| 581. Bewonen, veranderen, herinneren en bewaren | |||
|
Titel: |
Bewonen, veranderen, herinneren en bewaren |
|
Ondertitel: |
Over de omgang met Brabantse boerderijen |
|
Auteur: |
Renate van de Weijer * |
|
Jaargang: |
XXI (2003) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
2 |
|
Pagina’ s: |
62-71 |
In 1794 wordt een Noord-Brabantse boer gekenschetst als ‘een Mensch gaande met Zonnen-opgang uit zijn Leeme
hut’ (1), anno 2003 is er veel gebeurd met de Brabantse boeren en huizingen. Hoewel vrijwel iedereen in zijn stamboom slechts enkele generaties terug hoeft te grijpen om bij zijn voorvaders een landbouwer aan te treffen, is er nu nog slechts een handvol mensen werkzaam in de agrarische sector. Oude, vaak schilderachtige boerderijen vormen de meest zichtbare getuigen van ons agrarische verleden.
Ongeveer 60% van de historische boerderijen heeft inmiddels wel een andere functie gekregen, bijvoorbeeld als woonboerderij. Het
Jaar van de Boerderij vraagt in 2003 expliciet aandacht voor dit culturele erfgoed, waarvan in Noord-Brabant sinds 1988 maar liefst 37,4% is afgebroken en 22,6% werd aangetast.(2)
In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van de twee hoofdtypen in agrarische gebouwen in het midden en oostelijk deel van de provincie Noord-Brabant. Vervolgens komen veranderingen in wooncultuur aan bod en de acties tot behoud van een paar befaamde Tilburgse boerderijen.
Streekeigen bouwtradities
Vroeger meenden onderzoekers dat de verschillende typen boerderijen rechtstreeks te herleiden waren tot oude Nederlandse volksstammen, zoals de Friezen, Saksen en Franken. Door het onderzoek van onder meer Klaas Uilkema (1873-1944) bleek deze opvatting onhoudbaar.(3) De geschiedenis van het bouwen van boerderijen was meer onderhevig aan allerlei maatschappelijke veranderingen dan men voorheen had aangenomen. Van groot belang voor de vorm van boerderijen is de aard van de agrarische bedrijvigheid en de evolutie daarvan. Zo bleek de Brabantse langgevelboerderij geen oude Frankische uitvinding te zijn, maar een vrij recente boerderijvorm uit de achttiende eeuw die voortvloeide uit agrarische moderniseringen. Uiteraard spelen streekgebonden aspecten in bouwtradities een grote rol, maar ze gaan lang niet altijd tot het verre verleden terug.
Tegenwoordig worden boerderijen verdeeld in vier verschillende categorieën, namelijk de bouwtraditie van het noordelijke kustgebied, de hallenhuisgroep in het centrale en oostelijke binnenland, de zuidwestelijke huisgroep in het Zeeuwse kustgebied en de zuidelijke huisgroep in
Zuid-Limburg. Ten grondslag aan deze indeling liggen verschillen in basisstructuur en
gebintconstructie, in de vertrekkenindeling van het woonhuis en in de plaatsing van de
koestal. De locatie van dorsvloer en oogstopslag vormen eveneens belangrijke criteria.
Het hallenhuis
Binnen de vier basisgroepen bestaan diverse varianten. De hallenhuisgroep in het centrale en oostelijke binnenland vormt de meest verbreide bouwtraditie in Nederland. De boerderijen in Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Noord-Limburg zijn onderling erg verschillend. Toch horen ze allemaal tot deze huisgroep die teruggaat tot in de Middeleeuwen. Dit boerderijtype wordt gekenmerkt door een grote middenbeuk die een zelfstandige constructie vormt en waartegen een of twee zijbeuken aanleunen.
We kunnen niet met zekerheid beschrijven hoe de middeleeuwse Brabantse hallenhuizen er uitzagen. Terwijl veel oude stadshuizen nog vaak een middeleeuwse kern bezitten, is dit met Brabantse boerderijen slechts bij hoge uitzondering het geval. Mogelijkerwijs bestonden de hallenhuizen aanvankelijk uit één groot vertrek zonder een scheiding tussen het woon- en het bedrijfsgedeelte. Hierbij lijkt een verwijzing naar de gereconstrueerde prehistorische eenkamerboerderijen in het Prehistorisch Openluchtmuseum in Eindhoven en in het Archeon in Alphen aan den Rijn voor de hand te liggen. Deze prehistorische boerderijen hebben vaak een driedelige opzet. Maar van een echt hallenhuis is geen sprake, omdat de middenbeuk geen zelfstandige dragende constructie vormt. Op grond van dit essentiële constructieve verschil gaan historici en archeologen uit van een belangrijke breuk in de bouwgeschiedenis van boerderijen in plaats van een continue bouwtraditie vanaf de prehistorie.(4)

Dwarsdoorsnede van het stalgedeelte van een hallenhuisboerderij aan de hand van de tekeningen van
Klaas Uilkema, 1923. De middenbeuk van de boerderij vormt een zelfstandige constructie, waartegen
de zijbeuken aanleunen. Uit: E. van Olst, Uilkema, een historisch boerderij-onderzoek. Boerderij-onderzoek
in Nederland 1914-1934 (Arnhem 1991).
In het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem zijn enkele voorbeelden te zien uit de vroegmoderne tijd. In de Oost-Nederlandse hallenhuizen van het type los hoes leefden bewoners en vee zonder scheidingswand vlak naast elkaar. De grote ruimte werd verwarmd door een open vuur. Er was geen sprake van een schouw of schoorsteen. De rook van het vuur kon vrij door de ruimte trekken – en de oogst conserveren – voordat hij het huis verliet via een rookgat of rookluik in het dak of via een uilengat in de gevel. Nadat de huizen in de steden in de Middeleeuwen steeds meer werden uitgerust met schoorstenen om brandgevaar te weren, werd dit ook op het platteland gebruikelijk. Er zijn veel aanwijzingen dat de Brabantse boerderijen vanaf de vijftiende en zestiende eeuw in toenemende mate van een schoorsteen werden voorzien.
