| 156. De Vrede van Tilburg: een gemiste kans | |||
|
Titel: |
De Vrede van Tilburg: een gemiste kans |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
John Boeren* |
|
Jaargang: |
XVI (1998) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina’ s: |
3-9 |
Dit jaar staat de herdenking van historische gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis centraal. Zo wordt er veel aandacht besteed aan het 150-jarige bestaan van onze Grondwet, die in 1848 voornamelijk door Thorbecke's toedoen tot stand kwam. Het jaar 1998 staat echter ook geheel in het teken van een ander belangrijk moment in de geschiedenis van Nederland. Het is dit jaar 350 jaar geleden dat in het Duitse Münster een vredesverdrag getekend werd.
Deze vrede, die naar de plaats van handeling de Vrede van Münster genoemd wordt, maakte een einde aan een oorlog tussen Spanje en de Verenigde Nederlanden.
Hoewel deze vrede te Münster gesloten werd - en dus geografisch gezien een heel eind van Tilburg verwijderd was - staat de geschiedenis van dit vredesverdrag dichter bij Tilburg dan menigeen zal denken. Een van de eerste pogingen om tot een verzoening tussen de strijdende partijen te komen vond namelijk in 1630 en 1631 in Tilburg plaats. Juist daarom mag er best eens wat aandacht besteed worden aan de vredesconferenties van Tilburg.(1)
Voorgeschiedenis
Wat uiteindelijk de zogenaamde Tachtigjarige Oorlog zou worden, begon in 1568 met de Slag bij Heiligerlee en woedde voort tot aan de vrede in 1648. Slechts één keer rustten de wapens voor langere tijd: in 1609 werd er tussen de koning van Spanje en de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden een wapenstilstand gesloten. Dit bestand duurde tot 1621 en kreeg daarom een toepasselijke naam: het Twaalfjarig Bestand. Een belangrijke rol bij de totstandkoming van dit bestand werd gespeeld door de infante Isabella van Spanje (1566-1633), dochter van koning Filips II van Spanje, en haar echtgenoot aartshertog Albert van Oostenrijk (1559-1621). Sinds 1598 streefden zij als soevereine vorsten van de (Spaanse) Nederlanden naar een vreedzame oplossing voor de oorlog. Het Twaalfjarig Bestand was de kroon op hun werk, maar bij het overlijden van Albert in 1621 was het weer met de rust gedaan. Isabella verloor nu haar soevereine gezag over de Nederlanden aan de koning van Spanje, maar bleef in functie als landvoogdes. Ondanks de tegenslag van de dood van haar man en de heropleving van de strijd, bleef zij een groot voorstander van een hernieuwing van het bestand, of zelfs een echte vrede.
Om tot een vrede te komen, werden tussen 1621 en 1648 meerdere pogingen ondernomen. Zo vonden er tussen 1627 en 1630 vredesconferenties plaats in Roosendaal. Tot concrete voorstellen kwam het daar niet: het enige resultaat was de uitwisseling van krijgsgevangenen.(2) Vooral in het begin van de jaren 1640 probeerden ook Benedictus van Kessel (1590-1661), pastoor te Loon op Zand, en Marcus van Gerwen (ca. 1560-1645), schout van het kwartier van Peelland, een overeenkomst tussen de strijdende partijen tot stand te doen komen. Tot deze serie vredespogingen behoren ook de conferenties van Tilburg.
Met de val van de stad 's-Hertogenbosch in september 1629 ontstond er echter een nieuwe situatie en meteen ook een nieuw twistpunt. De belangrijkste vraag die beantwoord zou moeten worden, was deze: wie is in het bezit van het opperste gezag (de soevereiniteit) over de Meierij nu de stad in Staatse handen was gevallen? Voor de inwoners van de Meierij was dit reden genoeg om een poging te wagen een einde te maken aan de oorlogsellende in hun omgeving. Zij namen zelf het initiatief om tot nieuwe vredesonderhandelingen te komen. En een vredesconferentie kwam er ook, ditmaal te Tilburg.
