| 126. Gezondheidszorg, hygiëne en ... hippies | |||
|
Titel: |
Gezondheidszorg, hygiëne en ... hippies |
|
Ondertitel: |
Een nieuwe museale presentatie van de Tilburgse arbeidershuizen in het Nederlands Openluchtmuseum* |
|
Auteur: |
Renate van de Weijer** |
|
Jaargang: |
XVI (1998) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina’ s: |
68-70 |
Op 4 april van dit jaar opende Johan Stekelenburg als burgemeester van Tilburg de nieuwe presentatie van de Tilburgse arbeidershuizen in het Nederlands Openluchtmuseum. De drie huizen die in 1955 werden verplaatst, geven nu een beeld van de arbeiderscultuur omstreeks 1870, 1910 en 1954 met bijzondere aandacht voor hygiëne en gezondheidszorg.
Hiermee zou het volgens liedjes bijzonder slecht zijn gesteld: 'En die wèèvers hebben 'n höske klèèn, waor veul vliege, muggen èn ôk vlôoje zèn'. In een ander liedje wordt verteld dat wevers nooit een bad namen, maar alleen hun
'kop' even onder de pomp hielden. Was het werkelijk zo slecht gesteld met de hygiëne? En hoe veranderde dat?
In 1860 bouwde Jan Nicolaas Diepen die een textielfabriek had op Korvel in de Berkdijksestraat een rij van zes wevers- en arbeiderswoningen. De gezinnen volgden elkaar in een hoog tempo op. De familie Hultermans, die vanaf 1886 in een van de drie huizen leefde, vormde een grote uitzondering. Betje bleef hier wonen tot de afbraak en verplaatsing naar het Openluchtmuseum in 1955. Zij en haar man behoorden tot de laatste wevers van Tilburg: het weefgetouw stond nog steeds in huis. Ook waren bedsteden, plattebuis en plavuizen nog aanwezig. Kortom, dit huishouden was een beetje stil blijven staan in de tijd. Dat was ook te merken aan de sanitaire voorzieningen: die bleven beperkt tot het privaat achter het huis en het kraantje in de geut. Maar dat hoeft niets te zeggen over het hygiënisch besef. Betje stond juist bekend om haar
'properheid'.
Boven en onder het exterieur van de drie arbeidershuizen, 1998. Details in de afwerking, zoals dakpannen, dakgoten en vensters geven de
ontwikkeling in tijd weer Foto’s Nederlands Openluchtmuseum, Arnhem).
Met de woonsituatie was het omstreeks 1870 wel anders gesteld. Onbewust van de risico's voor de gezondheid stonden privaat en mestvaalt bij velen vlak naast de drinkwaterput. Pas door de
cholera-epidemie van 1865 begon men langzaamaan te beseffen dat er een verband bestond tussen hygiëne en gezondheid. Maar het opruimen van mestvaalten deed men daarna nog niet systematisch. Ook het
pomp- en putwater bleef nog lang in gebruik, zelfs bij de burgerij. Een andere hardnekkige gewoonte was het `snuiten' van de neus zonder zakdoek: door met een vinger een neusgat dicht te houden en hard door de neus te blazen vloog de inhoud op de plavuizen in huis. Om dit en andere vuiligheid gemakkelijk te verwijderen, strooide men zand in de huizen dat dagelijks of wekelijks werd verwijderd. Men wist echter niet dat door het vegen allerlei bacillen werden verspreid: velen moeten op dergelijke wijzen besmet zijn geraakt met tuberculose.
Gebaseerd op de recente studies van C. van der Heijden en R. Wijnen-Sponselee komen in het tweede en derde huis de kindersterfte in Tilburg en de geschiedenis van de wijkverpleging aan bod. Omstreeks 1910 was de kindersterfte in Tilburg erg hoog. Dit werd onder meer veroorzaakt door de slechte voeding
- aan borstvoeding deed men toen nauwelijks - hoewel ook andere factoren zoals het vele verhuizen meespeelden. Het tweede Tilburgse arbeidershuis besteedt aandacht aan zo'n sterfgeval. Als signaal voor de buurt stond er voor het huis een zogenaamd
'wepke' met een wit lint erom. Deze tonnetjes versierd met doodshoofd en de spreuk
'Bid voor de ziel' werden in Tilburg nog tot in de jaren twintig gehanteerd. Binnen ligt een
'gepeeld' kindje: buurkinderen versierden hun overleden kameraadje met wat bloemetjes. Soms werd voor het huis een vaandel geplaatst van de Heilige Kindsheid (hier binnen om behoudstechnische redenen). In 1910 was deze omgang met de dood normaal; nu is het erg confronterend, al neemt de belangstelling voor rituelen bij het sterfbed recent toe.
Naar aanleiding van de hoge kindersterfte werd het Wit-Gele Kruis opgericht. De wijkzusters zijn erg belangrijk geweest in het ontwikkelen van meer hygiënisch besef bij de bevolking. Zij adviseerden hun patiënten voortdurend volgens de laatste stand van zaken. Vanaf de jaren dertig organiseerden zij moederschapcursussen waarin veel nadruk lag op goede hygiëne en voeding. Andere cursussen vonden plaats al naar gelang de behoefte in de wijk. Anno 1954 was het in huis spugen en dergelijke volledig uit den boze.
Het 'tijdstraatje' ontstaan door de opeenvolging van in- en exterieurs uit 1870, 1910 en 1954 heeft veel positieve reacties opgeleverd. Hierdoor kunnen de bezoekers iets herbeleven van de grote veranderingen die hebben plaatsgevonden: zowel in de maatschappij als thuis. In dit succes heeft het museum aanleiding gezien de lijn van de presentatie door te zetten in de vorm van een vierde huis anno 1970. Zo kunnen we een volledige eeuw arbeiderscultuur tonen. Aan de gemeente Tilburg is gevraagd een bijdrage aan de realisatie hiervan te leveren en als alles goed gaat, wordt het vierde huis deze winter aan de bestaande drie vastgebouwd. Kadastrale gegevens en foto's liggen ten grondslag aan dit gebouw dat duidelijk van de andere afwijkt. Terwijl deze nooit voorzien werden van de in Tilburg zo karakteristiek uitgebouwde keuken, had de vierde woning dat wel sinds een verbouwing in de negentiende eeuw.
Omstreeks 1970 werden de kleine arbeiderswoningen door eigenaren of woningbouwverenigingen gerenoveerd. Veel van deze huizen werden toen nog bewoond door oud-textielarbeiders of hun kinderen. Maar de textiel stierf in Tilburg op dat moment een harde dood: de fabrieken werden gesloten en de arbeiders moesten elders emplooi vinden. Hun kinderen hadden in de jaren zestig veelal een goede opleiding genoten die al niets meer met het vak van hun ouders te maken had. Zij stonden op een andere manier in de samenleving en dat was ook te zien aan de inrichting. Hoe ook al weer? Dat kunt u bekijken vanaf 4 april 1999, wanneer het Openluchtmuseum na het winterseizoen weer open is. Overigens, wanneer u nog voorwerpen van omstreeks 1970 beschikbaar hebt voor het museum, kunt u contact opnemen met de auteur van dit artikel (026-3576111 of 073-6149358).
De voorkamer anno 1970 met een ingebouwd fornuis, een hangkast en een bedstee.
Dit vertrek deed dienst als goede kamer: men kookte op de kachel in de weefkamer
ernaast (Foto Nederlands Openluchtmuseum, Arnhem).