Aanvankelijk werden ze vervaardigd van allerlei materialen zoals hout en een enkele keer zelfs van vlechtwerk. Steen had natuurlijk de voorkeur, maar dat was op het Brabantse platteland kostbaar. Het was niet direct in de natuur voorhanden en moest aangevoerd (natuursteen) of lokaal geproduceerd worden (baksteen). Een stenen schouw was relatief zwaar en had een goede fundering nodig. Deze werd dan ook gebouwd tegen een brandmuur die voortaan voorhuis en bedrijfsgedeelte in de boerderij van elkaar scheidde.
In Brabantse hallenhuizen bood de middenbeuk plaats aan het centrale woonvertrek in het voorhuis
(d’n herd) en aan een voorstal met potstal in het bedrijfsgedeelte. In de smalle zijbeuken werden bedsteden en nevenvertrekken gerealiseerd zoals een geut (spoelkeuken) en een
goeikamer. De potstal was overigens een verlaagde stal waarin de koeien stonden. De beesten kwamen steeds hoger te staan doordat ze mest produceerden die door de boeren werd vermengd met strooisel en plaggen. Dit mengsel maakte de koeienstront goed verteerbaar en geschikt als mest voor de bouw- en weilanden. Ook over de ouderdom van de potstal bestaat discussie; hoogstwaarschijnlijk dateert dit karakteristieke element van na de Middeleeuwen.(5)
Gebinten en muren
Omdat Noord-Brabant nauwelijks natuursteen kende en baksteen in de regel te kostbaar was voor boerderijen, was hout tot ver na de zestiende eeuw het belangrijkste bouwmateriaal. Het dak werd niet gedragen door muren maar door een houten geraamte. Zo’n constructie werd samengesteld uit achter elkaar geplaatste gebinten die door middel van horizontale gebintplaten met elkaar verbonden werden.
Elk gebint werd opgebouwd uit twee verticale stijlen of posten en een horizontale
gebintbalk. De hoeken werden verstevigd met schoren. In principe bestonden er verschillende manieren om de gebinten aan elkaar te voegen. In Noord-Brabant is het ankerbalkgebint de meest voorkomende variant. In stallen van oude boerderijen kan men deze gebinten vaak goed zien.
Tussen de stijlen van de constructie werden horizontale regels en verticale latten aangebracht. De latten dienden als de schering voor het vlechtwerk van twijgen en tenen waarmee de wanden werden opgevuld. Vooral wilgen- en berkentenen werden hiervoor gebruikt. Vervolgens werd het vlechtwerk aan beide zijden diverse keren besmeerd met een mengsel van leem, water, koemest, stro, kaf, hooi en
koehaar. De vaste bestanddelen verleenden aan het leem een goede structuur. De exacte samenstelling van het mengsel kon variëren en was afhankelijk van ervaringskennis.

De samenstelling van het ankerbalkgebint, de meest voorkomende
gebintconstructie in Noord-Brabant. Uit: G. Berends, Historische
houtconstructies in Nederland (Arnhem 1996).
In Noord-Brabant werd het vlechtwerk in de gevels vanaf de zeventiende eeuw in toenemende mate verdrongen door baksteen. Er werd toen veel gele baksteen geïmporteerd uit het IJsselgebied en daarnaast nam de productie van Brabantse, voornamelijk rode baksteen toe. Vooral in de achttiende eeuw ‘versteenden’ de boerderijen steeds meer. Ondanks het oprukken van baksteenwanden hebben oude boerderijen soms tot op de dag van vandaag stukjes en hoekjes die uit vlechtwerk bestaan. Vaak werd namelijk niet de hele boerderij ineens van stenen wanden voorzien. Men begon doorgaans met het voorhuis; het bedrijfsgedeelte kon dan nog geruime tijd zijn houten en gevlochten wanden behouden.
(6)

In 1923 fotografeerde Klaas Uilkema een detail van een Vlaamse schuur in
Gilze-Rijen. Hier waren de panelen tussen de spijlen in hun geheel gevlochten
en vervolgens werden deze zogenaamde wigten vastgespijkerd op de
horizontale, verzonken regels.
Uit: J.J. Voskuil, Van vlechtwerk tot baksteen (1979) (coll. Stichting
Historisch Boerderij-Onderzoek, Arnhem ).
De beleemde en de bakstenen wanden werden vanaf de zestiende eeuw aan binnen- en buitenzijde vaak afgewerkt met kalk. Dit vormde een vettig laagje op de wanden dat water afstootte en na verloop van tijd hard werd. In diverse gebieden in Nederland werd er wat blauwsel door de kalk gemengd. Hierdoor oogde de kalklaag – net als wasgoed – witter dan wit. Soms was de hoeveelheid blauw zo groot dat het doorsloeg in de kalk. Deels moet dit de bedoeling zijn geweest. Naar verluidt werd blauwsel vooral toegepast om vliegen te weren, die deze kleur slecht zouden kunnen verdragen. Waarschijnlijk was de kleur van (binnen)wanden indertijd al sterk afhankelijk van mode. In diverse streken - en met name in Zuid-Limburg - gebruikte men in de negentiende eeuw naast blauwsel immers ook andere kleuren, zoals rode en gele oker. Een soortgelijk modeverschijnsel - uit de tweede helft van de negentiende eeuw - betrof het cementeren van de muren. Waarschijnlijk gebeurde dit met het doel om lelijke reparaties en ongelijkmatigheden in de gevels weg te werken. Het woonhuis van de Tongerlose Hoef werd bijvoorbeeld besmeerd met een laag cementpleister en voorzien van imitatievoegwerk, zodat het leek alsof de boerderij van natuursteen was gebouwd.(7)

De doop van de klok genoemd naar Jan Becx,
een van de voorvechters van de restauratie van de
Tongerlose Hoef, 29 december 1970. Op deze foto
is de ankerbalkconstructie van de boerderij
overigens duidelijk te zien (coll. RHC Tilburg).
