| 559. Wederopbouw in Tilburg | |||
|
Titel: |
Wederopbouw in Tilburg |
|
Ondertitel: |
Een essay met meer vragen dan antwoorden |
|
Auteur: |
Dirk van Alphen* |
|
Jaargang: |
XXII (2004) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina’ s: |
104-109 |
Bij de bevrijding van Tilburg is in het najaar van 2004 nadrukkelijk stilgestaan. De oorlog was in 1944 natuurlijk nog niet voorbij. Toen deze in mei 1945 voor geheel Nederland achter de rug was, kwam de belangrijke vraag: hoe de samenleving opnieuw op te bouwen? Dat deze periode enorm in de belangstelling staat, mag blijken uit de vele publicaties
(1) en exposities.
Ook in Tilburg is de architectuur en stedenbouw van de ‘Wederopbouw’ (zoals deze periode meestal wordt aangeduid) in het vizier gekomen: een tentoonstelling in 2004 en een inventariserend onderzoek in 2005. De gemeente wil de Wederopbouw in Tilburg op structurele wijze in kaart brengen. Tevens moet gezocht worden naar de betekenissen van dat erfgoed, toen en nu. Dit artikel is een eerste reflectie en bedoeld als een startschot voor nadere studie.
Wederopbouw in de schijnwerpers
Onlangs is in Tilburg de expositie ‘Toonbeelden van de Wederopbouw/Lelijk is geen argument’ over de architectuur en stedenbouw uit de Wederopbouwperiode geopend.(2) Bijzonder is dat naast een kijkje in de landelijke ontwikkelingen op het gebied van architectuur en stedenbouw uit 1940-1965, de initiatiefnemer (Centrum voor Architectuur en Stedebouw Tilburg, CAST) met een foto-expositie ook ruim aandacht schenkt aan de Tilburgse naoorlogse ontwikkelingen. Dit lokale onderdeel van de expositie zal ook nog eens door de stad reizen. Hoe graag zou ik de verhalen horen (en noteren) die dan verteld gaan worden. Verhalen en herinneringen van mensen die de oorlog, de bevrijding en de wederopbouw hebben meegemaakt. Met de bevrijding net achter de rug, moest er gebouwd gaan worden aan een nieuw ‘bevrijd Nederland’.
Nederland moest in maatschappelijke én fysieke zin worden opgebouwd: er moest hersteld worden (al vanaf 1940!), en er moesten woningen, winkels, scholen gebouwd worden. Naast het louter fysieke herstel van oorlogsschade is wellicht sprake van meer dan alleen materiële wederopbouw. Zagen deze ‘bouwers’ de wederopbouw ook als een wederopleving? En zo ja, welke resultaten moest dat opleveren? Zijn 60 jaar later het enthousiasme, idealisme en in deze ‘moderne’ woonomgevingen besloten geloof in de toekomst nog afleesbaar?(3) En spreekt deze nog tot onze verbeelding? Is bescherming als monument van een geselecteerd aantal gebouwen of zelfs wijken aan de orde? Kan de oorspronkelijke stedenbouwkundige opbouw van een wijk nog intact blijven? Veel vragen, hoog tijd dus voor nader onderzoek.
Noodwoningen aan de Joannes Berisstraat in de wijk ’t Zand. Een startpunt voor de Wederopbouw
in Tilburg is de bouw van 70 zogenaamde Maycrete-noodwoningen langs de Ringbaan-Zuid en de
Ringbaan-West. Deze pre-fab woningen kwamen er dankzij de Marshall-hulp en worden nu nog
steeds bewoond. Foto 1981. (Coll. RA Tilburg).
Onderzoek en rol monumentenzorg?
