| 537. Tussen Nijveroord en Besterd: de Nijverstraat | |||
|
Titel: |
Tussen Nijveroord en Besterd: de Nijverstraat |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Hans van Dijk* |
|
Jaargang: |
XIX (2001) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
2 |
|
Pagina’ s: |
47-58 |
Vanaf de Heuvel kan men via de Koestraat, Enschotsestraat of Besterdring het noordelijk deel van de stad bereiken. Vandaar kan men via de uitvalswegen snel de stad verlaten. Ongemerkt zijn daarbij vele buurten, straten en pleinen gepasseerd.
Evenwijdig en ten westen van de Besterdring ligt een rustige straat die de verbinding vormt tussen de Lange Nieuwstraat en de Veldhovenring. De lichtgebogen straat oogt als een doorsnee 'Tilburgse' straat: niet bijzonder breed en weinig opvallende woonhuizen die bovendien alle modieuze verbouwingstrends uit de voorgaande eeuw laten zien. Het is de Nijverstraat die omstreeks 1900 werd aangelegd.
Maar wat is een echte 'Tilburgse' straat? Wat zijn daarvan de kenmerken? En is zo'n straat wel zo doorsnee als ze op het eerste gezicht lijkt?
Inleiding
Wat later zou uitgroeien tot de stad Tilburg bestond lange tijd uit niet meer dan een verzameling losse, oorspronkelijk agrarische maar later verstedelijkte dorpen en gehuchten, verbonden door een netwerk van wegen en paden. De vorm van de nederzettingen werd soms bepaald door een driehoekige groene 'plaatse' zoals bij Korvel, De Veldhoven (nu Wilhelminapark) en de Heuvel. Andere, waaronder de Rugdijk en Berkdijk, ontwikkelden zich als langgerekte, naar gelang de bebouwingsdichtheid als straat- of wegdorp aangeduide nederzettingen. Elders lagen kleine, meer geďsoleerde buurtschappen en gehuchten zoals Hoogendries (ter hoogte van het huidige Prinsenhoeven) of Enthoven, nu nog fragmentarisch bewaard gebleven in de Enthovenseweg. Tussen en rondom de verschillende nederzettingen lagen akkercomplexen, daarbuiten omgeven door uitgestrekte heidevelden. Binnen dit conglomeraat van nederzettingen lag het economische en bestuurlijke zwaartepunt al vroeg bij de door de Heuvelstraat verbonden nederzettingen De Heuvel en De Kerk, de oude aanduiding van het gebied bij de huidige Oude Markt.
De bestaande nederzettingen breidden zich al vroeg in verschillend tempo en in verschillende mate uit, een ontwikkeling die in de loop van de negentiende eeuw in een stroomversnelling raakte. De nog beschikbare ruimte in de nederzettingen werd hierdoor snel opgevuld met nieuwe, soms prominente woonhuizen en enkele bedrijfspanden. Ook langs de verbindingswegen tussen de nederzettingen verrees in hoog tempo nieuwe bebouwing. Op de achter de woonhuizen gelegen percelen verrezen kleine en grote bedrijfspanden waarvan sommige zouden uitgroeien tot grote fabriekscomplexen zoals het geval was bij dé industriestraat van Tilburg, de Goirkestraat. In tegenstelling tot elders waren de percelen in Tilburg over het algemeen vrij diep omdat dicht opeengepakte huizen in smalle straatjes of in een beperkte ruimte zoals bij bestaande (vesting-)steden hier niet bestond. Deze verhoudingsgewijs diepe percelen vormen dan ook een typisch kenmerk van het oude Tilburg.
Planmatige groei
De hier in kort bestek weergegeven uitbreiding van de stad volgde vooralsnog geen planmatige, door de overheid gereguleerde opzet. Eerder was er sprake van een zekere wildgroei aan bebouwing, reden waarom in 1867 in de Tilburgsche Courant werd gewezen op de rommelige en daardoor onaanzienlijke aanblik van de stad. Het initiatief voor de bebouwingsactiviteiten berustte bijna uitsluitend bij particulieren. Pas rond 1865 vergrootte de gemeente haar invloed op dit proces toen op het akkercomplex tussen Heuvelstraat en spoorlijn een nieuwe wijk genaamd De Heuvelse Akkers werd aangelegd. De belangrijkste verbindingswegen tussen station en het 'centrum' (Stationsstraat en Comediestraat, later Willem II-straat), en dus de meest representatieve van de nieuwe stad, werden aangelegd door de gemeente. Om het aanzien van deze straten te waarborgen werd een verordening opgesteld, met daarin onder andere regels aangaande de hoogte, breedte en de gevelopbouw van de huizen. De invulling van de overige straten in de nieuwe wijk werd overgelaten aan particulieren waardoor hier een meer gevarieerd bebouwingsbeeld ontstond.
Nijveroord
Na de Heuvelse Akkers bleef verdere diepgaande bemoeienis van de gemeente bij de uitbreiding van de stad voorlopig nog achterwege. Nieuwe initiatieven kwamen dan ook van particulieren. De architect H.J. van Tulder, die onder andere in 1848-1849 het later gesloopte stadhuis aan de Oude markt had gebouwd, verwierf in 1865 het voormalige park van het paleis van Willem II, nu het paleis-raadhuis. Voor het park ontwierp hij in 1870 een stratenplan onder naam 'Koningswei'. De wijk was bestemd om te worden bebouwd met herenhuizen en villa's, maar het plan van Van Tulder leed deels schipbreuk waarna de wijk uiteindelijk werd ingevuld met arbeiderswoningen.
