| 536. Zorgen om Zorgvlied | |||
|
Titel: |
Zorgen om Zorgvlied |
|
Ondertitel: |
De verkeken kansen op een fraai 'universiteitskwartier´ |
|
Auteur: |
Gerard Steijns * |
|
Jaargang: |
XIX (2001) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
2 |
|
Pagina s: |
35-46 |
'Villapark Zorgvlied' in Tilburg, het klinkt prachtig, hoewel het neigt naar plagiaat. Maar het was wel geheel in de geest van vadertje Cats: (´Sorghvliet´) een wijkplaats om onbezorgd te genieten van de uren na het werk en je op te laden voor weer een dag vol gewaardeerde nieuwe zorg voor een gelukkige en welvarende samenleving. Dat stond de stadsbestuurders van Tilburg voor ogen in die jaren kort na de Eerste Wereldoorlog. Er moesten een pijnlijk ontnuchterende crisistijd en een nog minder zorgeloze Tweede Wereldoorlog overheen gaan vooraleer een inmiddels danig afgeslankt, zo niet verminkt plan volledig was gerealiseerd. Een verslag over de bijna-misgeboorte van een zorgenkind, dat toch nog voorspoedig tot wasdom kwam.
"TILBURG-Fabriekstad. Dat werd ons bij de Aardrijkskundeles op de lagere school al ingeprent. Oud Tilburg is dan ook inderdaad met deze formule juist getypeerd. Wij zijn trotsch op de vele en groote industrieën die hier sinds onheugelijke tijden gevestigd zijn en die een nationale en internationale bekendheid hebben verworven. Naast OUD-TILBURG met zijn fabrieksschoorsteenen is echter in de laatste jaren een NIEUW-TILBURG aan het opkomen. Nieuw Tilburg dat bestaat uit smaakvol aangelegde wijken met modern ingerichte woonhuizen in aangename omgeving. De kroon op deze vernieuwing van Tilburg wordt gezet door de exploitatie van het Villapark
"ZORGVLIED".
Dat "ZORGVLIED" zou worden geexploiteerd is lang verwacht, veel besproken, doch meestal naar het rijk der fabelen verwezen. Nu is deze exploitatie echter een feit. Enkele energieke bouwers bezield met de bekende Brabantse ondernemingsgeest hebben, onder leiding van ons Makelaarskantoor, de handen ineen geslagen en een begin gemaakt met de bebouwing van dit zoo gunstig aan de Bredascheweg gelegen Villapark. Breede plantsoenen, ruime pleinen, schitterende lanen worden aangelegd en de eerste landhuizen zijn zo goed als gereed. "Zorgvlied" wordt de ideale woongelegenheid van Tilburg. Een reproductie van het Haagsche "ZORGVLIED", het beroemde park waarin Vader Cats tot zijn van veel levenswijsheid getuigende gedichten werd geïnspireerd. Het zou wel aanbeveling verdienen om in onze aardrijkskunde-leerboeken een verbeterde clausule op te nemen luidende: Tilburg (Villapark "Zorgvlied") is de ideale woonstad van Noord-Brabant."
(1)
Zo luidt de bijna juichende intro van de prospectus die het Tilburgse Makelaars- en Assurantiekantoor J. van der Meeren in 1934 verspreidde en waarin het kopers lekker probeerde te maken voor de eerste huizen die in de zojuist aangelegde Burgemeester Suijsstraat waren opgeleverd. Een daarvan, nummer 56, was door Vroom en Dreesmann ingericht als modelwoning en daarvan waren ruim foto's opgenomen. Dat de ontwikkeling van dit fraais niet al te voorspoedig is verlopen, ja zelfs ondanks de naam voor het Tilburgs gemeentebestuur ronduit een zorgelijke affaire is geweest, wordt in slechts enkele woorden gesuggereerd:
'lang verwacht, veel besproken doch meestal naar het rijk der fabelen verwezen'.
Inderdaad, de wijk werd al in 1917 voorzien, in 1919 als een ambitieus project ontworpen, pas in 1934 gedeeltelijk aangelegd en zelfs - maar dat wist men toen nog niet - pas eind jaren vijftig afgerond.
Het heeft dus veertig jaren geduurd om een stadsuitbreiding te realiseren waaraan volgens de bedenkers, het gemeentebestuur onder leiding van burgemeester Vonk de Both, in het 'moderne Tilburg' zo'n grote behoefte was. En dan werd het oorspronkelijke, zeer ambitieuze plan nog niet eens ten volle gerealiseerd. De wijk die er uiteindelijk is gekomen, is zeker nog steeds een van de aangenaamste en gewildste woonlocaties van de stad, maar is lang niet zo riant geworden als in 1919 was voorzien. De door de makelaar gebezigde term 'landhuizen' was ook zwaar overdreven. De meeste 'rijtjeshuizen voor de betere stand' heeft hij dan ook niet aan particulieren kunnen verkopen. Het zijn tot ver na de oorlog huurhuizen gebleven. Nu de wijk ingrijpend wordt gerenoveerd, waarbij uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met het oorspronkelijke, bijzondere karakter, lijkt het interessant om aan de geschiedenis van de moeizame totstandkoming aandacht te besteden.
Het visioen van Rückert
In 1917 werd door het gemeentebestuur van Tilburg een Algemeen Uitbreidingsplan van de gemeente vastgesteld, dat door ir. J.H. Rückert, de toenmalige directeur van wat later Publieke Werken zou heten, was ontworpen. Dit "Plan Rückert", zoals het altijd en met recht is blijven heten, gaf een indringende en goed onderbouwde visie op de toekomstige stedenbouwkundige ontwikkeling van de snel groeiende stad en is decennialang het kader gebleven voor het denken daarover. Op de bij het plan horende kaart staat juist buiten de ontworpen westelijke ringbaan en ten zuiden van de Bredaseweg een ruim opgezette tuinwijk getekend. Het doet vermoeden, dat Rückert op die plek al met zoiets als een villapark rekening hield. Ook precies aan de andere kant van de stad waren zulke tuinwijken voorzien op de plek van de Armhoefse Akkers en het latere Jeruzalem, maar daar blijft hij vaag over de bebouwing, terwijl hij op de plek van het latere Zorgvlied duidelijk solitaire woonhuizen op ruime kavels tekent. Rückert heeft niet de kans gekregen om dat wat hij voorzag ook werkelijkheid te zien worden, laat staan het zelf uit te voeren.
Fragment van de kaart behorende bij het Algemeen Uitbreidingsplan van de
gemeente Tilburg, door ir. J.H. Rückert uit 1917. Linksonder de geplande
villawijk. (Collectie RHC Tilburg).
Al bij de behandeling van het uitbreidingsplan in de gemeenteraad was hij wegens onenigheid over zijn relatie tot ondergeschikten en het gemeentebestuur naar 's-Hertogenbosch vertrokken. Kort daarna is hij gestorven. Zijn belangrijkste bijdrage aan de vormgeving van de moderne stad, het ringbanenstelsel, is pas na de Tweede Wereldoorlog voltooid. De eerste stukken echter, die daarvan nog vóór die oorlog gerealiseerd werden, lagen juist bij de door Rückert voorziene betere tuinwijken: dat waren de Ringbaan-Oost (geopend 1935) en de Ringbaan-West (geopend 1936).(2) Maar al in 1919, dus nog lang voordat die laatste er lag, werd door het gemeentebestuur al opdracht gegeven voor een studie en ontwerp van een daarlangs te realiseren villapark. Merkwaardigerwijs beperkte dat zich niet tot het eigenlijke park, maar omvatte het onder dezelfde naam de middenstanders- en arbeidersbuurt aan de overzijde tussen de Korenbloemstraat en de ontworpen Ringbaan.