Langgevelboerderijen en bijgebouwen
Een relatief recent type Brabantse boerderij is de zogeheten langgevelboerderij. Vanaf de achttiende eeuw werden er in het oosten en in het midden van de provincie in toenemende mate boerderijen gebouwd waarin alle functies van het boerenbedrijf onder één dak werden ondergebracht. In deze boerderijen zijn vanaf de kopse voorgevel van de boerderij achtereenvolgens niet alleen het woonhuis en een voorstal met koeienstal te vinden, maar ook een dwarsdeel en een hooiopslag.
Bij de meeste nog bestaande hallenhuizen zitten de staldeuren in de korte kopse achtergevel van de boerderij. Bij de langgevelboerderij was die plaats natuurlijk niet te handhaven. De staldeuren verhuisden naar een zijgevel. Om de aanvoer van hoog opgetaste oogstwagens naar de hooitas mogelijk te maken werd die lange zijgevel (plaatselijk) verhoogd en voorzien van hoge
inrijdeuren. Ook de deuren van het woongedeelte werden doorgaans verplaatst van de korte kopse voorgevel naar de lange zijgevel, zodat de hele boerderij vanaf één zijde toegankelijk was voor mens en dier. De nieuwe boerderijvorm ontstond deels uit oudere hallenhuizen die in de loop der tijd werden aangepast. Om die reden vertonen veel Brabantse boerderijen op het eerste gezicht het uiterlijk van een
langgevelboerderij, terwijl ze in feite de constructieve kenmerken van een hallenhuis verbergen.(8)
Met het oog op de verschillen tussen de twee typen boerderijen in oostelijk Noord-Brabant zal het geen verwondering wekken dat de meeste bijgebouwen op de erven van hallenhuizen stonden. Door het aanbouwen van een hooitas aan het hoofdgebouw zijn losstaande graanschuren een zeldzaamheid geworden. Een goed voorbeeld hiervan vormt de zogeheten Vlaamse schuur, een schuurtype dat diende voor de opslag van oogstgewassen en eventueel ook van werktuigen. Erg zeldzaam is de ‘spijker’ of ‘spieker’, een graanschuur die als tiendschuur dienst kan hebben gedaan en waarvan een exemplaar te vinden is op het erf van de Tongerlose Hoef. Het boerderijencomplex van de Tongerlose Hoef omvatte ook een bakhuis. Vrijstaande bakhuizen kwamen in de negentiende en twintigste eeuw veel voor en ze vormden een veilig alternatief voor inpandige ovens. Die leverden meer brandgevaar op en namen hinderlijk veel binnenruimte in beslag. In sommige streken werden bakhuizen en ovens gezamenlijk met een paar buren gebruikt. In Tilburg zal dit omstreeks 1837 nauwelijks het geval zijn geweest. Bij de invoering van het kadaster werden er namelijk 232 bakovens geteld op een totaalbestand van 290 boerderijen.(9)

De gevels en muren van de Tongerlose Hoeve zijn voorzien van cementpleister met imitatievoegen,
1955. Hierdoor ontstond het effect van natuursteen (coll. RHC Tilburg).
Hoewel langgevelboerderijen in principe alle functies onder één dak bijeenbrachten, kwamen omstreeks 1900 ook bij dit type boerderij bijgebouwen voor. Dit gold met name voor de varkensstal, al dan niet gecombineerd met een plee (huuske), en een kippenkooi. Vanaf het einde van de negentiende eeuw zouden de kleine varkensstallen en kippenkooien in aantal en omvang sterk groeien door de toenemende intensivering van de landbouw.
Terwijl rosmolens gebruikelijke attributen vormden in Noordnederlandse boerderijen, waar ze meestal dienden voor de aandrijving van een karntoestel, waren ze in Noord-Brabant relatief weinig in gebruik. Bovendien hadden rosmolens hier meestal geen functie in de zuivelverwerking. Bij de Tongerlose Hoeve werd de rosmolen in de negentiende eeuw ingezet om olie te winnen.(10) Terwijl het molenwerk in deze boerderij aan het einde van de negentiende eeuw alweer plaatsmaakte voor woonmogelijkheden, bleef in Riel een rosmolen behouden. Daar bemaalde de molenaarsfamilie De Werd omstreeks 1884 niet alleen een stenen windmolen maar ook een door paardenkracht aangedreven molen in een boerderij aan de Dorpsstraat. Deze rosmolen had een maalinrichting voor het pletten van boekweit. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verkocht de toenmalige eigenaar de eiken spil van de molen aan een Tilburgse antiquair. Uitzonderlijk is het feit dat de rest van de rosmolen intact is gebleven. De boerderij kwam in 1980 in handen van een particulier die de moleninstallatie – in weerwil van de gangbare verbouwingen van boerderijen - restaureerde en in het interieur van zijn woonboerderij integreerde.(11)

Ook in de jaren zeventig zwierven er allerlei onderdelen van rosmolens in
de antiekhandel. In 1978 kon bijvoorbeeld een achttiende-eeuws rondsel
(spijlenrad) gekocht worden (Foto Gerard Rooijakkers).
Modernisering van wooncultuur
Alhoewel boerderijen in eerste instantie werden gebouwd als bedrijfsgebouwen, dienden ze ook als huisvesting van een familie. In de negentiende eeuw werd dit laatste van secundair belang geacht. Illustratief hiervoor is de onderlinge verhouding van leef- en werkruimten. In doorsneelanggevelboerderijen – die als het moderne Brabantse boerderijtype gezien mogen worden – nam het achterhuis gemiddeld twee of drie keer zoveel ruimte in beslag als het voorhuis. Belangrijker is echter het feit dat alles en iedereen op het boerenbedrijf tot ver in de twintigste eeuw werd ingezet om het voortbestaan zeker te stellen. Veel boerinnen hebben nu een eigen baan buiten het agrarische bedrijf, maar vroeger was dat ondenkbaar. De kinderen werden met twaalf jaar uitbesteed als dienstbode of knecht en konden zo bijvoorbeeld de kosten van een dorsmachine terugverdienen. Geld en energie werden in Noord-Brabant doorgaans eerst ingezet om het bedrijf te moderniseren en vervolgens pas het woonhuis. Veel boerderijen hielden om die reden lange tijd hetzelfde, traditionele uiterlijk.