Natuurlijk zijn er formele, vakinhoudelijke redenen om dit te doen, zoals de in de Monumentenwet 1988 vastgelegde minimale ‘leeftijd’ van 50 jaar voor een beschermd rijksmonument en vooral ook de nakende bedreigingen door grootschalige renovaties en herstructureringen van de naoorlogse woningvoorraad en wijken. Maar afgaande op de verhalen in de wandelgangen van de monumentenzorg is er meer aan de hand. Is het vreemd dat, nu onze grootouders en ouders die gewerkt hebben aan dat nieuwe Nederland op leeftijd geraken, onze nieuwsgierigheid voor die hele periode enorm toeneemt? De nestor binnen de Tilburgse architectuurwereld, Noud Heerkens(4) , was voor de opening van de expositie uitgenodigd om persoonlijk te vertellen over zijn ervaringen in die naoorlogse periode als aannemer en architect, en, zoals altijd, is niets zo direct en krachtig als de mondelinge overdracht van geschiedenis. Veel veertigers en vijftigers halen zich steeds vaker de omgevingen uit hun jeugd voor de geest. De landelijke coördinator van het Projectteam Wederopbouw (A. Blom, Rijksdienst voor de Monumentenzorg) verwijst in een presentatie over de aanpak van de Rijksdienst in eerste instantie naar beelden uit haar jeugd: een naoorlogse wijk met haar kenmerkende woningen, kerk en school. Is hier sprake van een vleugje nostalgie? Wellicht, waarschijnlijk zelfs, maar ook aan de orde is een herwaardering voor de kwaliteiten die de Wederopbouw in fysieke zin heeft opgeleverd. In die periode is getracht veel, snel en vaak zo goedkoop mogelijk te bouwen. Dit bracht wellicht niet altijd de hoogste kwaliteit op esthetisch of bouwtechnisch vlak, tenminste, zo werd lang over deze periode gedacht. Niettemin zijn er pareltjes van architectuur uit die tijd. Bovendien was de opzet van die naoorlogse wijken vaak ruim, met veel groen en een doordachte infrastructuur (qua verkeer én voorzieningen als scholen en winkels), elementen en ingrediënten waaraan anno 2004 nog steeds behoefte is.
Wijk Jeruzalem van architect prof. ir H.
Zwiers, gerealiseerd tussen 1953-1955. De Caspar
Houbenstraat, 1954. (Coll. RA Tilburg).
Tijd voor discussie? Tijd voor architectuur? (5)
Was er voor die ‘Wederopbouwers’ tijd en ruimte om na te denken over architectuur? Toen na de bevrijding de situatie in de bouw een voortvarende aanpak vereiste, ontvouwde zich in de architectuurbladen en enkele opiniebladen een discussie over architectuurstromingen en opdrachtverlening in de wederopbouw. Modern georiënteerde architecten zagen in het ‘Nieuwe Bouwen’ de geschikte methode om de problemen de baas te worden. Meer traditionalistisch getinte architecten schrokken echter terug voor een te materialistische en te zeer op de techniek en industrialisatie geënte aanpak. Zij herkenden het gevaar van eenzijdigheid (een ‘gevaar’ dat overigens ook door de ‘modernen’ werd gesignaleerd als het gaat om te conservatieve opvattingen). Er moest in de ogen van de traditionalisten ruimte blijven voor herkenbare, traditionele patronen. Over de betekenis van deze architectuurdiscussie waren destijds de meningen al verdeeld. Een van de stellingen was dat een dergelijk theoretisch debat in een tijd van grote materiële nood zinloos was. Een anonieme medewerker van het weekblad
De Groene Amsterdammer merkte daarover in 1945 het volgende op: “Wanneer men in een kippenhok huist, zal men de beschouwing over den verschijningsvorm der nieuw te bouwen huizen misschien als van weinig werkelijkheidszin getuigend opvatten. Maar bij even nadenken zal men erkennen dat, hoe men het vraagstuk ook bekijkt, de vormgeving nu eenmaal aan de orde gesteld moet worden.”(6) De discussie beperkte zich niet tot architectuur en stedenbouw, maar ging ook over kwesties als godsdienst, normalisatie in de bouwwereld, het gezin, de inbreng van supervisors en de vermeende scheefgroei in de opdrachtverlening ten faveure van één groep (Delftse School?).
