| 167. ‘Het heeft wel iets van Tilburg of zoo…’ * | |||
|
Titel: |
‘Het heeft wel iets van Tilburg of zoo…’ * |
|
Ondertitel: |
Tilburg en Vincent van Gogh 1866-1868 |
|
Auteurs: |
Henk van Doremalen en Ronald Peeters |
|
Jaargang: |
VIII (1990) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en
cultuur |
|
Nummer: |
2 |
|
Pagina’ s: |
37-41 |
De tijd dat Vincent van Gogh als leerling van de Rijks-HBS in Tilburg verbleef (van september 1866 tot maart 1868), was voor Tilburg de periode waarin de huisnijverheid geleidelijk aan plaatsmaakte voor fabrieksmatige productie. In de tweede helft van de negentiende eeuw veranderde Tilburg van een
agrarisch-ambachtelijke gemeenschap in een industriële semi-urbane samenleving waarin de textielindustrie de dominante bedrijfstak was. Tilburg was in 1866 een kleine, relatief uitgestrekte textielstad. Boerderijen, weverswoningen en (steeds groter wordende) fabrieksgebouwen bepaalden het stadsbeeld. Met de
Rijks-HBS kwam er voor het eerst een vorm van (openbaar) voortgezet onderwijs in de stad, en sinds de aansluiting op het spoorwegnet in 1863 was het ‘moeilijk’ gelegen Tilburg makkelijker bereikbaar.
Bevolking
Tilburg telde in 1866 ongeveer 18.500 inwoners. Via 19.300 in 1867 steeg dat tot ruim 20.150 in 1868. De geleidelijke groei van Tilburg sinds het begin van de eeuw van zo’n 9.000 inwoners tot ongeveer 16.000 inwoners in 1860 was vooral tot stand gekomen door natuurlijke aanwas. Met name na 1863 zorgt ook het vestigingsoverschot voor een groei van de bevolking. In de periode 18651870 is het vestigingsoverschot zelfs belangrijker dan de natuurlijke groei. Uit onderzoek is gebleken dat de economische opbloei in de jaren zestig van de negentiende eeuw de belangrijkste oorzaak was van het plotseling toegenomen aantal vestigingen. Het feit dat de stad in 1863 aangesloten werd op het spoorwegnet verminderde haar verkeersisolement. De spoorlijn vanuit Breda werd in 1865 doorgetrokken naar Boxtel (en in 1866 tot Eindhoven). In 1867 kwam de verbinding met Turnhout (en Antwerpen) tot stand, een feit dat wegens de heersende cholera niet op grote schaal gevierd kon worden. Vanaf 1866 werd er in de stad gewerkt aan de aanleg van deze spoorlijn. Voor Van Gogh was de trein het vervoermiddel om vanuit Tilburg Breda en (vervolgens te voet) zijn ouderlijke woning in Zundert te bereiken.
Het leven op het Tilburgse ‘platteland’. Roggebrood behoorde met aardappels tot het hoofdvoedsel van de
volksklasse. Foto Henri Berssenbrugge (coll. RHC Tilburg).
De bestaanswijze
Op de dagelijkse route van zijn kosthuis bij Hannik op Korvel nr. 57 (nu St. Annaplein
18-19) naar school kwam de jonge Van Gogh langs de wollenstoffenfabriek van Sträter in de Zomerstraat. Niet ver van de plaats waar hij woonde, bevonden zich ook de fabrieken van Diepen (Korvelseweg) en P. & H. Vreede (Nieuwendijk, thans Bisschop Zwijsenstraat). De textielnijverheid en de aanverwante bedrijvigheid vormden het
hoofdbestaansmiddel voor de Tilburgers. Sträter had een wollenstoffenfabriek in de wijk Kerk en een vollerij en wasserij op Loven. Beide werden door stoommachines aangedreven. Het aantal personeelsleden is niet exact bekend. In de jaren vijftig werkte er nog slechts een tiental arbeiders, in het midden van de jaren zeventig waren dat er al 250. Het gekletter van de getouwen mengde zich steeds meer met het sissen en stampen van de stoommachines.