Ontwerp uit 1870 voor de nieuwe wijk Nijveroord ten noorden van de Centrale Werkplaats van de
Staatsspoorwegen. De tekening is van de hand van H.J. van Tulder, 1870. (Coll. RHC Tilburg).
In samenwerking met burgemeester J.F. Jansen en de Bossche koopman A.B. van der Steen ontwierp Van Tulder in 1870 ook een stratenplan voor een kleine wijk in de akkers pal ten noorden van de werkplaats van de Staatsspoorwegen. De wijk 'Nijveroord', (afb. 1: Nijveroord) waarvan de belangrijkste straten evenwijdig aan de spoorlijn lagen, had als centrale as de Lange Nieuwstraat hetgeen zichtbaar is in de brede opzet van de straat ten opzichte van de overige straten uit het plan. Hoewel de naam anders doet vermoeden maakte de Nijverstraat geen deel uit van het plan. Ter hoogte van de noord-zuidgerichte 'Voorstraat', een voormalig voetpad door de akkers, zou later de doorbraak komen naar de nog aan te leggen Besterdstraat, later de Besterdring.
Behalve het complex van de spoorwegwerkplaats, in de volksmond 'D'n Atelier' genoemd, toont de kaart van Nijveroord ook de al van oudsher aanwezige bebouwing in dit gebied: de zuidzijde van De Veldhoven, de Molenstraat (later Veldhovenring), een kleine buurtschap aan het Langepad ter hoogte van de huidige kruising Oude Langstraat-Schaepmanstraat en aan de oostzijde een deel van de Koestraat. De hier genoemde straten omsloten een klein akkercomplex met een ten dele lichtgebogen perceelsrichting die de basis zou vormen voor de loop van de Nijverstraat en een deel van het stratenplan van de toekomstige wijk De
Besterd.
De Woningwet
De meestal nauwelijks gereguleerde, snelle groei van vooral de steden leidde onder andere tot veel misstanden in de woningbouw en de huisvesting van met name de arbeiders. Om hieraan een einde te maken trad in 1901 de Woningwet in werking. In deze wet werd onder andere de rol van de gemeentebesturen op het gebied van volkshuisvesting en stedenbouw vastgesteld. Met name het toezicht op stadsuitbreidingen en bouwzaken diende te worden aangescherpt.
Tot op heden werd aangenomen dat er in Tilburg in de eerste jaren na de invoering van de Woningwet, geen sprake was van enige vorm van bouw- en/of woningtoezicht. Hoewel de gemeente al in 1904 een voorlopige bouwverordening had laten opstellen, zou het nog tot 1911 duren voordat deze verordening daadwerkelijk ingang vond. Een jaar later werd de dienst Publieke Werken opgericht, waaronder de afdeling Bouw- en Woningtoezicht
ressorteerde.
Een doorsnede van een van de twee woonhuizen die in 1908 in opdracht van A. de Roo, wagenmaker bij de
Staatsspoorwegen, werden gebouwd (Nijverstraat 131-133). Architect was Jos Donders. Op de bouwtekening
staat een stempel dat verwijst naar de voorlopige bouwverordening van de gemeente uit 1904. (Coll. Gemeente
Tilburg, dienst Bedrijven, afd. DIV, bouwdossier).
Uit de bouwdossiers van de eerste woningen in de Nijverstraat, daterend uit 1905-1906, komt echter een geheel ander beeld naar voren. In tegenstelling tot eerder werden bij de bouwaanvraag bouwtekeningen en bestekken aangeleverd die, na goedkeuring, werden voorzien van een stempel met daarop het gemeentewapen en de tekst 'bouwverordening gemeente Tilburg'
(afb. hierboven). Het betrof hier de voorlopige verordening die in 1904 was opgesteld. Bovendien werd in dezelfde bestekken verwezen naar de voorwaarden en regels uit de Woningwet waaraan de (nieuwe) woningen dienden te voldoen. Ook de vastgestelde straatbreedte van 12 meter en het vaststellen van de rooilijnen, zoals omschreven in de verleende bouwvergunningen, wijst op een grotere inbreng van de gemeente.
De wijk De Besterd, gelegen ten noorden van Nijveroord, was een der eerste waarvoor de gemeente zelfs een eigen stratenplan liet opstellen. Hoewel ook in dit geval wordt gesuggereerd dat de gemeentelijke inbreng hoofdzakelijk beperkt bleef tot de aanleg van gas- en waterleiding, en daarmee tot de aanleg van straten, blijkt uit de bouwdossiers die betrekking hebben op de Nijverstraat dat voor onder andere ook de Gasstraat, onderdeel van De Besterd, een verordening was opgesteld voor de breedte en het profiel van de straat. Behalve tot een homogeen straatbeeld leidden de nieuwe regels ook tot een vorm van gestandaardiseerd woonhuis. Dit woningtype vormde later de inspiratie voor de huizen die ir. J.H. Rückert, directeur van Publieke Werken (1913-1917), voor ogen stonden.
De Nijverstraat behoort hiermee tot de eerste straten in Tilburg waar de nieuwe regels zoals vastgelegd in de Woningwet, daadwerkelijk werden toegepast.
Voorgevel van vier woningen (Nijverstraat 114-120), in 1910 gebouwd door C.F. van Hoof voor A. Schellekens.
(Coll. Gemeente Tilburg, dienst Bedrijven, afd. DIV, bouwdossier).
De Nijverstraat
Omstreeks 1900 werden onder andere de tracés van de toenmalige Besterdstraat en Gasstraat vastgesteld. De namen van de beide straten werden door het college van burgemeester en wethouders in 1900 vastgesteld. Wanneer het tracé voor de Nijverstraat werd vastgesteld is niet duidelijk, maar waarschijnlijk gebeurde dit in dezelfde periode. De naam Nijverstraat werd overigens, evenals die van onder andere de Schaepmanstraat die de straat in het noorden kruist, pas in 1909 door B&W vastgesteld, op een moment dat de straat al voor een deel was bebouwd.