Delftse-Schooldiscussie
Al in augustus 1945, in een periode dat nog geen enkel architectuurblad verscheen, sneed de architectuurcriticus J.J. Vriend het thema aan in
De Groene Amsterdammer met zijn artikel: ‘Hoe zal Nederland bouwen?’(7) Hij gebruikt hierin als eerste na de oorlog de term ‘Delftse School’. Hoewel hij overigens van zowel de traditionele als de functionalistische school de voor- en nadelen erkent, zet hij in zijn polemische stijl wel de bakens voor de latere discussie. Vriend gelooft in de uitgangspunten van het functionalisme: “De diepste grond van deze opvattingen is echter niet materialisme, doch een vertrouwend idealisme in de mogelijkheden van mens en maatschappij van de toekomst.” De ‘Delftse School’, waarvan ir. M.J. Granpré Molière als grondlegger en belangrijkste vertegenwoordiger wordt gezien(8), staat hier in de ogen van Vriend lijnrecht tegenover, temeer daar deze stroming dreigt af te glijden: “… naar het kleinburgerlijke en romantische, naar een geesteshouding die te zeer gericht is op het verleden om nog vast te vertrouwen om de toekomst te kunnen ontwikkelen.”(9)
Kapel OLV ter Nood aan de Kapelhof van architect Jos Schijvens uit 1964 met een opvallende
asymmetrische plattegrond. Foto 1986. (Coll. RA Tilburg).
Vrijwel alle grote architecten uit de naoorlogse periode zouden zich op een of andere wijze laten horen binnen deze discussie. Afgezien van de inhoudelijke discussie over architectonische en stedenbouwkundige vormen, speelde de vraag of bepaalde architecten werden bevoordeeld als het gaat om opdrachten. Het is evident dat dit soort polemieken, zeker als concurrentie en de schijn van broodnijd boven water komen, zeer fel konden worden. Hoewel deze discussie volgens sommige architectuurhistorici veel rook en weinig vuur betekende, wordt tegenwoordig nog vaak gesproken over twee hoofdstromingen in de naoorlogse architectuur en stedenbouw: een traditionele (“Delftse School”) en een moderne richting (Functionalisme) met de daarbij passende vormentalen en materialisaties. Deze terminologie en de veronderstelde tweedeling spelen zelfs nog in hedendaagse discussies! De praktijk was (en is) natuurlijk meer divers. Vaak kwamen deze architectuuruitingen en opvattingen over eigentijdse stedenbouw in de diverse projecten samen. In de loop der jaren werd zelfs gesproken van ‘shake-hands-architectuur’. Over dit synthesemodel schreef bijvoorbeeld de ook in Tilburg actieve architect en stedenbouwer S.J. van Embden al in 1946.
Hoe heeft Tilburg gebouwd?
Voor de Tilburgse situatie is natuurlijk van belang te weten: ‘Hoe heeft Tilburg gebouwd?’
