Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
580. Tilburg, stad met een agrarisch verleden
 

Titel:   

Tilburg, stad met een agrarisch verleden

Ondertitel:   

Auteur:   

Rob van Putten

Jaargang:   

XXI (2003) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

2

Pagina’ s:   

47-61


Terwijl Tilburg zich – al dan niet terecht - afficheert als ‘moderne industriestad’, als ‘onderwijsstad’ en als ‘wijnstad’, mogen we niet vergeten dat Tilburg in de vroege Middeleeuwen is ontstaan als agrarische nederzetting. In de zeventiende eeuw was Tilburg nog voor een groot deel agrarisch.(1) Bovendien: de wollenstoffenindustrie die Tilburg groot maakte, had haar wortels in de landbouw. Immers, de huisnijverheid die aan het eind van de achttiende eeuw culmineerde in de industriële productie van wollen stoffen, begon ooit als nevenactiviteit van de landbouw. 

De schapen die op de heide graasden, leverden niet alleen wol, de uitwerpselen waren, vermengd met heideplaggen, onontbeerlijk voor de bemesting van de schrale akkers. Hoewel de wol voor de prille industrie al snel van elders werd aangevoerd, en de grote schaapskudden met de heidevelden verdwenen, bleef het boerenbedrijf nog heel lang een bron van bestaan voor veel Tilburgers. Tot in de twintigste eeuw kende Tilburg een aanzienlijke boerenstand, en nog zijn de sporen daarvan in het stadsbeeld te zien.

Zelfs binnen de ringbanen zijn boerderijen nog de stille getuigen van ons agrarisch verleden. Zij vertegenwoordigen niet alleen een grote cultuurhistorische waarde, ze kunnen ook uit architectuurhistorisch oogpunt van belang zijn. Vooral in het buitengebied van Tilburg (2) kunnen we nu nog tal van boerderijen aantreffen, waarvan er een aantal nog steeds in bedrijf is. Maar omdat Tilburg tot aan het begin van de twintigste eeuw een zeer diffuse bebouwing kende, zijn ook in de bebouwde kom nog veel relicten van agrarische activiteiten aanwezig. Soms is de vroegere functie nog duidelijk herkenbaar, dikwijls echter blijft deze verborgen voor het ongeoefend oog. 
Onder meer door de uitvoering van het Algemeen Uitbreidingsplan van Rückert uit 1917 raakten na 1920 veel open ruimten tussen de oude woonkernen snel volgebouwd, waardoor tal van boerenbedrijven ingesloten raakten.(3) Toen het voeren van een landbouwbedrijf in de bebouwde kom onmogelijk werd, maakten sommige landbouwers van de nood een deugd, en begonnen een transportbedrijf of een handel in steenkolen. Zij beschikten immers gewoonlijk over grote percelen achter hun huis, terwijl stal en schuur dienst konden doen voor de opslag van allerlei goederen. Factoren die hierbij ongetwijfeld mede een rol hebben gespeeld, zijn de opkomst van de vrachtauto als transportmiddel en het gereedkomen van het Wilhelminakanaal in 1923, waardoor de behoefte aan lokaal vervoer sterk toenam.(4) 

J.H. Verhoeven, die een boerderij had op het Hasseltplein 6, ploegt hier 
zijn akker aan de Reitse Hoevenstraat. Op de achtergrond de eerste 
flats van Tilburg aan de Ringbaan West. Foto 1959 (coll. RHC Tilburg).


In dit artikel willen we de lezer een blik gunnen in het agrarisch verleden van onze stad. We beginnen daarom met een schets van Tilburg als agrarische gemeenschap. Hierbij schenken we ook aandacht aan de bouw van boerderijen. Vervolgens geven we een korte beschrijving van een aantal boerderijen in Tilburg die vanwege hun bijzondere cultuurhistorische of architectuurhistorische waarde aangewezen zijn (of worden) als monument. Daarnaast schenken we enige aandacht aan enkele bijzondere boerderijen die helaas gesloopt zijn. We besluiten tens lotte met een overzicht van alle boerderijen of restanten daarvan die we nog binnen de ringbanen kunnen aantreffen, alsmede van alle binnen de ringbanen gelegen boerderijen die sinds 1945 zijn gesloopt.


Tilburg als agrarisch dorp

Uit tal van archeologische vondsten blijkt dat het gebied waarin Tilburg ligt reeds tijdens het Mesolithicum (de middensteentijd, ca. 5000-6000 v.C.) bewoond was. Voorts zijn bewoningssporen gevonden uit de ijzertijd, de Romeinse tijd en de vroege Middeleeuwen. De eerste landbouwers die zich in onze streken vestigden, gebruikten de hogergelegen gronden langs de beekdalen voor akkerbouw; de vochtige beekdalen dienden voor het weiden van vee.
In de late Middeleeuwen (1050-1500) was de bevolking van Tilburg in hoofdzaak geconcentreerd in een aantal bewoningskernen (‘herdgangen’) zoals [Kerk &] Heuvel (het latere bestuurlijk en kerkelijk centrum), Veldhoven, Hasselt, Reit, Korvel, Oerle en Loven.(5) Tussen de bewoonde kernen lagen open akkercomplexen en woeste grond. Daarnaast was er enige bewoning langs de verbindingswegen tussen de bewoningskernen en langs de wegen die leidden naar de verder afgelegen akkercomplexen en beemden. Voorbeelden van deze ‘straatnederzettingen’ zijn de (Reitse) Hoeven, Stokhasselt, Kraaiven, Rugdijk, Quirijnstok en Berkdijk.
Vanaf omstreeks het jaar 1000 werden door kloosters en adellijke grootgrondbezitters geďsoleerd gelegen hoeven gebouwd, die als basis dienden voor de ontginning van woeste gronden. Deze hoeven duidt men aan met de term Einzelhöfe.(6) Door latere splitsing konden hieruit kleine nederzettingen ontstaan. (Mogelijke) voorbeelden in Tilburg zijn de gehuchten Enthoven, de Kouwenberg, Vijfhuizen en Broekhoven.


Lintbebouwing aan de Hoeven (thans Reitse Hoevenstraat) op een 
manuscriptkaartje van de landmeter Diederik Zijnen uit 1759. 
De weg die vanuit middenonder naar boven loopt, komt uit bij 
de Tongerlose Hoef (coll. RHC Tilburg).


De boerderij

Het in onze streken meest voorkomende type boerderij is de langgevelboerderij. Bij dit type zijn zowel de ingang van het woongedeelte als de toegangen tot het bedrijfsgedeelte aangebracht in een van beide lange zijgevels. De langgevelboerderij heeft zich in de loop der eeuwen geleidelijk aan ontwikkeld uit het hallenhuis, waarvan het Twentse ‘los hoes’ als oervorm wordt beschouwd. 
Kenmerkend voor het hallenhuis is dat woon- en bedrijfsgedeelte zich onder één dak bevinden, en dat het dak niet door de muren gedragen wordt, maar door een houtskelet, bestaande uit een aantal gebinten. Een gebint, gewoonlijk gemaakt van zware eiken balken, bestaat in principe uit twee verticale stijlen die onderling verbonden zijn door een horizontale balk. Naar de wijze van bevestiging spreekt men wel van een ankerbalkgebint. De stijlen steunden op ‘poeren’ die waren gemetseld of waarvoor veldkeien werden gebruikt. Via de koppen van de stijlen waren de gebinten onderling met elkaar verbonden door ‘gebintplaten’. Op het gebint werd vervolgens de kap geplaatst. Van de gebintplaten naar de nok liepen dunne houten balken, de ‘sporen’. Deze sporen, die in de nok samenkwamen, waren twee aan twee met elkaar verbonden door een dwarsbalk, de ‘hanenbalk’. Hierdoor ontstond er een spant in de vorm van de letter ‘A’. Aan de sporen werden vervolgens horizontale latten bevestigd die de dakbedekking moesten ondersteunen.
Het meest voorkomende type dak was het zadeldak, gewoonlijk voorzien van een wolf(s)eind (zie figuur). Als dakbedekking gebruikte men riet, soms ook het goedkopere roggestro. Later zien we dikwijls daken waarvan het onderste deel van het dakvlak met pannen is gedekt (zie foto boerderij Oud-Lovenstraat 2). Nadat het dak gereed was, werden tot slot de wanden aangebracht. Deze bestonden uit een raamwerk (‘vakwerk’) van horizontale en verticale latten, waartussen een vlechtwerk (‘vitselstek’) van wilgentenen werd aangebracht, aan weerszijden bestreken met een mengsel van leem, fijngehakt stro en soms ook koemest. Ook werden er van leem stenen gevormd, die men in de zon liet drogen. Deze zogeheten ‘zonnestenen’ werden met kalkzandspecie gemetseld.