Waarom moest nu met de ontwikkeling van dit deel van het algemeen uitbreidingsplan zo'n haast gemaakt worden? Had Tilburg op dat moment zo'n behoefte aan woongelegenheid voor gefortuneerden? Natuurlijk was de textielindustrie bloeiende en de bevolking groeiende, maar er waren tekenen dat er na de Eerste Wereldoorlog een terugval zou plaatsvinden en bovendien werd ook aan de andere kant van de stad al de wijk Armhoefse Akkers ontwikkeld. De autochtone rijken woonden veelal nog bij hun bedrijven, en als ze het elders zochten, dan was dat nog eerder op de vaak al voor de eeuwwisseling verworven landgoederen op de ontgonnen en beboste heide vlak langs de toen nog verkeersluwe en lommerrijke uitvalswegen, zoals de Bredaseweg en de Goirleseweg. Natuurlijk was er een nieuwe groep welgestelden in opkomst in de dienstensector en de hogere ambtenarij. Maar dat rechtvaardigde deze grote voortvarendheid nog niet. Nee er was iets anders, dat het gemeentebestuur ertoe bracht om een riant 'villapark' te ontwikkelen. Het waren niet alleen villa's die een stedenbouwkundig fraai ontworpen plek moesten krijgen, maar het eigenlijke doel van het lokaas was de vestiging in de stad van hoger onderwijs met de daarbij horende prestigieuze gebouwen. Wat was er gebeurd?
De Bossche buit
In 1912 waren door de onderwijspionier dr. Hendrik Moller in Amsterdam de R.K. Leergangen gesticht, primair een instituut voor de opleiding van docenten aan het middelbaar onderwijs, maar ook bedoeld om allerlei andere vormen van hoger beroepsonderwijs te geven. In 1913 had hij dit instituut, overigens op instigatie van onder anderen het lid van zijn curatorium en de latere bisschop Diepen, naar 's-Hertogenbosch verplaatst, maar in deze 'liberale' stad bleek op den duur het politieke klimaat niet geschikt te zijn om het katholieke onderwijsbolwerk de faciliteiten te verschaffen die het dacht te mogen claimen ten behoeve van een permanente vestiging aldaar. Dat was overigens nogal wat. Een begin 1918 uit de curatoren benoemde bouwcommissie maakte zodanige plannen, dat het nodig was om aan het Bossche stadsbestuur de volgende forse eis te stellen: de kosteloze beschikbaarstelling van een bouwterrein van 2,5 hectare; een bedrag ineens van 100.000; een renteloos voorschot van 400.000 af te lossen in 40 jaar, en ten slotte nog eens een jaarlijkse subsidie van 20.000.
Daarvoor was in de gemeenteraad geen begrip op te brengen, temeer daar men ervan uitging dat de kennelijke bedoeling om het instituut te laten uitgroeien tot een Katholieke Universiteit door het gelijktijdig streven van de concurrerende Radboudstichting naar eenzelfde doel weinig perspectieven leek te hebben. De goede Bossche koopmansgeest, zeker ook aanwezig bij bankier-burgemeester Van Lanschot, stond niet toe een kat in de zak te kopen. Dan maar liever gewacht op andere kansen. Elders in Brabant echter bleef men wel geïnteresseerd. Op dezelfde dag, 31 mei 1918, dat de Bossche burgemeester de eisen van de Leergangen hoorde, stonden daar ook die van Eindhoven en Tilburg op de stoep. Er was toen al druk gelobbyd.
Voor Eindhoven bleek de jaarlijkse subsidie van 20.000 echter pas haalbaar als de annexatie van de omliggende dorpen het financieel draagvlak groter zou maken, maar zover was het nog niet. Burgemeester Vonk de Both van Tilburg echter kon met een dikke portefeuille zwaaien. De industrie had mede dankzij de oorlog goed verdiend. Vanaf 1880 was de bevolking verdubbeld van 30.000 naar 60.000 zielen. Die zielen waren overigens niet meer zo volgzaam, zoals bleek toen er in 1917 een staking uitbrak onder textielarbeiders, die van de voorspoed van hun bazen méér wilden meeprofiteren. Maar in het algemeen ging het de stad goed en ze had geld voor een prestigeproject, waarmee ze kon bewijzen dat ze in modern maar nog meer in katholiek Nederland meetelde. In zijn gemeenteraad was grote welwillendheid gebleken op het moment dat de eerste geruchten van de mogelijke verplaatsing van de zetel van de Leergangen uit Den Bosch daar bekend werden. Die waren daar in een besloten raadsvergadering op 26 april al aan de orde gekomen.
Men reageerde er op een perscampagne, aangezwengeld door een kring van prominente katholieken rond dr. P.C. de Brouwer, de rector van het Sint-Odulphuslyceum, die graag de R.K. Leergangen en een eventueel daaruit groeiende universiteit naar 'de katholiekste stad' van het land wilden halen en die er zelfs al een steunfonds voor stichtten. Voor verdere stappen kreeg de burgemeester groen licht van de raad, waarbij hij er overigens op wees, dat Tilburg zich niet wilde laten gebruiken
'als speelbal voor een andere gemeente'.
Woordvoerder van de kennelijk zeer eensgezinde raadsleden was de vakbondsvoorman en later wethouder Anton van Rijen. Hij
'acht de zaak van zeer groot gewicht voor de gemeente en kan dan ook ten volle goedkeuren wat in dezen reeds door het gemeentebestuur is gedaan, en gelooft dat ook de Raad hiermede gaarne zal instemmen. Spreker betreurt het dat door de pers reeds berichten omtrent deze aangelegenheid in rondloop zijn gebracht, waardoor het belang van Tilburg - hoewel misschien onbewust - niet is gediend. Spreker zou burgemeester en wethouders willen verzoeken op den ingeslagen weg voort te gaan.' Vollediger mandaat kon Vonk de Both niet krijgen en na het gesprek van 31 mei met het curatorium komt hij dan ook vol vertrouwen op 14 juni terug in de raad - weer een geheime vergadering - en doet verslag over de eisen van de Leergangen (dezelfde als aan Den Bosch waren gesteld) en vertelt wat Tilburg daarvoor terugkrijgt. Hij heeft becijferd wat over een periode van 40 jaren de jaarlasten voor de gemeente zullen zijn: 36.525. Dat is zeker op te brengen: het ging Tilburg toen nog voor de wind. De Leergangen beloven zes gebouwen te zullen stichten: een voor
'algemeene wetenschappen' met maar liefst 30 grotere en kleinere collegekamers, en twee gehoorzalen voor resp. 80 en 50 studenten; een gebouw voor de
'Handelshoogeschool' met 17 collegekamers; een gebouw voor 'beeldende kunsten' met vijf collegekamers en 11 praktijklokalen; een gebouw voor het
'muziekconservatorium' met drie collegekamers een zaal voor koorzang en tien muziekkamers;
'een boekerij, zoo te bouwen dat voortdurende uitbreiding mogelijk is'; en ten slotte
'een aula die waarschijnlijk later gebouwd zal worden'.
