 88 blz., geïll., ISBN 90-71840-38-7, f 34,50.