De voorkamer anno 1910 met het doodskistje van een
pasgeboren kind, een lege wieg, chromolitho’s, een ‘paardjesklok’
en het vaandel van de Heilige Kindsheid (bruikleen Goirle)
(Foto Nederlands Openluchtmuseum, Arnhem).

De voorkamer anno 1954 met radio (draadomroep), Pastoe-kasten, rieten stoelen
en een oliekachel (Foto Nederlands Openluchtmuseum, Arnhem).

De Bruynzeelkeuken met geiser en fornuis anno 1954
(Foto Nederlands Openluchtmuseum, Arnhem).
* Bovenstaande tekst is een samenvatting van het artikel in het 'Jaarboek van het Nederlands Openluchtmuseum
1998'. In dit tijdschrift 'Tilburg' verscheen eerder een bijdrage van Paul Spapens over het voornemen tot herinrichting van deze huisjes (jrg. 13, 1995, nr. 3, p.
89-92).
** Renate van de Weijer is wetenschappelijk medewerker van het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem en is belast met de (her)inrichting van museale gebouwen. Tevens verricht ze voor de Stichting Historisch Boerderij-Onderzoek een studie naar veranderende wooncultuur op het platteland in de periode 1860-1960.
Een driedimensionale impressie van de arbeidershuisjes en interieur is te zien op de website van het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem.