Wat is het Wederopbouwverhaal van Tilburg? Welke ontwikkelingen zijn er geweest binnen de Tilburgse architectuur en stedenbouw? Was er discussie? Wie waren hierin richtinggevend? En bovenal: wat is er nu eigenlijk allemaal gebouwd en wát kan daarvan vandaag de dag nog de toets der kritiek doorstaan? Met de expositie van het CAST (in samenwerking met het Stadsmuseum Tilburg) is een aftrap gegeven. De gemeente Tilburg zal vanuit een eigen verantwoordelijkheid op het gebied van de monumentenzorg een bijdrage leveren aan kennisopbouw en inzicht in die decennia na de oorlog. De architectuur en stedenbouw uit de naoorlogse periode heeft de laatste tien jaar in geheel Nederland veel aan belangstelling gewonnen. Al in 1993 verscheen onder redactie van H. Wijffels een publicatie over de Wederopbouw in
Midden-Brabant.(10) Ook op bestuurlijk vlak is er oog voor de jongste bouwkunst, getuige de plaatsing van het academiegebouw van architect H.A. Maaskant op de gemeentelijke monumentenlijst.(11) Juist de discussie rondom de waarde van dit gebouw bracht de noodzaak aan het licht om een gemeentebrede inventarisatie uit te voeren. In de jaren ’80 en ’90 waren op een gestructureerde wijze de architectuur en de stedenbouw uit de periode 1850 tot 1940 in kaart gebracht. Dit van rijkswege geïnitieerde onderzoek staat bekend als het Monumenten Inventarisatieproject en Monumenten Selectieproject (resp. MIP en MSP) en heeft in Tilburg geleid tot een forse uitbreiding van de rijksmonumentenlijst (2001) en van de gemeentelijke monumentenlijst (2004). De resultaten van dit onderzoek zijn in 2001 samengevat in een publicatie.(12)
Eengezinswoningen aan de Generaal Smutslaan van architect M.
Duintjer, gebouwd tussen
1955-1956. Foto 1960. (Coll. RA Tilburg).
Bouwstenen voor nader inventariserend onderzoek
Het MIP/MSP omvatte de periode tot 1940. Nu is dus de periode tussen 1940 en circa 1965 rijp voor nadere studie. De Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) heeft in de afgelopen jaren onderzoek verricht naar een aantal categorieën en typologieën zoals scholen, kerken en bestuursgebouwen. Toch kan van het rijk in de komende periode op het gebied van lokale kennisvermeerdering, laat staan van bescherming, niet veel worden verwacht. De gemeente kan natuurlijk wel zelf het initiatief nemen. Gemeentes als Den Haag, Rotterdam, Groningen en Arnhem hebben dit ook gedaan en waardevolle objecten op een gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. Sporadisch is zelfs een gebied aangewezen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht. In Tilburg moet echter eerst de periode gemeentebreed in beeld worden gebracht. Het Tilburgse onderzoek zal in het eerste kwart van 2005 worden uitgevoerd door een bureau dat ervaring heeft op het gebied van architectuurhistorische studies. Mede op advies van de RDMZ kunnen methodiek én criteria van MIP en MSP ook nu gehanteerd worden, zij het dat de nadruk meer zal komen te liggen op de stedenbouwkundige kwaliteiten van complexen, straten en wijken. In plaats van jongere bouwkunst en stedenbouw wordt dit voor de Wederopbouw wel aangeduid als ‘jongste’ bouwkunst en stedenbouw.
In de jongste bouwkunst worden waarden onderscheiden op het gebied van cultuurhistorische en/of architectuurhistorische kwaliteiten of waarden die te maken hebben met het ensemble, de gaafheid of herkenbaarheid en vanzelfsprekend de zeldzaamheid. Ook binnen de stedenbouw zijn dergelijke criteria aan de orde. Daarnaast zijn binnen deze discipline ook de historisch-ruimtelijke of stedenbouwkundige en de situationele waarden van belang. Deze criteria zijn allemaal gedetailleerd uitgewerkt. Bij architectuurhistorische waarden van bouwkunst bijvoorbeeld kan het accent liggen op het belang voor de geschiedenis van de architectuur en/of bouwtechniek, of op het belang binnen het oeuvre van een architect, of vanwege de esthetische kwaliteiten of ornamentiek. Op deze wijze ontstaat een systeem op basis waarvan ‘gemeten en vergeleken’ kan worden, waarbij de bijzondere geschiedenis van de Wederopbouw in het oog moet worden gehouden.
Kantongerechtsgebouw (1963-1969) van Jos
Bedaux. Foto 1969. (Coll. RA Tilburg).
