Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
559. Zorgvlied uit de zorgen?
 

Titel:   

Zorgvlied uit de zorgen?

Ondertitel:   

De bouw van een 'alleraardigste woonwijk' in de periode 1930-1940

Auteur:   

Gerard Steijns *

Jaargang:   

XX (2002) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

2

Pagina’ s:   

47-63


In het eerste deel van het artikel over de Tilburgse wijk ‘Zorgvlied’ is het relaas gedaan over de plannen die al in 1917 gemaakt werden, maar pas eind jaren twintig hun realisering leken te naderden na een moeizaam gevecht over de bestemming van de gronden tussen de Ringbaan-West en de spoorlijn naar Turnhout. (1) Inderdaad, het leek dat er toen eindelijk gebouwd kon worden, maar daar moest inmiddels weer een nieuw bestuurlijk besluit aan voorafgaan. In dit tweede deel pikken we de draad weer op omstreeks 1930 en volgen die tot het begin van de Tweede Wereldoorlog. 

Weliswaar was de wijk toen nog niet in haar geplande en huidige omvang voltooid, maar we hebben gemeend daar te moeten ophouden met dit verhaal, omdat we dan in een heel andere situatie (de periode van de wederopbouw) met een veel grotere schaal te maken krijgen. De tragische wederwaardigheden van de wijk in die oorlog, met name aan het begin en het eind daarvan, stippen we maar even aan. Die zijn op andere plekken ook al beschreven.(2) 

Op 18 januari 1928 was het na de debacle van de plannen van de Leergangen gewijzigde bestemmingsplan “Het Villapark” door Gedeputeerde Staten goedgekeurd, maar gebouwd was er, behalve op een paar percelen aan de Bredaseweg (3), nog steeds niet. Het gemeentebestuur had tot nu toe alsmaar in conflict gelegen met de maatschappij ‘Zorgvlied’ over de schadevergoeding die deze grondeigenaar moest krijgen, en inmiddels was de na tien jaren wettelijk voorgeschreven herziening van het partieel uitbreidingsplan aan de orde. Bij de voorbereiding van die herziening gloorde er eindelijk wat werkelijkheidszin bij de gemeente. Men was weliswaar niet van zins het algemene karakter van ‘villapark’ aan het plan te ontnemen, maar in zijn adviesbrief aan het college van B en W van 19 februari 1930 schrijft de directeur van Publieke Werken, nadat hij gesteld heeft dat “in het uitbreidingsplan van een gemeente van den omvang van Tilburg behoort een terrein voor de oprichting van villa’s te worden aangewezen”, dat men zich daarbij wel kan afvragen “of het daarvoor aangewezen terrein niet te groot is om dat geheel voor de oprichting van groote villa’s te bestemmen, of de ligging van alle grond daarvoor wel geschikt is, bijvoorbeeld de grond langs de Berkdijksche straat, en of de bebouwing van een dergelijk groot complex van villa’s, indien eenmaal met de exploitatie een aanvang is gemaakt, niet zooveel tijd zal kosten, dat daardoor reflectanten worden afgeschrikt”. Kortom hij geeft eigenlijk de critici, die het plan tot nu toe megalomane trekken verweten, schoorvoetend gelijk. De oplossing is zijns inziens: ”de grond langs de Ringbaan-West en een daarlangs gelegen strook te bestemmen voor ruimere villabouw, zoals thans is gedacht, welke bebouwing naar het binnenterrein overgaat naar een bescheidener villabouw en terrein voor de oprichting van kleine landhuizen en van daar naar een eenvoudiger bebouwing langs de Berkdijksche straat”. Hij besluit met vast te stellen dat het dan nodig zal zijn de verkaveling geheel om te werken. 

B en W volgen dit advies en op 3 september 1930 kan de directeur PW een schetstekening voor de wijziging in deze zin aan hen opzenden. De bouwblokdiepte is dienovereenkomstig teruggebracht tot een gemiddelde van ongeveer 60 m. Intussen waren B en W ook tot een wat minder pretentieuze omschrijving van het begrip ‘villa’ gekomen. Onder andere over de eis van de breedte van 7,50 m voor de omliggende grond was kennelijk op den duur te praten. Het zal dan echter nog meer dan twee jaar duren voordat de herziening werkelijk een feit is. Dat lag in de eerste plaats aan de toen ook al langzaam malende ambtelijke molens. Met name de Rijksinspecteur voor de Volksgezondheid moest alsmaar nieuwe gegevens geleverd krijgen vooraleer hij tot een gunstig advies kon komen. Ook de provincie was weer niet al te snel. Bovendien ging het niet alleen om het villapark in engere zin, maar omvatte het plan nog steeds ook de wijk achter de kerk van de Ringbaan-West, waar nogal wat rooilijnen aangepast moesten worden. En ten slotte kwamen er natuurlijk weer bezwaarschriften binnen.(4) Met name H.G. van Stokkum uit Nijmegen lag weer vreselijk dwars, omdat hij problemen bleef houden met de verkoopbaarheid van zijn (volgens de gemeente veel te duur aan potentiële kopers aangeboden) kavels tussen de oostelijke tak van de Burgemeester Suijsstraat en de Bredaseweg. Die zouden overigens wellicht ook daardoor voor de oorlog niet meer bebouwd worden. 

Dat zijn nood wel zeer hoog was, blijkt uit de toon van de brief die hij in oktober 1930 schrijft aan Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant: “Hoe de gemeente ooit met zulke bepalingen tot een Villapark moet komen is mij een raadsel. Er liggen meerdere percelen aan den Bredaschenweg, welke niet breeder zijn dan 20 meter, dus bijgevolg allen onbruikbaar (bij handhaving van de eis van 7,50 m vrije ruimte aan beide zijden S.). Wordt het niet den hoogsten tijd, dat door Uw geacht College een halt wordt toegeroepen aan dergelijke fnuikende bepalingen van het Gemeentebestuur van Tilburg? Roept het niet om wraak ten Hemel, dat door een gemeentebestuur dergelijke voorschriften worden gemaakt, ten koste van de betrokken eigenaren? Wanneer er nog recht is te krijgen in de wereld, dan reken ik op Uwen moreelen steun in deze.” (5) B en W haasten zich om aan GS te berichten dat zij van zins zijn om de eisen te verruimen en dan ook met name die welke betrekking hebben op “het terrein dat eene ‘Villa’ moet omgeven”. Bij de indieners van bezwaarschriften was ook dr. K. Deelen, die annex aan de terreinen van ‘Zorgvlied’ grond bezat. Dat was wel opmerkelijk in verband met het feit dat hij juist enige jaren tevoren als lid van het bestuur van de Stichting R.K. Gasthuis gepleit had voor de bouw van een nieuw ziekenhuis op het terrein dat door het niet doorgaan van de plannen van de Leergangen was vrijgekomen. Hij blijkt daar dus zelf belang bij gehad te hebben.(6) Mej. Adrienne Gimbrère maakt bezwaar tegen het tracé van de latere Schout De Roijstraat. Van haar terrein aan de Bredaseweg langs de spoorlijn naar Turnhout blijft zodoende volgens haar te weinig over om nog serieus voor villabouw in aanmerking te komen. De nog bestaande situatie ter plekke bewijst dat daar later inderdaad slechts met enige architectonische inventiviteit een aardig huis gebouwd kon worden op een nogal bekrompen kavel.(7)

De makelaar aan de slag

Het partieel uitbreidingsplan ‘Het Villapark’ wordt gewijzigd vastgesteld in de gemeenteraadsvergadering van 11 november 1932. Alleen Van Stokkum blijft hierna bezwaarschriften sturen, maar een jaar later blijkt hij toch bereid te zijn delen van zijn grond aan de gemeente te verkopen ten behoeve van de aanleg van het oostelijk deel van de Burgemeester Suijsstraat. ‘Zorgvlied’ schijnt met zijn terreinen op basis van de gewijzigde bebouwingseisen met succes te zijn gaan venten. Althans in februari 1933 wendt de Tilburgse makelaar Van der Meeren zich namens de N.V. Nationaal Grondbezit te ’s-Gravenhage tot het gemeentebestuur met vragen om gegevens “teneinde te kunnen geraken tot een zo nauwkeurig mogelijke becijfering van een exploitatie-opzet” voor “de gronden behoorende aan de N.V. Zorgvlied”. Die becijfering schijnt echter niet gunstig te zijn uitgevallen, want de makelaar meldt 25 september 1933 aan het gemeentebestuur dat de verkoop van de gronden aan een “nieuwe combinatie” tot stand is gekomen, en in de B en W-vergadering van 28 september 1933 is sprake van “de N.V. Zorgvlied in nieuwe samenstelling”. Namens “de nieuwe eigenaren van de N.V. Zorgvlied” vraagt Van der Meeren nu o.a.: “opdracht te willen geven tot het onmiddellijk uitzetten en opmeten der wegen en pleinen in ‘Zorgvlied’, teneinde de overdracht daarvan aan de gemeente ten spoedigste te kunnen bewerkstelligen”

Hoe die nieuwe combinatie er precies uitziet, wordt niet duidelijk gemaakt. De vraag is ook of ze in formele zin ook wel bestaan heeft. Uit de gegevens van het kadaster blijkt, dat ‘Zorgvlied’ zijn bezit in het toekomstige ‘Villapark’ in de jaren 1934-’37 aan verschillende nieuwe eigenaren heeft verkocht. De belangrijkste zijn Gebr. Segers bouwondernemers in Eindhoven, N.V. Bredero’s Bouwbedrijf te Utrecht en (deels via Bredero) de N.V. Huizenbezit ‘De Dommel’ te Eindhoven (later Meerveldhoven). De laatste verkoopt een deel van haar bezit enige jaren later weer door aan de N.V. Levensverzekeringsmaatschappij ‘Utrecht’ in Utrecht (westelijk deel van de Burgemeester Van Meursstraat) en de Coöperatieve Levensverzekeringsmaatschappij ‘Concordia’ ook in Utrecht (8) (oostelijk deel Burgemeester Van Meursstraat en Drossaard Bernagiestraat). De oneven kant van de Burgemeester Suijsstraat verkoopt Bredero als er de huizen al staan aan de N.V. Bouw- en Handelsvereniging ‘Sebastopol’ in Amsterdam. Segers doet zijn bezit weer grotendeels over aan de familie Van Iersel, eigenaren van de ‘Kwatta’-fabriek in Breda. Belangrijk koper is ook de gemeente Tilburg, namelijk voor de ondergrond van de straten.(9) 