Aansluitend bij de loop van de perceelsgrenzen kreeg de Nijverstraat een lichtgebogen verloop. In de dertig jaar eerder aangelegde Lange Nieuwstraat was blijkbaar al een aansluiting met een nieuwe straat voorzien gelet op de twee afgeschuinde hoekpanden (Lange Nieuwstraat 65 en 67) die werden gebouwd omstreeks 1875. De aansluiting met zowel de Lange Nieuwstraat als de Molenstraat (Veldhovenring) bleef echter stedenbouwkundig een probleem. De Achterstraat, nu Johannes van Oisterwijkstraat, was bedoeld als achterontsluiting van de huizen aan de Lange Nieuwstraat, maar werd door de aanleg van de Nijverstraat een enigszins 'verloren' straat zonder woonbebouwing. Aan de noordzijde ging de Nijverstraat over in een smalle steeg die de verbinding vormde met de Molenstraat. Ondanks de sloop van een van de belendende panden aan de steeg, is deze onlogische verbinding nog steeds herkenbaar in het straatprofiel. Op twee plaatsen werd de straat onderbroken door zijstraten: de opvallend brede Gasstraat, die de verbinding vormde tussen het Besterdplein en het terrein van de gasfabriek, en de Schaepmanstraat die vanaf de Besterdstraat naar de Oude Langstraat en Gasthuisring leidde.
Voor de Nijverstraat was, van gevel tot gevel, een breedte vastgesteld van 12 meter. Zowel de breedte als de diepte van de percelen was nagenoeg gelijk, de rooilijn was vastgesteld en werd bij elk bouwplan afgepaald door een medewerker van het kadaster. Riolering, water en gas werden kort na het vaststellen van het tracé aangelegd aangezien uit de bestekken blijkt dat alle huizen meteen konden beschikken over een aansluiting op het gas- en waterleidingnet.
Particulieren en woningbouwverenigingen
In opdracht van J. Verheijen ontwierp de architect A. Blomjous in 1905 een drietal woningen met winkelhuis op de hoek Nijverstraat-Achterstraat. Het waren de eerste huizen uit een lange reeks waarmee het grootste deel van de Nijverstraat zou worden bebouwd. Uit de bouwdossiers, waarin vaak het beroep van de opdrachtgever staat vermeld, blijkt dat deze veelal behoorden tot de beter geschoolde arbeiders of de (kleine) middenstand. In het oudste deel van de straat, grenzend aan de Lange Nieuwstraat, bleek een deel van de opdrachtgevers dan wel van de latere huurders te behoren tot het personeel van de spoorwegwerkplaats. In de bouwdossiers wordt hun beroep bij de 'Staatsspoorwegen' omschreven als ondermeer wagenmaker, arbeider, bankwerker en schrijnwerker. Degenen die naast de opdracht tot woningen ook een winkel of winkelhuis lieten bouwen, deden dit meestal met het oog op hun broodwinning: bakker, slager of meubelmaker. Enkele onder hen behoorden blijkbaar tot het meer vermogende deel van de bevoking aangezien zij meerdere percelen aankochten waarop twee of meer woningen werden gebouwd. Het grootste aantal woningen dat door een particulier werd opgericht betrof de acht woningen en het winkelhuis die in 1909 door en in opdracht van architect H. van Eijndhoven op de hoek met de Gasstraat werden gebouwd (Nijverstraat 105-119 en Gasstraat 19).
Aannemer W. Broens gaf in 1910 opdracht tot de bouw van 6 woningen (nrs. 139-149). 'Solitaire' bouwprojecten van individuele woningen bleven tot 1920 zeldzaam.
Behalve door particulieren werden ook woonhuizen gebouwd door de nog jonge bouwverenigingen die met name na de totstandkoming van de Woningwet werden opgericht. Deze kleine bouwverenigingen lieten meestal slechts een klein aantal huizen tegelijk bouwen, waarbij vaak gebruik werd gemaakt van eenzelfde ontwerp. Zo liet de R.K. Coöperatieve Bouwvereeniging 'Eigen Haard' in 1911 door architect C.F. van Hoof een bouwtekening maken voor vier woonhuizen die zowel werd gebruikt voor een bouwproject in de Gasstraat als in de Nijverstraat (nrs. 106-112).
De enige andere bouwvereniging die woningen liet bouwen in de Nijverstraat was de 'grote' R.K. Bouwvereniging Sint Joseph die in 1913, als een initiatief van werknemers van de spoorwegwerkplaats, was opgericht. Bouwvereniging Sint Joseph gaf in 1920 opdracht tot de bouw van een kleine wijk ten noorden van de Schaepmanstraat. Van deze wijk lag een aantal woningen aan de Nijverstraat.
In enkele gevallen werden gebouwen opgetrokken die meer dan het gebruikelijk aantal percelen besloeg zoals de Christelijke Bewaar- en Handwerkschool
(afb. hieronder) die in 1906 werd gebouwd tegenover de woonhuizen van J. Verheijen, op de tegenoverliggende hoek met Achterstraat. Vanwege een groeiend aantal leerlingen was de oude school in de Lange Nieuwstraat te klein geworden en had architect C.F. van Hoof een nieuw schoolgebouw met onderwijzerswoning ontworpen (nrs. 171-173). De school, die in 1915, 1928 en 1930 werd vergroot, is nog een van de weinige gave voorbeelden van een dergelijk schoolgebouw in de stad.