Dr. H.W.E. Moller (1869-1940), oprichter van de Katholieke Leergangen, geschilderd
door Jan van Delft in 1917. (Foto collectie RHC Tilburg).
Op een enkele uitzondering na zijn de raadsleden ronduit enthousiast, zo zelfs, dat men erop aandringt nog een extra bedrag ineens van 100.000 te garanderen, waarvan men verwacht dat het althans grotendeels door het particulier initiatief in de stad zal worden opgebracht. Men acht het belang voor de stad zeer groot en de offers dus waard. Een opmerkelijk argument brengt het raadslid Louis Melis nog in, hij
'wijst erop dat voor de vestiging der Leergangen in Tilburg mede pleit het feit, dat het sterftecijfer te Tilburg kleiner is dan in Den Bosch en Eindhoven.' Een gezonde studieomgeving dus voor de hoop van het katholieke deel der natie. Het lokkertje (volkomen in tegenspraak met het voornemen van de burgemeester om geen spelletjes te spelen) van een extra ton heeft zeker geholpen. De Bossche raad begreep inmiddels dat de eisen van het curatorium als een minimum moesten worden verstaan en trapten vervolgens niet in het risico. Bovendien was zoals al gezegd de politieke sfeer in de meer liberale stad niet gunstig voor al te veel toegeeflijkheid ten opzichte van een instituut voor bijzonder hoger onderwijs. Daarnaast zag men er Moller als een
'illusionist' met name met betrekking tot zijn Handelshoogeschool en de universitaire pretenties die daarmee samenhingen. Ondernemend Tilburg met aan het hoofd de ambitieuze burgemeester verwachtte daar juist wel veel van. De stad kon er haar imago mee verbeteren en het culturele prestige verwerven dat bij haar economische succes paste. Tilburg werd de nieuwe vestigingsplaats van het gedroomde bolwerk van katholiek hoger onderwijs.
Dat de concurrerende en door het episcopaat gesteunde Radboudstichting enige jaren later zou kiezen voor Nijmegen als zetel van de door haar nagestreefde Katholieke Universiteit was weliswaar een behoorlijke teleurstelling, maar wat er inmiddels was, werd daardoor niet meer afgenomen. De katholieke zuil kreeg daardoor twee instituten voor hoger onderwijs. Die van Tilburg was voorlopig voornamelijk gericht op onderwijsakten en kunsten alsmede de economische vakken in de eerst in personele unie met de Leergangen verbonden maar later stilaan verzelfstandigde Handelshogeschool. De in 1923 gestichte Nijmeegse Universiteit zou al snel uitgroeien tot een 'alma mater' met een compleet curriculum. De Tilburgse Hogeschool werd pas na de oorlog verder opgetuigd en mocht zich pas in 1986 universiteit noemen toen de katholieke zuil al lang was gaan wankelen.
De Leergangen hebben na het besluit van curatoren op 12 juli 1918 min of meer hals over kop Den Bosch verlaten. Het ambitieuze nieuwbouwplan werd niet meteen gerealiseerd en men hield zich voorlopig tevreden met een groot aantal noodvoorzieningen verspreid over de stad. Het hoofdgebouw was een 'barakachtig' bouwsel aan de Lange Schijfstraat.(3)
Ontwerp villapark door J.Th.J. Cuypers uit 1919. Van links naar rechtsboven de
Ringbaan-West. (Coll. RHC Tilburg, Archief van het gemeentebestuur Tilburg,
1908-1937, oorspr. in doss. 1919 afd. I, nr. 115).
Voor de realisering van de definitieve nieuwbouw was het nodig dat de gemeente aan het werk ging om aan de eis van levering van het daarvoor benodigde terrein van 2,5 hectare te voldoen. En in het verlengde van wat raadslid Melis had opgemerkt moest dat bij voorkeur niet te midden van de ongezonde industrie maar liever op een frissere plek gevonden worden. Rückert had zijn mooiste villawijk al boven de heersende westenwind gesitueerd, zodat de fabrikanten niet zouden hoeven lijden van de kwalijke uitwaseming van hun eigen bedrijven. Het gemeentebestuur koos voor die locatie om midden daarin een terrein voor de R.K. Leergangen en impliciet ongetwijfeld de toekomstige universiteit te reserveren. Voor het ontwerp van dat gebouw zouden de curatoren zelf een prijsvraag gaan uitschrijven, voor de entourage diende de gemeente een uitbreidingsplan te ontwerpen. En dat gebeurde vliegensvlug en, zoals we straks zullen zien, voor sommige anderszins belanghebbenden tamelijk onverhoeds, althans zo deden ze het voorkomen.
De 'fata morgana' van Cuijpers
Op 22 januari 1919 gaat er een brief uit naar architect Jos. Cuijpers te Roermond, dan nog deelgenoot in het vermaarde kantoor van zijn vader Pierre Cuijpers, de architect van vele neogotische kerken waaronder die van de parochie Noordhoek (1898) in Tilburg en van het Rijksmuseum en het Centraal Station te Amsterdam. De inhoud is voor zo'n opdracht kort maar wel duidelijk:
'In verband met het stichten van gebouwen voor de thans in deze gemeente gevestigde R.K. Leergangen stellen Burgemeester en Wethouders zich voor [om] voor het gedeelte der gemeente, waar de Leergangen zullen worden gevestigd een uitbreidingsplan te doen vaststellen dat aanpast aan en verband houdt met de wijze waarop de gebouwen zullen worden geplaatst. Daar het vaststellen van dit uitbreidingsplan spoed vereischt, onze directeur van Publieke Werken met werk overladen is en het gewenscht is voor de verfraaiing der stad een uitbreidingsplan vast te stellen dat op bijzondere wijze aanpast aan de plannen welke de leergangen hebben, is de mogelijkheid niet uitgesloten dat aan een particulier architect opdracht gegeven wordt dit uitbreidingsplan te ontwerpen. Voor dit ontwerpen wordt aan U gedacht. Zonder eenige verbintenis van de gemeente ten deze opzichte zou het college van Burgemeester en Wethouders het op prijs stellen met u over deze zaak een onderhoud te hebben, en wordt u mitsdien bij dezen uitgenoodigd wel een dag in de volgende week naar hier te willen komen.' Volgt nog een alinea over de vergoeding van reis en verblijfkosten.
Cuijpers denkt er niet lang over na. Hij verschijnt in de BenW-vergadering van 27 januari en schrijft een dag later een haastig briefje: 'Nadat ik gister namiddag met Uwen Directeur van Gemeentewerken een zeer aangename wandeling heb gemaakt rond het terrein waarover des morgens werd geconfereerd, mag het nuttig zijn, dat ik met enkele woorden nader bevestig wat als overzicht van die conferentie door mij werd aangetekend. Indien door B & W van Tilburg mij de opdracht bovenbedoeld wordt verstrekt, dan neem ik aan om in de kortst mogelijke tijd te bestuderen, te teekenen en te leveren een bebouwingsplan als onderdeel van Uw groot uitbreidingsplan - in regelmatig overleg met Uwen Directeur van Gem. Werken - in elk geval binnen twee maanden na ontvangst van de noodige gegevens. Voor de leergangen daarin een terrein van 2½ H.A. aan te wijzen en eene parochiekerk enz. te plaatsen.' Als honorarium voor
'dit gedeeltelijk uitbreidingsplan als geheel verkaveld voor villabouw' vraagt hij 400, voor
'eene perspectivische teekening en schetsen van het type daarop passende villa's 100 en voor de nodige lichtdrukken enz. ook nog eens eenzelfde bedrag., tezamen 600.' Voor dat bedrag wordt in de raadsvergadering van 7 februari krediet gegeven en kan Cuijpers vier dagen later de opdracht worden verleend.