Vanaf begin december 1934 ontstaat er een stroom van brieven van de N.V. Bredero’s Bouwbedrijf te Utrecht aan de gemeente over haar voorgenomen bebouwing in het uitbreidingsplan ‘het Villapark’ op “diverse terreinen… die gekocht zijn van de N.V. Zorgvlied”. Uit die correspondentie blijkt dat de gemeente nog steeds geporteerd blijft voor vrijstaande bebouwing ter plaatse, maar uiteindelijk toch geschakelde bouw, meer woningen ‘onder één kap’ niet meer tegen kan houden. Bredero lijkt aanvankelijk met een plan voor het hele noordelijke deel van de wijk te zijn gekomen.(10) Maar dat hebben ze niet volgehouden. Uiteindelijk zal namelijk blijken dat haar activiteiten zich zullen beperken tot het westelijk deel van de Burgemeester Suijsstraat en dat de andere projectontwikkelaars zich daarna geleidelijk aan over de rest van de erfenis van ‘Zorgvlied’ ontfermd hebben. Uit briefwisseling over de verhardingskosten van de Burgemeester Jansenstraat blijkt ook dat ‘Zorgvlied’ in januari 1936 daarbij nog als eigenaar betrokken is. Die geleidelijke liquidatie bleek ook al uit de kadastrale gegevens en het zal ook uit de data van de hierna binnenkomende bouwplannen en de vergunningverlening gaan blijken, maar daarmee zijn we in een volgende fase beland.(11) 

Het karakter van de bebouwing

We zagen dat in de nieuwe voorschriften met betrekking tot het bestemmingsplan onderscheid gemaakt werd tussen de randen van de wijk langs de Ringbaan-West en de Bredaseweg, en de meer naar binnen gelegen terreinen. In dit artikel wordt hier nu verder niet ingegaan op de bebouwing van die grote begrenzende wegen zelf maar wel op wat daarbinnen is gerealiseerd.(12) De tweedeling daarbinnen is nog steeds te zien aan het karakter van de vooroorlogse bebouwing. Rond het pleintje van de Burgemeester Rauppstraat is de oorspronkelijke opzet van de wijk nog het best behouden. Daar werden vanaf 1933 op individuele percelen vrijstaande villa’s gebouwd, vooral door particuliere eigenaars, maar ook door een enkele Tilburgse aannemer die voor eigen rekening bouwde en daarna de riante huizen tijdelijk verhuurde of verkocht. Langs de zuidzijde van de Burgemeester Rauppstraat kwamen als een soort compromis enkele luxe woonhuizen als ‘twee onder één kap’. Op de grote kavels van ‘Zorgvlied’ werd vanaf datzelfde jaar door drie bedrijven gebouwd: de ons al bekende N.V. Bredero’s Bouwbedrijf uit Utrecht en fa. Gebroeders Segers uit Eindhoven en als derde N.V. P. van Grootels Bouw- Exploitatie- en Handelsmaatschappij.(13) De op deze tereinen gebouwde huizen werden minder riant, ze kwamen met méér onder één kap, en ze zouden worden verhuurd.
Eén bijzonder project valt natuurlijk wel heel erg op: Pension Mariëngaarde. Hier is pastoor De Klijn met zijn parochiebestuur heel letterlijk als projectontwikkelaar met duidelijke commerciële bedoelingen opgetreden. We komen daar verder nog op terug.

Op 2 oktober 1933 worden in de vergadering van B en W de straatnamen vastgesteld.(14) 
Het raadsbesluit tot aanleg van de straten (verharding, riolering, verlichting en gasleiding) voor een totaalsom van ƒ 54.470 werd pas op 3 mei 1934 genomen.

De eerste grootschalige bouwplannen

Het eerste bebouwingsplan waarvoor een vergunning wordt gevraagd op 15 november 1933 bestaat uit tien woningen aan de zuidzijde van de Burgemeester Suijsstraat, tweemaal drie onder één kap (de nrs. 52-62) en een rijtje van vier onder één kap daarnaast aan het pleintje gelegen. Aanvrager is N.V. Bredero’s Bouwbedrijf, de architectuur wordt anoniem in eigen beheer uitgevoerd. Ook op de tekeningen is geen naam van een architect/tekenaar te vinden. De bouwsom wordt begroot op ƒ 65.000 ofwel ƒ 6.500 gemiddeld per woning. De bouwvergunning wordt aanvankelijk niet verleend, omdat de directeur van Publieke Werken (PW) bezwaar heeft tegen de plaatsing van garages en schuurtjes, die zodanig zou zijn dat “de idee van open bebouwing niet voldoende tot uiting zou komen”. Een achterhoedegevecht om zoveel mogelijk van het karakter van een villapark te handhaven? De vergunning wordt desondanks op 22 januari 1934 verleend. Een dag later kan de opzichter van PW het grondwerk al schouwen. Op 10 augustus 1934 wordt door Bredero aan het gemeentebestuur bericht dat de vier huizen aan het pleintje niet gebouwd zullen worden. Uit het vervolg zal blijken dat men deze kavels aan Van Grootels bouwbedrijf heeft overgedaan. De zes andere woningen zijn dan zo goed als gereed. Bredero had al tevergeefs gevraagd om vergunning tot bewoning te verlenen. De directeur van het Bouw- en Woningtoezicht verklaart dat: “Dat de vergunning tot bewoning van de zes woningen niet is verleend, is niet geschied op grond dat niet de tien door U aangevraagde woningen zijn gebouwd, doch omdat deze woningen nog niet zijn aangesloten op het gemeenteriool” Op 1 oktober kan de opzichter van PW dan toch melden: “Briefje tot ingebruikgeven doorgegeven. Voltooid”. Daarmee zijn de eerste zes woningen van ‘Villapark ‘Zorgvlied’’ klaar voor bewoning.(15) 

Luchtopname van Zorgvlied in aanbouw. Boven de Burgemeester Suijsstraat en op de voorgrond 
pension Mariëngaarde, 1935 (Coll. RHC Tilburg).

Het tweede plan dat bij het gemeentebestuur voor een vergunning binnenkomt is niet van Bredero, maar van Gebr. Segers uit Eindhoven en wel voor twintig woningen “nabij Bredascheweg”. Het betreft de huidige woningen Schout de Roijstraat 14-26, Schout Backstraat 7-25 en Burgemeester Suijsstraat 66-70.(16) Architect was de Tilburger Jos. Donders die toen kantoor hield aan de Langestraat 9 in een door hemzelf gebouwd pand. De bouwsom van deze twintig woningen werd begroot op ƒ 70.000, dat is gemiddeld ƒ 3.500 per woning. Dat was erg laag geraamd, zeker ook als je deze prijs vergelijkt met die van de tien woningen van Bredero. Nog tijdens de bouw kwam de aannemer/projectontwikkelaar waarschijnlijk in de problemen. Volgens overlevering zijn toen de nog resterende woningen aan de Schout Backstraat verlaat en eenvoudiger uitgevoerd.(17) De vergunning wordt verleend op 15 februari 1934.

Op deze twee plannen heeft de al in het eerste deel van dit artikel aangehaalde jubelende prospectus van makelaar Van der Meeren betrekking. Althans die woningen zijn al leverbaar. De rest, volgens de afgebeelde vogelvluchtplattegrond de hele huidige Burgemeester Suijsstraat, de Burgemeester Van Meursstraat met zijstraten en de noordelijke delen van de Schout Backstraat, Schout de Roijstraat en Burgemeester Jansenstraat, moest nog gebouwd worden. De indruk wordt gewekt dat dit allemaal blokjes woningen zouden moeten worden van het type dat Jos. Donders had ontworpen. Er worden in deze prospectus foto’s en plattegronden gegeven van de dan reeds voltooide woningen Burgemeester Suijsstraat 52-56 (architectuur Bredero) en (huidig) 66-70 (architectuur Donders). Van nummer 56 zijn er ook opnamen van het interieur als modelwoning van V&D. Interessant is op te merken dat deze prospectus tot doel heeft de woningen (ook de nog niet gebouwde) individueel te verkopen voor prijzen tussen ƒ 7.100 en f 9.000 . “Uit deze opgave blijkt dat voor weinig geld (een behoorlijke Hypotheek kan worden verstrekt) een degelijk solied huis te koopen is op de beste stand van Tilburg”, zegt de makelaar. Dat dacht hij, maar hij kwam bedrogen uit. De huizen bleken in die tijd van economische malaise onverkoopbaar. De eigenaar zou ze moeten gaan verhuren.(18) 

Interieur van de modelwoning aan de Burgemeester Suijsstraat 56, die in 1934 door V & D speciaal 
werd ingericht. De foto komt uit de prospectus van makelaarskantoor J. van der Meeren (Coll. RHC Tilburg).

In de “Woninggids voor Tilburg van het Makelaars- en Assurantiekantoor J. van der Meeren” van oktober 1934 biedt deze onder de kop “Nieuwbouw” nog te koop aan: “Prachtige landhuizen op korten afstand van Bredascheweg. Schitterende ligging, het mooiste plekje van het villapark t.o. groot plantsoen. Voorzien van centrale verwarming en badkamer met sanitair, met en zonder garage, vanaf ƒ12.000.” En : “Prachtige kleinere landhuizen aan mooie brede asphaltwegen met voor- en gr. Achtertuin, van alle gemakken voorzien en tot in de puntjes verzorgd, vanaf ƒ7500,--. Aan het plein op korten afstand van Bredascheweg, schitterende ligging tegenover plantsoen, suite met groote ronde erker langs de straat, kamers van vijf bij zes mr., centrale verwarming etc. Alles eerste klas afwerking van ƒ16 tot ƒ18.000. Compleet verkavelingsplan met bestek, teekeningen, omschrijving enz. gratis ter inzage.” 

Maar in dezelfde gids staat enige bladzijden eerder in een kader: ”Zorgvlied. De trottoirs liggen er, de straatverlichting is gereed, over enkele weken kunt U wandelen over de fraaie asphaltwegen en U verlustigen in het aanschouwen van deze alleraardigste woonwijk, die haar weerga in Tilburg niet vindt. Immers Tilburg was nog geen villapark rijk, had nog geen woonwijk, die slechts bebouwd mag worden met villa’s, heerenhuizen, kleinere en grootere landhuizen, een woonwijk, waarin geen zaak, geen winkel, geen café mag worden gebouwd, doch die slechts dient om in een aangename omgeving ruim en frisch, gezond en rustig te wonen. Diverse panden zijn reeds voor geldbelegging verkocht en zijn wij nu in de gelegenheid deze te huur aan te bieden. De panden zijn gelegen aan de Burgemeester Buysstraat (sic!) (het plantsoen met uitzicht op den Bredascheweg) en aan de Schout de Roystraat (parallel loopend met de spoorlijn en waarvoor een breed gazon wordt aangelegd). De huurprijzen varieeren van ƒ45 tot ƒ60 per maand. Deze panden worden behangen opgeleverd en zijn thans onmiddellijk te aanvaarden.” Deze aanbieding in het kader slaat dus op de reeds gerealiseerde plannen, die men kennelijk niet verkocht kreeg, de eerste onder de kop “nieuwbouw” op dat wat nog in de steigers stond of zelfs op de plannen waaraan men nog moest beginnen.

