| 604. De Kruikezeiker als symbool van de Tilburgse identiteit | |||
|
Titel: |
De Kruikezeiker als symbool van de Tilburgse identiteit * |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Paul Spapens ** |
|
Jaargang: |
XXIII (2005) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina’ s: |
15-17 |
Ofschoon hij voor een flink deel een mythe is, weten we toch veel van de
Kruikezeiker. Lees er dit boekje maar op na dat Henk van Doremalen en ik
geschreven hebben. Wat we nog niet weten, is dat de Kruikezeiker ook een naam
heeft. Niet dat ik de naam ken van de arbeider van de schoenfabriek van Nard de
Beer die model heeft gestaan voor het bekende beeldje, maar ik bedoel een naam
van de Kruikezeiker zelf.
Hij heet Sjaak van Dun. Sjaak van Dun woonde vroeger met zijn lieve vrouw Miet
tegenover mij. Geweldige mensen. Soms mauwen, maar altijd klaarstaan. Sjaak vist
voor zijn plezier en kan, zeker als hij een glòske bier op heeft, een
stekelbaarsje opblazen tot een walvis. Miet is een virtuoos achter de
naaimachine en kan buurten op een manier die de Toren van Babel zou doen
instorten. Koffie zetten kan ze trouwens ook heel goed. Ze genieten van de
kermis, gaan graag statten en moeten niet veel hebben van ’t hôog. Miet en Sjaak
noemen zich èchte krèùke.
Sjaak was textielarbeider. Zes keer maakte hij een textielsluiting mee. En
steeds had Sjaak de moed en de veerkracht en het zelfrespect om zonder hulp of
sociaal vangnet de volgende maandag weer aan een andere fabriekspoort te staan
met de vraag: ‘Hèdde vur mèn meschient wèèrk…asteblieft!’ Voor hem geen
uitkering. De zevende keer vond Sjaak op dezelfde manier werk buiten de textiel
en op dat bedrijf heeft hij tot aan zijn pensioen op een heftruck gezeten. Op
zijn Tilburgs gezegd: ‘Huub di zenèège.’
Sjaak van Dun zou je het toonbeeld kunnen noemen van de Tilburgse arbeider, man
of vrouw. En niet alleen het toonbeeld van de arbeider, in feite van álle
Tilburgers. Wat Sjaak van Dun en veel andere mensen in deze stad mij hebben
geleerd en iedereen kúnnen leren, als je het wilt zien, dat de Tilburgers
ontzettend veel innerlijke kracht hebben. Ze kunnen heel goed voor zichzelf
zorgen. In moeilijke tijden houden ze hun rug recht. Ze gaan door, zoeken hun
eigen weg, zijn ondernemend, grijpen kansen. Deze aard, deze mentaliteit is de
basis van het succes dat Tilburg heet. Tilburg is een succes omdat deze stad
zichzelf uit het moeras van na de textielsluitingen omhoog heeft getrokken. Deze
mensen, deze stad, kent meerdere symbolen. Een ervan is, voor mijn part,
voetbalclub Willem II. Peerke Donders niet te vergeten. De verdwenen lindeboom
was er een. Zelfs de stad in zijn geheel mag je een symbool noemen, omdat
Tilburgers haar typeren als ‘de schonste stad’ terwijl ze heel goed weten dat
het wat stedenschoon betreft aan de achterste mem heeft gehangen. Je behoort
echt tot de volwassen stedelingen als je op zo’n manier de spot met je eigen
stad kunt drijven in een tijd waarin alles gericht is op ‘mooi’ en ‘mooier’.
Deze ijzersterke zelfspot vind je ook terug bij de Kruikezeiker, volgens mij het
belangrijkste symbool van Tilburg en de Tilburgers. Het symbool van de Tilburgse
identiteit. Tilburg is de enige stad in Nederland waarvan de identiteit wordt
uitgedrukt door middel van een spotnaam. De Kruikezeiker staat voor alles wat
Tilburg is. Als zodanig is de Kruikezeiker overal in het land bekend en wordt
het door de Tilburgers zelf uitgedragen. Het is een beeld van een stad en haar
inwoners dat vanuit de mensen zelf is ontstaan, van onderop. Vergelijk daar eens
mee ‘Tilburg moderne industriestad’, dat iedereen meteen herkent als onecht, een
slappe bedoening. Zo’n kreet, overigens inmiddels al niet meer gebruikt, miskent
het grote kapitaal van Tilburg, en dat is de Tilburgse mens zelf, gesymboliseerd
door dat eenvoudige zeikerige manneke. Uit de mensen zelf ontstaan en daarmee
een prachtig voorbeeld van de inborst van de Tilburger.