Ir. Josephus Th.J. Cuypers (1861-1949)
omstreeks 1938. (Coll. RHC Tilburg).
Op 19 april had hij al een schetsontwerp gereed, dat op 17 mei bij de gemeente binnenkwam, maar dat diende op enkele technische punten herzien te worden, waarvoor een extra honorarium van 200 nodig was. Tot dan ging alles erg vlot, maar daarna treedt er een vertraging in, met name de perspectieftekening wordt maar niet geleverd. Die is vooral ook nodig als basis voor de door de Leergangen uit te schrijven prijsvraag voor hun gebouw. Die fraaie tekening, nog steeds berustend in het Regionaal Historisch Centrum Tilburg, komt uiteindelijk pas op 9 februari 1920, dus in plaats van twee maanden een jaar na de opdracht, binnen. Op 7 april bevestigt de secretaris van curatoren, mr. B.J. van Spaendonck op zijn beurt de ontvangst. Er kan gewerkt worden. Het
'Ontwerp partieel uitbreidingsplan, genaamd "Het Villapark"' wordt in de gemeenteraad van 7 april 1920 vastgesteld. Na publicatie komen er van belanghebbenden geen bezwaren. De definitieve vaststelling volgt op 15 juni.
Het is voor een goed begrip van hoe over de vorm en doelstelling van de uitbreiding gedacht werd wel aardig om hier uitvoerig te citeren uit de
'Toelichtende beschrijving' bij het plan van de hand van Jos Cuijpers zelf.
Het uitbreidingsplan omvatte: '
niet alleen het terrein dat eigenlijk voor den aanleg van het villapark is bedoeld, doch ook de wijk, die een overgang moet maken tusschen het villapark en de oostelijk daarvan gelegen terreinen, welke bestemd zijn voor de bouw van
arbeiderswoningen', een soort bufferzone dus tussen de hoogste en de laagste klassen, tussen de Korenbloemstraat en de aan te leggen Ringbaan-West, waaraan ook de nieuwe parochiekerk was gepland; de grond voor deze
'kerk in het midden' was al door de moederparochie Korvel aangekocht. Met de bouw van deze overigens nooit geheel voltooide kerk - er hadden nog een transept met koepel en een toren bij gemoeten - naar een ontwerp van de Tilburgse architect en directeur van de onder Leergangen horende Academie, H. Bonsel, die er later recht tegenover een huis voor zichzelf bouwde, werd ook opgeschoten.
In het voorjaar van 1920 kwam een commissie van voorbereiding bijeen, waarin ook burgemeester Vonk de Both en dr. Moller zitting hadden (beiden waren ze ook toekomstig parochiaan en kerkmeester). De kerk werd volgens een door de bouwpastoor ruim 25 jaar later gegeven verslag van die bijeenkomst door Moller gezien als de kerk van de Leergangen en daarom beval hij ook
'zijn architect' als bouwmeester aan. Vonk de Both noemde in diezelfde vergadering de kerk
'het middelpunt
van een model-woonwijk'. Op 10 december 1922 werd ze gewijd, midden in de velden liggend en door een provisorische weg verbonden met de Korenbloemstraat. Maar ze moest straks wel een functie in het stedenbouwkundig ontwerp van Cuijpers krijgen:
'Daar het gezicht op een kerk een van de meest aantrekkelijke kan zijn, die in het stadsbeeld zijn te maken, werd vanuit het park een laan in de richting van de kerk ontworpen.' Dat werd de latere Burgemeester Rauppstraat, in zijn ontwerp vertrekkend van een driehoekig pleintje waar alleen nog villa's en nog geen bejaardenpension waren voorzien.
Uitgangspunt echter voor het gehele ontwerp van de wijk was het nu nog bestaande andere pleintje aan de Burgemeester Suijsstraat. Dat had in de optiek van Cuijpers het zeshoekige voorplein voor de entree van het gebouw van de leergangen moeten worden.
'De goede plaatsing van de hoofdgebouwen voor de Leergangen is van het meeste belang, aangezien deze groep het hoofdmoment zal moeten vormen. De hoofdtoegangsweg naar het te bebouwen terrein ligt aan de noordzijde namelijk de rechte rijksweg van Tilburg naar Breda; dit is dus de basis, waarop zal worden gewerkt. Daarvan uitgaande werd een hoofdtoegangslaan, breed 70 M ontworpen [het huidige noordelijke stuk van de Burgemeester Janssenstraat, S.]
tegenover de 2,50 H.A. bestemd voor de hoofdgebouwen der Leergangen, welke als een in hoofdzaak symmetrische groep zijn verondersteld. De middenas van dezen hoofdtoegang is verder Zuidwaarts doorgetrokken, tegenover een der middenpartijen van het gebouw, gunstig Zuidelijk op de zon gelegen.' Die middenlaan zou dan in het zuiden weer afgesloten moeten worden door een zeshoekig plein met villa's. De situering van het gebouw van de Leergangen heeft dus een dwingend karakter gehad voor de nog bestaande hoofdvorm van de wijk. De loop van de Burgemeester Suijsstraat en de Burgemeester Janssenstraat zijn erdoor bepaald, het pleintje op de kruising had daar toen een specifieke, zij het ander functie dan nu.
Het partieel uitbreidngsplan van het villapark, oorspronkelijk vastgesteld door de gemeenteraad
van Tilburg op 18-6-1920 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 12-10-1921. (Coll. RHC
Tilburg, Archief van het gemeentebestuur Tilburg, 1908-1937, doss. 1931 W 1313/5).
Tot zover over de hoofdstructuur van de wijk. Maar ook over het karakter en de sfeer wist Cuijpers zijn opdrachtgevers het een en ander te vertellen:
'Omdat de geheele indruk van het Villapark vooral zal beheerscht worden door de plaats, die de villa's ten opzichte van elkander innemen, behooren in het plan daarvoor de bouwterreinen reeds in beginsel te worden verdeeld. Wil men komen tot een geheel, dat weer voor langeren tijd zal kunnen gelden als een aanleg, die door schoone lijnen en goede verhoudingen een aangenamen indruk blijft maken, zooals we terugvinden in den vrijen park- en stadsaanleg voor den 18e eeuw, dan is het noodzakelijk om van den beginne af aan, stelselmatig het geheel in verband te behandelen en goed te overwegen, welke de juiste plaats voor elke villa moet zijn.' Het ambitieniveau was dus hoog, en daar hoorde een strenge regulering bij. Geen
'laissez faire' dus, ook niet wat de vormgeving van de individuele huizen betreft: 'De gemeente moet het Stadsbestuur de mogelijkheid scheppen om verder ten behoeve van den welstand van het geheel de bebouwing organisch en harmonisch te blijven regelen. Daarmede wordt niet bedoeld dat alle villa's in eenzelfde karakter zouden moeten zijn, maar zeker niet, dat daar tegenover de meest heterogeene ontwerpen willekeurig moeten worden door elkander geworpen. Voor een harmonisch geheel is het noodig, dat in elke laan een verband zal bestaan tusschen de villa's, die men tegelijk kan overzien. Dat verband is vast te leggen door, door evenwicht in den hoofdvorm en overeenstemming in de lijnen; de onderdeelen kunnen daarbij volgens speciale eischen of persoonlijke opvatting afwisselend vrij zijn.'