Bredero had op 12 april 1934 nog een vergunning gekregen voor de bouw van twee blokken van samen tien woningen aan de noordzijde van de Burgemeester Suijsstraat (de nrs. 51-69). Een beter type rijtjeshuizen dus en allerminst landhuizen, zoals Van der Meeren ze betitelde. Ten slotte volgden op 13 augustus 1934 de vergunning voor de bouw van de nrs. 45-49 aan de noordwestzijde van het pleintje van de Burgemeester Suijsstraat en op 15 november die voor de daarmee corresponderende nrs. 41 en 43 aan de noordoostzijde. Dat werden de meest riante panden van de straat, echter ook weer niet geheel vrijstaand, maar een paar wél met de aangekondigde “groote ronde erker”. Al deze bouwwerken kwamen weer onder eigen architectuur tot stand. 
Hier is het wat betreft Bredero’s Bouwbedrijf bij gebleven. Hebben ze de moed verloren? Op de achterzijde van de ‘woninggids’ van Van der Meeren adverteren ze nog met “wonen in Tilburg én in een B.B.B. huis” te weten “onzen bouw in het Park ‘Zorgvlied’- koopprijs billijk”. Maar verdere plannen hebben zij niet meer gerealiseerd.

De activiteiten van Van Grootel 

Er gebeurt dan aan deze zijde van ‘Zorgvlied’ anderhalf jaar niets. De verdere door makelaar Van der Meeren aangekondigde plannen gaan even niet door. In de eerder al aangehaalde prospectus stelde hij nog wel: “De percelen die reeds zoo goed als gereed zijn, zijn gebouwd door Bredero’s Bouwbedrijf en Gebr. Segers, terwijl nog in voorbereiding is de bouw van een aantal door de N.V. “Atijs”. Meerdere bouwers volgen nog.” De N.V.‘Atijs’ hebben we echter niet teruggevonden bij de vergunningaanvragers. En de “meerdere bouwers” werden er één: Van Grootels Bouw- Exploitatie- en Handelsmaatschappij. 

Op 20 februari en 5 juni 1936 vraagt Van Grootel (kennelijk tijdelijk gevestigd in het woonhuis Burgemeester Suijsstraat 61 !) vergunningen aan voor de bouw van een blok van drie woningen aan de Burgemeester Van Meursstraat (nu de nrs. 39-41) en 4 blokken van totaal 10 woningen op de hoeken van het kruispunt Burgemeester Van Meursstraat / Burgemeester Jansenstraat. Architect is Jos. Donders uit Tilburg.(19) Het zijn enigszins rustiek uitziende bouwwerken in een expressieve stijl, uitgevoerd in roodbruine baksteen met veel houten details en hoge rode pannendaken met dakkapellen. Zij gaan een tamelijk contrasterend ‘Donders-eiland’ vormen in een deel van de wijk dat verder door Van Grootel bebouwd zal worden met een zestal deelplannen, ontworpen door de Hilversumse architect W.M. Dudok, waarvoor de eerste vergunningaanvraag binnenkomt op 24 juli 1936 en de laatste op 2 juli 1937. Iedereen die de wijk kent, weet meteen over welke markante huizen het hier gaat. Zij komen aan de Burgemeester Van Meursstraat en de Drossaard Bernagiestraat, de nog niet bebouwde oostzijde van de Schout Backstraat, een paar overgeschoten percelen aan de noordwestkant van de Burgemeester Suijsstraat (een deel van die straat dat toen overigens ook Schout Backstraat heette) en ten slotte aan de zuidkant van het pleintje in diezelfde straat op de hoeken van de Burgemeester Jansenstraat, daar waar de plannen van Bredero ten dele niet waren gerealiseerd. Met name de hoge hoekpanden daar (Burgemeester Jansenstraat 5 en 6) vormen een opvallend stedenbouwkundig accent. Dat is niet toevallig. Met Dudok was een architect gevonden, die een duidelijke opvatting had over de vormgeving van een woonwijk en die daaraan de architectuur en situering van de individuele panden enigermate dienstbaar maakte. 

De door architect W. Dudok in 1936 gebouwde woningen aan de Burgemeester van 
Meursstraat . Foto 1954 (Coll. RHC Tilburg).

Ongeveer tegelijkertijd bouwde Dudok voor Van Grootel in dezelfde stijl twee tegenover elkaar liggende rijen woningen aan de Philips Vingboonsstraat in Tilburg.(20) Een jaar later werd door dezelfde bouwer zijn bekende ‘Witte Dorp’, eigenlijk ‘tuindorp De Burgh’ in Eindhoven gerealiseerd. Het is niet ondenkbaar dat de Tilburgse opdrachten een soort voorstudie voor de sinds enige jaren tot de monumentenstatus verheven Eindhovense wijk is geweest, althans qua vormgeving en opvatting over stedenbouwkundige principes zijn de resultaten vrijwel identiek.(21) De tragiek heeft gewild, dat juist deze architectonisch zo interessante huizen, die ook wat luxer werden uitgevoerd (centrale verwarming o.a.) en dus meer moesten opbrengen in de markt, aanvankelijk geen succes werden; nog minder dan de huizen van Segers en Bredero. 

Villa’s en een pension op stand

Het wordt tijd om eens naar de andere kant van de wijk te gaan.(22) 
Het allereerste bouwwerk dat daar werd neergezet was een villa op de hoek van de Ringbaan-West en de geprojecteerde Burgemeester Rauppstraat. Dat was recht tegenover de in 1922 gebouwde kerk van de H. Margarita, en de man die in augustus 1923 de vergunning aanvroeg en ook een maand later kreeg, was nauw met die kerk verbonden. Het was de architect ervan, H.C. Bonsel. Hij kwam zijn principaal pastoor De Klijn als overbuurman gezelschap houden in de woestijn, althans in dat deel van de parochie die deze zielenherder toen nog als ontwikkelingsgebied zag.(23) Het fraaie huis dat de architect zichzelf aanmat, zou nog tien jaar in eenzaamheid aan die kant van de op dat moment nog aan te leggen Ringbaan staan. 

Luchtopname van de Ringbaan-West met recht tegenover de kerk van de H. Margarita van pastoor 
De Klijn, de Burgemeester Rauppstraat, 1935 (Coll. RHC Tilburg).


De pastoor zat zo met een probleem. Niet alleen was zijn uitzicht wat kaal - akkers en weilanden die nooit waren onteigend, omdat de rechtsgrond daarvoor na het mislukken van de plannen voor een universiteitswijk niet meer bestond, maar die wel soms overgegaan waren in handen van speculanten in onroerend goed – maar ook de financiële positie van zijn parochie werd er niet beter op nu daar aan de overkant alleen maar koeien graasden bij wie je geen collecte kon houden of misintenties kon lospeuteren. Hij verzon een list. Op 14 november 1933 werd koninklijke goedkeuring gehecht aan de statuten van de ‘Sint Ritavereniging’ opgericht tot steun van de parochie H. Margarita-Maria ‘Bredaseweg‘ te Tilburg door exploitatie van het Pension ‘Huize Mariëngaarde’. Het gehele kerkbestuur, met daarin burgemeester F. Vonk de Both, het kamerlid en oud-directeur van de Leergangen dr. H. Moller, notaris L.Goijaerts en de directeur van textielververij ‘De Regenboog’ J. Jansen, was ook bestuur van de vereniging. (24) De pastoor verklaart zelf in zijn aantekeningen het doel wat nader: “de vereniging heeft een taak op zich genomen, welke voor het jaar 1934 in onze stad nog niet was geëntameerd nml. Aan Dames en Heeren van den meer gegoeden stand een onderdak te verschaffen op een wijze, die geheel is aangepast aan het moderne leven in de goede betekenis van het woord. Er zijn nu eenmaal mensen die, om welke reden dan ook, niet de lasten van een volmaakt gezin op zich kunnen en willen nemen, en toch verlangen dat de huiselijke sfeer of intieme band niet verloren gaat.” Een gat in de markt dus, want zo idealistisch was het streven van de pastoor niet. 

De latere kroniekschrijfster van ‘Mariëngaarde’ heeft het goed verwoord: “Pastoor De Klijn en zijn kerkbestuur traden niet op als maatschappijhervormers. Zij traden zakelijk op. Zoals een zakenman zijn afzetgebied moet polsen en kennen om er voordeel uit te halen, zo zagen zij in de gevolgen van de bestaande toestanden een mogelijk uit het te bouwen tehuis winst te halen en met deze winst de parochie financieel te steunen”. De pastoor als projectontwikkelaar dus, en hij had succes, zelfs nog vóór dat andere professionele firma’s in het ‘Villapark’ hun winst konden gaan tellen. Er werd grond aangekocht van de boeren Verhoeven, Mutsaers en Zoontjes en zo verwierf de vereniging een grote lap grond (te groot, want een deel werd later doorverkocht aan de opvolgers van ‘Zorgvlied’ voor de Dudok-woningen aan het oostelijk deel van de Burgemeester Van Meursstraat) op enig afstand van de Ringbaan. Aanvankelijk had men een stuk grond van boer Pulskens op het oog, vlak langs de Ringbaan, maar die vroeg te veel en bovendien was op dat moment nog niet duidelijk hoe het stratenplan er precies zou gaan uitzien. Enige afstand tot het drukke verkeer was bovendien bij nader inzien ook niet onprettig voor de pensiongasten: “Bij de keuze van het terrein is wel overwogen, dat het niet mocht liggen aan de grootste verkeerswegen, omdat de weldoende rust niet mocht worden verstoord, doch van de andere kant mocht het niet ver verwijderd zijn, om het verkeer met de stad te vergemakkelijken. Bij de keuze moest als derde eis worden gesteld, dat het moest liggen in de onmiddellijke nabijheid van Tilburg’s voornaamste wandel-wegen en wandel-plaatsen en de pensiongast moet kunnen genieten van Tilburg’s ongerepte natuur, van de nooit volprezen Brabantse hei.” (25) 

Over een aan te trekken architect is er in het bestuur nogal gevochten. De eerste keuze van de pastoor, de toen al gerenommeerde A.J. Kropholler uit Wassenaar, ondervond aanvankelijk grote tegenstand. Nadat opdrachten aan vijf andere nationaal opererende bureaus tot niets hadden geleid (drie wilden niet met collega Kropholler concurreren en de twee anderen stuurden ondeugdelijke plannen in) werd uiteindelijk toch na overleg het plan Kropholler aanvaard. Dr. Moller schijnt om wat voor reden dan ook tegen te zijn gebleven. Al in het najaar van 1933 werd de grond bouwrijp gemaakt en op 24 mei 1934 volgde de aanbesteding. Het werk werd voor ƒ 158.000 gegund aan de firma Wortel en Buising aan de Hesperenstraat in Tilburg. De bouwvergunning werd op 14 juni door B en W verleend. Op 1 februari 1935 konden de bedienende zusters, Dochters van Onze Lieve Vrouw van het H.Hart, ofwel in goed Tilburgs ‘gutjesnonne’, uit het klooster aan de Bredaseweg, hun ‘slot’ betrekken. 