De Christelijke Bewaar- en Handwerkschool van architect C.F. van Hoof (1906).
De school
behoorde tot de eerste gebouwen in de Nijverstraat. Foto omstreeks 1910. (Coll. RHC
Tilburg).
In 1938 werden de laatste braakliggende percelen in de Nijverstraat opgevuld met de bouw van een 'zevenklassige jongens- en meisjesschool en een kleuterhuis met speelplaatsen'. Het R.K. Kerkbestuur van de Parochie van de Heilige Theresia' had aan de architectencombinatie C.M.B. van den Beld en H.W. Valk de opdracht verleend tot een groot schoolgebouw dat in 1948 en 1966 nog zou worden uitgebreid. Het schoolgebouw, met laag aangezette, hoge daken en twee speelplaatsen, vormde een opmerkelijke onderbreking van de gesloten straatwand .
Van zuid naar noord
In tegenstelling tot wat de nummering van de huizen, die aanvangt aan de noordzijde bij de Veldhovenring, doet vermoeden, werd de straat in noordwaartse richting bebouwd. Op de diverse stadsplattegronden uit het begin van de twintigste eeuw is deze ontwikkeling goed afleesbaar
(afb. hieronder).
De woonhuizen van J. Verheijen en de Christelijke Bewaar- en Handwerkschool behoorden tot de eerste gebouwen in de Nijverstraat. Het deel tussen Achterstraat en Gasstraat, die aan de zijde naar het latere Besterdplein al was bebouwd, werd tussen 1905 en 1910 opgevuld met in vorm en opzet nagenoeg identieke woonhuizen. Op de hoeken kwamen woon-winkelhuizen. De westelijke zijde van de Gasstraat werd in dezelfde periode verder bebouwd. In de daaropvolgende drie jaar werd het deel tussen Gasstraat en Schaepmanstraat bebouwd. Voorbij de Schaepmanstraat werd tot 1914 aan de oostzijde van de Nijverstraat nog een drietal traditionele woonhuizen gebouwd waarna de bouwactiviteiten in de straat tot circa 1920 beperkt bleven tot enkele tijdelijke, houten bouwsels aan de westzijde. Blijkbaar verwachtte men dat aan de oostzijde snel verder zou worden gebouwd aangezien hiervoor geen tijdelijke bouwvergunningen werden afgegeven. Dat overigens de bouw van huizen in deze periode enige tijd stilviel werd veroorzaakt door een algehele terugval in de particuliere woningbouw en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.
Detail van een plattegrond van Tilburg (circa 1910). Rond deze tijd was de eerste
fase van bebouwing in Nijverstraat, tot aan de Schaepmanstraat, bijna afgerond.
(Coll. RHC Tilburg).
Detail van een plattegrond van de stad Tilburg (1921). Op de plattegrond is goed te zien dat het
noordoostelijk deel van de Nijverstraat op dat moment nog niet is bebouwd. Het zwarte blokje
linksboven in de straat is een kleine houten noodwoning die in 1918 door A. Mols werd gebouwd.
(Coll. RHC Tilburg).
De periode 1914-1920 markeerde een definitieve breuk in het tot dan toe aaneengesloten, vrij homogene bebouwingsbeeld in de straat. In de daaropvolgende periode, die zou duren tot de Tweede Wereldoorlog, zou het noordelijk deel van de straat met onregelmatige tussenpozen worden volgebouwd. Ook de stijl en vorm van met name de woonhuizen veranderde sterk, hetgeen de grotere afwisseling in vormen, bouwvolumes en -stijlen in dit deel van de straat verklaard.
Na de eerdere bouw en sloop van een interneringskamp voor Belgische militairen aan de westzijde van de straat werd op dezelfde locatie de woonwijk van de R.K. Bouwvereniging Sint Joseph gebouwd. De wijk besloeg het hele gebied tussen Schaepmanstraat en Veldhovenring waar de wijk grensde aan een perceel met daarop een graanschuur uit 1912, een laatste, nog bestaande verwijzing in de straat naar het voormalige akkercomplex.
Nadat de wijk van Bouwvereniging Sint Joseph de resterende percelen aan de westzijde van de straat had opgevuld werd aan de oostzijde van de straat, vanuit het
noorden begonnen met het bebouwen van de hier nog vrije percelen. Behalve een noodkerk (nr. 14) werd hier ook een houten noodwoning gebouwd. Vervolgens werden eerst enkele achterliggende percelen bebouwd met bedrijfsruimten, waarna in 1923-1924 weer de eerste woonhuizen werden gebouwd, die dus in schaal en vorm afweken van het oudere, traditionele type. Opvallend hierbij is het relatief grote aantal winkels. Met een korte onderbreking volgde na 1929 de laatste fase van bebouwing die uiteindelijk werd afgesloten met het schoolgebouw van Van den Beld en Valk. Kort voor de Tweede Wereldoorlog was de gehele Nijverstraat bebouwd.
'Plan voor negen burgerwoonhuizen'
Zoals eerder aangeduid komen in de Nijverstraat grofweg twee typen woonhuizen voor: de woningen die tussen 1905 en 1920 in het zuidelijke deel van de straat werden gebouwd en de woonhuizen in het noordelijke deel uit de periode 1920-1938. Overigens werden de huizen blijkens de kadastertekeningen in de bouwdossiers weliswaar kort na elkaar maar niet altijd 'in volgorde' gebouwd.
Gevelwand in het zuidelijk deel van de
Nijverstraat, gefotografeerd richting
Johannes van Oisterwijkstraat (opname 1952). (Coll. RHC Tilburg).