Er zat ook een profetisch en tegelijk een, zij het tamelijk elitair, sociaal element in zijn visie:
'Te midden van het Villapark zijn enkele groepen van gekoppelde woningen geplaatst. Daarmede wordt een meervoudig doel beoogd. Vooreerst is het niet waarschijnlijk, dat binnenkort wel 89 terreinen voor nieuwe villa's zullen worden gevraagd en toch is het spoedig afbouwen van het park zowel voor bewoners als voor de gemeente gewenscht. Ten tweede ligt het in den loop der dingen, dat niet allen even groote villa's bewonen. Zoo zullen bijv. de jongere gezinnen gaarne in het park in de nabijheid van hun familieleden en vrienden wenschen te wonen, maar daarom nog niet aanstonds een groote villa met ruimeren tuin willen betrekken. Ten derde zal het voor den bewoner en voor den bezoeker gewenscht zijn, als het bouwkundig aspect groote afwisseling vertoont. Waar de stichting van de R.K. Leergangen de hoop wettigt, dat een monumentaal, zij het toch eenvoudig hoofdgebouw de kern zal vormen, doen de vele losse villa's reeds als een vroolijke tegenstelling aan. Maar ook die verspreide huizen kunnen te talrijk worden, zoodat enkele vaste kernen voor het zeshoekige plein noodig zijn om ook in de voorstelling van den wandelaar vaste punten te scheppen, die hij licht onthoudt en die hem dus steeds den weg zullen wijzen. Deze aaneengesloten bouwgroepen zijn zoodanig geplaatst, dat zij telkens een afgesloten groepje vormen. Zeker zal hun stichting het best tot stand komen, als personen in wier levenswijze een zekere mate van overeenstemming bestaat, gezamenlijk tot den bouw besluiten; ook aan coöperatief bouwen en andere combinaties is hier gedacht. Verder is het mogelijk, dat de bouw dier groepen door een lichaam, hetzij de gemeente of een bouwonderneming, wordt ter hand genomen en de huizen daarna worden verhuurd.' Cuijpers zal zeker nog niet gedacht hebben aan de later in de jaren zestig en zeventig in universitaire kringen zo populaire wooncommunes, maar zijn idee over initiatieven van
'lichamen' bij de realisering van projecten zou voor zijn villapark straks wel de enige oplossing blijken te zijn.
Bebouwingsplan Zorgvlied, getekend in Den Haag 1933. (Coll. RHC Tilburg, Archief van het
gemeentebestuur Tilburg, 1908-1937, doss. W 132/20, behorend bij brief nr. 72).
Ten slotte heeft hij ook nog ideeën over het heilzame samengaan van beheerste natuur en architectuur en aansluitend geeft hij zijn inspiratiebron prijs: 'Naar mate het overdreven individualisme van een voorgaande periode meer op den achtergrond wordt gedrongen, wordt ook door architecten meer en meer ingezien, dat elk bouwwerk in zijn uiterlijke verschijning afhankelijk is van de omgeving. Die omgeving zal in dit park allereerst de plantennatuur zijn, maar deze treedt steeds zeer bescheiden terug achter den sterken indruk, die werken van menschenhand te midden der natuur maken. Hoezeer de aanvullende beplanting zeker kan bijdragen om de overgangen tusschen de opvolgende gebouwen minder schril te maken, toch zal de totale indruk des te gunstiger zijn naarmate de bouwmeesters der verschillende villa's er beter in slagen een grote mate van verwantschap in hun scheppingen te leggen. Dit zal zelden beter kunnen worden gevoeld dan bij een bezoek aan de Engelsche tuinsteden. In het bijzonder Hampstead bij Londen. De rust en gemoedelijkheid, die elken wandelaar tusschen de mooie kleine woningen pakt is één van de goede eigenschappen, die zoo weldadig den bewoners aandoen, welke in de city den werkdag doorbrengen en hier het intieme familie-leven ongestoord kunnen genieten. Al zal het karakter van dit park heel wat hooger aangeslagen zijn door den betrekkelijken levenstandaard der bewoners dan de tuinstad Hampstead, toch mag de wensch worden geuit, dat het karakter van het geheel een even gunstig beeld moge geven van de cultuur van de stad en haar bewoners."
(4)
Voor zo'n perspectief moest het ambitieuze gemeentebestuur wel in vervoering raken. Het op dit programma gebaseerde partieel uitbreidingsplan met de daarbij horende bestemmingen en voorschriften werd dus aanvaard, maar daarmee kreeg het bestuur meteen een duur blok aan het been, zo zal tenminste uit het vervolg blijken.
Verkeken kansen op fraai 'universiteitskwartier'
Tot de bijlagen die de gemeenteraad bij het voorstel tot vaststelling van het plan aantrof, behoorde ook een lijst van eigenaren van percelen binnen de grenzen van het plan. Dat waren een heleboel boeren uit het westen van de stad maar ook enige notabele bewoners van de Bredaseweg en enkelen die profijt wensten te trekken uit de perspectieven die het plan Rückert voor grondexploitatie bood. Daaronder was ook een naamloze vennootschap tot exploitatie van onroerend goed, die een grote aaneengesloten lap grond had verworven precies op de plek waar het gebouw van de Leergangen was gedacht. Om het plan te realiseren zou dus zeker die grond verworven moeten worden. Maar ook in het algemeen was voor de realisering van het totale ontwerp met een zo dwingend verkavelings- en stratenplan verwerving zo niet onteigening van de merendeels grote agrarische percelen nodig. Hier en daar moest ook een boerderij sneuvelen, met name aan de te vervallen Vierwindenstraat en Berkdijkse Zijstraat. En het belang van de grondverwerving gold nog eens temeer als de gemeente zelf de exploitatie van het plan in handen zou houden. En toen kwamen de eerste beren op het pad.
Het begon al met vertraging door het feit, dat Gedeputeerde Staten kennelijk de tijd namen voor de wettelijk vereiste goedkeuring van het plan. Op 22 juni 1920 werd het hun toegezonden. Een jaar later, op 21 september 1921, had men in Tilburg na drie rappels nog steeds niets vernomen. Een van die rappels was een boze brief na een gesprek tussen de burgemeester en de Commissaris van de Koningin, waarin wordt gesignaleerd dat maar liefst 11 plannen, die cruciaal waren voor de volkshuisvesting in Tilburg, op goedkeuring lagen te wachten en sommige zelfs al meer dan twee jaar. De directeur van Publieke Werken maakte zich ernstige zorgen, want er waren door particulieren al enige bouwplannen voor percelen aan de Bredaseweg ingediend, die hoewel op het oog niet indruisend tegen de bedoelingen van het bestemmingsplan, nu toch nog niet gerealiseerd konden worden, omdat ze formeel binnen het plangebied lagen. De goedkeuring kwam eindelijk op 12 oktober 1921. Vervolgens werd door de gemeenteraad op 20 januari voorlopig en op 2 juni 1922 definitief een besluit genomen tot goedkeuring van een plan van onteigening van gronden in het uitbreidingsplan, die bestemd zouden zijn voor de bouw van de Leergangen en de aanleg van het stratenplan.