Voorbereidingen (3)
De oorlog had voor de inwoners van de Meierij veel overlast, ellende en rampspoed veroorzaakt. Ieder jaar werden hun hogere betalingsverplichtingen opgelegd, zowel door de Spaanse als de Staatse troepen. Indien een bedrag niet, of niet tijdig, betaald werd, dan werden dorpen en steden overvallen, beroofd en zelfs in brand gestoken. Ook Tilburg kreeg herhaaldelijk met dergelijke
"executies" te maken. In 1584 werd zelfs een bedrag van 16.000 gulden van Tilburg geëist; een bedrag dat absoluut niet betaald kon worden.(4) Naast deze financiële problemen was Tilburg ook regelmatig het toneel van strijdgeweld. In 1581 werd zowel het kasteel aan de Hasselt als het huis Broekhoven
geruïneerd en in 1595 werd de kerk afgebrand tijdens een gevecht tussen troepen uit Heusden (van Staatse zijde) en troepen uit 's-Hertogenbosch (van Spaanse zijde).(5)

De inzet van de onderhandelingen te Tilburg in 1630 en 1631: het gebied van de Meierij
van 's-Hertogenbosch. Pas in 1648 werd definitief besloten dat de Meierij deel uit zou
maken van de Republiek der Verenigde Nederlanden (kopergravure, fragment uit:
'Nieuwe kaart van de Meiery van 's Hertogenbosch...', Amsterdam, Isaak Tirion, 1739,
coll. RHC Tilburg).
Niet alleen Tilburg kreeg te maken met de ellende van de oorlog. Ook in Moergestel werden regelmatig inwoners beroofd van huisraad, voedsel, geld of vee.(6) In Loon op Zand werd het kasteel in 1587 door legeraanvoerder Hohenlohe verwoest.(7) En zo zijn er uit het overige gebied van de Meierij ook genoeg voorbeelden bekend. Na de betrekkelijke rust van het Twaalfjarige Bestand was de bevolking er dan ook alles aan gelegen om tot een nieuwe wapenstilstand of zelfs een heuse vrede te komen. In 1629 besloten zij zelf actie te ondernemen. Zij stuurden hun politieke en geestelijke leiders naar 's-Gravenhage om aldaar bij de Staten-Generaal namens de gehele Meierij een verzoekschrift in te dienen. Hoewel niet bekend is wie deze geestelijke en politieke leiders waren, zullen - mede gelet op hun verdere optreden - waarschijnlijk de al eerder genoemde Marcus van Gerwen, schout van Peelland, en Christiaen Cauthals (ca. 1576-1657), deken van het kapittel te Hilvarenbeek, hiervan deel uitgemaakt hebben.(8)
Dit rekest bereikte de vergadering van de Staten-Generaal op 21 december 1629 en kwam in het kort neer op een verzoek gesprekken aan te gaan met afgevaardigden van de Spaanse koning over alle problemen in de Meierij. Alvorens tot een besluit te komen, stuurden de Staten-Generaal het rekest voor advies naar de Raad van State. Zes dagen later kwam dit advies terug: een van de leden van de Raad van State berichtte dat de Raad negatief adviseerde ten aanzien van het verzoekschrift, maar dat Zijne Excellentie, prins Frederik-Hendrik, wel positief stond tegenover de gevraagde gesprekken. Op 29 december 1629 besloten de Staten-Generaal conform het advies van de prins een nieuwe conferentie toe te staan. Immers, tijdens een dergelijke conferentie kon, zo was de gedachte, aan (afgevaardigden van) de koning duidelijk gemaakt worden dat de Staten-Generaal de soevereiniteit over de Meierij bezaten.