Van boven naar beneden respectievelijk zadeldak, voorzien van 
een wolf(s)eind, en een mansardekap (tekening Rob van Putten).


Hoewel de toepassing van gebakken klei als bouwmateriaal reeds bij de Romeinen bekend was, ging deze techniek na het vertrek van de Romeinen uit ons land rond het jaar 400 verloren. Pas omstreeks de dertiende eeuw werden er in ons land weer stenen gebakken, waarschijnlijk het eerst weer door kloosterorden. Het bakken van stenen geschiedde eeuwenlang in zogeheten ‘veldovens’.(7) De fabrieksmatige productie van bakstenen kwam – althans in onze streken - pas in de loop van de negentiende eeuw op gang.(8)

Als gevolg van bovengenoemde constructiewijze ontstond er een in de lengterichting driebeukig gebouw, met een brede middenbeuk tussen de verticale gebintstijlen en twee smalle zijbeuken tussen de stijlen en de buitenwanden. Aanvankelijk bevonden de voordeur en het raam van ‘den herd’ (het voornaamste woonvertrek, waarin de schouw) zich in de voorgevel. Toen er behoefte ontstond aan meer woonruimte, vond vergroting van het woongedeelte in eerste instantie plaats door een (tweebeukige) uitbouw aan de voorzijde. We spreken dan van een ‘hoekgevelboerderij’. Een fraai voorbeeld hiervan is de ‘Tongerlose Hoef’ aan de Reitse Hoevenstraat.(9) 
Later vond er een verdere uitbreiding plaats door verlenging van het woongedeelte met een travee (10) aan de voorzijde. De ‘voordeur’ en het raam van de herd verhuisden toen naar de zijgevel.

Het woongedeelte van een boerderij bestond in het algemeen uit de herd met de schouw, de geut (spoelkeuken), de ‘opkamer’ met daaronder de kelder, de ‘goei’ kamer, soms nog een andere vertrek en enkele alkoven. Woon- en bedrijfsgedeelte waren van elkaar gescheiden door een zogeheten brandmuur. Het bedrijfsgedeelte bestond in het algemeen uit de stal, de deel (dorsvloer) en de tas (opslag van hooi en graan). Daarnaast beschikte de boerderij meestal nog over een karschop. De boeren bakten hun eigen brood; aanvankelijk binnenshuis, later gebeurde dat in een speciaal bakhuis op het erf.

Vanaf omstreeks het midden van de achttiende eeuw is er een geleidelijke toename in het gebruik van baksteen.(11) De hoge kosten ervan belemmerden echter een snelle invoering op grotere schaal; de verstening zette pas goed door toen machinaal vervaardigde bakstenen goedkoop beschikbaar kwamen. Bovendien betekende het gebruik van baksteen voor muren niet dat men het voortaan zonder gebinten kon stellen. Zeker voor het bedrijfsgedeelte bleven de gebinten noodzakelijk omdat de overspanning te groot was, en binnenmuren om praktische redenen niet toegepast konden worden.(12) Pas toen de toepassing van baksteen gemeengoed was geworden, ging men ertoe over om dragende muren te construeren. Door het verdwijnen van de zijbeuken werden de boerderijen smaller, maar ook aanzienlijk hoger. We kunnen dit verschil duidelijk waarnemen wanneer we boerderijen uit de achttiende eeuw vergelijken met die uit het eind van de negentiende eeuw.


Schuren

Omdat de ruimte op de boerderij vaak beperkt was, bouwde men losse schuren voor de opslag van graan en hooi, waarin ook gedorst kon worden. Aanvankelijk hadden deze schuren een deel die haaks stond op de lengterichting (‘dwarsdeelschuur’). Later verschijnt er in onze streken meer en meer een schuurtype met de deel aan een van de lange zijden van de schuur, de zogeheten ‘Vlaamse schuur’. Dit schuurtype komt nog veelvuldig voor op het Brabantse platteland. De tiendschuur van de Tongerlose Hoef is een fraai voorbeeld van een Vlaamse schuur.


De potstal

Volgens de gangbare opvatting werd vanaf de late Middeleeuwen in Brabant potstalbemesting toegepast om de vruchtbaarheid van de schrale zandgronden te vergroten. In de uitgediepte (ca. 1 meter) potstal stonden de koeien in hun eigen (dunvloeibare) mest. Dagelijks werden hieraan stro, heideplaggen en ander plantaardig materiaal toegevoegd. Als gevolg van het vertrappen door het vee ontstond hieruit een compacte massa, die enkele malen per jaar op het land werd gebracht. Dit beeld is echter aan herziening toe, zoals blijkt uit een recent verschenen artikel in Brabants Heem.(13) De auteur somt hierin een aantal argumenten op die aannemelijk maken dat het gebruik van de potstal mogelijk pas dateert van omstreeks het midden van de achttiende eeuw.(14) Ook de ophoging van de esdekken, die gewoonlijk in nauwe relatie wordt gebracht met eeuwenlange potstalbemesting, zou vooral in de negentiende eeuw hebben plaatsgevonden. Dit alles laat onverlet, dat mest een noodzakelijk ingrediënt was om tot een redelijke opbrengst aan veldvruchten te komen. 


Van akkerbouw naar veeteelt

De boeren in onze streken oefenden een gemengd bedrijf uit, waarbij de veeteelt - in verband met de mestproductie - noodzakelijkerwijs in dienst stond van de akkerbouw. Aan het eind van de negentiende eeuw trad er echter een belangrijke accentverschuiving op door de overschakeling van akkerbouw naar veeteelt. De oorzaak hiervan was gelegen in de landbouwcrisis die rond 1870 ontstond als gevolg van de massale import van goedkoop graan uit de Verenigde Staten. In plaats van rogge, aardappelen, haver en boekweit, werden daardoor melk, en in het bijzonder boter, de voornaamste handelsproducten. Een deel van de akkers kwam toen in gebruik voor de teelt van voedergewassen zoals voederbieten (‘mangelpeeën’), rode klaver en spurrie.
Een tweede belangrijke verandering in de wijze van bedrijfsvoering was het gevolg van de introductie van kunstmest aan het begin van de twintigste eeuw. Het ‘oppotten’ van mest werd daardoor minder belangrijk, en de potstal maakte plaats voor de ‘grupstal’. In dit staltype wordt de mest opgevangen in een goot (‘grup’). Een bijkomend voordeel was dat in de grupstal de hygiënische omstandigheden stukken beter waren dan in de potstal. Tijdens het melken werd de kans op verontreiniging met mest aanzienlijk verkleind, hetgeen weer ten goede kwam aan de kwaliteit van de melk en de boter.


De moderne boerderij

Vanaf het eind van de negentiende eeuw zien we steeds vaker langgevelboerderijen gebouwd worden met een met pannen gedekt zadeldak tussen puntgevels. Zadeldaken met een wolfeind die zo karakteristiek zijn voor boerderijen, worden vanaf die tijd steeds minder toegepast. Ook het gebruik van riet als dakbedekking neemt sterk af, ten gunste van dakpannen. Tegelijkertijd ontstaat er ook een ander boerderijtype, bestaande uit een afzonderlijk woonhuis met daarachter (al dan niet vrijstaand) een stal en een of meer schuren. Het woonhuis had daarbij meestal een gevelindeling die niet of nauwelijks afweek van die van de omliggende woningen, zodat het vanaf de straatzijde niet onmiddellijk als boerenbedrijf herkend werd. Alleen de aanwezigheid van een brede poort verraadde dikwijls de bijzondere functie. Dikwijls waren deze huizen voorzien van een mansardekap (zie figuur), een dakvorm die vanaf het eind van de negentiende eeuw veel werd toegepast. Ook worden langgevelboerderijen gebouwd met een mansardekap.

Omdat boerderijen primair bedrijfsgebouwen waren (en zijn), hadden ze in het algemeen een vrij sobere uitstraling. Vanaf het eind van de negentiende eeuw treden echter allerlei decoratieve elementen op onder invloed van de bouwstijl die men aanduidt als het eclecticisme, een stijl waarin vormen van vroegere bouwstijlen met elkaar gecombineerd worden tot een nieuw geheel. Ongetwijfeld heeft het feit dat de overgang van akkerbouw naar veeteelt de boeren wat kapitaalkrachtiger maakte, hierbij een rol gespeeld. De boer wordt nu ondernemer die representatief wil wonen en werken.
Boerderijen krijgen fraai uitgevoerde gootlijsten, gevels met gepleisterde plint (stootlijst aan de onderzijde van een gevel) en fries (horizontale band aan de bovenzijde van een muurvlak) en hardstenen lekdorpels onder de kozijnen. Soms zijn de gevels versierd met gekleurde banden (wit, geel) van strengperssteen (‘verblendsteen’) (zie bijvoorbeeld Oude Hilvarenbeekseweg 38).