Pension Mariëngaarde aan de Burgemeester Damsstraat van architect A.J. Kropholler uit 1934. 
Foto 1936 (Coll. RHC Tilburg).


Precies een maand later kwamen de twee eerste pensiongasten: mej. Henriette van de Pas en de emeritus-deken van Waalwijk Van Riel. En toen hield het op. De pastoor leek zich toch op de markt te hebben verkeken. Maar daar weten gelovige geestelijken iets op. Samen met de zusters begon pastoor De Klijn een novene, een negendaagse bidstonde. En dat hielp. Op de laatste dag klopten, zo luidt het verhaal, de eerste gegadigden aan en vroegen om opname. Als men het lijstje namen ziet van de door O.L. Heer gezondenen, lijkt het erop of de pastoor toch door effectief netwerken de voorzienigheid wat geholpen heeft. En bovendien had hij het tij mee. Want juist in deze tijd begon het aan de andere kant van de akkers wat te worden met de projecten van Bredero en Segers en vlakbij rondom het pleintje van de Burgemeester Damsstraat waren nu ook de eerste villa’s verrezen. Het werd er voor lieden van stand dus wel aantrekkelijker op om zich daar in een deftig pension in te kopen. Het mag ook niet toevallig genoemd worden, dat boven aan het lijstje de namen van mevr. De Quay en haar ongehuwde dochter staan. Immers haar zoon de hoogleraar psychologie aan de R.K.Handelshogeschool prof. dr. J.E. de Quay had in september 1933 vergunning ontvangen voor de bouw van een riante woning met praktijkruimte aan het pleintje (Burgemeester Damsstraat 50), recht tegenover de hoofdingang van het pension. De prominente nieuwe parochiaan had dus een goed voorbeeld gegeven door moeder en zus aan de stichting van de pastoor toe te vertrouwen.(26) Uit het lijstje blijkt ook dat het beleid in zoverre was veranderd, dat niet slechts alleenstaanden, maar ook bejaarden in het algemeen en zelfs echtparen konden worden opgenomen. Zij troffen een pension aan dat “geheel in moderne geest is opgevat; het biedt alle comfort, welke onze tijd redelijkerwijze mag vragen, doch zo, dat de weldoende Katholieke sfeer daarin niet mag ontbreken.” Bij die sfeer paste het dat de pensiongast desgewenst kon beschikken over een eigen plekje in de kelder: “Hier kan de pension-gast een bak huren à ƒ 2 per jaar, voor opberging van wijn. Zo’n bak kan ongeveer 70 flessen bevatten.” En als na een comfortabele oude dag het einde daar was: “Bij overlijden kan de uitvaartmis in de Kapel geschieden, volgens eigen gekozen tarief, dat in ’t contract kan worden vastgelegd.” (27)

Interieur van pension Mariëngaarde in de jaren vijftig. De Dochters van O.L. Vrouw van het H. Hart 
van de Bredaseweg, ook wel ´gutjesnonnen´ genoemd, verzorgden de maaltijden in het pension. In de 
gangen hingen kunstwerken van de bewoners. Links een schilderij van Don Quichotte van de 
Bossche kunstenaar Herman Moerkerk, dat eigendom was van fabrikant J. van Vollenhoven (Coll. RHC 
Tilburg).


Rondom deze notabele rust- en lusthof begonnen nu eindelijk de villa’s te verrijzen. En ook hier blijkt in enkele gevallen sprake te zijn van projectontwikkeling, maar dan wel op andere schaal dan aan de andere kant van de wijk. Het meest valt dat in het oog bij de timmerman/aannemer Jos. Th.J. Jongen, die gevestigd was aan de Korvelseweg. Hij zet in de loop van de jaren 1934 tot ‘37 in de Burgemeester Rauppstraat (nrs. 3 en 6) en de Burgemeester Damsstraat (nrs. 23 en 48) op verspreide percelen vier vrijstaande villa’s, nadat hij in 1933 al op de hoek van de Ringbaan-West, tegenover Bonsel, twee grote huizen onder een kap had gebouwd. Een van de villa’s wordt doorverkocht aan zijn dochter en schoonzoon de andere huizen aan diverse particulieren. Alle panden werden getekend door zijn zoon Frans C.P. Jongen (1909-1974) in een stijl die afgeleid is van de Amsterdamse school. We hebben hier te maken met een in Tilburg meer voorkomende tweeledig verschijnsel. Aannemers bouwen voor eigen rekening kleinere projecten, die of in delen worden verkocht of, wanneer het om rijtjes arbeiders- en middenstandswoningen gaat zelf worden geëxploiteerd door ze te verhuren. Daarnaast komt het bij diezelfde aannemers vaak voor dat er binnen het familiebedrijf zonen zich verder gaan bekwamen en specialiseren als architect. Aannemer Jongen was getrouwd met een meisje Heerkens. Ook in de aanverwante firma Heerkens-van Bavel heeft zich dit laatste verschijnsel voorgedaan.(28) 

Hier in het Villapark zien we het ook bij aannemer Joh. Waijers, die voor eigen rekening de twee huizen onder een kap Burgemeester Rauppstraat 10/Drossaard van Wesepstraat 1 bouwt. Zoon Pierre M.J. Waijers (geb. 1902) is daarvan de architect evenals van de voor andere opdrachtgevers gebouwde panden Burgemeester Rauppstraat 8/Drossaard van Wesepstraat 2 en Burgemeester Damsstraat 21 en 29. Burgemeester Rauppstraat 12-14 werd in opdracht van aannemer J. van der Meijs uit de Piusstraat getekend door zijn zoon Pierre J.M. van der Meijs (1897-1954). Ook Jos. Donders, die we hierboven al gezien hebben, was zoon van een aannemer en aanvankelijk als zodanig werkzaam (zie de kadertekst). Hij is aan deze kant van het villapark de architect van Burgemeester Damsstraat 26 en Burgemeester Rauppstraat 16. De architect van Burgemeester Damsstraat 52 en Drossaard Van Wesepstraat 9 (dat tot na de oorlog tamelijk geïsoleerd aan de rand van de akkers heeft gestaan) was de eerst in Tilburg gevestigde en in 1937 vanuit Goirle opererende H. Frankefort. Dr. F. Vercammen liet zijn huis op nr. 46 van de Burgemeester Rauppstraat door F. Brekelmans uit zijn geboorteplaats Udenhout tekenen en bouwen, terwijl de architect van nr. 27 in die straat M.R. van den Biggelaar uit Berkel-Enschot was. En ten slotte, de Tilburger C. Jochems uit de Noord-Besterdstraat tekende letterlijk voor Burgemeester Rauppstraat 4, een relatief eenvoudig huis van een kleine bouwer in de achtertuin van zijn grote buurman Bonsel. Al met al is het pleintje voor Mariëngaarde en zijn naaste omgeving een aardige staalkaart van wat architecten van het huidige Tilburgs grondgebied in de jaren ’30 vermochten. 

Naast deze Tilburgse, of althans Midden-Brabantse bouwmeesters treffen we twee opvallende vreemdelingen aan. De Quay liet zijn in kubistische, zo op het oog op het werk van Dudok geïnspireerde stijl geconcipieerde pand tekenen door W.A. Maas in Utrecht.(29) Het is in zijn omgeving een opvallende uitzondering tussen de meer romantische stijlen van de buren. Die sluiten veel meer aan bij het traditionalisme van de Delftse school, waarvan de architect van Mariëngaarde A.J. Kropholler (1881-1973) een exponent was. Hij en zijn collega, de Delftse Hoogleraar M.J. Granpré Molière (1883-1972), bouwden vele kerken en raadhuizen in een voor katholieken zeer aansprekende door de Romaanse bouwkunst beïnvloede vormentaal. Baksteen met hier en daar natuurstenen elementen was hun materiaal.(30) Vooral Donders is in zijn latere jaren hoewel niet in Delft opgeleid een navolger te noemen, wat vooral in zijn werk in het ‘Villapark’ tot uiting komt. 

De Burgemeester Suijsstraat in 1941 (Coll. RHC Tilburg).


De bevolking van het ‘Villapark Zorgvlied’

Wie gingen er nu in het ‘Villapark’ wonen? (31) 
Uit de sinds 1935 in de gemeenteverslagen gepubliceerde cijfers weten we dat er in de jaren vlak voor de oorlog in Tilburg een net iets meer dan verzadigde woningmarkt was. In 1935 overtreft het aantal woningen het aantal gezinnen met 350, in 1936 met 260, in 1937 met 196, in 1938 met 225 en in 1939 nog met 65. Pas in 1940 is er een tekort van 180 woningen en dat tekort loopt dan snel op tot 2439 in 1945 en bereikt vervolgens een naoorlogs hoogtepunt in 1948 met een tekort van 3706. Daarna zien we een geleidelijke verbetering komen in de verhouding woningen/gezinnen onder invloed van de politiek van versnelde woningbouwprogramma’s. Het was in Tilburg in de jaren ’30 voor iemand met een redelijk inkomen niet zo moeilijk om aan een mooie woning te komen. Maar de goed gevulde beurzen waren na de economische wereldcrisis van 1929 niet meer zo talrijk. Het gevolg was dat er juist in de categorie duurdere woningen het grootste overschot ontstond. Dat nu had, zoals we al hebben aangestip, gevolgen voor de verkoopbaarheid van de eerste woningbouwprojecten in ‘Zorgvlied’. Startende gezinnen gingen in die onzekere tijd ook niet gemakkelijk over tot koop van een dure woning en zeker niet als daarvoor een hypotheek nodig was. Alleen mensen met een (familie)kapitaal achter de hand of met een redelijk vast inkomen konden zich een huis in eigendom permitteren, maar dan gingen ze toch meestal een station verder en bouwden zich een rianter pand dan makelaar Van der Meeren te bieden had. Daartoe vallen waarschijnlijk ook degenen te rekenen, die konden profiteren van het voordeel van een familiebedrijf in de bouwsector. Deze categorie kwam aan de oostzijde van ‘Zorgvlied’ terecht. 