De volgende stap in de voorbereidingen voor een bijeenkomst te Tilburg was het aanwijzen van afgevaardigden die bij de conferentie de Staten-Generaal zouden vertegenwoordigen. Op de laatste dag van het jaar werd de delegatie bekendgemaakt: Albert Brunincx, lid van de Raad van State, Rempt Jensma, eveneens lid van de Raad van State, en Johan van Goch, tresorier-generaal van de Verenigde Nederlanden. Terwijl de Staten-Generaal zich bogen over de instructie die aan de heren gegeven zouden worden, werd deken Cauthals voorzien van een paspoort (een vrijgeleide) om via Antwerpen naar Brussel te reizen. Aldaar zou hij bij de infante paspoorten moeten krijgen die een veilige reis voor de Staatse delegatie door vijandelijk gebied zouden garanderen. Op 14 januari 1630 was de instructie gereed en de paspoorten geregeld. Voor de Spaanse delegatie gaven de Staten-Generaal paspoorten af.
En zo kon de delegatie vanuit 's-Gravenhage via 's-Hertogenbosch naar Tilburg reizen. Op 22 januari werden de drie heren gezanten aldaar begroet door het dorpsbestuur. De schout van Tilburg, Herman de Roij, deelde de hoge gasten mede dat hij voor logement had gezorgd. Gezien het feit dat de herberg
'De Roode Leeuw' aan de Heuvel familiebezit was, zullen de afgezanten wel in deze herberg overnacht hebben. Ook de Spaanse delegatie meldde zich later die dag in Tilburg. Deze bestond uit twee leden: Johan Kesselaer, heer van La Marquette en raadsheer voor financiën, en Jean Fannius, lid van de Geheime Raad. Nu beide partijen aanwezig waren, was alles klaar voor de eerste Tilburgse conferentie.
De eerste drie conferenties: stilstand
Bij ontmoetingen tussen afgevaardigden van regeringen was het gebruikelijk dat voorafgaande aan de gesprekken beide partijen op visite gingen bij de tegenpartij. Eerst legde de Staatse delegatie een bezoek af aan de Spaanse heren, en vervolgens kwamen de Spanjaarden op bezoek bij de Staatse gezanten. Pas op 24 januari begonnen de gesprekken daadwerkelijk.
De eerste conferentie was een regelrechte mislukking: van constructief overleg kwam niets. Eigenlijk was dit al te verwachten, omdat de instructies van de Staten-Generaal erg krap waren: zij mochten niet verder gaan dan het eigen standpunt verdedigen en tegenargumenten bestrijden. Ook de Spaanse instructies reikten niet verder, en dus werd er tijdens deze conferentie niet meer gedaan dan over en weer getwist.
Het grote vraagstuk was de soevereiniteit over de Meierij. Het Spaanse standpunt was kort maar krachtig: de Meierij was Spaans gebied, immers het behoorde aan de koning van Spanje als rechtmatige opvolger van de hertog van Brabant. Nu de stad van 's-Hertogenbosch in handen van het Staatse leger was gevallen, was daarmee alleen de stad verloren gegaan. Het gezag over de rest van de Meierij berustte nog altijd bij de koning van Spanje, en dus bij de landvoogdes te Brussel als diens vertegenwoordigster. Het Staatse standpunt daarentegen luidde als volgt: in een Spaans plakkaat van 1628 werd gesteld dat gebieden die verbonden waren met een hoofdstad, zouden overgaan naar de zijde van degene die de hoofdstad in handen had. Om het anders te zeggen: wie de macht over de hoofdstad had, had de regio in zijn bezit. En dus zou met de val van de stad van 's-Hertogenbosch ook de gehele Meierij onder het gezag van de Staten-Generaal zijn gekomen.
Omdat de instructies van de regeringen van beide partijen niet verder gingen dan het uiteenzetten van de standpunten en het betwisten van de tegenargumenten, kon men tijdens deze eerste conferentie niet tot concrete voorstellen komen. Teleurgesteld keerden de delegaties na enkele dagen terug naar hun regeringen. Op 11 en 12 februari brachten Brunincx, Jensma en Van Goch rapport uit over de conferentie.