Landgebruik en omvang van de boerenbevolking

In 1832 bedroeg de totale oppervlakte van Tilburg 7704 ha. Hiervan was 1923 ha bouwland en 838 ha wei- en hooiland (samen bijna 36% van het totaal). Aan heide was er nog 3729 ha (48% van het totaal).(15)
In 1879 telde Tilburg 28.390 inwoners; de oppervlakte bedroeg ruim 7950 ha, waarvan 1975 ha bouwland en 1282 ha wei- en hooiland.(16) Volgens het adresboek waren er in dat jaar 262 landbouwers en 18 ‘landbouwsters’ (die na het overlijden van hun echtgenoot het bedrijf hadden voortgezet). Sommige landbouwers oefenden tevens een ander (hoofd- of neven)beroep uit: steenfabrikant (drie maal), steenbakker (twee maal), herbergier (vijfmaal) en koopman in steenkolen (twee maal). Eén landbouwster oefende tevens het beroep van ‘voerman’ uit.

In 1900 waren er in Tilburg 290 landbouwers die samen over 666 paarden en 1836 runderen beschikten. De oppervlakte aan bouwland en wei- en hooiland bedroeg in dat jaar respectievelijk 2297 ha en 1375 ha. Uit onderstaande tabel blijkt dat de meeste boeren tussen de 5 en 10 ha aan bouw- en weiland in gebruik hadden.(17) 

Zoals uit onderstaande tabel blijkt, bleef het aantal landbouwers tussen 1879 en 1911 redelijk constant. Vervolgens zien we tussen 1911 en 1934 een sterke toename. Na de Tweede Wereldoorlog neemt het aantal weer geleidelijk af.

Aantal landbouwers in Tilburg tussen 1879 en 1958 (18)

1879 1900  1911  1919 1934 1948 1958
280 290 286 316  360  332 309

 

grondbezit  eigenaren  pachters  totaal
1-5 ha 34 33 67
5-10 ha 142 42 184
10-15 ha 24 10 34
15-20 ha 5   5
totaal 205 85  


Na 1958 vermindert het aantal landbouwers in rap tempo.(19) Dit is voornamelijk het gevolg van de voortdurende stadsuitbreidingen tussen 1955 en 1970: Berkdijk, ’t Zand, de Reit, industrieterrein Kraaiven, industrieterrein Loven, Heikant, Stokhasselt en Quirijnstok. Na 1970 komen daar nog bij: Groenewoud, industrieterrein het Laar en de Blaak. Door de onteigening van hun grond waren de boeren gedwongen om hun bedrijf te staken of elders opnieuw te beginnen. Sommigen van hen verplaatsten hun bedrijf naar de buitengebieden van de stad, maar de meesten trokken naar andere gemeenten zoals Goirle, Hilvarenbeek, Berkel-Enschot en Udenhout.

Anno 2003 telt Tilburg (zonder Berkel-Enschot, Udenhout en Hulten) nog een tiental volwaardige landbouwbedrijven met daarnaast enkele tientallen bedrijven die in de afbouwfase zitten, of in deeltijd werkzaam zijn.(20)

Boerderijen als monument

Onderstaande boerderijen komen voor op de rijks- of gemeentelijke monumentenlijst, of zullen daar binnenkort op geplaatst worden. 

Oude Hilvarenbeekseweg 38. Rijksmonument
Deze langgevelboerderij op de hoek van de Oude Hilvarenbeekseweg (21) en de Duifstraat werd in 1912 gebouwd voor de familie Paulusse naar een ontwerp van de Tilburgse architect Jos Donders.(22) Het linkerdeel van het pand omvat het woonhuis, in het rechterdeel bevond zich de koestal. Rechts van de voordeur bevindt zich een gevelsteen met opschrift ‘Ant. Paulusse / 23-2-1912’. Het zadeldak is gedekt met zwarte kruispannen, met uitzondering van een deel van het dak van de stal dat aan de voorzijde is gedekt met romaanse pannen.
Bij het complex behoren verder een varkensstal annex schuur met bakhuis (1912), waarvan de inpandige oven thans verdwenen is, en een uit de tweede helft van de negentiende eeuw daterende karnmolen. Deze karnmolen die diende voor het karnen van melk tot boter, behoorde bij de boerderij die vroeger op dezelfde locatie stond en die in verband met de nieuwbouw werd gesloopt. Uniek voor ons land is dat deze karnmolen werd aangedreven door een koe, en niet - zoals gebruikelijk - door een paard of hond. Een dergelijk type karnmolen is slechts bekend uit West-Vlaanderen. De achtkantige gecementeerde en gewitte bakstenen karnmolen heeft een kegelvormig rieten dak met een gecementeerde top. Vanaf ca. 1920 was de karnmolen in gebruik als paardenstal.

Oude Hilvarenbeekseweg 38, rijksmonument, 1985. Rechts van de boerderij 
de negentiende-eeuwse karnmolen (coll. RHC Tilburg).


Reitse Hoevenstraat 129. Rijksmonument
De Tongerlose-Hoef is een voormalige boerderij van de abdij van Tongerlo, die vanaf het begin van de dertiende eeuw het patronaatsrecht van de kerk van Tilburg had. De betalingen aan de abdij geschiedden in natura: een tiende deel van de oogst was voor de abdij. De ‘tienden’ werden opgeslagen in een zogeheten ‘tiendschuur’ of ‘spijker’ (van Latijn spicarium = voorraadschuur).(23) 
De Tongerlose Hoef wordt voor het eerst vermeld in 1334; de huidige hoeve dateert uit de zeventiende eeuw. Bij het complex behoorden een tiendschuur, een karschop, een bakhuis en een schaapskooi.(24) Vanwege de bijzondere functie beschikte de hoeve over een kamer voor de vertegenwoordiger van de abdij (zie noot 8).
De hoeve bleef in het bezit van de abdij tot de opheffing ervan in 1795. Norbert Schoffers werd toen de nieuwe eigenaar. In 1802 was Nicolaas Kolen pachter van de hoeve, en in 1838 kwam de hoeve in het bezit van de familie Kolen. In 1955 werd het complex van de Tongerlose Hoef door de gemeente Tilburg gekocht in verband met de voorgenomen sloop. Na de koop bleek de boerderij echter op de voorlopige monumentenlijst te staan, zodat voor sloop een speciale ministeriële toestemming vereist was. Men besloot daarop tot restauratie.(25) Na veel geharrewar werd het complex uiteindelijk in 1969 gerestaureerd op inititatief van het Tilburgs studentencorps ‘St. Olof’ en prof. dr. H.F.J.M. van den Eerenbeemt.(26) Thans is het complex in gebruik als activiteitencentrum van de Zwijsenstichting, een instelling voor verstandelijk gehandicapten.

De Tongerlose Hoef aan de Reitse Hoevenstraat 129, rijksmonument, 
2003 (foto gemeente Tilburg, Beleidsontwikkeling, team ABC, M. Lemmers).


Hasseltstraat 256 (Kasteelhoeve). Rijksmonument
Deze haaks op de rooilijn staande langgevelboerderij met bijgebouwen dateert van vňňr 1737. In de jaren 1973/74 is het in zeer bouwvallige staat verkerende complex geheel gerestaureerd; sindsdien fungeert het als wijkcentrum. De boerderij heeft een rieten zadeldak tussen puntgevels. Dat de bouwheer (in casu de heer vanTilburg en Goirle) van dit complex een vermogend man was, blijkt wel uit het feit dat de boerderij geheel uit baksteen is opgetrokken, en dat de kapconstructie niet van inlands eikenhout is, maar van grenenhout, dat geďmporteerd moest worden uit Scandinavië. Bijzonder is verder dat de boerderij reeds dragende muren heeft. Hierop liggen zware grenen moerbinten van 40 bij 50 centimeter die de kap dragen.(27) 
Het grootste deel van de boerderij werd in beslag genomen door de stal. Tot omstreeks 1915 was dit een potstal, waarin het vee haaks op de gevel stond. In beide langgevels bevonden zich staldeuren, waardoor het in- en uitrijden van de mestkar aanzienlijk vergemakkelijkt werd.
Op de plaats van de vroegere schuur is een nieuwe schuur gebouwd met gebinten van inlands eikenhout. De wanden bestaan uit gepotdekselde houten delen op bakstenen voet. De schuur is gedekt door een hoog rieten schilddak.
Bij het complex behoren verder nog een bakhuisje en een waterput. In verband met de gewijzigde functie van de boerderij is de oostzijde voorzien van een aanbouw, waarvan het dak is gedekt met pannen.