Toen ging het pas goed fout. Bij Koninklijk Besluit van 5 november 1923 werd de goedkeuring aan dit plan onthouden. Waarom? Omdat, zo luidt de formulering:
'niet is gebleken in hoever de gemeente zich voorstelt van hare macht gebruik te maken.'
Een onteigeningsplan mag namelijk geen blanco volmacht zijn. Er moet een welomschreven maatschappelijk doel mee gediend zijn. En dat was nog erg vaag. Want wat was inmiddels het geval. Het plan zoals het er lag op de gronden waarop het moest worden gerealiseerd en in een tijd van sterk oplopende prijzen en malaise in de industrie was allerminst op korte termijn uitvoerbaar en zeker niet toen de Leergangen een onzekere factor waren geworden. Het plan van Cuijpers en het daarop inmiddels gebaseerde nadere ontwerp van 'huisarchitect' Bonsel was ronduit te duur. Zelf zullen curatoren hun ambitieuze programma van eisen ook wel hebben bijgesteld, want het oorspronkelijke plan zou ongeveer twee miljoen zijn gaan kosten.
Architect H. Bonsel. (Coll. RHC Tilburg).
Er kwam nu een nieuwe opdracht voor een ontwerp voor een gebouw van zes ton. Voor dat bedrag stapte men in de loop van 1923 naar het gemeentebestuur om de in de overeenkomst van 1918 toegezegde renteloze lening te krijgen. En nu overspeelde het gemeentebestuur zijn hand. Waarschijnlijk om toch verzekerd te zijn van een gebouw met allure werd het bedrag alleen maar toegezegd als de Leergangen voor tien ton zouden bouwen en dus zelf voor het verschil van vier ton garant zou blijven. Dat zou namelijk in overeenstemming zijn met de geest van het in 1918 gesloten contract. Juridisch was die stelling echter niet houdbaar. De Leergangen zagen vervolgens af van de nieuwbouw in het geplande villapark, waarmee dus eigenlijk ook de voornaamste reden voor dat park, althans op die schaal en met die allure verviel. De onthouding van de goedkeuring van het onteigeningsplan had dus wel goede gronden.
De Leergangen zouden uiteindelijk een veel bescheidener huisvestingsplan realiseren. In 1924 ging de gemeente mokkend akkoord met een financiële bijdrage van slechts twee ton en een jaarlijkse subsidie van 5000 ten behoeve van de aankoop van de villa 'Tivoli' aan de Bosscheweg als bestuurszetel en de bouw van een bescheiden lesgebouw op het daarbij behorende terrein. Later zou daar ook nog het conservatorium een plaats krijgen. De kunstacademie trok in het gebouw van de Bank van Lening in de Schoolstraat. Zo is de situatie tot ver na de Tweede Wereldoorlog gebleven. Tot 1962 vond zelfs de in 1927 verzelfstandigde R.K. Handelshogeschool, dan inmiddels Katholieke Economische Hogeschool geworden, in de gebouwen aan de Bosscheweg een onderkomen.
De kansen op een fraai 'universiteitskwartier' met zowel bestuurs- en onderwijsgebouwen alsook woningen voor docenten en ander hoger personeel op 'zichtlocatie' langs de Bredaseweg en de nieuwe ringbaan waren dus voorgoed verkeken. Het is daarom des te opmerkelijker, dat het gemeentebestuur bij de nu noodzakelijk geworden wijziging van het bestemmingsplan vasthield aan de oorspronkelijke opzet en karakter van de wijk. Het moest toch een villapark met allure blijven. De daarbij passende verkaveling werd eenvoudig voortgezet op de niet meer voor de Leergangen benodigde grond. Het zeshoekige pleintje bleef, maar was geen entree meer voor het hoofdgebouw. Er kwamen gewoon huizen rond en de breedte van de straat van de Bredaseweg naar daar werd van 70 meter naar 20 meter teruggebracht terwijl de zuidelijk tak van de latere Burgemeester Janssenstraat er voortaan meteen op aansloot, evenals de twee takken van de Burgemeester Suijsstraat. Dit gewijzigd uitbreidingsplan werd voorlopig goedgekeurd op 8 mei 1925 en definitief vastgesteld bij raadsbesluit van 23 oktober van dat jaar. De goedkeuring van Gedeputeerde Staten kwam pas op 18 januari 1928. En dat ging niet van een leien dakje.
'Zorgvlied'
Het wordt nu tijd om op iets opmerkelijks te wijzen. De wijk in de hoek van de Ringbaan-West en de Bredaseweg wordt zoals we boven hebben gezien in 1934 aangeduid als het plan 'Zorgvlied'. Zo is zij nu ook nog algemeen bekend. Maar tot nog toe zijn we die benaming voor de wijk in de plannen en de daarmee samenhangende stukken niet tegengekomen. De naam bestond echter al wel. Zij werd namelijk gevoerd door de boven al genoemde exploitatiemaatschappij die eind 1917 was opgericht en die op 31 juli 1918 en 5 maart 1919 de gronden had verworven die enige jaren later bestemd werden voor het gebouw van de Leergangen. Maar dat was niet de bestemming die de maatschappij naar eigen zeggen reeds lang voor ogen had gestaan. Althans men kan zich afvragen of ze toch niet van stond af aan op twee paarden gewed heeft.
Perspectief bouwplan Zorgvlied, 1933 (Coll. RHC Tilburg, Archief van het gemeentebestuur
Tilburg, 1908-1937, doss. W 132/20, behorend bij brief nr. 23).
In de tijd van de aankoop moeten de bestuurderen van de NV, de Wollenstoffenfabrikant H. Daniëls, de secretaris van de Voogdijraad M. Denteneer, de koopman Jos. Maassen, de advocaat mr. H. Scheidelaar (hij werd later lid van de gemeenteraad en in de jaren '30 wethouder), de grossier in manufacturen P. Smits, de koopman H.v.d. Velden en de commissionair in Effecten Corn. v.d. Ven, allen naar het lijkt in de hogere kringen goed ingevoerde lieden, al op de hoogte zijn geweest van de gedachten over de vestigingsplaats van de Leergangen. Hoe het ook zij, de maatschappij 'Zorgvlied' maakte toen de gemeente het plan ging wijzigen meteen bezwaar. Zij had nu immers interesse in de bouw van een heel ander soort wijk. Er lag dan ook van haar sinds 9 november 1923 (let wel binnen en week na de vernietiging door de Kroon van het raadsbesluit tot onteigening en kort nadat bekend was geworden, dat de plannen van de Leergangen niet doorgingen) een plan bij de gemeente voor de bouw daar van 227 arbeiderswoningen 74 middenstandswoningen en 31 winkelwoonhuizen. Dicht aaneengesloten bebouwing dus op kleine kavels en geen dure onverkoopbare villa's op kostbare lappen grond.