Enkele dagen later kwam echter opnieuw het verzoek van afgevaardigden uit de Meierij om nogmaals met de Spanjaarden te gaan praten. Na een onderzoek en veelvuldig overleg besloten de Staten-Generaal op 23 februari dat een tweede conferentie belegd kon worden. Na de vereiste voorbereidingen vertrokken Brunincx en Van Goch - Jensma deed kennelijk niet meer mee - begin april opnieuw naar Tilburg, alwaar op 5 april de tweede ronde gesprekken startte. Hoewel de instructie van de Staten-Generaal nu omvangrijker was, kregen de gedelegeerden daarmee niet meer ruimte voor onderhandelingen. Compromissen sluiten was er niet bij; er kon enkel gesproken worden over de soevereiniteit en over een viertal andere onderwerpen, waaronder het vraagstuk van de religie. Ondanks een gezellige maaltijd op zondag 7 april bij de deken van Hilvarenbeek, kwam het ook dit keer niet tot concrete voorstellen en dus werd ook de tweede conferentie vruchteloos afgesloten op 12 april.
Het zou tot 6 juni duren voordat de Staten-Generaal toestemden in een derde conferentie. Maar in de tussenliggende periode hadden zij hun standpunt wel enigszins aangepast. Brunincx en Van Goch kregen nu toestemming om de Spaanse voorstellen aan te horen, te onderzoeken, te bespreken en te bewerken om tot een oplossing te komen, zonder echter de soevereiniteit over de Meierij te verliezen. En met die opdracht kwamen zij op 18 juni te Tilburg aan, even later ook gevolgd door de heren Kesselaer en Fannius. Ondanks de ruimere instructie kwam het nog steeds niet tot concrete voorstellen. Na vijf dagen kwamen beide partijen tot de conclusie dat er geen voorstellen waren die nog besproken dienden te worden en dat de conferentie afgelopen was. Maar op die laatste dag, 22 juni, vroegen deken Cauthals en schout Van Gerwen audiëntie aan bij beide delegaties. Zij overhandigden vervolgens de afgevaardigden diverse verzoekschriften uit de Meierij die alle gericht waren op één ding: niet uit elkaar gaan totdat de belangrijkste vraagpunten behandeld zouden zijn. Nadat de Spaanse en Staatse gezanten met elkaar over deze zaken gesproken hadden, werden de onderhandelingen toch afgebroken. Er werd afgesproken dat men op 14 juli naar Tilburg zou terugkeren voor verdere besprekingen.
De vierde conferentie: een eerste stap vooruit
Bij het sluiten van de derde conferentie was afgesproken dat beide partijen weer op 14 juli met elkaar rond de tafel zouden gaan zitten voor verder overleg. Deze deadline werd kennelijk door de afgevaardigden van de infante niet gehaald en daarom gaven de Staten-Generaal pas op 15 juli een nieuwe instructie aan Brunincx en Van Goch voor de vierde bijeenkomst.
Voor het eerst bevatte de instructie niet alleen het - overigens nog steeds ongewijzigde - standpunt inzake de soevereiniteit, maar ook voorstellen voor het oplossen van een aantal problemen. De grote vraag was natuurlijk die van de religie. De Staten-Generaal waren van mening dat rooms-katholieke priesters verboden moesten worden, zolang de infante weigerde predikanten toe te laten. Voor het eerst was er sprake van een mildere opstelling door de Staten-Generaal.