Een goed voorbeeld van een jonge langgevelboerderij te Liempde in 1981. De opeenvolging van
woonhuis, stal met dichtgemetselde staldeuren en hoge schuurdeuren van de hooitas is goed
zichtbaar (foto Gerard Rooijakkers).
Romantisch?
Oude, relatief weinig-gemoderniseerde boerderijen werden in de negentiende en twintigste eeuw door schilders en fotografen sterk gewaardeerd. Kunstenaars uit heel Nederland vonden de weg naar het Brabantse platteland om de landelijke levensstijl te vereeuwigen, die in hun ogen onveranderlijk was gebleven. Representanten van de Haagse School zoals Anton Mauve, Albert Neuhuys en Paul
Gabriël, maar ook Vincent van Gogh en Piet Mondriaan zochten naar de meest archaïsche en armelijke exemplaren onder de Brabantse boeren en boerderijen.(12)
Een soortgelijke drijfveer bewoog de Tilburgse fotograaf Henri Berssenbrugge (1873-1959). Zijn opnamen van de Tongerlose Hoeve omstreeks 1905 tonen het boerderijcomplex in verstilde glorie. Vooral de interieurfoto van de herd met schouw is interessant. Deze was voor Brabantse begrippen relatief ruim bemeten. Het dambordpatroon van witte tegels en exemplaren met schildpad-motief is kenmerkend voor de negentiende-eeuwse interieurafwerking van schouwen in
Midden-Brabant. In dit geval is er tevens een tegeltableau in verwerkt met een bekende voorstelling van boer met paard. Het gedeelte van de schouwwand waar daadwerkelijk werd gestookt, bestond uit bakstenen en was vermoedelijk zwart geverfd of geteerd. De meid – Anna Cornelia Brosens (1888-1944) - stookt het vuur in een vuurpot. Vlak daarboven hangt de waterketel aan een draaihaal die bevestigd is aan een draaiboom. In de meeste boerderijen gebruikte men in de negentiende eeuw geen draaihaal maar een ketting- of zaaghaal. Dit huishouden gaf kennelijk de voorkeur aan een zware vuurhaal die ook geschikt was om een omvangrijke sopketel met koeienvoer boven het vuur te hangen. Een ouderwetse situatie, aangezien de meeste vuurhalen in onbruik waren geraakt door de snelle opkomst van de plattebuis sinds het midden van de negentiende eeuw.(13) Wel dienen we ons hierbij te realiseren dat kachels ’s zomers doorgaans werden opgeruimd omdat ze dan voor te veel warmte en ruimtebeslag zorgden. Schouwen met een ruime schoorsteen bleven bovendien nog tot ver in de twintigste eeuw in trek voor het roken van hammen en spek; eveneens een reden om de stap naar een permanente kachel of fornuis uit te stellen. Voorts bestaat er ook de mogelijkheid dat de boerin haar huishouden tijdelijk bewust archaïsch heeft ingericht op voorstel of aandringen van de fotograaf. Onder het tafeltje naast de koffiemalende boerin Cornelia Adriana Kolen-Van de Pas (1872-1911) is overigens nog net een petroleumstel zichtbaar, dat omstreeks 1905 tamelijk modern was. Ten slotte wijzen we op het lampegat of
vizierhool in de schouwwand. Door dit venstertje kon men vanuit de luie stoel in de
herd op eenvoudige wijze een oogje houden op de beesten in de stal achter de brandmuur en op een veilige manier de voorstal verlichten door er een lamp in te plaatsen.

Henri Berssenbrugge maakte in het begin van de twintigste eeuw een uitgebreide fotoserie van de
Tongerlose Hoef en zijn bewoners. De foto van de herd is informatief met betrekking tot de wooncultuur
(coll. RHC Tilburg).
Wat boerin en meid van het wonen op de Tongerlose Hoeve vonden is onbekend, maar hoogstwaarschijnlijk weken hun opvattingen en ervaringen sterk af van het romantische enthousiasme van schilders, fotografen en burgers in het algemeen. In het heemkundige tijdschrift
D’n effer reflecteerde een jongere, voormalige bewoner van de Helena-Hoeve in Lieshout op het leven in een boerderij tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hier hechtte men in het algemeen meer waarde aan modernisering en comfort dan aan romantiek en nostalgie. De meeste herinneringen betroffen de enorme kou in de winter. Dit gold met name voor de
herd. De warmte van de plattebuis ging verloren doordat de voordeur – die zonder gang rechtstreeks naar de
herd voerde - en de vele kamerdeuren een onaangename koude trek veroorzaakten. Andere herinneringen concentreren zich rond de energievoorziening in de boerderij. Toen de elektriciteitskabel tijdens de oorlogshandelingen was vernield, werd deze aanvankelijk slechts provisorisch hersteld. Dit betekende dat men in de winter vaak helemaal verstoken was van elektriciteit. Voor het boerengezin dat binnen enkele decennia helemaal gewend was geraakt aan deze modernisering, betekende dit gemis een enorme stap achteruit. Stroom kon men nauwelijks meer ontberen. Het woonhuis werd verlicht met olielantaarns die rode schaduwen wierpen op de gekalkte muren. Samen met de bevroren ramen leverde dit volgens de bewoners een ‘kerststal-effect’ op dat ze - in weerwil van de gebruikelijke sfeervolle connotaties - bepaald negatief waardeerden.