Vóór 1940 zien we dus dat aan de westkant van de wijk de woningen en met name die van Dudok nauwelijks particulier verkocht en maar met moeite verhuurd raken. Talloos zijn de verhalen, dat jonge gezinnen werden gelokt met volledig gestoffeerde woningen en dat er, zodra er na een paar jaren een en ander aan vervanging toe was, gewoon verhuisd werd soms binnen de straat. Dat zal in de praktijk wel meegevallen zijn, maar in het woningenregister hebben we toch enkele verplaatsingen geconstateerd die te denken geven. Opvallend is het vrij grote aantal niet-autochtone Tilburgers, dat aan deze kant van de wijk zijn loopbaan en gezinsleven begint. Dat is niet zo verwonderlijk. Tilburg kende in die tijd juist een vrij grote groei van de werkgelegenheid in de tertiaire sector: het onderwijs, de dienstverlenende instellingen zoals bijvoorbeeld de NCB en de ambtelijke wereld. Dat trekt veel mensen van buiten aan. Na 1940 ontstaat er wél woningnood en dan zien we behalve de al geconstateerde snelle wisseling van huurders ook het verschijnsel van meervoudige bewoning optreden. Net als overal elders in de stad blijven getrouwde kinderen nog even bij de ouders inwonen voordat ze vergunning krijgen voor het betrekken van een eigen woning. In een aantal gevallen was dat in dezelfde straat. Nogal wat woningen waren in de periode van de mobilisatie toegewezen aan officieren van de Kromhoutkazerne en die met name worden dan ook na mei ’40 gevorderd door de ‘Duitse Weermacht’ voor het onderbrengen van hun officieren.(32) ‘Vrienden van de bezetter’ maakten er ook goede kans op een huis. Inbeslagname had toen zeker plaats ingeval er sprake was van joodse bewoners of als represaille. Dat gebeurde ook met de grotere villa’s. Als De Quay in de zomer van 1942 na het verbod van zijn Nederlandse Unie eerst door de bezetter geïnterneerd wordt in het gijzelaarskamp in Haaren en daarna moet onderduiken en ook zijn gezin verhuist naar het familielandgoed in Beers aan de Maas, wordt zijn villa aan de Burgemeester Damsstraat eerst in gebruik gegeven aan de Missionarissen van het H. Hart (een anti-kraaktruc van de eigenaar zelf?) en daarna gevorderd door de Duitsers.(33) 

Het westelijk deel van de Burgemeester Suijsstraat omstreeks 1941 (Coll. RHC Tilburg).


De projecten van Segers, Bredero en vooral de ‘Dudokhuizen’ van Van Grootel kenden dus in de eerste tien jaren over het algemeen een zeer vlottende bezetting. Maar er waren natuurlijk uitzonderingen. Een voorbeeld is de natuurkundeleraar van het Odulphuslyceum dr. W. Dekkers, die vanaf zijn huwelijk in 1939 met zijn gezin altijd in zijn ‘Dudokhuis’ aan de zuidkant van het Suijs-pleintje is blijven wonen. In het algemeen kan echter gezegd worden dat hoe luxer het huis was, des te stabieler ook de bewoning was, en dat had natuurlijk ook te maken met het gegeven van de eigendom.

De oorspronkelijke bedoeling voor het karakter van de wijk als ‘Villapark’ voor met name ook docenten aan de Leergangen en de daarmee gelieerde Hogeschool is overigens alleen in het geval van De Quay volledig werkelijkheid geworden. Er woonden vanaf het begin wel meer hoogleraren en lectoren, maar toen zeker nog allerminst in villa’s, maar in meer betaalbare huurhuizen. De meeste panden in de buurt van Mariëngaarde werden gebouwd of gekocht door lieden uit de gegoede middenklasse, die met het onderwijs niets te maken hadden, maar wel met de zakenwereld of de overheids- en dienstensector. Een uitzondering is naast de Quay nog het vermelden waard; op nr. 46 van de Burgemeester Damsstraat liet zoals we gezien hebben dr. Frans Vercammen een huis bouwen. Dat was een groot pand, dat langzaamaan vol oude kunst kwam te hangen. Vercammen was leraar Nederlands aan het Odulphuslyceum en bekend kunsthistoricus, die na de oorlog met de Kunstkring Tilburg, waarvan hij secretaris was, vele tentoonstellingen zou organiseren, en die zelf ook een mooie kunstverzameling had.(34) Na de oorlog heeft hij opdracht gegeven voor de bouw van een opvallend nieuw huis in archaïsche vormen met pseudo-hollandse klokgevels op de hoek van de Drossaard Van Wesepstraat en de toen pas aangelegde Burgemeester Mutsaersstraat.

Pastoor W.J.J. de Klijn zegent op 27 oktober 1935 het sportterrein van Sarto in. 
Links erevoorzitter prof. dr. J. de Quay, bewoner van Zorgvlied (Coll. RHC Tilburg). 

Een laatste curieuze afwijking op de regel aan deze kant van de wijk is de gemeentebode H. Kooiman, die zijn mooie nieuwe huis tussen Bonsel en De Quay maar twee jaren bewoonde en het in 1936 al verruilde voor de dienstwoning van de conciërge in het souterrain van het dan tot raadhuis verbouwde oude paleis van Willem II. Hij woonde daar weliswaar naar de letter vorstelijk, maar zijn optrekje in ‘Zorgvlied’ zal toch rianter geweest zijn. Schrijver dezes kan het weten, want hij heeft jarenlang als gemeentearchivaris zijn bureau gehad in Kooiman’s vroegere half-ondergrondse slaapkamer, en die was toch wat bekrompen.

Besluit

Tot besluit nog een waardeoordeel, hoewel dat eigenlijk in een historische bijdrage niet zo op zijn plaats is. Hoewel het ‘Villapark’ niet geworden is wat het in de stedenbouwkundige visie van het gemeentebestuur en zijn adviseur Jos. Cuijpers had moeten worden, mogen we toch blij zijn met vooral het vooroorlogse deel van deze wijk. Met wij bedoelen we niet alleen de bewoners, waartoe uw auteur ook behoort, en die er een zeer aangenaam onderkomen hebben gevonden. De wijk is niet alleen van erg groot belang voor onze kennis van de kunde van Tilburgse aannemers/architecten, maar door de aanwezigheid van de huizen van Dudok ook voor ons begrip van het bouwen in de jaren ’30 in Nederland in het algemeen. En natuurlijk zal ze ons blijvend kunnen herinneren aan een merkwaardig stukje stedelijke geschiedenis. We moeten er dan ook zuinig op zijn, en dat wordt gelukkig ook begrepen door degenen die daar iets aan kunnen doen. Niet voor niets is ‘Zorgvlied’ in een onlangs mede door de gemeente uitgegeven boek over architectuur en stedenbouw in Tilburg opgenomen onder de “gebieden met bijzondere waarden”.(35) Die waarden heeft het dus zeker.


* Drs. Gerard Steijns was van 1980 tot 1998 gemeentearchivaris van Tilburg. Hij schreef diverse bijdragen op historisch terrein, onder andere voor het tijdschrift ‘Tilburg’ over de parochie Tilburg ’t Heike (1990), Koning Willem II (1999) en over de wijken Jeruzalem (2000) en Zorgvlied (2001).


Jos. J. Donders

opad.jpg (7187 bytes)

 

 

 

 

Jos Donders (1867-1960) 
(Coll. Wout van Bommel, Nuenen).

De architect Josephus Jacobus Donders (Tilburg, 7 april 1867-Tilburg, 19 december 1960) stamde van vaderszijde uit een oer-Tilburgse familie van timmerlieden, terwijl zijn directe voorouders van moederszijde (Van Rijen) houtzagers waren. Twee beroepen, die met bouwen te maken hadden. Hijzelf werd aannemer/tekenaar, maar kreeg de kans een opleiding aan de academie te Brussel te volgen, waardoor hij zich volwaardig architect kon noemen. Hij geeft ook nog even tekenles aan de Burgeravondschool in zijn geboortestad en verwerft in 1891 een medaille voor bouwkundig tekenen. Aanvankelijk werkt hij in traditionele eclectische trant en ontwerpt meest woonhuizen. Zijn oudst bekende ontwerp is een winkel/woonhuis in de Stationsstraat uit 1899. Bij een woonhuis uit 1907 in de Nieuwlandstraat op de hoek van de Vincentiusstraat duiken voor het eerst in zijn werk Jugendstil-elementen op. 

Een jaar later ontwerpt hij in dezelfde trant twee naast elkaar gelegen maar toch heel verschillende panden aan de Heuvel (102 en 104) en in 1909 een van de opvallende hoge panden aan de noordzijde van de huidige Oude Markt (Heuvelstraat 113) en in 1910 de vroegere boekhandel van Bergmans op de hoek van de Langestraat (Heuvelstraat 109). Ook aan het Wilhelminapark is hij in deze stijl actief: in 1911 het woonhuis van de familie Pessers-Daniels (13-13a) en in 1912 café ‘De Rode Haan’(42-42a). Daar bouwt hij in 1913 ook zijn bekendste Jugendstilwerk: het monumentale complex van de melkinrichting C.T.M. Vanaf nu duiken ook art-decovormen in zijn bouwstijl op. We zien dat al enigszins bij de twee markante panden met ronde geveltoppen aan de Piusstraat 26 (1915) en zeker bij het voogdijgesticht ‘Huize Nazareth’ (1916). 

Hij laat zich in de jaren daarna vooral inspireren door de op dat moment meest vooraanstaande architecten van de Amsterdamse en Delftse School. Zo bijvoorbeeld bij de villa’s Goirkestraat 85 (1922) en Tivolistraat 4 (1925) en zijn ontwerp in 1924 van de kerk van de H. Familie (Broekhoven II, afgebroken in 1974). Zijn meest expressionistische bouwwerk is het Sint Theresialyceum (thans Jozef-Mavo) met zijn opvallende bijna sculpturale voorgevel aan de Oude Dijk uit 1931. Zijn vele woonhuizen in ‘Zorgvlied’(1933-1937) vertonen vervolgens enigszins rustieke en robuuste vormen. 

Deze trant van bouwen vindt zijn hoogtepunt in twee in 1937 door Donders ontworpen winkelpanden op markante punten in de stad: de winkel van Hamers-van Hoof (nu snackbar Febo) op de hoek van de Heuvelstraat en het Stadhuisplein en die van Bogaers op de hoek van de Noordstraat en de Fabriekstraat. Het laatst bekende werk is de bouw van de winkel van zijn dochter en schoonzoon in Hilvarenbeek uit 1939. In de veertig jaar van activiteit als architect heeft Jos. Donders een zeer groot en gevarieerd oeuvre nagelaten en dan met name in zijn geboortestad Tilburg.

Voornaamste bronnen:
Op de website van Wout van Bommel: http://wout11.tripod.com is een uitgebreid genealogisch en biografisch hoofdstuk gewijd aan zijn grootvader Jos. Donders. Daar is ook een oeuvrecatalogus in verre staat van opbouw. 
J.P.W.A. van Dijk m.m.v. H.A.C.J. van Alphen, Tilburg, architectuur en stedenbouw in de gemeente Tilburg 1850-1940 (Zwolle, 2001)

 


W.M. Dudok


Willem Marinus Dudok (Amsterdam, 6 juli 1884 – Hilversum, 6 april 1974) werd opgeleid aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda en begon zijn carrière als genieofficier. In 
1913 stapte hij over naar het burgerleven en werd gemeentearchitect in Leiden. In 1915 volgde zijn aanstelling tot directeur publieke werken en gemeentearchitect in Hilversum. Dat zou hij tot 1954 blijven en daar heeft hij zijn visie en stijl ontwikkeld en in talloze ontwerpen van woonwijken en individuele gebouwen vormgegeven. Het bekendst, ja wereldberoemd, is daar natuurlijk zijn stadhuis geworden. Maar ook buiten Hilversum heeft hij met zijn eigen relatief kleine kantoor internationaal bewonderd werk geleverd, zoals de in de oorlog verwoeste ‘Bijenkorf’ in Rotterdam en het Nederlands studentenhuis in de Cité Universitaire van Parijs. 