Op 25 augustus begonnen Brunincx en Van Goch aan hun vierde reis, welke op 27 augustus in Tilburg eindigde. Onmiddellijk vroegen de Spanjaarden om een onderhoud, maar dit werd door beide heren geweigerd, omdat zij wellicht te vermoeid waren van de tweedaagse reis. De heren Kesselaer en Fannius lieten zich echter niet tegenhouden en bij aankomst boden zij hun excuses aan voor hun afwezigheid op de eerder geplande bijeenkomst van 14 juli. De volgende dag volgde een tegenbezoek en werd er een begin gemaakt met de besprekingen. Gedurende twee dagen leek alles bij het oude te zijn gebleven: er werd weinig vooruitgang geboekt. Maar op 30 augustus kwamen de partijen tot een kleine overeenkomst. De voorstellen van beide zijden zouden op papier gezet worden om te zien in hoeverre er overeenstemming kon zijn over de te beantwoorden vragen.

Verslag door de afgevaardigden Brunincx en Van Goch van de vierde
conferentie van Tilburg. Tijdens deze conferentie in augustus 1630
werd het standpunt van de Staten-Generaal milder. De koning van
Spanje bleef echter volharden in zijn eisen, waardoor ook deze
bijeenkomst geen resultaat opleverde (Algemeen Rijksarchief
's-Gravenhage, Archief van de Staten-Generaal, inv. nr. 12555-14).
Namens de Staten-Generaal formuleerden Brunincx en Van Goch onder meer de volgende punten:
- gereformeerde predikanten zouden toegelaten moeten worden en voor hun onderhoud zouden voorzieningen getroffen moeten worden;
- kerken zouden ingeruimd worden voor de diensten van predikanten;
- pastoors en kapelaans zouden mogen aanblijven en hun werkzaamheden uitoefenen, mits zij degenen die de predikanten wilden aanhoren niet tegenhielden en zij zich zouden onderwerpen aan het gezag van de politieke overheid;
- ook andere geestelijken zouden mogen aanblijven en hun inkomsten behouden, maar zij zouden deze inkomsten niet mogen vervreemden of bezwaren; alle geestelijke personen dienden een lijst met inkomsten te overleggen; bij vacatures werden voorlopig geen opvolgers aangewezen;
- de hoogschout van 's-Hertogenbosch en diens stadhouder zouden in functie blijven;
- de vier kwartierschouten, de vorsters en de overige functionarissen, zoals de landmeters en notarissen, zouden allemaal in functie blijven, maar dienden wel een eed van trouw aan de Staten-Generaal af te leggen;
- bij vacatures zouden opvolgers afwisselend aangewezen worden door de Staten-Generaal en de koning van Spanje;
- de administratie van de domeinen en de leengoederen zou geschieden door rentmeesters en hoven van beide partijen, en hieruit voortvloeiende inkomsten zouden gelijkelijk verdeeld worden;
- voor de justitie zouden de Hoven van beide partijen competent zijn.
Kesselaer en Fannius komen namens de infante met de volgende tegenvoorstellen:
- gedurende twee jaar, en daarna zolang de afspraak niet herroepen zou worden, zouden alle geestelijke personen in functie blijven en in hun kerken en kapellen hun werkzaamheden mogen uitvoeren;
- predikanten zouden worden toegestaan in plaatsen met een bepaald aantal personen van de gereformeerde religie: zij mogen slechts preken in huizen of speciaal daarvoor ingerichte plaatsen, maar hun onderhoud zou uit eigen middelen betaald moeten worden;
- de administratie van de leengoederen zou bij het Leenhof te Brussel blijven;
- de domeinen zouden aan de koning van Spanje blijven;
- alle notarissen en deurwaarders zouden in functie blijven;
- de vier schouten van het kwartier van Peelland, Maasland, Kempenland en Oisterwijk zouden in dienst blijven op basis van hun eed aan de koning van Spanje;
- de stadhouder van de Meierij zou door de koning aangesteld worden;
- voor justitie zouden alleen de koning en diens soevereine raad competent zijn.