Reitse Hoevenstraat 32. Rijksmonument
Het complex dat thans bekendstaat als ‘de Oliemolen’ is gebouwd omstreeks 1770 door de president-schepen van Tilburg, Cornelis Bles.(28) 
Dit langgerekte bedrijfspand met pannen schilddak is tot omstreeks 1880 in gebruik geweest als rosoliemolen.(29) De oudst bekende olieslager was Jan van Pelt.(30) Omdat het slaan van olie geen dagtaak was, oefende hij daarnaast het beroep van landbouwer uit. Vanaf 1824 werd de molen bewoond door olieslager en landbouwer Jan Teurlings. In 1880 vraagt Francis Antonie Teurlings een hinderwetvergunning aan voor de oprichting van een windmolen ten behoeve van een olieslagerij.(31) Het gedeelte waar de rosoliemolen stond, werd toen verbouwd tot afzonderlijk woonhuis, het andere deel bleef in gebruik als boerderij.(32) Na 1920 werd het gebouw verkocht aan de congregatie van Mill Hill.(33) In 1979 werd de Oliemolen gerstaureerd, waarna het pand in gebruik werd genomen als oudheidkundig centrum. Thans is er een reptielenhuis in gevestigd.

De Oliemeulen Reitse Hoevenstraat 32 (1979, coll. RHCT).

Oud-Lovenstraat 2-2a. Rijksmonument
Langgevelboerderij met een met riet en pannen gedekt wolfdak, gebouwd omstreeks 1735. Tot circa 1980 is ze in het bezit geweest van de landbouwersfamilie Van Iersel. Bij de boerderij behoort nog een 19e-eeuws stenen bakhuis onder een pannen wolfdak (genummerd Oud-Lovenstraat 2a).(34) 

Oud Lovenstraat 2-21, rijksmonument, jaren zeventig 
(coll. RHC Tilburg).


Rugdijk 5. Rijksmonument
Langgevelboerderij met een rieten wolfdak uit het begin van de negentiende eeuw. Rugdijk 12 is een met riet gedekte boerderij met jaarankers uit 1736.

Rugdijk 5 (2003, foto Rob van Putten)


St. Josephstraat 51. Rijksmonument
Deze langgevelboerderij is gebouwd in 1871 ter vervanging van een oudere hoeve. Het is de enige boerderij binnen de ringbanen die nog in bedrijf is, hoewel het ingevolge de hinderwet niet meer is toegestaan om hier vee te houden. In 1912 vond er een verbouwing plaats, waarbij aan de achterzijde een ‘melkkamer’ (een ruimte waar de melk tijdelijk gekoeld kon worden opgeslagen) werd aangebouwd. Tevens vonden er inwendig enkele wijzigingen plaats. De gevels zijn opgetrokken uit handgevormde stenen en op het zadeldak liggen zwarte Oudhollandse pannen. Rechts van de deur is een hardstenen gevelsteen ingemetseld met de tekst: ‘H. v. Roessel 1871’.
Bij de boerderij behoren nog een bakhuis annex koetshuis en een gemetselde waterput. De oorspronkelijke schuur ging bij een brand in 1975 verloren.

St. Josephstraat 51 (1976, coll. RHCT).


Bokhamerstraat 13. Rijksmonument
Dit pand wordt omschreven als een 18e-eeuwse boerderij. Het pand heeft een rieten wolfdak en een gepleisterde voorgevel. De achterwand is van hout. De schuur heeft nog een schouw. 
Waarschijnlijk betreft het hier geen boerderij, maar een voormalig wevershuis, waar ook enkele stuks vee werden gehouden.(35) (Hetzelfde geldt overigens voor het pand Moerstraat 7-9 dat eveneens als boerderij voorkomt op de monumentenlijst.)

Bokhamerstraat 13 (1986, coll. RHCT).


Broekstraat 6. Toekomstig gemeentelijk monument
Vrijstaande boerderij met rieten wolfdak daterend uit de achttiende eeuw. Op beide zijgevels bevinden zich muurankers; op de linkergevel o.a. in de vorm van het jaartal ‘1747’. De bijgebouwen, die van latere datum zijn, hebben vrijwel alle een zadeldak, gedekt met pannen. Dit pand is een gaaf voorbeeld van een achttiende-eeuwse boerderij. Bijzonder is verder dat het is gelegen aan een klein driehoekig plein nabij een kruising van wegen. De combinatie met de boerderij Broekstraat 8 (een toekomstig rijksmonument) geeft de boerderij ensemblewaarde.

Broekstraat 8. Toekomstig rijksmonument
Deze met riet gedekte boerderij is gebouwd in 1711. Mogelijk is de boerderij van nog oudere datum, want de fundering (de poeren van de gebinten) bestaat uit grote stenen, die gemetseld zijn met een specie van kalk en roggemeel.

Broekstraat 6-8 (2003, foto Rob van Putten).


Dussenpad 1-3. Rijksmonument
Landhuis ‘de Blaak’ werd in 1907 gebouwd voor de Tilburgse fabrikant A.A.H. Pollet, naar een ontwerp van Jan van der Valk. Het bestond uit een buitenverblijf annex boerderij. De gepleisterde en van vakwerk voorziene gevels verraden de invloed van de Engelse Tudorstijl.
Op dezelfde plaats stond eerder een boerderij (gebouwd in 1869) die ten behoeve van de nieuwbouw werd gesloopt. De jachtkamer in het buitenverblijf is nog een restant van deze vroegere hofstede. Het gebouw is thans in gebruik als wijkcentrum en restaurant met bovenwoning.

Boven: Dussenpad 1-3 (1977) (coll. RHC Tilburg).


Generaal Winkelmanstraat 2. Gemeentelijk monument
Boerderijcomplex met diverse opstallen waaronder een bakhuis, gebouwd in de tweede helft van de negentiende eeuw. Het pand heeft een zadeldak oorspronkelijk tussen twee eindgevels met aan de rechterzijde een in hout uitgevoerde onderbouw waarboven de dakverlenging eindigt in een schilddak. Dit deel is zonder goot uitgevoerd. Het dak is bedekt met Oudhollandse pannen. Helaas wordt het pand ontsierd door twee grote dakkapellen die enkele jaren geleden zijn aangebracht.

Gen. Winkelmanstraat 2 (1982) (coll. RHC Tilburg).


Hoevenseweg 72. Gemeentelijk monument
Deze langgevelboerderij is in 1905 gebouwd voor de familie Pijnenburg. Architect was Jos Donders. De gevels zijn opgetrokken uit machinale baksteen, gemetseld in kruisverband. Het pand heeft een zadeldak, gedekt met zwarte Hollandse pannen. Achter het woongedeelte bevindt zich een uitbouw, waarin zich het washok, het bakhuis en de wc bevonden.

Hoevenseweg 72 (1985) (coll. RHC Tilburg).


Moerenburgseweg 2. Gemeentelijk monument
Deze achttiende-eeuwse boerderij met bijgebouwen staat pal tegenover de plaats waar vroeger Huize Moerenburg gelegen was.(36) De boerderij heeft een zadeldak, belegd met rode pannen. De gevels zijn opgetrokken uit ijsselsteen, gemetseld in kruisverband. De boerderij bestaat uit een klein woonhuis met een groot eenbeukig bedrijfsgedeelte. Twee grote dubbele staldeuren, de ene in de voorgevel, de andere in de kopgevel, verschaffen toegang tot deze ruimte. In de achtergevel bevinden zich nog twee smalle staldeuren met rondbogen voor het vee. Aan de noordkant van de boerderij staat een tweebeukige schuur met vijf gebinten. De middelste stijl van het gebint staat excentrisch, zodat er een brede tas en een smalle deel is gevormd. Aan de kopkanten van de deel zijn grote inrijpoorten. De wanden van de schuur zijn met verticaal aangebrachte planken beschoten.(37) Voor het woonhuis staan nog twee leilindes, terwijl achter het huis een boomgaard ligt met een tiental hoogstamfruitbomen en aan weerszijden vele oude knotwilgen.

Moerenburgseweg 2 (1978)  (coll. RHC Tilburg).

Kommerstraat 2. Toekomstig gemeentelijk monument
Langgevelboerderij met zadeldak. De voordeur heeft een enkelruits bovenlicht met daarin het opschrift “’t Hooge Huys 1832”. Achter de boerderij staat een grote houten Vlaamse schuur met pannendak en een bakstenen front. Deze boerderij is nog in bedrijf.

Trouwlaan 188. Toekomstig gemeentelijk monument
Langgevelboerderij, gebouwd omstreeks 1900. Het pand heeft een mansardedak, met de nok evenwijdig aan de straat. Het is door een stoep gescheiden van de straat. Voor het huis staan vier grote linden.