Wie soortgelijke ervaringen niet daadwerkelijk aan den lijve heeft ondervonden, beschouwt een tijdelijk gemis van elektrische verlichting makkelijk als ‘romantisch en naturel’, maar de bewoners moesten zich echt behelpen. Ze zorgden er overigens wel voor dat het bedrijf niet zou lijden onder het gebrek aan energie. Terwijl de energievoorziening in het woonhuis op een laag pitje werd gezet, plaatste men in het achterhuis een robuuste motor: de hekeldorsmachine werd aangedreven door een
Bernardbenzinemotor, later vervangen door een Dordelektromotor. In de jaren vijftig werd het dorsen vervolgens uitbesteed aan een loonbedrijf met een enorme dorsmachine van het merk Wilhelm Fricke en Lang, aangedreven door Amerikaanse tractoren die met behulp van Marshallhulp waren aangeschaft.(14)
Bewuste keuzen
Mede onder invloed van de Marshallhulp kwamen de agrarische ontwikkelingen in de jaren vijftig van de twintigste eeuw in een stroomversnelling. Ook de woonhuizen begonnen in deze periode sterk te veranderen als gevolg van betere voorlichting en van het opleiden van boerendochters, met name door de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond. De beschikbaarheid van goedkope, kant-en-klare bouwmaterialen en de ruimere financiële middelen lieten hun sporen na in de boerderijen. Aanvankelijk bleven verbouwingen in het voorhuis van boerderijen nog relatief beperkt van omvang, maar in de jaren zestig werden de woongedeelten uitgebreid met ruimten die voorheen tot de (voor)stal hoorden. Er kwamen nieuwe sanitaire voorzieningen. De
herd veranderde in een woonkamer en de geut werd uitgebouwd tot keuken. Ook het uiterlijk van veel boerderijen veranderde door de plaatsing van grote vensters in gevels en dakkapellen op zolders, waar nu aparte slaapkamers voor de kinderen werden gemaakt. Een indrukwekkend staaltje voorbeelden met foto’s van voor en na de verbouwing is afgebeeld in het zwartboek
Boerderijen, het zal ons een zorg zijn van de Commissie van boerderijenzorg in Noord-Brabant. Deze aanpassingen worden in dit zwartboek beschouwd als aantastingen van het traditionele
boerderij-uiterlijk. Dit is ongetwijfeld het geval, maar los van allerlei normatieve connotaties, behoren ook deze ontwikkelingen tot de geschiedenis van de Brabantse boerderij. Net zoals bij de negentiende- en vroeg-twintigste-eeeuwse kunstenaars en fotografen het geval was, zien we hier het sterk uiteenlopen van percepties van esthetica en comfort tussen bewoners en liefhebbers.
Sommige mensen kozen er echter voor om op een oude wijze te blijven wonen en werken. Zo kookte Sjoke Jansen (1900-1989) in haar boerderij in Chaam omstreeks 1980 nog boven open vuur. De draaiboom onder de schouw was nog aanwezig. Van een moderne kachel of fornuis wilde ze niets weten. Volgens haar was het koken boven open vuur gemakkelijker en gezonder. Bovendien was ze het gewend en waarom zou ze dan veranderen?(15) In feite leefde ze op dezelfde wijze als de familie Kolen-Van de Pas dat 75 jaar eerder in de Tongerlose Hoef had gedaan en dat was al bijna antiek. Sjoke was ongehuwd en bewoonde de boerderij – het ouderlijk huis – samen met haar broer en een neef. In veel andere Brabantse dorpen kon men in de negentiende en twintigste eeuw vergelijkbare ouderwetse huishoudens vinden van ongetrouwde broers en zussen. Bij gebrek aan kinderen en dus ook aan de noodzaak om het bedrijf op tijd te moderniseren voor een volgende generatie konden sommigen zich de relatieve ‘luxe’ permitteren om de boerderij te behouden zoals die was.

Het bakhuisje bij de Tongerlose Hoef in 1955 (coll. RHC Tilburg).
Naast mensen die door gebrek aan vernieuwingsimpulsen bijna volledig naast de mainstream van modernisering leven, zijn er af en toe ook agrariërs die hun bedrijf moderniseren en tegelijkertijd zorg besteden aan traditionele elementen in hun boerderij. Een voorbeeld hiervan vinden we in de relatief jonge langgevelboerderij aan de St. Josephstraat in Tilburg. De boerderij heeft een vrij authentieke vertrekkenindeling met een tot keuken verbouwde geut, herd en voorkamer en met originele binnendeuren. In de herd is de schouw met schildpad-tegels in gebruik als boekenkast. Op zolder is te zien hoe in de loop van de twintigste eeuw kamers zijn afgeschot waarvan de wanden vervolgens werden bekleed met kranten en behang. Net als de bewoner van de boerderij met boekweit-rosmolen in Riel kiest deze familie ervoor om de karakteristieke boerderij met respect te behandelen.(16) Intussen is het wonen en werken op deze ‘stads’-boerderij, die nog steeds een agrarische functie heeft, niet eenvoudig. Wegens de hinderwet kan men er bijvoorbeeld geen vee meer houden; de stal staat dan ook leeg.
Behoud van boerderijen in Tilburg
Zoals elke moderniseringstendens zijn hardlopers kent, zo kan er ook een voorhoede ontstaan in het behoud en bewaren van boerderijen. Vanaf de jaren vijftig van de twintigste eeuw werd Tilburg in een hoog tempo gemoderniseerd met onder meer een efficiëntere infrastructuur en modernere woningen. Burgemeester
E.H.J. Baron van Voorst tot Voorst (1946-1957) zette deze beweging in gang. Onder het bestuur van burgemeester
C.J.G. Becht (1957-1975), bijgenaamd ‘Cees de Sloper’ nam de verbouwing van de stad Tilburg een hoge vlucht. De ingrijpende veranderingen riepen vanaf de jaren zestig echter ook weerstand op. Nadat de Postelse Hoeve in 1964 was afgebroken ondernam prof. dr. H. van den
Eerenbeemt, hoogleraar sociale en economische geschiedenis aan de Katholieke Hogeschool in Tilburg, in 1967 een succesvolle actie tot behoud van de zeventiende-eeuwse Tongerlose Hoeve. Deze was in 1955 door de gemeente aangekocht om plaats te maken voor de stadsuitbreiding ’t Zand.(17) Enkele stevige interventies van notabelen en geëngageerde studenten konden sloop voorkomen. In december 1970 werd in de Tongerlose Hoef een bel ‘gedoopt’ die - net zoals kerkklokken in vroeger tijd - een opschrift kreeg. Met deze alarmklok werd een voorvechter tot behoud van de hoeve geëerd met het opschrift ‘Ik heet Jan Becx die de restauratie van de Tongerlose Hoeve inluidde’.