De aartshertogen Albert en Isabella: zij streefden naar een vreedzame
oplossing voor het conflict tussen de koning van Spanje en de Staten-
Generaal. Ondanks hun succes bij het Twaalfjarig Bestand konden zij
geen duurzame vrede tot stand brengen (kopergravure uit: Francisci
Harei, 'Annales Ducum sev Principum Brabantiae Totiusque Belgii',
Antwerpen, ex officina Plantiniana, 1623, deel. 3, p. 567, coll. RHC
Tilburg).
Op 31 augustus werden de voorstellen gelezen en men moest op dat moment toch tot de conclusie komen dat de standpunten te ver uiteen lagen. In hun latere verslag schreven Brunincx en Van Goch hierover
"dat zij nijet en mosten dencken dat wij kinderen waren, om ons met soo een geringe saecke aff te laten
setten". De Spanjaarden wilden, nu zij inzagen dat deze conferentie op niets ging uitlopen, afspraken maken over een nieuwe bijeenkomst. De Staatse gezanten waren echter van mening dat niet steeds nieuwe conferenties belegd konden worden. Toch stemden zij in met een afspraak voor 1 oktober, onder voorbehoud van goedkeuring door het thuisfront. De vierde conferentie werd hiermee beëindigd.
De vijfde en laatste conferentie: slotvoorstel
Zoals ook bij de vierde conferentie het geval was geweest, werd de afgesproken datum van 1 oktober niet gehaald. Dit was voornamelijk te wijten aan het optreden van de heer Randtwijck, lid van de Staten-Generaal, die op 26 september 1630 opperde voorstellen te doen aan de infante, waarna bij een nieuwe conferentie over de voorstellen nader gesproken zou kunnen worden. Het voorstel omvatte de volgende punten: (1) in plaatsen waar twee kerken, of een kerk en een kapel, aanwezig zouden zijn, kon ieder geloof een gebouw in gebruik nemen; (2) was er slechts een kerk, dan kon deze door middel van een muur verdeeld worden, zodat er twee ruimtes ontstonden; en (3) indien deze voorstellen niet zouden bevallen, konden de kerken voor beide religies gesloten worden en zouden de erediensten van zowel de rooms-katholieke als de gereformeerde godsdienst in particuliere huizen moeten plaatsvinden. Deze voorstellen werden in de vergadering van de Staten-Generaal aan Brunincx en Van Goch gegeven, die ze vervolgens doorspeelden aan deken Cauthals. Deze reisde op zijn beurt naar Brussel om de infante de voorstellen voor te leggen.
Pas in november keerde de deken terug uit Brussel met slecht, maar ook redelijk goed nieuws. Het slechte nieuws was dat de Raad van State en de Raad van Brabant tegen de voorstellen waren. Het betere nieuws was dat de infante, ondanks deze negatieve adviezen, met een aantal geestelijken de zaak bestudeerde en dat hij niet twijfelde aan een positieve uitkomst van deze studie. Op basis van deze uitspraak stemden de Staten-Generaal in met een vijfde conferentie te Tilburg, die op 15 januari 1631 gehouden moest worden. Later werd de bijeenkomst nog eens uitgesteld tot 23 februari. Op 17 februari was de vijfde instructie voor Brunincx en Van Goch klaar: zij mochten, mits binnen de gestelde voorwaarden, de zaak met alle mogelijke middelen afwerken zodat dit de laatste conferentie zou worden.
Op 25 februari 1631 was Tilburg dan voor de vijfde keer het toneel voor besprekingen tussen Brunincx en Van Goch en Kessselaer en Fannius. Voordat echter gesproken werd over de kwesties van de soevereiniteit en de religie, kwam eerst een andere zaak aan de orde. Gedurende de oorlog waren er steeds meer maatregelen genomen, zowel door de Staten-Generaal als door de koning van Spanje, die ertoe leidden dat er in dorpen geen granen en gewassen meer toegelaten werden. Dit betekende een zware slag voor de bevolking op het platteland, die hierdoor hun inkomsten sterk verminderd zagen, maar tevens was dit voor de steden aanleiding voor voedseltekorten. Na onderhandelingen werd er een compromis gesloten. Iedereen mocht voortaan zijn eigen gewassen vervoeren van het platteland naar de steden. Ook zouden gewassen gekocht mogen worden van plaatsgenoten om die naar de steden te vervoeren. Wel moest dan aangetoond worden door middel van schriftelijke verklaringen (attestaties) dat de gewassen van het eigen land afkomstig waren. En omdat er al hoge bijdragen over het land betaald moesten worden, bleef de heffing van belastingen op deze transporten achterwege. Het compromis werd verstuurd naar beide regeringen, die voor goedkeuring en uitvaardiging op plakkaten moesten zorgen. Voor het eerst was er sprake van een vruchtbare bijeenkomst!