Aanvankelijk stond Dudok onder invloed van Berlage en de Amsterdamse School, maar vanaf ca. 1920 ontwikkelde hij hieruit een eigen vormentaal: een meer kubistisch expressionisme, waarin invloed van ‘De Stijl’ te herkennen is. Hij rangschikte volumes en vlakken tot een plastisch ensemble waar, volgens critici, op onderdelen de functionaliteit wel eens onder leed. Toch had Dudok wel degelijk zeer uitgesproken ideeën over het doel en de essentie van de architectuur, die hij beeldend onder woorden kon brengen. Tijdens een lezing in de Verenigde Staten in 1953 citeerde hij de Chinese filosoof Lao-Tse: “Een pot dankt zijn bestaan aan de lege ruimte. Dankzij de lege ruimte kunnen wij er gebruik van maken. Wij bestaan bij de gratie van het niet-bestaan.” En op een ander moment stelt hij: “Men schept eerst dan architectuur, wanneer men de geest van een gebouw karakteristiek tot uitdrukking brengt: een kerk, die werkelijk een godshuis is, een school die de kinderen als met open armen ontvangt…” Toegepast op de woningbouw betekent dit dat hij het huis ziet als “een doelmatige, hygiënische, blijstemmende omraming … van het familieleven.” Een woonhuis moest daarom ook een dak hebben, dat bescherming en veiligheid kon suggereren. De wijk had voor Dudok, die immers door zijn baan in Hilversum vooral stedenbouwer was, ook een essentiële functie als ware het een aangenaam geordende en doelmatig gemeubileerde woonruimte. Hij zegt daarover: “Stedenbouw is de kunst die orde schept door redelijke concentratie …, overeenstemming en contrast zijn de elementen van de compositie in de stedenbouw, die allereerst ruimtekunst is.” 

In Hilversum heeft Dudok vele woonwijken ontworpen. Het waren volkswoningbouwcomplexen, die soms als het ware gecomponeerd werden rondom een monumentaal centraal gebouw als een school of een badhuis. Door verspringende rooilijnen en verschillen in hoogte en oriëntatie van de afzonderlijke huizen weet hij een harmonisch samenstel van volumes te scheppen. Als hij in 1936-‘38 eerst in Tilburg en meteen daarna in Eindhoven in opdracht van Van Grootels bouwbedrijf de kans krijgt ook complexen van woningen voor beter gesitueerden te ontwerpen, past hij die principes ook weer toe. Met name het Eindhovense tuindorp ‘De Burgh’ ook wel het ‘Witte Dorp’ genoemd, heeft de laatste tijd na de renovatie en aanwijzing tot beschermd monument veel aandacht gekregen. In feite kan echter ‘Zorgvlied’ in Tilburg (en in mindere mate ook de eveneens in opdracht van Van Grootel gebouwde woonhuizen aan de Philips Vingboonsstraat aldaar) beschouwd worden als een volwaardige voorstudie voor dat tuindorp. Gele baksteen (de witte schildering is niet oorspronkelijk door de architect gewild), overstekende zadeldaken, ritmische rangschikking van muuropeningen en erkers, verspringende gevellijnen, markante straathoeken als entree van de wijk en in het algemeen een spel met vlakken en volumes, dat alles is ook in Tilburg terug te vinden. Men kan zich bijna niet meer voorstellen, dat in de gemeenteraad van Eindhoven naar aanleiding van de bouw van ‘De Burgh’ het volgende te berde werd gebracht: “Door deze uitbreiding krijgt men een treurig beeld te zien, dat den geest weergeeft, waardoor deze woningen geschapen zijn. Deze woningen zijn winstobject. Als men door de nieuwe straten gaat, dan ziet men een ziellooze steenen klomp, waaruit de materialistische geest spreekt.” Deze spreker had kennelijk geen affiniteit tot de heldere vormentaal van de ontwerper en de functionele schoonheid van zijn schepping. Dergelijke geluiden zijn uit Tilburg niet bekend.

Voornaamste bronnen:
Herman van Bergeijk, Willem Marinus Dudok, architect-stedebouwkundige 1884-1974 (Naarden,1995).
Giovanni Fanelli, Moderne architectuur in Nederland 1900-1940 (Cahiers van het Nederlands Documentatiecentrum voor de Bouwkunst, deel 2 , uitgegeven door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg o.r.v. F. Asselbergs; ’s-Gravenhage 1978).


Geraamde stichtingskosten bouwwerken ‘Zorgvlied’ vóór 1940 (in guldens)

Bouwplan , omschrijving  en prijs

3527     1 woning Burg.Rauppstraat f onbekend
6809     2 woningen RingbaanWest/Burg. Rauppstraat  f 21.000
6878     1 woning Burg.Rauppstraat  f 3.200
6903     1 woning Burg.Damsstraat  f 19.000
6954     6 woningen Burg.Suijsstraat  f 35.000
6968     20 woningen Schout Backstraat  f 70.000
7036     10 woningen Burg. Suijsstraat f 52.000
7072     1 woning Burg.Damsstraat  f 4.500
7121     1 woning Burg.Damsstraat  f 10.400
7128     3 woningen Burg.Suijsstraat  f 21.000
7150     1 woning Burg.Rauppstraat  f 6.000
7151     2 woningen Burg.Rauppstr./Dross.v.Wesepstraat  f 16.000
7152     1 woning Burg.Damsstraat  f 9.000
7183     2 woningen Burg.Suijsstraat  f 26.000
7207     1 woning Burg.Damsstraat  f 5.500
7274     1 woning Dross.v. Wesepstraat  f 5.500
7326     2 woningen Burg.Rauppstraat/Dross.v.Wesepstraat  f 15.000
7370     1 woning Burg. Damsstraat  f 5.500
7449     6 woningen Burg.v.Meursstraat/Burg. Jansenstraat  f 21.000
7451     3 woningen Burg.v.Meursstraat  f 10.500
7452     2 woningen Burg.v.Meursstraat/Burg. Jansenstraat  f 7.000
7486     2 woningen Burg.v.Meursstraat/Burg. Jansenstraat  f 6.000
7494     1 woning Burg.Rauppstraat  f 7.000
7499     2 woningen Burg.Rauppstraat  f 8.200
7502     16 woningen Burg.v.Meursstraat/Dross.Bernagiestraat  f 57.600
7522     8 woningen Burg.v.Meursstraat/Dross.Bernagiestraat  f 28.800
7533     10 woningen Burg.v.Meursstraat  f 36.000
7547     10 woningen Burg.Jansenstraat/Burg.Suijsstraat  f 35.000
7556     1 woning Burg.Damsstraat  f 9.250
7571     1 woning Burg.Damsstraat  f 8.000
7575     21 woningen B.v.Meursstr./B.Suijsstr./Sch.Backstraat  f 75.600
7590     9 woningen B.v.Meursstr./B.Suijsstr./Sch.Backstraat  f 30.000
7592     1 woning Burg.Rauppstraat  f 6.000
7663     2 woningen Schout de Roijstraat  f 16.400
7766     1 woning Burg.Damsstraat  f 9.500

Totaal 136 woningen f 696.450

7200     pension Mariëngaarde, Burg.Damsstraat f 175.000

Totaal bouwwerken: f 871.450

NB: Het betreft de bij de vergunningaanvraag opgegeven geschatte bouwkosten, op basis waarvan de leges werden berekend. Dit hoeft uiteindelijk niet de werkelijke kostprijs te zijn geweest. In de enkele gevallen waar geen exact bedrag werd opgegeven, maar een schatting zoals: “5000 a 6000”, is voor deze lijst het gemiddelde tussen het hoogste en laagste bedrag genomen.

Bouwplannen in ‘Zorgvlied’ gerealiseerd vóór 1940 

 

nummer

vergunning

opdrachtgever/aanvrager

architect

Schout Backstraat

 

 

 

 

1-25

6968

1933

Gebr. Segers

Jos. Donders

2-6

7575

1937

Van Grootel

W. Dudok

8-10a-12

7590

1937

Van Grootel

W. Dudok

 

 

 

 

 

Drossaard Bernagiestraat

 

 

 

 

1-17

7502

1936

Van Grootel

W. Dudok

2

7522

1936

Van Grootel

W. Dudok

 

 

 

 

 

Burgemeester Damsstraat

 

 

 

 

15-15a (pension Mariëngaarde)

7200

1934

Sint Ritavereniging

A.J. Kropholler

21

7152

1934

Jul. Weerts

P.M.J. Waijers

23

7370

1935

Jos.Th.J. Jongen

F. Jongen

25

7072

1934

P.v.d. Dobbelsteen

Jos. Donders

27

7571

1937

G.Th. Wortman

M.R.v.d. Biggelaar

29

7766

1938

B. van Eerd

P.M.J. Waijers

46

7121

1934

Dr.F.A. Vercammen

J.J. Brekelmans

48

7207

1934

Jos.Th.J. Jongen

F. Jongen

50

6903

1933

Prof.dr.J.E. de Quay

W.A. Maas

52

7556

1937

Dr.W. Houben

H. Frankefort

 

 

 

 

 

Burgemeester Jansenstraat

 

 

 

 

5

7547

1937

Van Grootel

W. Dudok

7

7452

1936

Van Grootel

Jos. Donders

9

7449

1936

Van Grootel

Jos. Donders

6

7547

1937

Van Grootel

W. Dudok

8

7486

1936

Van Grootel

Jos. Donders

10

7449

1936

Van Grootel

Jos. Donders

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Burgemeester Van Meursstraat

 

 

 

 

1-1a-3

7575

1937

Van Grootel

W. Dudok

5-13

7533

1936

Van Grootel

W. Dudok

15-23

7522

1936

Van Grootel

W. Dudok

25-33

7502

1936

Van Grootel

W. Dudok

35

7486

1936

Van Grootel

Jos. Donders

37

7452

1936

Van Grootel

Jos. Donders

39-43

7451

1936

Van Grootel

Jos. Donders

45-57

7575

1937

Van Grootel

W. Dudok

2-14 (1945 verwoest, herbouwd 1954)

7533

1936

Van Grootel

W. Dudok

16-18

7522

1936

Van Grootel

W. Dudok

20-22

7502

1936

Van Grootel

W. Dudok

24-30

7449

1936

Van Grootel

Jos. Donders

32-34

7575

1937

Van Grootel

W. Dudok

36-42

7590

1937

Van Grootel

W. Dudok

 