Ook andere boerderijen konden rekenen op steun van de Tilburgse elite en burgerij. Nog in hetzelfde jaar 1970 werd boerderij De Oliemolen op de rijksmonumentenlijst geplaatst. Twee jaar later richtte Harry van den Eerenbeemt de Stichting Restauratie Kasteelhoeve op tot behoud van de gelijknamige, vervallen boerderij aan de
Hasseltstraat. Het was de enig overgebleven boerderij uit het bezit van het kasteel van de Hasselt.(18) Het geld dat nodig was voor de financiering van de restauratie werd onder meer ingezameld met de verkoop van kalenders. De boerderij werd opgemeten door H. van Geffen en A. Drijvers in samenwerking met de Stichting Historisch Boerderij-Onderzoek te Arnhem waarna in 1973-1974 de intensieve restauratie plaatsvond.

In de langgevelboerderij uit 1871 in de St. Josephstraat is de
schouw met schildpadtegels en originele kasten nog aanwezig.
De schouw dient nu als boekenkast (foto auteur).

Op zolder waren kamers afgeschot voor de kinderen. De wanden
werden met kranten beplakt en vervolgens afgewerkt met
behang (foto auteur).
Eind jaren zestig kreeg men in Tilburg actief interesse voor de kwetsbaarheid en cultuurhistorische waarde van boerderijen. Deze belangstelling gold overigens ook andere gebouwen, zoals karakteristieke fabrieken, woonhuizen en het bekende kerkhof aan de
Bredaseweg. De acties werden weliswaar ingezet door een elite – de studenten rekenen we dan tot de intellectuele elite -, maar ze werden breed gedragen door de Tilburgse bevolking, die naast alle modernisering kennelijk toch ook behoefte had aan het behoud van een kenmerkend stuk gebouwde geschiedenis.(19)
Met het monumentaliseren van boerderijen – en met name met het behoud van de Tongerlose Hoeve in 1967 - sloot Tilburg aan bij een landelijke trend. In de periode 1900-1945 betroffen de meeste restauraties – en bijbehorende budgetten - torens, kerken en kastelen. Boerderijen kwamen hieraan niet te pas. Een belangrijke voorwaarde voor de bescherming van boerderijen was in 1961 tot stand gekomen in de vorm van de Monumentenwet, waarin de bescherming van monumenten voor het eerst wettelijk werd geregeld. Vanuit particulier initiatief bestond er sinds de wederopbouw in de jaren vijftig al veel verzet tegen verval en sloop van beeldbepalende monumenten. De meeste behoud- en restauratieacties kwamen echter tot stand in de periode 1970-1980. Toen werden de burgers mondiger ten opzichte van stadsbesturen en wisten zij hun netwerken op effectieve wijze te bundelen.(20) In Tilburg was de situatie hiertoe beslist gunstig door de persoonlijke inzet van een hoogleraar die kennis en gewicht in de schaal legde. Daadwerkelijke zorg voor het behoud van Brabantse boerderijen zou een interessant vervolg krijgen toen in 1979 te Oirschot en in het Dommeldal boerderijen werden geïnventariseerd, hetgeen de opmaat vormde tot het Monumenten Inventarisatie Project.

Door het verkopen van deze kalender
wist de Stichting Restauratie Kasteelhoeve
geld in te zamelen voor de restauratie
(part. coll.).
Cultuurhistoricus Ad de Jong heeft geconstateerd dat dit proces van musealisering en monumentalisering in het algemeen dezelfde stadia doorloopt als de fasen van
folklorisering.(21) In perioden dat er veel oude gebouwen worden gesloopt, ontstaat er een gevoel van verlies en verval. Vanuit het besef dat bepaalde objecten zeldzaam worden en daarmee in cultuurhistorische waarde toenemen, ondernemen doorgaans notabele personen actie voor het behoud ervan. Men richt een comité of stichting op dat/die – na een geslaagde interventie met voldoende maatschappelijk draagvlak - vaak voortzetting vindt in een bestuur voor de exploitatie van het object, de tweede fase in de
monumentalisering. De derde fase wordt gekenmerkt door het presenteren van het behouden object aan het grote publiek. Dit krijgt door middel van het gerestaureerde gebouw ‘waar’ voor de bestede belastingcenten. Soms gebeurt dit in de vorm van een museumboerderij waar het agrarische verleden op een gemusealiseerde wijze wordt gepresenteerd en een eigen dynamiek krijgt.(22) In Tilburg kregen de boerderijen andere functies: de Tongerlose Hoeve werd een sociale werkplaats, de Kasteelhoeve huisvest een wijkcentrum en De Oliemolen een reptielenhuis.
Wanneer we de foto’s van de Kasteelhoeve uit 1955 vergelijken met opnamen die na de restauratie zijn gemaakt, valt meteen op hoezeer het gebouw is veranderd. Relatief moderne wijzigingen en uitbreidingen aan de boerderij die voortvloeiden uit hogere eisen aan wooncomfort zijn ‘weggerestaureerd’. Dit geldt met name voor het portaal met moderne voordeur dat de gevel volgens betrokkenen kennelijk te zeer ontsierde. Het verwijderen van recente, ‘lelijke’ wijzigingen en toevoegingen is gebruikelijk. Toch maken ook deze elementen deel uit van de geschiedenis van een gebouw. Was het in Brabantse boerderijen daadwerkelijk gewoon om rechtstreeks met de deur in huis te vallen, het was er tevens vaak bar koud. Een tochtportaal zal voor de bewoners een aanmerkelijke verbetering hebben betekend, die echter niet strookt met de gehanteerde opvattingen rond authenticiteit bij de restauratie.