Na dit kleine succes kwamen op 4 maart de soevereiniteit en de religie weer ter tafel. Het voorstel van de Staten-Generaal over het delen van de kerken werd door de Spanjaarden niet aanvaard. De Staatse delegatie was hierdoor ernstig teleurgesteld. Zij verweten de koning van Spanje dat hij wel kón optreden, maar dit niet wilde. Immers, in het Land van Heusden en Altena had hij eerder al de kerken afgestaan voor de diensten van de gereformeerde religie, en dus kan hij dat ook in de Meierij.
Opnieuw werden de Staatse voorstellen, en het antwoord van de Spaanse afgevaardigden daarop, door Kesselaer naar Brussel gebracht. Brunincx en Van Goch weigerden rapport uit te brengen aan de Staten-Generaal voordat de infante een beslissing had genomen. Op zondag 16 maart keerde Kesselaer terug uit Brussel en de volgende dag bleek dat het oordeel over deze vredesonderhandelingen geveld was. Er werd nog even gesproken over een aantal kleinere zaken, maar tot overeenstemming inzake de problemen van de soevereiniteit en de religie in de Meierij konden de afgevaardigden niet meer komen. Op 20 maart werd deze laatste conferentie in Tilburg afgesloten.

Het plakkaat waarin de tekst van het vredesverdrag van 1648 gepubliceerd werd. Na vele jaren oorlogsellende keerde
voor de inwoners van de Meierij met dit verdrag de rust in hun dagelijkse bestaan terug (uit: 'Groot Placaet-Boeck...',
's-Gravenhage, 1658, deel 1, kol. 79-80, coll. RHC Tilburg, in het Oud-administratief archief).
Slotoverweging
Gedurende de vijftien maanden waarin er vredesconferenties te Tilburg hebben plaatsgevonden, is het standpunt van de Staten-Generaal aanzienlijk gewijzigd. Bij de eerste drie conferentie stelden zij zich nog erg star op: sinds de val van de stad van 's-Hertogenbosch kwam de soevereiniteit over de gehele Meierij hen toe en rooms-katholieke priesters moesten verboden worden. Tijdens de vierde en vooral de vijfde bijeenkomst streefden zij veel meer naar een oplossing en waren zij meer tot een compromis bereid: zowel het bezit van de kerken als de administratie van leengoederen en domeinen moest zoveel mogelijk verdeeld worden. Daarmee deden zij eigenlijk een heel genereus bod.
Hoe genereus het bod ook mag zijn geweest, door Spanje werd het van de hand gewezen. De koning bleef op zijn standpunt staan dat hij soeverein was en dat hij dus kon bepalen dat de gereformeerde religie niet werd toegestaan. Delen van gebouwen of van inkomsten was er dus op geen enkel terrein bij.

De beëdiging van de vrede op 15 mei 1648 in de Vredeszaal van het stadhuis van Münster. Met dit
vredesverdrag kwam er een einde aan de Tachtigjarige Oorlog en werd de Republiek der Verenigde
Nederlanden onafhankelijk van Spanje (kopergravure naar Gerard ter Borch, uit: Jan Wagenaar,
'Vaderlandsche historie...', Amsterdam, 1793, deel 11, t.o.p. 490, coll. RHC Tilburg).