Oude Langstraat 66. Toekomstig gemeentelijk monument
Reeds in 1832 was er sprake van een huis met schuur en erf aan een pad dat van de Veldhoven naar het centrum liep. In 1879 was het complex eigendom van de landbouwer Jacobus van Esch, Langepad K 466. In 1905 werd op dezelfde plaats een nieuwe boerderij gebouwd naar een ontwerp van Jos Donders. Opdrachtgeefster was de wed. J. van Esch. De boerderij bestaat uit een vrijstaand woonhuis met mansardekap met daarachter een stal en een karloods. In 1922 werd de aanbouw achter het huis verlengd waarbij de karloods plaatsmaakte voor een grotere stal, en in 1943 werd op het erf nog een bakstenen schuur met een wolfdak gebouwd. 
De boerderij is nog tot omstreeks 1960 in bedrijf geweest.(38) Ze is nog een van de weinige gave boerderijen in de stad. Vanwege vorm en uitvoering heeft het pand architectuurhistorische waarde. Stedenbouwkundig gezien is het van waarde doordat het omringd wordt door een flink stuk grond, dat nog herinnert aan de vroegere functie.

Oude Langstraat 66 (1982) (coll. RHC Tilburg).


Pijlijserstraat 103. Toekomstig gemeentelijk monument
Deze vrijstaande, met riet gedekte langgevelboerderij met puntgevels, is omstreeks 1890 gebouwd ter vervanging van een boerderij die vroeger al op deze plaats stond. In een notariële akte van 24 februari 1820 is sprake van Eene bouwmans huizinge met annexe stal, drie schuuren en aangelegen Teel en grasland, groot omtrend agt en een half lopenzaad, staande en gelegen te Tilburg ter plaatse genaamd de Leenhouwers. De kaart van Diederik Zijnen uit 1760 heeft ter plaatse de aanduiding Alleen Houders,terwijl op de kadasterkaart van 1832 de naam ‘Leenhouders’ voorkomt.(39) In 1855 werd Johannes Hendrikszoon Wijters eigenaar van deze hoeve en in 1884 verkocht hij de boerderij aan Adrianus van Roessel (1845-1900), die kort daarop de thans nog bestaande boerderij liet bouwen.

Pijlijserstraat 103 (ca. 1990, RHCT)


Kamerikstraat 5. Toekomstig gemeentelijk monument
Langgevelboerderij met zadeldak, uit het eind van de negentiende eeuw. Voorheen Reeshofweg 15.

Kamerikstraat 5 (2003, foto Heemkundekring Tilborch). 


Bredaseweg
Naast de hierboven genoemde panden staan er in Tilburg nog enkele boerderijen die vanwege hun bijzondere bouwstijl beslist de moeite van het bekijken waard zijn. Ze staan alle aan de Bredaseweg:
Bredaseweg 343 hoek Academielaan. Boerderij met bijgebouwen (1924).
Bredaseweg 530 ‘Sparrenhof’. Geheel vrijstaand pand met stallen en schuur (ca. 1900) in bosrijke omgeving.
Bredaseweg 546. Buitenverblijf annex boerderij (1884).
Bredaseweg 602. Koffiehuis annex boerderij ‘Dongewijk’ (tweede helft negentiende eeuw), gelegen langs het riviertje de Donge.(40) 

Verdwenen boerderijen

Geheel in de geest van de toen heersende tijd werd er in Tilburg in de naoorlogse periode met grote voortvarendheid gesloopt. Gelukkig keerde het tij na (het Monumentenjaar) 1975, maar helaas waren toen al veel waardevolle panden, waaronder een aantal boerderijen, verloren gegaan. Nog in 1981 werd er een uniek complex gesloopt, namelijk het molenaarshuis annex boerderij aan de Molenstraat 1-3-5, dat omstreeks 1550 gebouwd moet zijn.(41) 
Vanzelfsprekend kan niet alles wat oud is (en mogelijk waardevol) bewaard worden, maar het minste dat men kan doen is toch documenteren. Het valt, gezien de ouderdom van deze boerderijen, zeer te betreuren dat tijdens de sloop van bijvoorbeeld de Waterhoef (1960) en de boerderij van Fouchier aan het Hasseltplein (1964), geen bouwhistorisch onderzoek is uitgevoerd.

Enthovenseweg 2-4-6
Zoals we al in de inleiding zagen, wordt E(ij)nthoven beschouwd als een Einzelhof. Ter plaatse lag het Goet int Hout, later aangeduid als Eynthoven. Dit goed, dat voor het eerst voorkomt in een leenregister uit 1312, en dat wordt beschouwd als de kern van de herdgang Loven, (42) was door de hertog van Brabant in leen gegeven aan Arnoldus Bertout Back de Tilborgh. Het had een oppervlakte van ca. 24 ha. Het belang van Enthoven als nederzetting wordt nog onderstreept door het feit dat er al aan het begin van de veertiende eeuw aan het tegenwoordige Rosmolenplein een korenmolen stond, die in nauwe relatie stond met het Goet int Hout.(43) Een groot gebied ten oosten van Enthoven, aangeduid als die Loven Acker (44) was in de zestiende eeuw reeds ontgonnen. Het gebied tussen Enthoven en de Heuvel bestond toen nog voornamelijk uit woeste grond.
Op de kadasterkaart van 1832 is te zien dat het gehucht Enthoven gelegen was ter hoogte van de huidige Enthovenseweg en het zuidelijke deel van de Lovensestraat. Door de aanleg van de Bosscheweg en later de spoorlijnen naar Boxtel en Nijmegen werd de nederzetting in tweeën gesplitst. 
In 1902 stonden er nog drie boerderijen aan de oostzijde van de Enthovenseweg, genummerd Enthovenseweg 2, 4, en 6. Het pand Enthovenseweg 2 is waarschijnlijk al voor 1920 gesloopt. (45)
De boerderijen Enthovenseweg 4 en 6 waren beide in het bezit van de familie Ketelaars. De boerderij Enthovenseweg 6 (bouwjaar onbekend), gelegen ten zuiden van het Pelgrimspad, werd gesloopt in 1970. De houten schuur die met de lange zijde langs de Nieuwe Bosscheweg stond, is nog jaren in gebruik geweest als fietsenstalling van het St. Elisabethziekenhuis.
De boerderij Enthovenseweg 4 (bouwjaar 1866 of 1871) werd gesloopt in 1983. In deze boerderij werd tevens in 1905 de eerste Tilburgsche Coöperatieve Boerenleenbank gevestigd. De laatste jaren werd de boerderij bewoond door de glazenier Jan van Stiphout.
Uit een bouwkundig onderzoek bleek dat de verdiepingsvloer bestond uit leem op sparren (dunne houten latten) en dat mogelijk enkele kruisvensters uit het voormalig kasteel afkomstig waren. Verder was het erf bedekt met veldkeien. Desondanks adviseerde de monumentencommissie de boerderij niet op de monumentenlijst te plaatsen omdat de boerderij te geďsoleerd lag en men verder van mening was “dat de stedebouwkundige ontwikkelingen niet tegengehouden moeten worden”.

Telegraafstraat 11
Deze boerderij, gelegen midden in het centrum van Tilburg, was eigendom van de familie Vermelis. De boerderij is vermoedelijk gebouwd omstreeks 1900. In 1914 werd een hinderwetvergunning verleend voor het aanbouwen van een machinekamer (voor het malen van graan) en het maken van een melkkamer. De grotendeels uit hout opgetrokken graanschuur die gelegen was achter de boerderij, werd op 9 november 1932 door brand verwoest. Een vergunning voor de bouw van een nieuwe schuur werd echter niet verleend, waarbij het gemeentebestuur zich beriep op de bepalingen in de bouwverordening. Op 24 februari 1933 besloot de gemeenteraad echter om een ontheffing te verlenen, zodat de nieuwe schuur alsnog gebouwd kon worden. Tot 1962 werd op dit bedrijf nog ‘geboerd’; het bedrijf werd daarna voortgezet aan de Kommerstraat. In 1977 kwam de boerderij onder de slopershamer. 

Telegraafstraat 11 (1978, coll. RHCT).


De Waterhoef
Deze hoeve, gelegen aan de Herstalsestraat, was in 1487 reeds in het bezit van Henricus Pijlijseren.(46) In 1522 verpacht de weduwe van Willem Pijlijser de Pijlijsers hoeve voor acht jaar aan Wouter Cornelis Canters. In de tweede helft van de zestiende eeuw komt de hoeve in handen van de heer van Tilburg en Goirle, Carel van Malsen. De hoeve wordt daarmee een van de vijf kasteelhoeven, waarvan alleen de Kasteelhoeve aan de Hasseltstraat bewaard is gebleven.(47) De hoeve komt in oude bronnen ook voor onder de benaming Hoeve aan de He(e)rstal.
Op de kaart van Diederik Zijnen uit 1760 is te zien dat de boerderij omgracht is. De gracht werd gevoed door een waterloop die ook de kasteelgracht voedde, en die nabij de Heikant uitmondde in de bovenloop van de Zandleij. Vanwege deze gracht werd de boerderij in de volksmond de Waterhoef genoemd. De gracht werd omstreeks 1913 gedempt. De Waterhoef werd in 1960 gesloopt. Laatste bewoner was de landbouwer P.C. Bastiaansen. Bij de sloop was het adres Hendrik de Keijserstraat 51.