 

 

 

 

Burgemeester Rauppstraat

 

 

 

 

1

6809

1933

Jos.Th.J. Jongen

F. Jongen

3

7150

1934

Jos.Th.J. Jongen

F. Jongen

2

3527

1923

H.C. Bonsel

H.C. Bonsel

4

6878

1933

H. Kooiman

C. Jochems

6

7592

1937

Jos.Th.J. Jongen

F. Jongen

8

7151

1934

C.W. Meurs

P.M.J. Waijers

10

7326

1935

Joh.H. Waijers

P.M.J. Waijers

12-14

7499

1937

J.v.d. Meijs/M. Wolf

P.v.d. Meijs

16 (met kantoor)

7494

1936

M. Oonk

Jos. Donders

 

 

 

 

 

Schout De Roijstraat

 

 

 

 

8-10

7663

1937

Gebr. Struijcken

Gebr. Struijcken

14-26

6968

1933

Gebr. Segers

Jos. Donders

 

 

 

 

 

Burgemeester Suijsstraat

 

 

 

 

41-43

7183

1934

Bredero

Bredero

45-49

7128

1934

Bredero

Bredero

51-69

7036

1934

Bredero

Bredero

71-75

7590

1937

Van Grootel

W. Dudok

36-50

7547

1937

Van Grootel

W. Dudok

52-62

6954

1933

Bredero

Bredero

64

7575

1937

Van Grootel

W. Dudok

66-72

6968

1933

Gebr. Segers

Jos. Donders

 

 

 

 

 

Burgemeester Vissersstraat

 

 

 

 

1

7575

1937

Van Grootel

W. Dudok

2

7590

1937

Van Grootel

W. Dudok

 

 

 

 

 

Drossaard Van Wesepstraat

 

 

 

 

1

7326

1935

Joh. Waijers

P.M.J. Waijers

9

7274

1935

Wed.H. Huijsmans

H. Frankefort

2

7151

1934

C.W. Meurs

P.M.J. Waijers

 N.B. De nummers zijn die van de zg. bouwbundels, de dossiers per bouwplan waaraan vergunning werd verleend, berustend in het archief van Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Tilburg (RHCT). Soms is de eerste vergunning korte tijd later gevolgd door een nieuwe i.v.m. wijzigingen in het plan.
De huidige huisnummering en straatnamen zijn gevolgd. 
De nrs. 66-72 van de Burg. Suijsstraat waren vóór 1961 de nrs. 1-5 van de Schout Backstraat. De huidige Burgemeester Vissersstraat heette toen ze geprojecteerd werd nog Schout Crillaertstraat. Die naam is in 1954 aan een andere straat gegeven. (vriendelijke mededeling van ir. Rob van Putten, die een complete documentatie m.b.t. het verloop en de naamgeving van de Tilburgse straten en wegen heeft opgebouwd).
Van sommige bouwblokken nummert een huis in de zijstraat. 
De nrs. 2-6 en 12 in de Schout De Roijstraat bestaan niet.
 