De woonhuizen uit de eerste fase bestonden uit in vorm weliswaar gedifferentieerde, maar in maat en uitvoering nagenoeg identieke, aaneengesloten typen
(afb. hierboven). Het basistype bestond uit een eenlaagse woning met aan de achterzijde een uitbouw. Variaties hadden vooral betrekking op de vorm van het dak en de decoratie in de voorgevel. Een mansardedak, met aan voor- en achterzijde een geknikt dakschild, kwam het meest voor, maar ook zadel- en schilddaken werden toegepast. Op de uitbouw, meestal onder plat dak, kwam soms een lessenaardak. In de meestal sobere voorgevels werden overwegend elementen van de neorenaissance toegepast
(afb. hieronder). Ook de zachtglanzende verblend- of strengpersbaksteen werd veel toegepast. De meeste woningen hadden een topgevel boven de entree die soms in een portiek lag. In de het dak was vaak, naast het raam in de topgevel, hooguit nog een dakraam aanwezig. In slechts enkele gevallen werden tweelaagse woningen gebouwd, die schuilgingen onder een plat dak (nrs. 105-119).
Voorbeeld van een typisch woonhuis met topgevel waarin elementen van de neorenaissance zijn toegepast.
De huizen (Nijverstraat 146-154) werden in 1907 gebouwd voor F.J. Baesjou. De architect is vooralsnog
onbekend. (Coll. Gemeente Tilburg, dienst Bedrijven, afd. DIV, bouwdossier).
Ook de indeling volgde doorgaans een vast schema: vanuit een smalle gang aan een zijde van het huis waren de voor- en achterkamer bereikbaar. Beide kamers waren van elkaar gescheiden door kasten en schuifdeuren. De voorkamer was meestal wat rijker van aankleding dan de achterkamer door de aanwezigheid van een al dan niet gedoceerd stucplafond en een vaak geschilderde lambrisering. De achterkamer, waar zich het dagelijks leven vooral voltrok, had een open balkenplafond en in de muur onder de trap enkele bedsteden
(afb.hieronder). De verdieping, bereikbaar via een trap in het verlengde van de gang of ingebouwd in een van de kasten midden in de kamer, was bij oplevering meestal ongedeeld. Men kon naar believen lichte scheidingswanden aanbrengen en zo een aantal aparte ruimtes creëren.
Plattegrond van twee woonhuizen (Nijverstraat 127-129) voor
P.H. Knegtel,
van beroep tabakskerver. De tekeningen en het bijbehorende bestek uit
1909 zijn van de hand van Jos Donders. (Coll. Gemeente Tilburg, dienst
Bedrijven, afd. DIV, bouwdossier).
De uitbouw achter de huizen werd ingenomen door een keuken, bijkeuken en, bereikbaar via de 'plaats', een privaat dat was aangesloten op een beerput. De uitbouw was meestal onderkelderd. Hoe een keukeninterieur uit deze periode er uit zag is nog terug te vinden in het bouwdossier van een van de panden (bundelnr 102). Op de uit 1911 daterende bouwtekening
(afb. hieronder) staat een unieke dwarsdoorsnede van de keuken met daarop het interieur, bestaande uit kasten, aanrecht en gootsteen.
Doorsnede van een keukeninterieur uit 1907, getekend door architect C.F. van Hoof. De tekening
hoort bij de aanvraag van een bouwvergunning voor de bouw van twee woonhuizen (nrs. 165-167)
voor K. Wold. (Coll. Gemeente Tilburg, dienst Bedrijven, afd. DIV, bouwdossier).
Na 1920 is er sprake van een meer gevarieerde woningbouw. De 90 woningen die Bouwvereniging Sint Joseph liet bouwen, waren ontworpen door het architectenbureau Machen en Meijneken
(afb hieronder.). Zij hadden in hun ontwerp al enige variatie aangebracht die, mede door de hier en daar geplande voortuinen, geďnspireerd lijkt door het in die tijd populaire tuinwijk-idee. Over het algemeen zijn de woningen klein van inhoud en beschikken zij over een summiere tuin. Aan de Willem Pastoorsstraat liet Sint-Joseph overigens ook tweelaagse woonhuizen bouwen.
De overige woonhuizen uit deze periode zijn over het algemeen groter en ruimer van opzet en beslaan vaak een compleet perceel waarop voorheen twee woningen werden gebouwd. De term 'eengezinswoning' doet voor het eerst zijn intrede. Dat de periode waarin overwegend kleine woonhuizen werden gebouwd definitief is afgesloten lijkt te worden bevestigd door de eerste 'verbouwingsgolf' in de straat die in de jaren zestig van de twintigste eeuw zou worden gevolgd door een tweede. Vanaf 1920 bevinden zich in de bouwdossiers steeds vaker bouwplannen om bestaande woningen te vergroten. Behalve het plaatsen van dakramen of dakkapellen betreft het meestal het rechttrekken van de gevels waardoor de bovenverdieping kon worden vergroot. In zowel deze verbouwingen als in de nieuwbouwwoningen worden nu steeds vaker elementen van de Amsterdamsche School toegepast. In de nieuwe, grotere woningen, waarbij de vroegere 'voorkamer' nu wordt aangeduid als 'salon', werd niet langer de uitbouw maar het huis onderkelderd. Het privaat was voortaan inpandig dan wel van binnenuit bereikbaar.
In 1920 gaf de R.K. Bouwvereniging Sint Joseph opdracht tot de bouw van een kleine wijk
tussen de Schaepmanstraat en de Veldhovenring. Hier een zicht op de woningen die grenzen
aan de Nijverstraat (opname circa 1949). (Coll. RHC Tilburg).