De Waterhoef (1960, coll. RHCT)


De Postelse Hoeve
In de zestiende eeuw was er sprake van een ‘Postelsche hoeve’.(48) Deze hoeve was gelegen ter hoogte van de tegenwoordige IJpelareweg. Het huidige hotel-restaurant de Postelse Hoeve aan de Dr. Deelenlaan 10 dat in december 1963 werd geopend, ontleent zijn naam echter niet aan deze hoeve, maar komt voort uit de boerderij annex café van Cees Fouchier aan het Hasseltplein 5 (later: Dr. Deelenlaan 9). De boerderij stamde uit 1608, zoals te zien was aan de jaarankers in de oostelijke zijgevel. Vanwege deze jaarankers stond de boerderij op de Voorlopige lijst der Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst. (Koninklijk Besluit 1918). In 1934 werd echter aan de boerderij een feestzaal gebouwd, waarbij helaas de gevel met de jaarankers sneuvelde.
In verband met de bouw van het Maria-ziekenhuis (thans: Tweesteden ziekenhuis) moest de boerderij worden gesloopt. In 1962 werd hiervoor toestemming gevraagd aan de staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten & Wetenschappen. Omdat de boerderij door het verlies van de jaarankers haar monumentale waarde had verloren, werd deze toestemming verleend. De sloop volgde in 1964, samen met de naastgelegen boerderij van Van Iersel.

De Postelse Hoeve (coll. RHCT).


De Noteboom
Boerderij ‘de Noteboom’ was sinds de negentiende eeuw in het bezit van de familie De Brouwer. De hoeve stond aan de President Steijnstraat 30, hoek Paul Krugerstraat (vóór 1929 Vogelstraat 1). De boerderij dankt haar naam aan de enorme notenboom die op het erf stond.
De laatste bewoner van de boerderij was J.L.H. de Brouwer. Hij verkocht de boerderij in 1976 aan de gemeente; zijn bedrijf zette hij voort in Hilvarenbeek. In hetzelfde jaar nog werd de boerderij gesloopt. 

De Noteboom, President Steijnstraat 30 in 1972 (coll. RHC Tilburg).

Intermezzo: Boerenfamilies

Uit adresboeken blijkt dat er in Tilburg enkele grote boerenfamilies voorkwamen die soms wel meer dan tien boerderijen bezaten. Vaak waren deze families via huwelijken ook weer gelieerd aan andere boerenfamilies. 
Tussen 1911 en 1958 komen de volgende namen het meest voor (tussen haakjes zijn respectievelijk de aantallen van 1911, 1934 en 1958 aangegeven):

Mutsaers (13, 15, 13)
Priems (5, 10, 11)
Kolen (8, 14, 8)
Van Roessel (9, 8, 10)
De Brouwer (6, 10, 7)
Pijnenburg (4, 6, 9)
Vermeer (6, 9, 8)

In 1879 was Vermeer de meest voorkomende naam (13 keer), gevolgd door Mutsaers (9 keer), Mallens (9 keer) en Van Roessel (8 keer). De namen Priems, Kolen, De Brouwer en Pijnenburg komen slechts een (Priems) of twee keer voor. Opvallend is dat de naam Mallens in 1911 nog maar één keer voorkomt, en daarna niet meer.


Boerderijen of restanten daarvan, gelegen binnen de ringbanen (in veel gevallen is alleen het woonhuis nog aanwezig)

(Respectievelijk straat,  huisnummer, bouwjaar)

Akkerstraat 104b, 1900
Berkdijksestraat 21 
Berkdijksestraat 75, 1878
Bisschop Zwijsenstraat 103, 1890
Broekhovenseweg 111-111a, ca. 1900
Capucijnenstraat 61 
Diepenstraat 50-50a 
Elzenstraat 13 
Generaal Winkelmanstraat 1 
Generaal Winkelmanstraat 2, ca. 1880
Groeseindstraat 27, 1908
Groeseindstraat 49 
Groeseindstraat 109 ca., 1750
Hasseltstraat 256 
Hasseltstraat 301 
Hoefakkerstraat 27 
Hoefstraat 45 
Hoefstraat 256 
Hoevenseweg 72, 1905
Houtstraat 88 ca., 1900
Julianapark 24, ca. 1870/1932
Julianapark 28, ca. 1860/ca. 1925
Kruisvaardersstraat 29, 1928
Kuiperstraat 34 
Laarstraat 51, 1910
Nieuwstraat 174, ca. 1865
Nijverstraat 1, ca. 1900
Oerlesestraat 79, ca. 1902
Oude Kapelstraat 38-40 
Oude Langstraat 66, 1905
Pijlijserstraat 103, ca. 1890
St. Annastraat 57 
St. Josephstraat 50 
St. Josephstraat 51, 1871
Trompstraat 43 
Trouwlaan 188, 1898
Veestraat 78, 1885
Watertorenplein 10 
Weverstraat 19 1924
Wilhelminapark 134 
Wittebollestraat 45-47, ca. 1900


Sinds 1945 gesloopte boerderijen of restanten daarvan, gelegen binnen de ringbanen

(Respectievelijk adres, jaar van sloop en tussenhaakjes het bouwjaar)

Gasthuisstraat 60, 1949 
Pijlijserstraat 75, 1949 
Nieuwe Goirleseweg 26, 1952 
Vogelstraat 11, 1954 
Groenstraat 210 (‘de Polk’), 1956 
Hasseltstraat 29, 1957 
Hogendorpstraat, Van 55, 1957 
Tongerlose-Hoefstraat 84, 1957 
Veldhovenstraat 9, 1958 
Oerlesestraat 129, 1959 
Hendrik de Keijserstraat (‘de Waterhoef’), 1960, (16e eeuw)
St. Josephstraat 65, 1960 
Julianapark 21, > 1960 
Stevenzandsestraat 17, > 1960 
Hasseltstraat 59, 1963 
Laurierstraat 25,1963, (1926)
Alleenhouderstraat 83, 1964 
Hoefstraat 78, 1965, (1880)
Oerlesestraat 117, 1965, (1881)
Nieuwe Goirleseweg 24, 1966, (1911)
Goirkestraat 6, 1967 
Havendijk 9, 1967, (1910)
Oerlesestraat 103, 1967, (1881)
Korvelseweg 233, 1968 
Enthovenseweg 6, 1970, (19e eeuw)
Broekhovenseweg 57, 1971, (1885)
President Steijnstraat 30, 1976, (ca. 1900)
Telegraafstraat 11, 1977, (ca. 1900)
Voltstraat 40, 1980, (1911)
Molenstraat 3, 1981 
Enthovenseweg 4, 1983, (19e eeuw)
Boomstraat 140, > 1985, (1891)