Burgemeester start discussie
En toen kwam burgemeester Vreeman de nieuwlichter uithangen. Op de voorpagina
van het Brabants Dagblad verscheen het bericht dat wat hem betreft Tilburg hard
toe is aan een andere icoon. De Kruikezeiker mocht wat hem betreft wel worden
afgeschaft. Het feit dat dit bericht op de voorpagina stond, dat de halve stad
over hem heen viel, dat de burgemeester hatemails kreeg waar de honden geen
brood van lusten, dat zijn uitspraak landelijk nieuws was, dat alles geeft wel
aan hoe sterk de Kruikezeiker beleefd wordt. Het is een heel erg gemakkelijke
vergelijking, dat geef ik toe, maar ik zie zo’n volksopstand echt niet gebeuren
als Vreeman hetzelfde gezegd zou hebben van ‘moderne industriestad’. Maar nu
kreeg hij te maken met een stormloop op het koninklijk paleis. Ik weet dat de
uitspraak van burgemeester Vreeman uit zijn verband is gerukt, dat hij het heeft
gezegd in een andere context. Ik weet ook dat hij zijn verschrikkelijke best
doet deze merkwaardige stad te leren kennen en de dito inwoners te doorgronden.
Ofschoon ik een verklaard voorstander ben van de icoon van de Kruikezeiker, ben
ik tegelijkertijd blij dat hij de Kruikezeiker ter discussie heeft gesteld. Zijn
voorzet biedt ons namelijk de gelegenheid na te denken over wie we zijn, waar we
vandaan komen en niet in de laatste plaats waar de Tilburgers heengaan. Omdat de
Kruikezeiker de identiteit van de Tilburger uitdrukt, biedt een discussie over
dit fenomeen de kans om eens naar onszelf te kijken, onszelf te analyseren,
kritisch een blik om ons heen te werpen.

Burgmeester Ruud Vreeman in
discussie op het Kruikezeikersdebat in het Nederlands
Textielmuseum op 23 januari 2005. (Foto Joep Vogels, NTM).
Dat is hard nodig, juist nu. Niet omdat ik in de binnenstad zo’n akelige Jan
Saliegeest ontwaar. Niet omdat er de laatste tijd zo weinig spraakmakends
gebeurt in Tilburg. Niet omdat het kaduke asfalt op de Ringbanen mij soms het
beeld geeft van een oostblokland. Wel vanwege de ontwikkeling die Tilburg de
laatste 50 jaar heeft meegemaakt, vanwege de periode waarin de stad nu verzeild
is geraakt en vanwege de toekomst van de zesde stad van het land en haar 200.000
inwoners. Nu 41 jaar geleden vestigden zich de eerste twaalf gastarbeiders in
Tilburg. Turken, en ofschoon we al de eigen Gurkese Turken kenden, liep de stad
uit toen ze in oktober 1963 met de harmonie op het station werden verwelkomd.
Spoedig waren het er honderden, duizenden, Turken, Marokkanen, Grieken,
Spanjaarden, Italianen, Joegoslaven. Voeg daar in de volgende jaren
vluchtelingen en andere inwijkelingen bij en we zien nu een stad van 200.000
inwoners van wie er rond de 30.000 een allochtone achtergrond hebben.
Ter vergelijking: toen die eerste twaalf Turken kwamen, woonden in Tilburg circa
300 veemdelingen, de meeste nog Bèlze ook. Alleen al deze getallen geven
feilloos aan hoezeer Tilburg is veranderd. Laat ik, louter om de veranderingen
te benadrukken, nog wat verschillen geven. Toen, toen die eerste gastarbeiders
kwamen, kende Tilburg nog een Driekoningenstoet en een Sacramentsprocessie.
Openbaar carnaval was verboden. Een carnavalsoptocht kenden we nog niet. Tilburg
was nog een textielstad met een katholieke monocultuur, een naar binnen
gerichte stad. Met protestanten speelde je niet en andere religies dan het
christendom waren zo goed als onbekend en, waren ze bekend, dan was dat uit de
spannende missieverhalen van de Rooi Harten.