Doordat nagenoeg elk pand een individueel ontwerp was dat weinig of geen aansluiting zocht bij de belendende bebouwing, werd de indruk gewekt dat het hier vrijstaande woningen betrof, een idee dat werd versterkt doordat veel huizen van elkaar waren gescheiden door een smalle steeg of een plaats. Een fenomeen dat verderop wordt besproken is het feit dat veel van de particuliere woonhuizen uit deze periode een winkelruimte bezaten. Het woonhuis uit 1936 voor steenkolenhandelaar A. Oerlemans was het laatste dat in de straat wordt gebouwd (nr. 36).
'Een houten gebouw van tijdelijken aard'
Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was er een tekort aan onder andere bouwmaterialen ontstaan en werd er nauwelijks gebouwd. In de Nijverstraat werden de weinige bouwprojecten dan ook uitgevoerd in hout en meestal aangeduid als zijnde van tijdelijke aard. In november 1915 kwam bij de gemeente een aanvraag binnen voor de bouw van een aantal barakken op het nog braakliggende terrein aan de westzijde van de straat. Architect C.J. van Meerendonk maakte, in opdracht van Vincent Kerstens, de tekeningen voor dit kamp dat aan circa 170 mensen plaats moest bieden. Als verantwoordelijke opdrachtgever verschijnt in het bouwdossier de heer O. Buysse uit Amersfoort, afgevaardigde van het Centraal Comité der Werkscholen en Steun voor Belgische Geďnterneerden. Het kamp was bestemd voor de opvang van Belgische militairen die het oorlogsgeweld in België waren ontweken of hadden kunnen vluchten vanuit de bezette gebieden.
Naast barakken, bestemd voor de huisvesting van de manschappen, maakten ook een keuken, 'waschloods' en privaten onderdeel uit van het kamp. Het terrein werd omgeven door een afrastering van prikkeldraad en was toegankelijk via inrijpoorten.
Omdat het aantal geďnterneerden bleef groeien, werd het kamp enkele malen uitgebreid. In 1916 gaf het Centraal Comité opdracht tot het oprichten van een achttal kleine woningen voor de opvang van gezinnen van Belgische geďnterneerden. De eveneens door C.J. van Meerendonk ontworpen huisjes waren uitneembaar en zouden na afloop van de oorlog naar België worden overgebracht waar, als gevolg van de oorlogshandelingen, een groot aantal woningen was verwoest.
In februari 1918 bedroeg het totaal aantal inwoners van het kamp 256 personen. Elders in Tilburg verbleven nog eens ruim 230 Belgische geďnterneerden. Na de oorlog werd het kamp gesloopt. Even is er volgens de Tilburgsche Courant van 21 maart 1919 sprake van een nieuwe parochiekerk op deze locatie te bouwen, maar deze plannen zouden uiteindelijk geen doorgang vinden. Kort daarop werd hier de nieuwe wijk van Bouwvereniging Sint Joseph gebouwd.
Behalve het interneringskamp werden in de Nijverstraat nog enkele andere tijdelijke gebouwen opgetrokken. In 1915 besloot de gereformeerde gemeente te komen tot de bouw van een houten noodkerk voor de gereformeerde militairen die in het kader van de mobilisatie in Tilburg waren gelegerd
(afb hieronder.).
Houten noodkerk aan de Nijverstraat, in 1915 gebouwd voor de in Tilburg gelegerde
gereformeerde militairen. (Coll. RHC Tilburg).
Achter het huidige pand op nummer 16 werd van aannemer A. Mols een terrein gekocht, waarop de door R. Koolwijk ontworpen kerk werd gebouwd. Hoewel in 1918 nog het verzoek werd gedaan de kerk langer te mogen gebruiken, werd zij waarschijnlijk toch aan het einde van dat jaar gesloopt en werd ze opgevolgd door een houten werkplaats. In 1924 werd aan de straatzijde een woon-winkelhuis gebouwd.
Om het groeiende tekort aan woningen enigszins te verlichten werd in 1918 de Woningnoodwet aangenomen. Hierin werden gemeenten aangespoord voorzieningen te treffen voor de bouw van noodwoningen. In de Nijverstraat beperkte zich dit tot de bouw van welgeteld één houten noodwoning. A. Mols, die eerder een perceel grond had verkocht voor de bouw van de noodkerk, liet in 1918 een klein houten woonhuis bouwen ter hoogte van de latere woonhuizen 32-34. Gelet op het risico van brandgevaar werd weliswaar ontheffing van de bestaande verordening verleend, maar moest het houten gebouwtje, met muren van 'dubbel schotwerk opgevuld met zeegras', wel vrijstaand blijven en van een pannendak worden voorzien. Het huisje, dat in 1920 en 1922 nog werd vergroot, werd later vervangen door een werkplaats.
'Plan voor het bouwen van een winkelhuis a/d Nijverstraat'
De oudste vorm van een winkel was vaak niet meer dan een erker, 'winkelkast', aan een bestaand woonhuis. Later volgde de inzet van een etalageraam met een zogeheten pilastergestel. Uiteindelijk werden specifiek hiervoor ingerichte panden gebouwd. Een pand op een straathoek was voor de vestiging van een winkel de meest gewilde locatie. Ook in de Nijverstraat bevond zich op elke straathoek een winkel. De meeste winkelpanden hadden hun entree in de afgeschuinde straathoek met aan weerszijden, dus in beide straten, een etalage. Direct grenzend aan de winkelruimte lagen de voor- en achterkamer. In de winkels waren vooral levensmiddelen te koop, zoals brood en vlees, maar werden ook meubels verkocht.