Geraadpleegde bronnen en literatuur

- Abbe, Marc van en Willem van der Staak (red.), De Tongerlose Hoef en Tilburg. Tilburg, 1969.
- Adresboek 1879 (digitale versie in privébezit).
- Adriaenssen, Leo, ‘Ontginningen en domeinen. Ontwikkeling van landbouw en nijverheid.’ In: Tilburg, stad met een levend verleden. De geschiedenis van Tilburg vanaf de steentijd tot en met de twintigste eeuw. Tilburg, 2001, 49-59.
- Becx, J.A.J. en P.F. Drijvers, De Kasteelhoeve te Tilburg. Verleden en heden. Eindhoven, 1974.
- Becx, J.A.J., ‘Over hoeven en hoevenaars onder het kasteel van Tilburg’. In: De Lindeboom, I (1977) 34-59.
- Becx, J.A.J., Tongerlose pachthoeven te Tilburg. TILBURG, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur 2 (3) (1984) 10-12.
- Bruijn, Martin de, Het Nieuwsblad van het Zuiden, 29 januari 1976 (ingezonden artikel).
- Bruijn, Martin de, Historische notities. In: TILBURG, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, 5 (2/3) (1987) 32-39.
- Bruijn, Martin de, ‘Natuur, arbeid, kaptaal. Economisch leven 1450-1780. 2001.’ In: Tilburg, stad met een levend verleden. De geschiedenis van Tilburg vanaf de steentijd tot en met de twintigste eeuw. Tilburg, 2001, 99-124.
- Crijns, A.H. en F.W.J. Kriellaars, Gemengd bedrijf op de zandgronden in Noord-Brabant 1800-1885. Tilburg, 1987.
- Crijns, A.H. en F.W.J. Kriellaars, Gemengd bedrijf op de zandgronden in Noord-Brabant 1886-1930. Tilburg, 1992.
- Dam, Bernard van, Oud-Brabants dorpsleven. Wonen en werken op het Brabantse platteland. Eindhoven, 1972.
- Deckers, L. De landbouwers van den Noordbrabantschen zandgrond. Eene bijdrage tot de kennis der maatschappelijke en oeconomische ontwikkeling van den nederlandschen boerenstand in de negentiende en twintigste eeuw. Eindhoven, 1912.
- Dijk, J.P.W.A. van, Architectuur en stedenbouw in de gemeente Tilburg 1850-1940. Zwolle/Tilburg, 2001.
- Gemeente Tilburg, Dienst Bedrijven, afdeling Documentaire Informatie Voorziening (bouwdossiers).
- Gemeente Tilburg, Afdeling Beleidsontwikkeling. Documentatie betreffende rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en het Monumenten Inventarisatie Project.
- Haslinghuis, E.J. en H. Janse, Bouwkundige termen. Verklarend woordenboek van de westerse architectuur- en bouwhistorie. Leiden, 2001.
- Heijden, C.G.W.P. van der, ‘De boeiende historie van Tilburg, de Tilburgers en hun landbouw.’ In: Ach lieve tijd 7 (1994) 151-170.
- Heijden, C.G.W.P. van der, ‘Spitten loont. Een bijdrage tot de agronomische geschiedenis van Tilburg aan het begin van de negentiende eeuw.’ Brabants Heem 52 (2000) 48-58.
- Hendriks, Johan, ‘Huijs, plaetsje en hoff. Een archeologisch onderzoek bij de restauratie van het pand Bokhamerstraat 13’, Tilburg. In: TILBURG, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, 5 (1) (1987) 11-18.
- Hendrikx, Sjef, Brabantse boerderijen. Beleven, bewonen en bewaren. Eindhoven, 1994.
- Janssen, G.B., Baksteenfabricage in Noord-Brabant 19e-20e eeuw. Tilburg, 1992.
- Jong, Ton de, ‘Boerderijen in binnenstad te grabbel’, Het Nieuwsblad van het Zuiden, 31 december 1982.
- Peeters, Ronald, De straten van Tilburg. Tilburg, 1987.
- Pel, Hans, ‘Het was meer dan textiel alleen. Demografie, infrastructuur en economie 1814-1940.’ In: Tilburg, stad met een levend verleden. De geschiedenis van Tilburg vanaf de steentijd tot en met de twintigste eeuw. Tilburg, 2001, 313-319.
- RHCT, Documentatie tentoonstelling Boeren in de stad 1994.
- RHCT, Adresboeken 1902, 1911, 1919, 1934, 1948 en 1958.
- RHCT, Archief gemeentebestuur 1810-1907, ‘Verslag over den landbouw in 1900 in de gemeente Tilburg’.
- RHCT, Sloopregisters Bouw- en woningtoezicht.
- RHCT, woningkaarten 1920-1950.
- RHCT, woningkaarten 1950-1980.
- Steegh, A.W.A.Th., Dorpen in Brabant (tentoonstellingscatalogus), ’s-Hertogenbosch, 1978.
- Steijns, G.J.W., Tilburg als parochie van Tongerlo 1232-1832. TILBURG, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur 2 (3) (1984) 6-9.
- Stoepker, Henk, ‘Een kijkje in de keuken van een zeventiende eeuwse molenaar. Verslag van een opgraving aan de Molenstraat in Tilburg’. In: De Lindeboom, VII, Tilburg 1983, 101-143.
- Trommelen, J.R.O. en M.P.E. Trommelen, Tilburgse toponiemen in de 16e eeuw. Een tentatieve reconstructie en naamsverklaring. Tilburg, 1994.
- Vera, Hein, ‘Potstallen en esdekken. Een kritisch onderzoek naar het Brabantse landschap.’ Brabants Heem 54 (2002) 55-66.
- Vervloet, J.A.J., ‘Het zandlandschap.’ In: Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische beschrijving. Utrecht, 1986.
- Voskuil, J.J., Van vlechtwerk tot baksteen. Geschiedenis van de wanden van het boerenhuis in Nederland. Arnhem, 1979.
- Wijk, P.A.M. van (red.), Boerderijen bekijken. Historisch boerderij-onderzoek in Nederland. Arnhem, 1985.
- Wilde, J. de, ‘De restauratie van de Tongerlose Hoeve te Tilburg.’ In: Bouw 27/28 (1971) 1070-1073.