Tilburgse parels
Voor een aantal parels in Tilburg kunnen we teruggrijpen op de meest recente architectuurgids.(13) Grote gebouwen als het Tweestedenziekenhuis van Smijtink en De Groet (1955/62), het academiegebouw van Maaskant (1965/72) en de schouwburg van Bijvoet (1953/61) zijn toonbeelden van vertrouwen in de toekomst van gezondheidszorg en cultuur. De kapel van J. Schijvens aan de Kapelhof (1964) is een voorbeeld van sereniteit en gepaste herdenking gecombineerd met een bijzondere vormgeving. Een architect als J. Bedaux heeft natuurlijk een stempel gedrukt op deze periode (woningen, kantongerecht, hogeschoolgebouwen, Fatimacomplex etc.). En natuurlijk zijn er vele woningbouwprojecten: J.J.A.J. van der Valk en E. van der Valk in Nassaustraat/Ringbaan-West (1952) of van de architecten P. Tooten en J. van Ginderen, flats in Ringbaan-West/Johannes van Zantenstraat (1954). Terwijl H.T. Zwiers experimentele woningen in Jeruzalem realiseerde (1952/54), gebouwd met seriematige systeembouw, bouwde S.J. van Embden etageflats aan de Ringbaan-Zuid. In 1956 bouwde M.F. Duintjer eengezinswoningen en blokken aan de Generaal Smutslaan e.o. Op meer historisch-stedenbouwkundig niveau is een wijk als Jeruzalem (vanaf 1949) zeer interessant. Over de historische achtergronden van deze wijk, maar ook die van Zorgvlied heeft G. Steijns enkele artikelen geschreven.(14) In de Wederopbouwinventarisatie moeten natuurlijk ook wijken als ’t Zand, De Reit, of van kleinere wederopbouwprojecten beter in kaart worden gebracht.(15)
Het station van architect K. van Gaast met kenmerkende ‘kroepoekdak’. In vele opzichten een
prachtig voorbeeld van het geloof in de moderne tijd. Foto 1968. (Coll. RA Tilburg).
Een werkelijke topper in Tilburg - dat kan men op voorhand al zeggen - is natuurlijk het station van architect Koenraad van der Gaast. Het ontwerp dateert van 1957 en het gebouw werd op 16 november 1965 geopend. In alle opzichten een voorbeeld van moderne, geslaagde architectuur. Spreekt uit dit gebouw niet ook een enorm vertrouwen in de toekomst? En straalt het die betekenis niet nog steeds uit? Waarom deze vragen? We kunnen gebouwen en wijken uit de Wederopbouwperiode inventariseren en vanuit een architectuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige optiek waarderen. Van belang daarbij is natuurlijk ook welke betekenissen we nog aan de gebouwen en wijken kunnen herkennen en voor de toekomst kunnen meegeven.
In- en uitgang van het station in 1965. (Coll. RA Tilburg).
Bescherming?
Of de wijken en gebouwen voldoende kwaliteit hebben om daadwerkelijk beschermd te worden op grond van de Tilburgse Monumentenverordening (deze verordening kent geen leeftijdsgrens van 50 jaar, in tegenstelling tot de nationale Monumentenwet) is nog niet duidelijk. Bovendien zal rekening gehouden moeten worden met ontwikkelingen op het gebied van woon- en leefkwaliteit evenals noodzakelijke renovatie en herstructurering. Het aangekondigde Tilburgse onderzoek zal zeker onder de aandacht worden gebracht, wellicht dat er met die vergroting van kennis meer waardering groeit voor dit jonge culturele erfgoed. Misschien kan het optimisme uit de naoorlogse periode betekenis krijgen voor onze visie op de toekomst. Als we er dan ook nog een eigentijdse betekenis en functie aan kunnen geven, zal een deel van de Wederopbouwarchitectuur en -stedenbouw kunnen voortbestaan voor een volgende generatie en interpretatie. Zeker is dat de Wederopbouw op dit moment weer bij velen tot verbeelding spreekt.
* Dirk van Alphen (1959) is kunsthistoricus en sr. beleidsmedewerker culturele planologie bij de gemeente Tilburg. In 1989 aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen afgestudeerd met de scriptie ‘De Delftse Schooldiscussie. Architectuurkritiek in de jaren ‘40’.