Noten

(1) Gerard Steijns, ‘Zorgen om Zorgvlied. De verkeken kansen op een fraai ‘universiteitskwartier’’, in: Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, 19, 2001, nr. 2, p. 35-46.
(2) Onlangs nog is hieraan aandacht besteed in: Ad de Beer en Gerrit Kobes, Het leven gebroken, de geschiedenissen van de Tilburgers die als gevolg van de strijd tegen Duitsland en de bezetting van Nederland om het leven kwamen (Tilburg, 2002) p. 20 en p. 44 vv. Een verslag van Pastoor De Klijn van de ramp met de V1 op Mariëngaarde op 2 februari 1945 is opgenomen in het hierna nog uitvoerig geciteerde gedenkboekje bij gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het pension.
(3) Het betreft de panden op de hoek van de Ringbaan-West (toen nog hoek Korenbloemstraat). Al in 1921 werd het rijtje panden nrs. 312-316 gebouwd. De winkel met bovenwoning op de hoek van de wed. Van Stiphout volgde in 1924. In 1928 krijgen de gezusters Constance en Anna van Dijk vergunning voor de door het bekrompen perceel nauwelijks vrijstaande villa op nr. 320. De zussen gaan later in Mariëngaarde wonen en komen daar bij de val van de V1 op 2 februari 1945 om het leven. Het rijtje arbeiderswoningen dat dan volgt, stond er net als dat om de hoek aan de Korenbloemstraat (nu Ringbaan-West) al veel langer nog voordat er sprake was van de rigoureuze bebouwingsvoorschriften. In 1925 concludeert het college van BenW dat een aanvraag van H.G. Van Stokkum even verderop een rijtje van tien aaneengebouwde herenhuizen te mogen bouwen wegens strijdigheid met ‘het begrip villabouw’ waartoe het bedoelde perceel krachtens het goedgekeurde partieel uitbreidingsplan bestemd is, niet kan worden gehonoreerd, maar; “wel zou in gunstige overweging genomen kunnen worden een bouwplan waarbij b.v. 3 woningen in een groep in villavorm te bouwen, vereenigd zouden worden”. Hier wordt het water al aangedragen, dat straks ten aanzien van het hele plan bij de wijn zal gaan. (W132/18, 1925). Het dubbele pand 344-346 kon op basis van deze toegeeflijkheid in 1931 wel worden gebouwd; het werd overigens in de oorlog verwoest en pas in 1952 herbouwd. In 1934 verrijst in opdracht van J. de Cock-Brocken en onder architectuur van Pierre M.J. Waijers het monumentale pand op de hoek van de Burgemeester Jansenstraat (nr. 368), dat tot voor enige jaren “les Buissonnets” heette en dat beslist wel aan de definitie van het begrip ‘villa’ voldeed. En dan ten slotte vlak voor de overweg op nr. 384 bouwt architect H. Frankefort in 1938 in opdracht van leerhandelaar Vos (zie nog steeds de gevelsteen) ook nog een vrijstaande villa. Voor de rest zou het aan deze kant van de Bredaseweg tot aan de spoorlijn met Turnhout nog tot na de oorlog leeg blijven en liep hij zodoende net als het achterliggende ‘Zorgvlied’ door de te veeleisende bepalingen van het uitbreidingsplan een achterstand op. 
(4) Regionaal Historisch Centrum Tilburg, Dossier W1313/5,1930.
(5) Idem, W1313/5 brief dd. 27 oktober 1930.
Henricus Godefridus van Stokkum woonde weliswaar op dat moment als handelaar (Henri van Stokkum & Co Garens en Wollen) in Nijmegen, maar hij was van Tilburgse familie (geb. 1882) en tevoren ook al in Tilburg werkzaam geweest als handelsreiziger. Hij stierf in 1968 in Nijmegen. Zijn vader was koopman in bedden enz. De familie woonde al ten minste drie eeuwen in Tilburg (o.a. Herman Aelbert van Stockum, mandenmaker en schoolmeester aan de Hasselt, gestorven in 1666). Een broer van H.G. van Stokkum,Wilhelmus A.A. van Stokkum (geb. 1888, boekhouder bij de fa. Diepen), bewoonde sinds 1935 een villa aan de Burgemeester Rauppstraat 3.
(6) De affaire is te opmerkelijk om ze hier niet te vermelden. Ongeveer gelijktijdig met het ontwikkelen van de plannen voor het ‘Villapark’ was het bestuur van de Stichting R.K. Gasthuis op zoek naar een locatie voor een nieuw ziekenhuis, ter vervanging van het oude Gasthuis op de Locht, de huidige Gasthuisring, naast het moederhuis van de fraters. Het terrein aan de Bosscheweg in het partieel uitbreidingsplan Armhoefse Akkers, dat in 1917 al als het meest in aanmerking komend werd genoemd, en waarop het ziekenhuis uiteindelijk ook gebouwd is, werd meteen ook door een minderheid in het bestuur afgekeurd. Met name dokter K.Deelen gebruikte daarbij hetzelfde argument, dat ook al in de discussie over de beste vestigingsplaats voor de R.K. Leergangen werd aangevoerd: de heersende westenwind zorgde daar voor luchtvervuiling door de industrie. Hij blijkt dan ook later in 1924 als de jarenlange schermutselingen over de financiering zijn afgesloten en de vraag over de locatie weer aan de orde komt, een van de weinige voorstanders te zijn voor vestiging in de buurt van de Bredaseweg. Gedacht wordt aan een plek bij het gesticht “De Goede Herder” (later “Het Hoge Veer” en nu “Amarant” op de hoek van de Conservatoriumlaan) en ook het terrein van de Kromhoutkazerne is even in beeld. Maar vooral duikt nu het perceel “dat vroeger voor de R.K. Leergangen was bestemd” in de discussies op. Ook in de pers wordt daarvoor gepleit en wel door een zeer betrokken scribent. Op 7 mei 1925 verschijnt namelijk in de Nieuwe Tilburgsche Courant een ingezonden stuk van Corn. H.M. van de Ven, gedelegeerd commissaris van de onroerend goedmaatschappij ‘Zorgvlied’ over “Het nieuwe ziekenhuis en het Villapark”, waarin deze. niet zonder eigenbelang lijkt het, een stevig pleidooi houdt voor de bouw van het ziekenhuis op de gronden die zijn consortium nog kwijt moet. Hij maakt een adres aan de gemeenteraad dd. 30 oktober 1924 openbaar, waarin ‘Zorgvlied’ n.a.v. een eerder voorstel van B en W om de gronden aan de Bosscheweg te kopen t.b.v. het ziekenhuis betoogt, dat als zij de gronden aan de Bredaseweg voor dat doel hadden aangekocht de gemeente zeker niet duurder uit was geweest en bovendien recht had gedaan aan ‘Zorgvlied’ die nu nog steeds met onexploitabele grond zat in een maar niet tot een goede bestemming komend uitbreidingsplan. Deze perscampagne mocht echter geen effect meer hebben. Het was in feite ook al veel te laat en het is eigenlijk een openbaar pleidooi om alsnog genoegdoening te krijgen. In de gemeenteraadsvergadering van 8 mei 1925 wordt het besluit genomen dat de gemeente 492.000 m2 grond in de buurt van de Bosscheweg zal overdragen aan de stichting “Het R.K. Gasthuis” voor de bouw van een ziekenhuis. In de discussie daaraan voorafgaand wordt benadrukt dat noch de gezondheidscommissie noch de daartoe door het R.K. Gasthuis uitgenodigde externe adviseur dr. J.L.C. Wortman (directeur van de G.G.D van Amsterdam) bezwaren hadden tegen die locatie, terwijl toch uitdrukkelijk nog twee andere plekken in beeld waren geweest waaronder “de terreinen van Zorgvlied aan den Bredascheweg”. De speculanten hadden dus ook deze slag verloren. In het eerste deel van dit verhaal hebben we gezien dat het totale gevecht nog enige jaren zou duren.
(7) Zie noot 3.
(8) Deze eigenaar laat in 1954 ook de in februari 1945 door de V1 verwoeste woningen Burg. Van Meursstraat 2-14 herbouwen.
(9) Kadastrale legger m.n. de artikelen 1454, 10601, 16164, 24184, 25229, 25587, 26111, 26642, en 26675. ‘Zorgvlied’ bezat niet alleen gronden in het latere ‘Villapark’, maar had nog op een heleboel andere plaatsen in Tilburg eigendommen, zoals een groot aantal huizen en bouwterreinen in de Capucijnenstraat e.o. 
(10) Zie de tekening in de prospectus van Makelaar Van der Meeren, gereproduceerd bij het eerste deel van dit artikel op pag. 44.
(11) Dossier W132/20 1933 e.v.
(12) Zie overigens hiervoor noot 3.
(13) Van Grootel opereerde bij de contacten met de gemeente (o.a. de vergunningaanvragen) vanuit tijdelijke adressen in de Burg. Suijsstraat en Burg. Jansenstraat, Bredero vanuit een kantoor aan de Spoorlaan. 
(14) B en W 2-10-1933, Gemeenteblad 1933, nr. 36, 8e aanvulling. In 1954 is de straatnaamgeving in het ‘Villapark’ geheel herzien in verband met het voltooien van de wijk. Toen is een aantal straatnamen ingetrokken of verplaatst (zie de N.B. bij de bijlage).
(15) Bouwbundel nr. 6954.
(16) Aanvankelijk was het Schout Backstraat 1-25, maar de nummers 1-5 zijn bij een wijziging van de loop van de Burgemeester Suijsstraat als nrs. 66-70 aan die straat komen liggen.
(17) Het vermoeden bestaat dat de bouw overgenomen werd door Bredero. Mededeling van de heer Frans van Mieghem, die als kind met zijn ouders in het pas gebouwde pand Schout Backstraat 7 kwam wonen en daar nu nog steeds woont. De woningen in de Schout Backstraat en de Schout de Roijstraat zijn in 1937 overgegaan in eigendom van de familie Van Iersel, eigenaars van de ‘Kwatta’-chocoladefabrieken in Breda. Tot op dit moment staan ze bij oudere inwoners van de wijk nog bekend als de ‘Kwatta-huizen’. Na de overname van dat bedrijf in de jaren ’70 door een internationaal opererend concern werden de huizen veelal aan de bewoners verkocht. De drie huizen aan de Burgemeester Suijsstraat 66-70 werden samen met de twee door Bredero gebouwde nrs. 60 en 62 via ‘De Dommel’ eigendom van de commissionair en gedelegeerd commissaris van ‘Zorgvlied’ C.H.M. van der Ven, die zijn bezit inbracht in een N.V. ‘De Leijstroom’, wat waarschijnlijk niet toevallig de naam van een zijriviertje van de Dommel is.
(18) Bredero heeft zijn eigendom al in 1935 en 1936 aan anderen overgedaan, ten dele ook weer aan “De Dommel’, die ze op haar beurt weer in 1937 doorverkocht. Het eerste gerealiseerde blokje Burgemeester Suijsstraat 52-56 wordt in 1935 eigendom van de textielfabrikant L.E. van de Bergh, die in 1941 vergunning vraagt voor het “waterdicht maken van kelders welke door bombardement in Mei 1940 ondicht waren geworden”. De overlevering wil, dat dit blokje van drie om de toen opgelopen en gerepareerde scheuren in de gevels te maskeren wit zijn gesausd. Het bombardement op het kruispunt van de spoorlijn naar Turnhout en de Bredaseweg door de Duitsers op 11 mei 1940 bracht veel schade aan het noordwestelijk deel van de wijk en eiste acht burgerslachtoffers, waaronder geen inwoners van de wijk. Zie: Ad de Beer en Gerrit Kobes a.w., p. 20.
(19) Van Grootel bouwt zijn huizen maar zeer ten dele op eigen grond. De meeste bouwpercelen zijn dan nog van ‘De Dommel’. Uiteindelijk worden alle ‘Dudokhuizen’ eigendom van ‘De Utrecht’ en ‘Concordia’. 
We zullen de lezer verder de wirwar van eigendomswisselingen besparen. De huurwoningen in ‘Zorgvlied’, ook die van de verzekeringsmaatschappijen, zijn in de laatste decennia bijna allemaal één voor één particulier verkocht, veelal aan (nieuwe) bewoners.
(20) De bouwterreinen in deze straat waren volgens het kadaster (artikel 25587) ook van ‘De Dommel’.
(21) Herman van Bergeijk, Willem Marinus Dudok, architect-stedebouwkundige 1884-1974 (Naarden,1995), p. 106 en 239-245. 
H. Hoekstra en E. Marcelissen, Vijftig jaar het Witte Dorp in Endhoven (1939-1989) (Eindhoven, 1989).
(22) De gegevens over de afzonderlijke panden zijn voornamelijk afkomstig uit de zg. bouwbundels in het archief van Bouw- en Woningtoezicht (zie de bijlage).
(23) Zie ’s mans ontboezemingen in het gedenkboek van de parochie, uitvoerig geciteerd in het eerste deel van dit artikel.
(24) Dit feit en al hetgeen nu volgt over de wordingsgeschiedenis van het pension is ontleend aan ‘Mariëngaarde 1935-1985’ een gedenkboekje geschreven door H.M.L.E. Penn-de Witte. Zij heeft gebruikgemaakt van het archief van pastoor De Klijn.
(25) Aldus de bloemrijke tekst van een na de opening uitgebrachte prospectus die onmiskenbaar de hand van de pastoor verraadt. Een perceel dat de parochie aan de zuidzijde van de hoek Ringbaan-West/Burg. Rauppstraat bezat en dat bestemd was geweest voor de bouw van een bewaarschool en een patronaat, werd in 1926 met de de gemeente geruild voor grond achter de kerk aan de Poirtersstraat en was dus niet meer beschikbaar. 
(26) Prof. dr. J.E. de Quay was in 1927 lector en in 1933 hoogleraar geworden aan de R.K. Handelshoogeschool. Zijn leeropdracht was psychotechniek van het bedrijf, statistiek en bedrijfsleer. Hij was ook vanaf 1934 eerste technisch directeur van het Economisch-Technologisch Instituut (ETI). Moeder Joanna Elisa Rosa De Quay- van de Mortel, een achternicht van de wethouder en latere burgemeester van Tilburg mr. J. van de Mortel, was sinds november 1933 weduwe van de luitenant-generaal b.d. Rudolph B.A.N. de Quay. Ze is in 1951 in Tilburg gestorven. Haar dochter Rosa L.J.M. de Quay zou op 21 juni 1937 het pension weer verlaten om in het huwelijk te treden met mr. Eduard H.J. baron van Voorst tot Voorst, op dat moment lid van Gedeputeerde Staten van Gelderland, maar vanaf 1946 tot 1956 burgemeester van Tilburg als opvolger van Van de Mortel. Van betere stand kon de pastoor zich zijn gasten niet wensen. Het echtpaar Van Voorst tot Voorst woonde overigens vanaf 1951 ook in ‘Zorgvlied’, op nr. 43 aan het pleintje van de Burgemeester Suijsstraat. In die jaren ’50 was daar even heel het hoogste gezag van Tilburg geconcentreerd, want ook gemeentesecretaris L. de Mast en hoofdcommissaris van politie G. Eissens woonden er toen.
(27) Prospectus Mariëngaarde (z.j.).
(28) Een neef uit het gezin Heerkens-van Bavel is de architect Noud Heerkens. Zie ook: Henk van Doremalen m.m.v. Ronald Peeters, Bedrijvig Tilburg. Uit de archieven van Tilburgse bedrijven van vijftig jaar en ouder (Tilburg, 1997), p. 98 vv.
(29) Maas bouwde vooral in de stijl van het functionalisme. In Utrecht staan winkels en woonhuizen van hem, maar zijn meest bekende werk is de KRO-studio in Hilversum uit 1938.
(30) Van de Wassenaarse architect Kropholler (die toch voornamelijk in Den Haag e.o. opereerde) zijn in Brabant relatief veel bouwwerken bewaard gebleven. Het bekendst is wel zijn stadhuis van Waalwijk. Samen met architect Staal bouwde hij in 1905 al voor de levensverzekeringsmaatschappij ‘De Utrecht’ in Esbeek de houtvesterswoning met brandtoren voor het gelijknamige landgoed. Een ander bekend bouwwerk is het Van Abbemuseum in Eindhoven. Uit de ‘Delftse School’ kwam onder invloed va Grandpré-Molière de zogenaamde ‘Bossche School’ voort met de bekende Dom Van der Laan als belangrijkste vertegenwoordiger, die na de oorlog heel wat Brabantse architecten heeft geïnspireerd. Zie m.n.: J.C.M. Michels, Architectuur en stedebouw in Noord-Brabant 1850-1940 (Zwolle/Zeist, 1993). 
(31) Veel van hetgeen hierna volgt berust op gesprekken die de auteur heeft gevoerd met zijn mede-wijkbewoners van het eerste uur, mevr. G. Coopmans-Bijvoet en de heren F. van Mieghem, G. van Pelt, en P. Velden, alsmede Chr. Weenen van de tweede generatie. Verder is gebruikgemaakt van de bouwbundels, adresboeken van Tilburg en een op microfiches bewaard huizenregister (tot 1950).
(32) Na oktober 1944 gebeurde het omgekeerde. Dan zien we nogal wat huizen bezet door de ‘Geallieerde krijgsmacht’. Ons is ook een geval bekend van een gezin dat bij de bevrijding door oorlogsschade zijn huis verloor op Broekhoven en in de Burgemeester Van Meursstraat een woning van een op ‘Dolle Dinsdag’ gevlucht prominent lid van de NSB toegewezen kreeg.
(33) De Quay is na de bevrijding van het zuiden eerst commissaris bij het Militair Gezag en vervolgens in Londen minister van Oorlog van de regering in ballingschap geworden. In 1946 werd hij Commissaris van de Koningin in Noord-Brabant en in 1959 minister-president van het naar hem genoemde kabinet. Hij is nooit meer in zijn Tilburgse huis teruggekeerd. 
(34) Zie over de ‘Kunstkring’ en de rol van Vercammen daarin: Gabriël Smeets , De liefde voor de kunst in onze stad. De kunstkring Tilburg 1940-1969, in: Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, 9 (1991), p. 4 vv. Zijn huis werd net als vele van zijn buren aan het pleintje op het eind van de oorlog door de Duitsers gevorderd ten behoeve van de huisvesting van luchtmachtofficieren. 
(35) J.P.W.A. van Dijk m.m.v. H.A.C.J. van Alphen: Tilburg, architectuur en stedenbouw in de gemeente Tilburg 1850-1940 (Zwolle/Tilburg, 2001), p.46 vv.