Kruikezeiker in mondiale stad
En kijk nu eens om je heen en zie een mondiale stad, die met een aantal alles
bepalende grootheden uit het verleden radicaal heeft gebroken. Deze gigantische
verandering, die groter is geweest dan de Franse revolutie of de Reformatie,
heeft zich vrijwel zonder slag of stoot voltrokken. Dit vaststellen is een groot
compliment voor de Tilburgers en ik bedoel álle Tilburgers, autochtoon en
allochtoon. Zonder slag of stoot zo’n revolutie ondergaan. In andere delen van
de wereld zouden ze elkaar het kot uitgevochten hebben. Ik voel me een
bevoorrecht mens dat ik getuige mag zijn van deze ontwikkelingen binnen een
eenvoudige Brabantse stad, de schonste stad, de stad van de Kruikezeikers. Ook
deze stad, mondiaal als ze is, beleeft op dit moment een moeilijke tijd. De
situatie noopt tot de vaststelling dat we vooruit moeten, samen bouwen aan een
toekomst. Maar, autochtonen en allochtonen, we leven wel samen, al 41 jaar, maar
we kennen elkaar niet eens. Hoe kun je dan samen bouwen aan een toekomst. Dan is
er helaas geen toekomst. Om dit tij te keren zijn veel oplossingen mogelijk. Ik
wil de Kruikezeiker in stelling brengen.
Onder deze omstandigheden zijn symbolen die de identiteit laten zien of
benadrukken heel erg hard nodig. Sterker, je kunt niet zonder. Deze helpen jou
te laten zien wie je bent, wat jouw cultuur is, wat voor wortels je hebt. Als je
je eigen eigenheid kent, sta je sterk genoeg om je open te stellen voor andere
culturen, denkbeelden, religies of wat dan ook. Dan ben je niet bang, met dank
aan de Kruikezeiker. Het is dan ook niet slim (zacht uitgedrukt) om onder deze
omstandigheden de Tilburgers hun belangrijkste symbool af te nemen. Er ís al
zoveel verdwenen, er ís nog maar zo weinig over. De Kruikezeiker is een van de
weinige dingen waarmee de Tilburgers hun geschiedenis uitdragen. In deze
ontwikkeling is het heel opmerkelijk dat de Kruikezeiker is blijven bestaan.
Heel veel is achteloos op de vuilnisbelt van geschiedenis en volkscultuur
geworpen, maar dit lot is de Kruikezeiker bespaard gebleven. En dat hebben we
écht niet alleen aan het carnaval te danken. Het is inderdaad zo dat het
carnaval tot op de dag van vandaag dit fenomeen een belangrijke impuls geeft,
maar ook voor de niet-carnavallers (veruit het grootste aantal Tilburgers) is de
Kruikezeiker het symbool waarmee men zich identificeert.
Vraag je een Tilburger wat hij dan precies heeft met de Kruikezeiker, dan zal
hij daar niet altijd een antwoord op kunnen geven. Dat komt doordat identiteit
een gevoel is dat zich heel moeilijk in woorden laat vangen. Een Tilburger zegt
dan: ‘Ik zèè ne krèùk.’ De Kruikezeiker heeft deze plaats in het hart van de
Tilburgers veroverd zonder slimme reclamecampagne, zonder drang of dwang. Dat
komt doordat de Kruikezeiker de Tilburger zelf is.
.jpg)
Carnavalsvierders rond het
beeld van de Kruikezeiker op de Heuvel in de jaren zeventig
van de vorige eeuw. (Coll. Archief Carnavalsstichting, RA Tilburg).
Sleutel voor de toekomst
Breek daarom de Kruikezeiker niet af, maar omarm hem, spreek hem
vriendschappelijk toe, sla een arm rond zijn schouder, geef hem een kus op zijn
voorhoofd, knik hem bemoedigend toe, steun hem, luister naar hem, geef hem een
hand, wees aardig en begripvol, want deze icoon is een sleutel voor de toekomst
van onze stad. Omdat in de Kruikezeiker zoveel besloten ligt, helpt hij ons
vanuit het verleden de stap naar de toekomst te zetten. Een gezamenlijke
toekomst. Daarom staan op de schoorsteenmantel van een huis in Tilburg twee
beeldjes van de Kruikezeiker. Daar woont een Marokkaans-Tilburgs echtpaar, al
meer dan 30 jaar gelukkig getrouwd. Voor hen drukt de Kruikezeiker identiteit
uit. De Kruikezeiker als bruggenbouwer. Zij noemen zich èchte Krèùke.
* Lezing gehouden tijdens het Kruikezeikersdebat tijdens de Achtste
Kruikezeikersdag van het Nederlands Textielmuseum in Tilburg op 23 januari 2005.
** Paul Spapens is journalist bij het Brabants
Dagblad en publicist over met name volkscultuur. Hij is voorzitter van de
Stichting Tilburgse Taol. Samen met Henk van Doremalen schreef hij het boek ‘Kruikezeikers,
mythe en werkelijkheid van een Tilburgs fenomeen’ (2004).