Links het Pauluslyceum aan Wandelboslaan van architect C. de Bever (1957); midden: galerijflat
Reitse Hoevenstraat van architect Brummel, flats van architecten Siebers en Van Dael met
daarachter LTS aan Wandelboslaan. Op achtergrond rechts (over het spoor) de flats in de nieuwe
wijk De Reit. Foto ca. 1960. (Coll. RA Tilburg).
Noten
(1) Van de vele publicaties over dit onderwerp is de meest recente: A. de Back, J. Coenen, M. Kuipers, W. Röling (red.),
Gesloopt, gered, bedreigd. Omgaan met naoorlogse bouwkunst, Episode publishers, Rotterdam 2004. Dit boek is ontstaan, aldus de verantwoording, “op initiatief van de rijksbouwmeester, Jo Coenen, uit bezorgdheid over onze achteloze omgang met de naoorlogse architectuur”. In de categorie ‘mogelijk bedreigd met sloop’ wordt het station in Tilburg genoemd. Het kantongerecht van J. Bedaux wordt als ‘inspirerende architectuur’ beschouwd.
(2) Van 19 november tot en met 12 december 2004 staat de mobiele tentoonstellingsruimte van het CAST in het centrum van Tilburg met de tentoonstelling ‘Toonbeelden van de Wederopbouw’. Deze expositie is opgebouwd uit twee delen. Een deel bestaat uit de reizende tentoonstelling ‘Lelijk is geen argument’ die is samengesteld door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ). Het tweede deel van de expositie betreft een fotografisch sfeerbeeld dat CAST, samen met het Stadsmuseum Tilburg, heeft gemaakt over de wederopbouwarchitectuur in deze stad. (bron: http://castonline.nl) Ten grondslag aan het eerste deel van de expositie ligt een RDMZ-publicatie: M. Kuipers (redactie),
Toonbeelden van de Wederopbouw. Architectuur, stedenbouw en landinrichting van herrijzend
Nederland, Waanders Uitgevers, Zwolle. Dit boek is tot stand gekomen dankzij intensieve samenwerking tussen de RDMZ en het Nederlands Architectuurinstituut (NAi). Diverse specialisten belichten de veelzijdige architectuur van de Wederopbouwperiode (1940-1965) aan de hand van tien thema’s en vele illustraties. Onder de wederopbouw wordt méér verstaan dan alleen het herstel van de verwoeste dorpen en steden. Ook de bestrijding van de woningnood, de stadsuitbreidinggolf en het herstel van de economie en industrie komen aan bod, naast de thema’s verzorgingsstaat, verzuiling, groeiende mobiliteit, transformatie van het platteland en cultuur, recreatie en vrije tijd. (bron:
www.rdmz.nl)
(3) Het antwoord op dergelijke vragen moet altijd met een zekere mate van relativering worden gezocht. Een prachtig voorbeeld van relativering van de vooruitstrevende, moderne, naoorlogse tijd is de contemporaine film ‘Mon Oncle’ van Jacques Tati (1958 !): een humoristische kijk op de moderne architectuur en de daarmee gepaard gaande schaalvergroting, standaardisering en monocultuur. Deze film wordt ook nu nog in architectuur- en studentenkringen gedraaid.
(4) Noud Heerkens (Tilburg, 1915) werd van aannemerszoon architect met een groot oeuvre in zijn geboortestad en daarbuiten. Hij was er ook lid van de monumentencommissie. Naast zijn beroepsgebonden tekenwerk is deze zeer sociaal bewogen Tilburger voortdurend bezig de wereld om hem heen met pen en penseel vast te leggen. (bron:
http://stadsmuseum.tilburg.nl/pbpalet.htm)
(5) Een belangrijk deel van deze en de volgende paragraaf is gebaseerd op: D. van Alphen, ‘Delftse Schooldiscussie, Rook zonder vuur?’,
Desipientia, zin & waan, Jrg. 2, nr. 2, aug. 1995, 18-23.