Noten

(1) Tilburg telde in 1665 naar schatting 8000 ŕ 9000 inwoners. Ongeveer 40% van de arbeiders was toen nog werkzaam in de landbouw, 36% werkte al in de textielindustrie (De Bruijn 2001, p. 102).
(2) Wij beperken ons in dit artikel tot de gemeentegrenzen van Tilburg vňňr 1 januari 1997, dus zonder Berkel-Enschot en Udenhout.
(3) In 1900 had Tilburg ruim 41.000 inwoners. 1930 was dit aantal gestegen tot bijna 80.000, en nauwelijks tien jaar later bedroeg het aantal inwoners meer dan 100.000.
(4) Opvallend is dat in de periode tussen 1911 en 1934 het aantal landbouwers toenam van 286 tot 360, terwijl in die periode toch meerdere landbouwers hun bedrijf staakten. Mogelijk is er in genoemde periode een aantal bedrijven gesplitst. Een nader onderzoek moet dit uitwijzen.
(5) Van enkele bewoningskernen staat vast dat het gaat om een driehoekig plein, de ‘plaatse’, met een drinkkuil voor het vee, en gelegen in de nabijheid van een waterloop. Dit geldt in ieder geval voor de Heuvel, Korvel, Veldhoven en Hasselt, en mogelijk ook voor de Reit en Oerle. Voor Loven: zie Enthovenseweg 2-4-6 en noot 34.
(6) Steegh, p. 19.
(7) Zie o.a. Van Dam p. 14, 15.
(8) Janssen, p. 10, 11.
(9) Bij de Tongerlose Hoef had deze uitbouw een bijzondere functie, namelijk als ‘dispensierskamer’. Dit was de kamer voor de vertegenwoordiger van de abdij van Tongerlo (De Wilde, p. 170). In het raam in de voorgevel bevond zich een 8-vormig gebrandschilderd ruitje met wapen en wapenspreuk ‘LVCENDO ET ARDENDO’ (door te lichten en te branden) en de tekst ‘f[rater] Adriaen Gheerincx, Dispenssier van Tungerloe. Anno 1657’ (Becx 1978, p. 132).
(10) Vlak van een gevel of wand, dat als een eenheid kan worden beschouwd. Een gevel, waarin een deur met aan weerszijden een raam, bestaat dus uit drie traveeën.
(11) Volgens Voskuil begon de ‘verstening’ van het boerenhuis in de dertiende eeuw in het westen en eindigde ze in het midden van de negentiende eeuw in het oosten en zuidoosten van ons land. Voskuil noemt als voornaamste oorzaken voor de overgang van vlechtwerk op baksteen de aanwezigheid van kapitaal en de toenemende schaarste aan hout. Ook de ‘sociale druk’ zou hierbij een rol hebben gespeeld. (Voskuil noemt overigens nog een reden, nl. statusverhoging, maar dat gold vanzelfsprekend alleen maar als de boer ook eigenaar was van de boerderij.) 
(12) Voskuil, p. 48.
(13) Hein Vera, ‘Potstallen en esdekken. Een kritisch onderzoek naar het Brabantse landschap.’ Brabants Heem 54 (2002) p. 55-66.
(14) In 1986 wees Vervloet er reeds op dat potstallen beschouwd moeten worden als een relatief recente landbouwtechnische ontwikkeling. (Vervloet, p. 13 en 14).
(15) Van der Heijden, tabel p. 55.
(16) RHCT, Archief gemeentebestuur 1810-1907, inv. nr. 1812.
(17) RHCT, Archief gemeentebestuur 1810-1907, inv. nr. 1815.
(18) Deze gegevens zijn (met uitzondering van die van 1900) ontleend aan de adresboeken van Tilburg uit genoemde jaren. Omdat er vaak meerdere landbouwers op hetzelfde adres woonden, en er enkelen woonden op een adres waarvan vaststaat dat het geen boerderij was, is het aantal boerderijen een stuk lager dan het aantal landbouwers.
(19) In 1958 stonden er in de omgeving van de Heikant ongeveer 90 boerderijen. In de omgeving Reit/Reitse Hoevenstraat stonden er toen 22, aan de Rielseweg 18 en aan de Berkdijksestraat 12.
(20) Persoonlijke mededeling Jan Mutsaers (landbouwer en bestuurslid ZLTO afd. Tilburg).
(21) Dat de voorgevel van de boerderij niet parallel loopt met de rooilijn van de weg komt doordat de Hilvarenbeekseweg (thans Oude Hilvarenbeekseweg) pas in 1934 werd aangelegd, ter afsnijding van de bocht in de weg naar Hilvarenbeek die toen Broekhoven heette. (De boerderij was aanvankelijk genummerd Broekhoven 8, daarna Hilvarenbeekseweg 42 en sinds 1984 Oude Hilvarenbeekseweg 38.)
(22) De Tilburgse architect Jos Donders (1897-1960) die in onze stad een groot oeuvre achterliet, ontwierp niet alleen de boerderij aan de Oude Hilvarenbeekseweg, maar ook die aan de Hoevenseweg 72 (1905) en de Oude Langstraat (1906). Voorts ontwierp hij het gebouw van de Coöperatieve Tilburgsche Melkinrichting en Zuivelfabriek (CTM) aan het Wilhelminapark (1913).
(23) De in Tilburg voorkomende familienaam ‘Spijkers’ is hiervan afgeleid; vanaf de zestiende eeuw noemden de pachters van de hoeve zich zo.
(24) De tiendschuur, het karschop en het bakhuis zijn gerestaureerd, de schaapskooi is een reconstructie.
(25) Behalve de ‘hoeve op de Spijker’ bezat de abdij van Tongerlo ook nog een pachthoeve aan de Heuvel. Een derde pachthoeve stond ook aan de Reitse Hoevenstraat. Deze hoeve ging later over naar het bisdom ’s-Hertogenbosch en heette sindsdien ‘Bisschopshoeve’. Deze hoeve werd eind jaren vijftig van de vorige eeuw gesloopt in verband met het uitbreidingsplan ’t Zand. (Becx 1978 en 1984).
(26) Prof. Van den Eerenbeemt is ook inititatiefnemer van de restauratie van de Kasteelhoeve in 1973/74.
(27) Uit een bouwhistorisch onderzoek tijdens de restauratie is vastgesteld dat de gevel in 1763 nog 80 centimeter is verhoogd, waarbij tevens een nieuwe dakconstructie is aangebracht (Becx en Drijvers, p. 33).
(28) De Bruijn 2001, p. 104-105. In 1569 stond er al een oliemolen ten zuiden van de Tongerlose Hoef en in 1648 aan de ‘Cleyn Hoeven’ (het Kwaadeind) (zie De Bruijn 1987, p. 39, noot 50). 
(29) Dit is een door een paard aangedreven molen. In een oliemolen werd olie ‘geslagen’ uit oliehoudende zaden, zoals koolzaad en raapzaad. Deze olie werd niet alleen gebruikt als spijsolie, maar ook als lampolie (pas omstreeks het midden van de negentiende is men petroleum gaan gebruiken voor verlichtingsdoeleinden). De boerderij Nieuwstraat 174 hoek Trouwlaan was vroeger ook een oliemolen.
(30) De Bruijn 1976.
(31) De molen, in 1920 genummerd Reitse Hoevenstraat 34, stond oostelijk van de boerderij, ongeveer ter hoogte van de huidige Ringbaan-West (woningkaarten 1920-1950). Op 6 november 1921 werd de molen die later ook als graanmolen werd gebruikt, door een zware storm getroffen, waarbij de kap, de wieken en een deel van het molenhuis zwaar beschadigd werden. De molen werd niet meer hersteld en is in 1929 gesloopt (persoonlijke mededeling Ad Vorselaars).
(32) Reitse Hoevenstraat 30 was rond 1930 in gebruik als werkplaats, nummer 32 was in gebruik als boerderij. Beide panden waren in gebruik bij het St.-Joseph-studiehuis van de congregatie van Mill Hill (woningkaarten 1920-1950).
(33) De boerderij is daarna lange tijd bewoond geweest door priester, beeldhouwer, dichter, graficus en docent Duits aan het St. Odulphuslyceum, Frans Siemer.
(34) De Oud-Lovenstraat behoorde vroeger tot het gehucht Groot-Loven. Op de kadasterkaart van 1832 staan ter plaatse nog diverse boerderijen aangegeven. Circa 500 meter westelijk van Groot-Loven lag het gehucht Klein-Loven (de huidige Nautilusstraat). Ook hier stonden in 1832 nog diverse boerderijen. Verder stonden er nog enkele boerderijen nabij de vroegere kruising van de Nieuw-Lovenstraat met het Pelgrimspad (thans Duncanhof), even ten zuiden van Klein-Loven. Van de boerderijen op de kaart van 1832 bestaat alleen die aan de Oud-Lovenstraat 2 nog. De boerderij Duncanhof 5 is in 1921 gebouwd op de plaats waar voorheen een andere boerderij stond, terwijl de laatste boerderij aan de Nautilusstraat (de vroegere Nieuw-Lovenstraat) in 1968 werd gesloopt. Het is zeer wel mogelijk dat Groot- en Klein-Loven zijn ontstaan uit het goed Einthoven.
(36) Zie Hendriks 1987.
Huize Moerenburg was een uit de veertiende eeuw daterende omwaterde huizing, die gedurende vele jaren diende als onderkomen van de pastoor van Tilburg. Het gebouw werd rond 1750 gesloopt.
(37) Ten zuiden van de boerderij bevindt zich op het erf een schuur die is gebouwd op de resten van twee daglonershuisjes. In de zuidelijk topgevel van deze schuur bevinden zich vier jaarankers die, indien ze anders gegroepeerd zouden zijn, het jaartal 1767 kunnen vormen. Het is goed mogelijk dat dit jaartal slaat op de ouderdom van deze huisjes.
(38) De laatste landbouwer was J. Wieggers, een kleinzoon van de wed. Van Esch.
(39) De tegenwoordige Alleenhouderstraat ontleent haar naam aan deze boerderij.
(40) De panden Bredaseweg 343, 546 en 602 worden beschreven in Van Dijk (resp. p. 116, 43 en 88).
(41) Tijdens de sloop werd van het woongedeelte (Molenstraat 1 en 3) een bouwhistorisch en archeologisch onderzoek uitgevoerd. Zie: Stoepker.
(42) Trommelen en Trommelen, pag. 91.
(43) Tilburg beschikte toen over twee molens; de andere stond op Korvel. In een bron uit 1522 is sprake van ‘die wijntmolen tot eijnthoven gheheijten die velthovensche mole’.
(44) Trommelen en Trommelen, p. 349 en 350.
(45) In verband met de aanleg van het Wilhelminakanaal moest de spoorweg worden aangelegd op een verhoogd talud. Ook het tracé van de Bosscheweg moest hierdoor voor een deel worden verlegd. De boerderij Enthovenseweg 2 lag precies op dit nieuwe tracé.
(46) Persoonlijke mededeling Gerard Steijns.
(47) De vijf kasteelhoeven waren:
Pijlijserhoeve of Waterhoef (Herstalsestraat 61, later Herstalsestraat 95, later Hendrik de Keijserstraat 51). Gebouwd vňňr 1500. Komt in de tweede helft van de zestiende eeuw in handen van de heer van Tilburg en Goirle. Gesloopt in 1960. 
Hoeve I (Kasteelhoeve, Hasselstraat 256). Gebouwd vóór 1737 (wordt reeds genoemd in een ‘kapitale schatting’ uit 1665). Gerestaureerd in 1973/74.
Hoeve II (Hasseltstraat hoek Van Hogendorpstraat, noordzijde). Wordt reeds genoemd in een ‘kapitale schatting’ uit 1665. Afgebrand in 1846.
Hoeve III (Hasseltstraat hoek Van Hogendorpstraat, zuidzijde). Gebouwd of aangekocht na 1665. Omstreeks 1870 afgebroken en vervangen door vier arbeiderswoningen.
Nieuwe Hoeve (Van Bylandtstraat hoek Tongerlose Hoefstraat, westzijde). Aangekocht in 1736. Geen sloopgegevens bekend.
(Deze gegevens zijn ontleend aan Becx 1977.)
(48) Trommelen en Trommelen, p. 384, 385.

* Ir. Rob van Putten is voorzitter van de Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed. Hij is parttime werkzaam bij BILAN, Bureau voor Interdisciplinaire Landschapsanalyse van Fontys Hogescholen te Tilburg. Daarnaast heeft hij een eigen adviesbureau. Hij publiceerde eerder in dit tijdschrift o.a. over de Tilburgse brandweer (1985) en waterlopen in Tilburg (2000).