Niet alleen een restauratie kan een gebouw van zijn meest recente geschiedenis ontdoen. Ook herbestemming kan veranderingen met zich meebrengen of leiden tot discrepanties tussen behoud en gebruik. De Tongerlose Hoef kreeg bijvoorbeeld een nieuwe functie als activiteitencentrum van Amarant voor mensen met een verstandelijke handicap. De gebruikers van het complex zijn zeer gemotiveerd om geweven producten voor de verkoop te maken. Wonen en werken in een historisch monument wordt door de meeste mensen als iets bijzonders ervaren. Helaas geldt dit niet of nauwelijks voor de gebruikers van de Tongerlose Hoeve. De cultuurhistorische kwaliteiten van dit pand zijn op geen enkele wijze geïntegreerd in de huidige benutting.(23) Bij zorgboerderij De Meeshoeve in Oud-Gastel is dit beter in balans. Ook hier worden mensen met een verstandelijke handicap begeleid. Zij voeren er agrarische activiteiten uit die zich beperken tot de – overigens ruime - agrarische bedrijfsgebouwen van de boerderij. In het woonhuis van de Meeshoeve wordt daarnaast het interieur van de voormalige bewoners van de boerderij op gemusealiseerde wijze bewaard. Het complex combineert hiermee op een interessante manier het behoud van een cultuurhistorisch waardevol interieur met een nieuwe maatschappelijke functie.

De kopse voorgevel van de Kasteelhoeve aan de Hasseltstraat, 28 januari 1972. De boerderij was toen
voorzien van een jonge aanbouw met toegangsdeur (coll. RHC Tilburg).

De Kasteelhoeve werd in de jaren 1973-1974 gerestaureerd onder leiding van de Oisterwijkse architect
P.F. Drijvers. Het gebouw functioneert sindsdien als wijkcentrum (1984, coll. RHC Tilburg).
Conclusie: authenticiteit en beleving
In midden en oostelijk Noord-Brabant komen twee hoofdtypen aan historische boerderijen voor. De oudste vormt het hallenhuis met een driebeukige constructie, voorzien van een zelfstandige middenbeuk. In deze boerderij is zowel het woonhuis ondergebracht als de stallen voor het vee. Deze boerderijvorm dateert uit de Middeleeuwen: overeenkomsten met prehistorische boerderijtypen zijn slechts oppervlakkig. De missing link tussen beide bouwtradities moet – indien deze al bestaat – nog gevonden worden.
De opslag van gewassen en de dorsvloer zijn te vinden in een afzonderlijke graanschuur, doorgaans van het type Vlaamse schuur. In de achttiende eeuw wordt het gebruikelijk om de hooi- en graanopslag met de stallen en het woonhuis onder één dak te brengen. Dit leidt tot het verbouwen van veel hallenhuizen. Daarnaast ontstaat er in deze periode een constructief nieuw boerderijtype, namelijk de bekende
langgevelboerderij.
Aanvankelijk vormen houten gebinten de dragende constructie van een boerderij. In de loop van de tijd worden de vlechtwerkwanden van de ‘lemen hutten’ vervangen door baksteen. Ook komt er een brandmuur die het woongedeelte scheidt van het achterhuis, waartegen een schouw gemetseld wordt om de rook op een veilige wijze af te voeren. Zowel beleemde als bakstenen wanden worden vaak afgewerkt met een kalklaag. Deze dient om vuil af te stoten en het in- of exterieur van een boerderij te verfraaien. Een andere en meer ingrijpende manier om het exterieur te verfraaien betreft het cementeren van een gevel. Met de cementpleister worden lelijke reparaties in de wanden weggewerkt. Een enkele keer – bijvoorbeeld bij de Tongerlose Hoeve – laat men uit statusoverwegingen de cementpleister door middel van een imitatievoeg op natuursteen lijken.
Na de Tweede Wereldoorlog raakt het veranderen en aanpassen van boerderijen in een stroomversnelling. De moderniseringen worden steeds ingrijpender. In de boerderijen met uitgebreide bedrijfsruimten en betrekkelijk kleine woonvertrekken wordt meer en meer ruimte besteed aan het wonen. Sommigen onttrekken zich aan de algemene tendens tot modernisering, met name bij bijzondere gezinsvormen zoals ongetrouwd bij elkaar levende broers en zussen. Door het ontbreken van de noodzaak om de boerderij voor een volgende generatie levensvatbaar te houden, investeren zij doorgaans weinig in aanpassingen. In veel plaatsen zijn dergelijke boerderijen de afgelopen decennia getransformeerd tot museumboerderijen. Naast deze categorie van behoudende bewoners zijn er incidenteel ook mensen – zowel burgers als boeren – die met beide benen in de moderne wereld staan en toch, of juist daardoor, authentieke elementen in hun (woon)boerderij koesteren. Waar anno 2003 telkens weer wordt geconstateerd hoezeer het bestand aan historische boerderijen in Noord-Brabant achteruitholt, vormen zij een kleine, opmerkelijke groep. Mensen die op een bewuste manier in een historische boerderij willen leven, verdienen meer dan een uitgebreid kader aan wettelijke bepalingen. Kennis en ondersteuning kunnen bijvoorbeeld in het geval van een zeldzame, nog functionerende stadsboerderij helpen om historisch verantwoord wonen en werken mogelijk te blijven maken.
In Tilburg ontstaan de eerste acties tot behoud van boerderijen vanaf 1967 als reactie op de ingrijpende stadsvernieuwingen. Elite en burgerij luiden letterlijk de alarmklok en weten cultuurhistorisch waardevolle boerderijen zoals de Tongerlose Hoeve, de Kasteelhoeve en de Oliemolen te behouden. De restauratiepraktijk van omstreeks 1970 brengt met zich mee dat recente toevoegingen – verbeteringen in de wooncultuur zoals een tochtportaal - worden ‘weggerestaureerd’. Sterk tijdsgebonden opvattingen over authenticiteit spelen overigens tot op de dag van vandaag door in de restauratiepraktijk. Ook is het – met alle respect voor de huidige gebruikers van boerderijcomplexen – de vraag in hoeverre deze befaamde boerderijen nu optimaal tot hun recht komen. Het is de kunst om oorspronkelijk doel en karakter van de boerderij, meer dan tot op heden gebeurt in balans te brengen met hergebruik. Een traditionele boerderij is meer dan een rustieke gevel en kent ook een specifieke wooncultuur die, met alle moderniseringen en aanpassingen aan hedendaags leefbaar comfort, leesbaar dient te blijven. Zowel de charme als de cultuurhistorische waarde van een historisch object wordt immers sterk bepaald door de mogelijkheid de nagelaten sporen van vorige bewoners te beleven.