In enkele zeldzame gevallen werd een bestaand woonhuis later verbouwd tot winkel zoals in 1936 gebeurde met het pand op nummer 122. Omdat hierdoor de woonruimte erg beperkt werd, werd achter het huis een overkapping gebouwd zodat men tijdens de maaltijd geen last had van het stof en gruis dat vanuit de nabijgelegen gasfabriek voortdurend over de wijk heen werd geblazen.
Het woon-winkelhuis met magazijn op nummer 78 dat in 1931
door architect J.J.H. Bongartz werd gebouwd voor de handelaren
J. en C. van Dijk. Foto 1955. (Coll. RHC Tilburg)
In de Nijverstraat is het opvallend dat met name in het noordelijk van de straat, tussen 1920 en 1930 maar liefst acht winkel-woonhuizen werden gebouwd, echter dit keer niet als hoekpand maar als deel van de aaneengesloten rij huizen
(afb. hierboven). De winkelpanden kenmerkten zich door een grotere etalageruit dan voorheen gebruikelijk was en soms door een entree in een portiek, een volgende fase in de winkelarchitectuur. Waarschijnlijk hangt de bouw van dit relatief grote aantal winkels samen met de economische bloei in de jaren twintig van de twintigste eeuw.
'Een werkplaats met magazijn'
Al eerder was sprake van bedrijfsruimten in de straat. De vestiging hiervan op achterliggende terreinen is in feite een bescheiden variant op de eerder geschetste algemene ontwikkeling van de stad. Een deel van de overigens kleine bedrijven in de Nijverstraat was gerelateerd aan het voorliggende winkelpand zoals de bakkerij op nummer 22-24. De uit 1910 daterende slagerij, die in opdracht van F.C. Smits op de hoek met de Gasstraat werd gebouwd (nr. 121), had een eigen rokerij achter het huis. Ook beschikten sommige winkels, naast een werkplaats, ook over een magazijn zoals het geval was bij de meubelmakerij van J.J. Osterwald op nummer 73-75.
Het merendeel van de aanwezige bedrijven beschikte echter niet over een bijbehorende winkelruimte. Het betrof werkplaatsen waarin op bescheiden schaal, en deels nog op ambachtelijke wijze, allerlei producten werden vervaardigd waaronder koper- en plaatwerken (nr. 86). Evenals in andere delen van Brabant was de fabricage van sigaren blijkbaar een lucratieve bron van inkomsten. In de Nijverstraat werden maar liefst drie kleine sigarenfabrieken opgericht. De oudste dateerde uit 1919 en werd achter de panden van J. van Eijndhoven op de hoek met de Gasstraat gebouwd. In 1923 werd een sigarenfabriekje gebouwd achter het pand op nummer 176, in 1928 gevolgd door een fabriekje achter het woonhuis op nummer 2. Deze 'sigarenfabrieken' bestonden uit niet veel meer dan een werkruimte en een drooghok waar de tabaksbladeren konden worden gedroogd. De sigarenindustrie in de Nijverstraat was blijkbaar maar een kort leven beschoren aangezien alleen het fabriekje achter nummer 2 het uithield tot het midden van de jaren dertig van de twintigste eeuw. De andere twee waren al weer snel na hun oprichting verdwenen.
Het meest opmerkelijke bedrijfspand op de achterliggende terreinen was een visrokerij voor de firma de Jager, die omstreeks 1930 achter het pand op nummer 40 werd gebouwd. De rokerij, naar een ontwerp van Bouw- en Werktuigkundig Bureau Frans Hovers, werd in 1935 tot zeven meter verhoogd. In 1941 werden aan de rokerij nog een inmakerij en visstomerij toegevoegd.
Een van de laatste bedrijven in de Nijverstraat werd gebouwd achter de huizen 4-8 waar eerder onder andere een werkplaats, kantoorruimte, een magazijn en een garenfabriek hadden gestaan. In 1955 werd hier de malerij-droesseerderij van Tilko NV gebouwd met als directeur H. Mols. Het ontwerp voor het fabrieksgebouw was van de hand van bouwmeester P.A.
Lemmens.
Architecten
Het ontwerp voor de verschillende panden was meestal van de hand van een architect of bouwkundige. Behalve een bouwtekening was deze meestal ook verantwoordelijk voor het bijbehorende bestek. Dit laatste kon overigens bestaan uit een gedrukt dan wel uit een in een gelinieerd schrift handgeschreven exemplaar.
Zoals men eerder al kon zien, waren in een straat als de Nijverstraat niet alleen vrij onbekende architecten werkzaam, maar bouwden ook architecten van enig aanzien woonhuizen in dezelfde trant. Onder de eerste architecten die bouwwerken lieten optrekken in de Nijverstraat bevonden zich A. Blomjous (nrs. 172-176, 1905-1906), C.F. van Hoof (nrs. 169-171, 1906 en 165-167, 1907) en J. Donders (nrs. 164-166, 1906 en 131-133 uit 1908). Deze drie architecten zijn doorgaans meer bekend door hun grotere bouwprojecten in de stad zoals respectievelijk de paraplufabriek van Guillaume Gimbrčre in de Fabriekstraat, het Rijksbelastingkantoor in de Stationsstraat en het conservatorium van de R.K. Leergangen aan de Tivolistraat. Met name de door deze architecten gebouwde eerste woonhuizen in de straat lijken de toon te hebben gezet voor de verdere bebouwing in de Nijverstraat.
Plattegrond van de woning Nijverstraat 28. J.G. Haans, fabrieksarbeider
wonende aan de Leodwarsstraat 43, gaf architect A. van Poppel opdracht
tot het maken van de tekening. (Coll. Gemeente Tilburg, dienst Bedrijven,
afd. DIV, bouwdossier).