Uit het afwijzen van het aanbod van de Staten-Generaal blijkt ook dat infante Isabella vanuit Brussel weinig, of zelfs geen enkele, invloed had op haar tantezegger, koning Filips IV van Spanje. Haar streven naar een vreedzame oplossing werd door hem niet aanvaard. En dus woedde de oorlog nog meer dan vijftien jaar door. Met als desastreus gevolg voor Spanje en de rooms-katholieke religie dat zij bij de Vrede van Münster nog veel meer moesten inleveren, dan wanneer het voorstel van de vijfde Tilburgse conferentie aanvaard was. Na 1648 werd de rooms-katholieke godsdienst geheel verboden, priesters werden niet langer getolereerd, kerken werden aan de rooms-katholieke eredienst onttrokken en alle openbare functies konden alleen nog maar bekleed worden door aanhangers van de
'ware religie'.
De koning van Spanje liet dus met zijn starheid op de conferenties in Tilburg de kans liggen om met de Staten-Generaal tot een overeenkomst te komen waarbij ook hij voordeel gehad zou hebben. Had koning Filips IV van Spanje dat wel gedaan, dan zou de Tachtigjarige Oorlog wellicht al in 1631 beëindigd zijn geweest en had Nederland al in 1981 een geheel ander feest gevierd: 350 jaar Vrede van Tilburg!
Noten
(1) In het kader van de herdenkingen organiseert het Gemeentearchief Tilburg gedurende de zomermaanden een tentoonstelling over 350 jaar Vrede van Münster in
Midden-Brabant.
(2) Over de conferenties te Roosendaal is door Joseph Cuvelier in 1926 geschreven. Zie "Les négociations diplomatiques de Roosendael (1627-1630)" in:
Mélanges offerts à Henri Pirenne par ses anciens élèves et ses amis à l'occasion de sa quarantième année d'enseignement à l'université de Gand, 1886-1926, (Brussel, 1926).
(3) Voor de gebeurtenissen voorafgaande aan de conferenties en de verslagen van de tweede tot en met de vijfde conferentie, zie Algemeen Rijksarchief 's-Gravenhage, Archief van de Staten-Generaal, inv.nr. 12555-14. Eerder publiceerde V.A.M. Beermann over deze conferenties in:
Stad en Meierij van 's-Hertogenbosch van 1629 tot 1648, (1940, Nijmegen-Utrecht), blz. 12-22.
(4) Gemeentearchief Tilburg, Archief van het dorpsbestuur van Tilburg (1387-1811), inv.nr. 392, folio 162-162v. (dorpsrekening 1584/1585).
(5) Idem, inv.nr. 388, folio 66-66v (dorpsrekening 1580/81), inv.nr. 389, folio 23 (dorpsrekening 1581/82) en inv.nr. 402, folio 56-57 (dorpsrekening 1594/95).
(6) Zie Gemeentearchief Tilburg, Archief van het dorpsbestuur van Moergestel (1310-1810), inv.nr. 286 (1588).
(7) Gemeentearchief Tilburg, Archief van het dorpsbestuur van Tilburg (1387-1810), inv.nr. 394 (dorpsrekening 1586/87),
ongepagineerd.
(8) Zie Beermann, blz. 15.
* Mr. John Boeren (1973) studeerde staatsrecht en rechtsgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit Brabant te Tilburg. Momenteel volgt hij de opleiding Archivistiek A bij de Stichting Archiefschool te 's-Gravenhage, waarvoor hij stagiair was bij het Gemeentearchief te Tilburg. Hij verricht genealogisch en historisch onderzoek in de regio Midden-Brabant en is lid van de redactie van Heemkundekring Loon op 't Sandt. Publiceerde o.a. een artikel in de bundel
'Godsvrucht en deugdzaamheid. Godsdienst en kerk in Tilburg door de eeuwen heen' (1997).