(6) Anoniem, ‘Wederopbouw of vernieuwing?’, De Groene
Amsterdammer, 6 oktober 1945.
(7) J.J. Vriend, ‘Hoe zal Nederland bouwen?’, De Groene
Amsterdammer, 11 augustus 1945. In de jaren daarop schreef Vriend meerdere polemische artikelen over dit onderwerp, zoals het spraakmakende ‘Dictatuur van het Delftse Bouwen’, De Groene Amsterdammer, 20 april 1946. Veel artikelen zijn gebundeld in J.J. Vriend,
Reflexen, Nederlands bouwen na 1945, Amsterdam/Bussum 1959.
(8) M.J. Granpré Molière was van 1924 tot 1953 hoogleraar aan de Technische Universiteit te Delft. Hij schreef veel over architectuur, vooral in het Rooms-Katholiek Bouwblad (1929-1941) en Katholiek Bouwblad (1946-1959). Al voor de Tweede Wereldoorlog was hij zowel in architectuurtheorie als in praktijk (als invloedrijk architect en stedenbouwer) dé exponent van de ‘traditionalistische’ richting.
(9) Beide citaten komen uit het artikel van Vriend d.d. 11 augustus 1945 (noot 7). Typerend is ook deze uitroep: “De hemel verhoede dat bouwend Nederland zich verpeutert in romantische topgeveltjes, oud-Hollandse luifels, glas-in-loodraampjes, enz. Wijd open zal de blik moeten zijn in de wereld om op de snelste en meest doeltreffende wijze ons volk de duizenden woningen te verschaffen die het behoeft.”
(10) H. Wijffels (red.), De Wederopbouw. Architectuur in Midden-Brabant in de jaren
'50, Tilburg, BNA Kring Midden-Brabant, 1993.
(11) J. Op ’t Hoog, ‘Naoorlogse monumenten?!!, Het ‘Academiegebouw’ van H.A. Maaskant, het jongste gemeentelijke monument van Tilburg’,
Tilburg, Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, Jrg. 21, dec. 2003, nr. 3, 99-102
(12) J.P.W.A. van Dijk, Tilburg. Architectuur en stedenbouw in de gemeente Tilburg
1850-1940, Uitgeverij Waanders b.v., Zwolle en gemeente Tilburg, 2001.
(13) G. Verheggen (eindredactie), Architectuurgids Tilburg 1850-2001, CAST (i.s.m. Drukkerij Gianotten Tilburg), Tilburg 2002.
(14) G. Steijns, ‘Achtergronden bij het ontstaan van de wijk Jeruzalem’,
Tilburg, Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, Jrg. 18, 2000, nr. 3, 77-85. Over de met name vooroorlogse ontwikkelingen in Zorgvlied schreef Steijns twee artikelen: ‘Zorgen om Zorgvlied. De verkeken kansen op een fraai 'universiteitskwartier'’,
Tilburg, Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, Jrg. 19, aug. 2001, nr. 2, 35-46; en ‘Zorgvlied uit de zorgen? De bouw van een 'alleraardigste woonwijk' in de periode 1930-1940’,
Tilburg, Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, Jrg. 20, juni 2002, nr. 2, 47-63.
(15) Een eerste aanzet is in 1993 al gegeven in het kader van de veel bredere studie en publicatie
Stadsvorm Tilburg, Historische ontwikkeling. Een methodisch morfologisch
onderzoek, onder redactie van K. Doevendans, J. Luijten, I. Mekel en R. Rutgers, 1993 Technische Universiteit Eindhoven, Faculteit der Bouwkunde i.s.m. gemeente Tilburg, dienst Publieke Werken.
Serie U-vormige gestapelde woningen (flatwoningen) tussen de Generaal Smutslaan en de Ringbaan-Zuid
van architect M. Duintjer uit 1955. Foto 1962. (Coll. RA Tilburg).