Naast deze architecten komen in de dossiers nog de namen voor van onder andere
W.J. Panis, J.H. Lepelaers, A.H. van de Wouw, J. & W. Oomen uit Oosterhout en M.
Bedaux. Aannemers, architecten of bouwlieden die bouwprojecten lieten uitvoeren in de straat deden dit meestal in eigen beheer. Ook de bouwtekeningen en andere bescheiden zijn van hun hand. Het betreft onder andere
J.H. van de Weegen (nrs. 121, 1910 en 87-89, 1911), H. van Eijndhoven (nrs. 105-119, 1909), timmerman
G. Vernooij (nr. 81, 1912), aannemer W. Broens (nr. 139-149, 1910), metselaar-aannemers J. en H. van Beurden
(nrs. 88-96, 1911 en 86 uit 1914) en architect A. van Huijkelom (nrs. 18-20, 1922). Verder komen de volgende namen nog voor in de verschillende bouwdossiers: H.C.
Brekelmans, J.C. van de Ven, C.J.H. van Domburg, A. van Poppel en J.J.H.
Bongartz.
Omslag van het bestek dat door architect Jos Donders
was opgesteld voor de bouw van twee woonhuizen aan de
Nijverstraat (nummers 131-133). Dergelijke bestekken
bevatten een schat aan informatie over onder andere
bouwverordeningen, bouwmaterialen en werkwijzen.
(Coll. Gemeente Tilburg, dienst Bedrijven, afd. DIV,
bouwdossier).
Conclusie
Een op het eerste gezicht doorsnee straat als de Nijverstraat blijkt bij nadere beschouwing van de bouwdossiers en andere bronnen een grote hoeveelheid informatie aan te leveren die een nieuw licht werpen op allerlei aspecten van de snel groeiende stad.
De veronderstelling dat de gemeente nauwelijks invloed uitoefende op bouwprojecten aan het begin van de twintigste eeuw blijkt niet geheel juist te zijn. De weliswaar voorlopige bouwverordening die de gemeente had laten opstellen was van grote invloed op de uitleg van de straat maar ook op de vorm van de woonhuizen. Hieruit ontwikkelde zich een standaard type van een eenvoudig woonhuis dat gedurende 20 jaar het straatbeeld in de Nijverstraat zou bepalen. Een nadere bestudering van de bouwdossiers en daaraan gerelateerde documenten kan ook meer duidelijkheid verschaffen over de oorspronkelijke bewoners en de opdrachtgevers.
Hieruit blijkt dat een, op het eerste gezicht doorsnee straat in Tilburg, bij nader onderzoek een rijk verleden laat zien waarmee elke straat zijn eigen geschiedenis tot leven kan brengen en zich daarmee een unieke identiteit kan verschaffen.
Bronnen en literatuur
Bouwdossiers Nijverstraat, Gemeente Tilburg, Dienst Bedrijven, afdeling Documentaire Informatie Voorziening
L. de Brouwer, J. van Hest, Van akkergebied tot stadswijk. De verstedelijking van de Heuvelse Akkers, in:
Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jg. 9 (1991), nr. 2, p. 32-40.
L. de Brouwer, J. van Hest, De Willem II-straat, voorheen Comediestraat (1870-1992).
Stedebouwkundig, kunsthistorisch en sociale ontwikkelingen, in: Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en
cultuur, jg. 10 (1992), nr. 3, p. 56-69
P.F. Dillingh, Tussen Rome en Dordt. Honderd jaar Gereformeerde Kerk Tilburg
1894-1994, Goirle, 1994
K. Doevendans et.al., Stadsvorm Tilburg, historische ontwikkeling: een methodisch morfologisch
onderzoek, Eindhoven/Tilburg, 1993
J.P.W.A. van Dijk, Tilburg. Architectuur en stedenbouw in de gemeente Tilburg,
1850-1940, Zwolle/Tilburg 2001
P.J.M. van Gorp, Tilburg eens de wolstad van Nederland. Bloei en ondergang van de Tilburgse
wollenstoffenindustrie, Eindhoven, 1987 (Monografieën van het Nederlands Documentatiecentrum van de Stichting Nationaal Industriemuseum, deel II)
R. Peeters, De straten van Tilburg, Tilburg, 1987
T. Pirenne, J. Veen, Van Nijveroord naar Ringbaan-Noord. Grepen uit de geschiedenis van de Tilburgse
Energiebedrijven, Tilburg, 1980
A. Plevoets, De ruimtelijke ontwikkeling van Tilburg voor 1917, in: Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en
cultuur, jg. 4 (1986), nr. 2, p. 18-22
M. Rossen, Het begin van de sociale woningbouw in Tilburg, in: Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en
cultuur, jg. 1 (1983), nr. 2, p. 13-21
M.J.J.G. Rossen, Het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid in Nederland. Een comparatief onderzoek in Tilburg en Enschede
(1900-1925), Tilburg, 1988 (Bijdragen tot de geschiedenis van het zuiden van Nederland, deel 77)
Artikelen uit de Tilburgsche Courant (verschenen 1869-1931) en Nieuwe Tilburgsche Courant (verschenen 1879-1945)
Veel gegevens zijn ook afkomstig van de website van het Regionaal Historisch Centrum Tilburg
(http://rhc.tilburg.nl)
* Drs J.P.W.A. van Dijk, kunsthistoricus, werkzaam als consultant cultuurhistorie bij Fontys Hogescholen-Bureau voor Interdisciplinaire Landschapsanalyse (BILAN), schreef o.a. het boek Tilburg Architectuur en Stedenbouw in de gemeente Tilburg 1850-1940 (2001).