'Zorgvlied' had vrede kunnen hebben met schadeloosstelling door verkoop of onteigening voor goed geld ten behoeve van de Leergangen, maar nu werden ze opgezadeld met een bestemming voor hun kennelijk duur verworven grond, die in hun ogen niet of althans niet meer te realiseren was. De gemeente wenste echter niet af te zien van haar prestigieuze plan en had overigens ook op andere gronden serieuze stedenbouwkundige bezwaren tegen het plan van Zorgvlied:
'Klaarblijkelijk is het plan zoodanig ontworpen, dat op de eigendommen zooveel mogelijk woningen gebouwd kunnen worden en is de straataanleg naar dien opzet geprojecteerd zonder te letten op eischen van aesthetica of de belangen van andere grondeigenaren.' De ideeën en belangen stonden dus lijnrecht tegenover elkaar. Ook een particuliere speculant, de koopman H.G. van Stokkum, eerst te Tilburg later te Nijmegen woonachtig, die een fors perceel bezat dat dwars over de oostelijke tak van de geplande latere Burgemeester Suijsstraat lag, voelde zich gedupeerd.
Talloos zijn nu de bezwaarschriften en daaromheen hangende correspondentie, die in de jaren 1925 tot 1928 tussen deze bezwaarden en de gemeente werden gewisseld. De zaak werd tot aan de Kroon toe uitgevochten. En uiteraard - dat zat in de procedure - werden ook Gedeputeerde Staten erin gemoeid. Er werd schadeloosstelling geëist op grond van een door de gemeente zelf gemaakte verordening van 1927, waarvoor de gedupeerden dan volgens het gemeentebestuur weer niet in aanmerking kwam. De zaak haalde dat jaar zelfs het lijfblad van de directeuren van hypotheekbanken, als een horribel voorbeeld van hoe er met de belangen van beleggers gesold kon worden. En zo sleepte de zaak zich jaren voort. Het dossier is nog steeds meer dan een decimeter dik!(5) Het zou te ver voeren om de hele strijd hier nu in detail te gaan volgen, zeker niet waar het de procedurele verschillen van opvatting betreft. Dan zou ook op dit papier de wijk nooit aan realisering toekomen.
Moeizaam naar een oplossing
Uiteindelijk is er onder regie van Gedeputeerde Staten een soort compromis bereikt. Zij wezen bij brief van 2 augustus 1925 de gemeente na een hoorzitting van partijen op het feit, dat ze weliswaar volgens de letter van de wet in haar gelijk stond, omdat het slechts een tussentijdse wijziging op grond van onomkeerbare feiten betrof, maar dat de zaak in werkelijkheid wel wat genuanceerder lag. Het was alleszins aannemelijk, dat nu het door de beslissing van de Leergangen en de inmiddels veranderde conjuncturele omstandigheden niet meer zo vanzelfsprekend was dat de de plannen van de gemeente uitvoerbaar zouden zijn, Gedeputeerde Staten en in geval van beroep eventueel ook de Kroon straks bij de wettelijk verplichte herziening na 10 jaren van het uitbreidingsplan, wel eens hun goedkeuring daaraan zouden kunnen onthouden. De plannen van de gemeente zouden ook dan toch niet
'in de naaste toekomst' - een vereiste van de wet - kunnen worden uitgevoerd. Bovendien was het toch ook billijk om oog te hebben voor de belangen van de grondeigenaren. Dan was het maar beter om nu al met de grondeigenaren tot een vergelijk te komen. De gemeente moest als ze het plan niet wilde wijzigen de grond maar voor een billijke prijs kopen. Gedeputeerde Staten keurden dus de wijziging op 18 januari 1928 weliswaar goed maar met de uitdrukkelijke overweging dat ze zich het recht voorbehielden om de bezwaren
'eventueel te zijner tijd', dat is bij de wettelijk voorgeschreven herziening in 1930 'nader te onderzoeken'. Dat was een duidelijke waarschuwing.
Verkavelingsplan Zorgvlied uit brochure Ideale moderne woningen in het park Zorgvlied te
Tilburg van makelaar J. van der Meeren. (Coll. RHC Tilburg).
Eerst werd nog geprobeerd om de zaak conform de in 1927 vastgestelde planschadeverordening op te lossen. Tot vergoeding zou dientengevolge kunnen worden overgegaan als het plan van 'Zorgvlied' elders in de gemeente zou worden uitgevoerd. In maart 1929 deelde de maatschappij echter mee daarvoor geen geschikt terrein te vinden en nu bood ze de gronden aan de Bredaseweg te koop aan aan de gemeente. Vervolgens kwam het volgende hoofdstuk in het drama. De gemeente liet de grond conform de geijkte procedure door drie onafhankelijke schatters taxeren, maar de Maatschappij deelde op 10 juli mee, dat zij
'aan hare terreinen en hoogere waarde toekende' dan de door de schatters vastgestelde prijs van 2,25 per m2. Vervolgens weigerden ze nog en tijdlang hun aandeel in de schattingskosten te betalen. Een zo tikten de uren, dagen en maanden weg en nog steeds had pastoor De Klijn vanuit zijn nieuwe pastorie aan de provisorische Ringbaan-West het uitzicht op roggevelden, zoals hijzelf bitter in zijn gedenkboek bij het zilveren jubileum van zijn parochie schrijft.
Het zou nog vijf jaren duren voordat er tegenover zijn kerk de eerste villa's konden worden gebouwd en een zijde van het door Cuijpers ontworpen pleintje plaats zou bieden aan de ingangsvleugel van het door architect Kropholler ontworpen pension Mariëngaarde.(6) Een van de villa's, het nog bestaande "Doucement", werd opmerkelijk genoeg geheel in de lijn van de oorspronkelijke bedoeling van de wijk gebouwd in opdracht van een jonge hoogleraar van de Handelshogeschool prof. dr. J.E. de Quay. Maar het plukje huizen voor welgestelden daar is nu nog het enige onderdeel van het 'Villapark' dat qua allure aan die bedoeling gestalte geeft.
Luchtopname van villapark Zorgvlied in
aanbouw. Op de voorgrond pension
Mariëngaarde, 1935(coll. RHC Tilburg).
Toen werden eindelijk ook aan de andere kant van de wijk de eerste huizen gebouwd op de gronden van "Zorgvlied". Dat kon pas nadat het hernieuwde uitbreidingsplan de nodige ruimte gegeven had om uitgaande van het overigens slechts op onderdelen gewijzigde stratenplan wat minder prestigieuze bouwplannen te realiseren. Dat gebeurde tussen 1934 en 1936 in het noordelijk deel van de wijk. Verder is men voor de oorlog niet meer gekomen en daarna duurde het ook nog even voordat de ruimte tussen de Burgemeester Rauppstraat en de Berkdijk werd volgebouwd. Bovendien hield de Burgemeester Suijsstraat ten oosten van het pleintje op en konden op de toen dorre vlakte, waar nu de GGD staat, tot ver in de jaren vijftig nog circussen staan of met Koninginnedag kinderspelen of een concours hippique worden georganiseerd.