* Renate van de Weijer is werkzaam in het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem
en doet onderzoek naar veranderingen in wooncultuur op het platteland vanaf 1850.
Noten
(1) C. van Breugel, Beschreeve staat van de Meierij (1794), gepubliceerd in
Historia Agriculturae 8 (1965) 97-537, mn 439.
(2) Historische boerderijen in Nederland. Een onderbouwde raming van het resterende bestand aan historische boerderijcomplexen gebouwd voor 1940 (Arnhem 2001). Zie tevens
Boerderijen, het zal ons een zorg zijn. Zwartboek (Den Bosch 2001) Uitgave van de Commissie voor Boerderijenzorg in Noord-Brabant.
(3) E. van Olst, Uilkema, een historisch boerderij-onderzoek. Boerderij-onderzoek in Nederland 1914-1934
(Arnhem 1991).
(4) C.S.T.J. Huijts, De voor-historische boerderijbouw in Drenthe. Reconstructiemodellen van 1300 vóór tot 1300 na Chr. (Arnhem1992). Bij het interpreteren van gegevens uit archeologische opgravingen met betrekking tot prehistorische boerderijen in relatie tot laatmiddeleeuwse en vroegmoderne exemplaren past meer terughoudendheid in geografische en historische zin dan betracht is in S.
Hendrikx,
Brabantse boerderijen. Beleven, bewonen en bewaren (Eindhoven 1994).
(5) Hein Vera, ‘Potstallen en esdekken. Een kritisch onderzoek naar het Brabantse landschap’, Brabants Heem 54 (2002) 55-66.
(6) Op het Noord-Brabantse platteland werd al veel eerder baksteen geïmporteerd en geproduceerd, maar dit kostbare materiaal werd aanvankelijk alleen voor kerken en torens gebruikt. Herman
Strijbos, ‘De produktie van baksteen in de zandstreken van oostelijk Noord-Brabant vóór de negentiende eeuw’,
Brabants Heem 36 (1984), 154-159; idem, ‘Middeleeuwse bakstenen. Productie en formaten in oostelijk Noord-Brabant’,
Brabants Heem 48 (1996), 12-19 en J.J. Voskuil, Van vlechtwerk tot baksteen. Geschiedenis van de wanden van het boerenhuis in Nederland (Arnhem en Zutphen 1979) 44-47.
(7) Voskuil, Van vlechtwerk, 124-125.
(8) Zie hiertoe met name Herman Strijbos, 'Van hallehuis tot
langgevelboerderij. Een laatmiddeleeuwse boerderij te Vessem' in:
(9) Manuscriptkaart Tilburg 1837-1838, Topografische Dienst Emmen.
(10) Zie hiertoe de bijdrage van Rob van Putten.
(11) Jan van Eijck en Toon van Gool, ‘De molens van Riel, deel 3 (slot)’,
De Runstoof 26 (2003), nr. 1.
(12) Zie hiertoe onder meer Peter Thoben (ed.), ‘... onbedorven schilderachtige toestanden ...’. Het boereninterieur in de Nederlandse schilderkunst in 19de en 20ste eeuw (Enschede - Hilversum - Eindhoven, 1990); Cor van der Heijden en Gerard
Rooijakkers,
Kempische boeren en Vlaamse vissers; Kunstenaars en volkscultuur omstreeks 1885: Victor de Buck en Joseph Gindra (Eindhoven 1993).
(13) Anton Schuurman, Materiële cultuur en levensstijl. Een onderzoek naar de taal der dingen op het Nederlandse platteland in de 19e eeuw: de Zaanstreek, Oost-Groningen, Oost-Brabant
(Wageningen en Utrecht 1989).
(14) Jos Bekx, ‘Wintertijd’, D’n effer 16 (Lieshout 2003) nr. 4, 18-28.
(15) Gerard Rooijakkers, ‘Wooncultuur in de Westbrabantse Kempen. De arrangementen van anachronistische tijdgenoten’,
Brabants Heem 46 (1994) 107-119.
(16) Met dank aan de familie Van Roestel.
(17) Henk van Doremalen, ‘Stadsvernieuwing en cityvorming. Demografie en ruimtelijke ontwikkeling 1945-2000’, in: Cock Gorisse
(red.),
Tilburg, stad met een levend verleden. De geschiedenis vanaf de steentijd tot en met de twintigste eeuw (Tilburg 2001)
459-460; Marc van Abbe en Willem van der Staak (red.), De Tongerlose Hoef en Tilburg (Tilburg 1969).
(18) De geschiedenis van de boerderij werd beschreven in J.A.J. Becx en
P.F. Drijvers,
De kasteelhoeve te Tilburg. Verleden en heden (Eindhoven 1974).
(19) Renate van de Weijer en Theo Cuijpers, ‘De historicus, de Handelshogeschool en de heiligenbeelden: een interview met Harry van den Eerenbeemt’,
Noordbrabants Historisch Nieuwsblad 9 (1995) nr.2, 22-24.
(20) Suzanne Hietbrink, 'Bundeling van kracht en kennis. Particuliere cultuurzorg en monumentenbescherming 1940-1990',
C.B. Smithuijsen (red.),
De hulpbehoevende mecenas. Particulier initiatief, overheid en cultuur, 1940-1990
(Zutphen 1990) 189-246, mn 204, 218-223. Hietbrink vermeldt overigens 20 categorale instellingen voor boerderijenzorg, ontstaan in de periode voor 1945.
(21) Ad de Jong, De dirigenten van de herinnering. Musealisering en nationalisering van de volkscultuur in Nederland 1815-1940 (Nijmegen 2001).
(22) Zie hiertoe bijvoorbeeld Gerard Rooijakkers, Anneke van Lierop en Renate van de
Weijer,
De musealisering van het platteland. De historie van een Brabants boerenhuis (Nijmegen 2002).
(23) Brabants Dagblad, 26 april 2002.