Pastoor W.J.J. de Klijn (1884-1958) van parochie
H. Margarita Maria van 1922-1958. (Coll. RHC Tilburg).
Hoe het toch nog zover is gekomen en op een architectonisch toch nog niet zo onaardige wijze - denken we aan een bouwmeester als Dudok - zal in een vervolgartikel worden verhaald.
Laten we hier ter voorlopige afsluiting pastoor De Klijn nog eens aan het woord, die in 1947 in het gedenkboek van zijn parochie zijn frustraties van zich af moest schrijven. De man had een typische stijl met zeker wat overdrijvingen, maar als we het al met een klein korreltje zout nemen, is het toch een aardige samenvatting van hoe het hele verhaal hierboven door betrokken tijdgenoten is ervaren. Hij verhaalt hoe hij zich als pas aangesteld bouwpastoor op de hoogte ging brengen van de perspectieven, de kansen en mogelijkheden van zijn toekomstig herderlijk werkterrein:
'Een goed veldheer moet eerst het terrein verkennen. Dat terrein in "De Schijf bood weinig aantrekkelijks: akkerland
en nog eens akkerland
Verder de nog weinig bebouwde en onverlichte Bredase Weg, eindelijk de nog niet verharde gedeeltelijk onbebouwde straten, als Akkerstraat, Meelstraat, Berkdijkse Zijstraat enz. Diepe karsporen bemoeilijkten het verkeer, stofwegen in de zomer en modderpoelen in de winter. De welwillende "Publieke Werken" van Tilburg gaven moed en licht; zij ontvouwden een toekomstbeeld: 't zou hier een der fraaiste uitbreidingen van Tilburg worden
't neusje van de zalm! Alle bestaande wegen zouden worden verhard! De terreinen achter de kazerne waren bestemd voor de bouw van twee à drie honderd schitterende arbeiderswoningen met achter- en vóórtuintjes en zouden "de Schildersbuurt" vormen. De Korenbloemstraat, waar "het karretje nog op de zandweg reed", zou in een grote verkeersweg worden herschapen en de "Letterkundigenbuurt" omzomen.
Nu werden meerdere kaarten op tafel geworpen o.a. de uitbreiding "Het Villa-park", ontwerp van Dr. Cuijpers, deskundige voor stadsuitbreidingen. Dit ontwerp omvatte het gehele terrein van af de Korenbloemstraat tot het Belgische spoor, van af de Bredase Weg tot aan de Berkdijk, welk terrein geheel zou worden onteigend. Het werd doorsneden van Noord naar Zuid door de beroemde Ringbaan, die als een gordel van smaragd om Tilburg zou slingeren en de grote verkeersweg zou worden. De tramlijnen waren reeds uitgestippeld met wachthuisjes en stopplaatsen. 't Zouden dubbele wegen zijn voor de komende en vertrekkende man. Ten Oosten van deze verkeersweg zouden frisse Midden-standswoningen verrijzen, zowel voor de werknemende als werkgevende, ook wel voor de werkschuwende! Ten Westen van de Ringbaan zou het hier lang verbeide en besproken "Villapark"worden geëffectueerd met ongeveer 80 Patriciërs-huizen. In 't midden van dit gebouwen-complex zou het instituut "De Leergangen" zijn home krijgen, dat op een millioen werd geschat. Dr. Cuijpers had ook daarvoor een schitterend ontwerp getekend, dat werd getoond. De hoofdleider van de "Academie der Schone Kunsten der R.K. Leergangen", de Heer Bonsel, zou zijn medewerker zijn. Dr. Moller had zijn woning al gebouwd aan de Bredase Weg, om als Rector van de Leergangen dicht te wonen bij zijn geestes-kind.
Luchtopname van villapark Zorgvlied in
aanbouw. Op de voorgrond pension Mariëngaarde, op de
achtergrond het parochiecentrum aan de Ringbaan-West, 1935 (coll. RHC Tilburg).
Verder zou in de naaste toekomst in de onmiddellijke nabijheid een statig station worden gebouwd, dat zijn weerga in den lande niet kende. De Belgische lijn, die de "Rapides" van Parijs en Brussel zou te verzwelgen krijgen, zou buiten Tilburg worden gelegd, terwijl de bestaande lijn zou worden opgebroken en veranderd in een Boulevard. Welke pastoor zou bij de ontplooiing van zulke plannen niet watertanden? U moet echter nooit vergeten, dat Tilburg in de dagen in de weelde van een hoog-conjunctuur leefde en zich al een wereld-stad waande. Het kon zich niet voorstellen, dat de hoog-conjunctuur een zusje had in de lagere regionen, "de Laag-conjunctuur" genoemd.'
Aldus een sarcastische en teleurgestelde herder, die toen hij dit opschreef, wist dat hem een fata morgana voor ogen was gebracht.
(wordt vervolgd)
Noten
(1) Ideale moderne woningen in het park "Zorgvlied" te
Tilburg, prospectus. Bibliotheek Regionaal Historisch Centrum Tilburg (RHCT), nr. 2879.
(2) J.H.E. Rückert, Het uitbreidingsplan der Gemeente Tilburg (1917) met kaarten; Kees Doevendans e.a.,
Stadsvorm Tilburg, historische ontwikkeling; een methodisch morfologisch onderzoek (Eindhoven/Tilburg, 1993), 115 vv.; Paul van de Sande , 'Rückert, Ruigvoorn en de plannen tot uitbreiding van het stadhuis', in:
Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jrg.6, nr. 3 en 4 (1988); Gerard Steijns, 'Achtergronden bij het ontstaan van de wijk Jeruzalem', in:
Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jrg. 18, nr. 3 (2000).
(3) J.A. Bornewasser, Vijftig jaar Katholieke Leergangen 1912-1962 (Tilburg, 1962), p. 67 vv.; Th.G.A. Hoogbergen, 'Confessionalisering van het onderwijs', in : H.J.F.M. van den Eerenbeemt (red.)
Geschiedenis van Noord-Brabant, deel 2 (Amsterdam/Meppel, 1996), p. 361 vv.; RHCT,
Archief van het gemeentebestuur van Tilburg 1908-1937, geheime notulen van de gemeenteraad 1918. N.B. Dit archief wordt geciteerd met de oude nummering, Momenteel is het archief in bewerking. Een concordans is echter voorzien.
(4) RHCT, Archief van het gemeentebestuur van Tilburg
1908-1937, dossier 1919 I 115.
(5) RHCT, Archief van het gemeentebestuur van Tilburg
1908-1937, dossier W1313/16, 1921-1928. In dit dossier onder andere: 'Mededeelingen aan de leden der Vereeniging van Directeuren van Hypotheekbanken, door de directeuren der N.V. Utrechtse Hypotheekbank te Utrecht', nr 30, 28 december 1927, met daarin het artikel 'Goederen buiten den handel' over de Tilburgse zaak.
(6) W.J. de Klijn, Gedenkboek der parochie H. Margarita Maria Bredaseweg te Tilburg bij haar zilveren jubileum (Tilburg ,1947).
* Drs. Gerard Steijns was van 1980 tot 1998 gemeentearchivaris van Tilburg. Hij schreef diverse bijdragen op historisch terrein, onder andere voor het tijdschrift 'Tilburg' over de parochie Tilburg 't Heike (1990), Koning Willem II (1999) en over de wijk Jeruzalem (2000).