In Tilburg waren volgens een staat die op het einde van 1866 is opgemaakt 35 wollenstoffenfabrieken die aangedreven werden door stoomkracht. Daarnaast waren er nog 65 die bij de productie geen gebruik maakten van stoomwerktuigen. In deze fabrieken, soms ruim gebouwd maar dikwijls ook niet meer dan een werkplaats of schuur, werkten ruim 2120 werklieden. Daarnaast waren 2350 thuiswerkers voor de wollenstoffenindustrie werkzaam. Volgens de officiële opgave bestond de bedrijfstak textiel uit 2700 mannen en 1250 vrouwen boven de 16 jaar en 300 jongens en 220 meisjes onder de 16 jaar. Vooral waar het de huisarbeid betreft, zijn exacte cijfers over het aantal arbeiders moeilijk te geven. Een onderzoeksrapport uit het midden van de jaren zestig spreekt over het gebruik om kinderen zowel thuis als op de fabriek mee te laten werken.
Kaart van de gemeente Tilburg door J. Kuijper uit 1865
(coll. RHC Tilburg).
De staat uit 1866 geeft een overzicht van de industriële en ambachtelijke bedrijvigheid in Tilburg. Naast de al genoemde grotere en kleinere wollenstoffenfabrieken waren er vier ververijen en twee fabrieken van stoomwerktuigen. Tilburg telde in die tijd verder: 304 winkeliers, 155 schoenmakers, 73 broodbakkerijen, 70 kleermakers, 51 timmerlieden, 38 smeden, 33 leerlooierijen, 27 slagerijen, 27 metselaars en 21 schilders.
Van de jonge Tilburgers die in 1865 en 1870 ingeschreven werden voor de loting voor militaire dienst is via de zogeheten militielijsten bekend wat voor beroep ze uitoefenden. De meest voorkomende beroepen waren wever en fabriekswerker (in 1865 samen: 46,3 %, in 1870: 55,2 %). Op afstand volgden landbouwer, schoenmaker, timmerman en fabrikant. Van Goghs Tilburgse leeftijdsgenoten zaten slechts bij uitzondering nog op school. Ze waren werkzaam in de industriële, ambachtelijke of agrarische bedrijven en bedrijfjes die de stad telde. Kinderarbeid was een wijdverbreid verschijnsel.
Werkende kinderen aan de selfactors (spinmachines) bij de Gebr. Diepen
(coll. RHC Tilburg).
Thuiswever, gefotografeerd door Henri
Berssenbrugge (coll. RHC Tilburg).
Wanneer hij in de zomermaanden omstreeks kwart voor 8 naar school ging, waren de arbeiders bij Sträter al aan het werk. De werktijden in de Tilburgse textiel waren lang: 12 uur was gebruikelijk, 14 tot 15 uur geen uitzondering. In de zomer was het niet ongebruikelijk dat om 5 uur begonnen werd, in de winter was de aanvangstijd wat later.
Kwaliteit van het bestaan
Het werken in de textielnijverheid leverde niet veel op. Een gulden per dag was in het algemeen alleen weggelegd voor gekwalificeerde arbeidskrachten. De thuisarbeiders waren afhankelijk van het werk dat hun verstrekt werd. Vrouwen en kinderen moesten het met (veel) minder doen. ‘Het loon der kinderen (is)
voor de dagelijksche behoeften der ouders noodig, zoodat zelfs de behoorlijke voeding eerst begint, wanneer de kinderen op de fabriek
komen’, zo meldde het al eerder genoemde onderzoeksrapport. Metselaars en timmerlieden verdienden 80 tot 90 cent per dag. Landarbeiders (met kost) 30 tot 50 cent. Fabrieksarbeiders een gulden.
Tot de belangrijkste uitgaven behoorden de kosten voor voeding. Van direct belang was de prijs van aardappelen, met roggebrood het volksvoedsel bij uitstek. In 1866 en 1867 was de oogst van aardappelen niet bijzonder gunstig. In Tilburg had dit naar twee kanten effecten. Wie zelf aardappelen verbouwde, had met een slechtere oogst te maken, wie het voedsel op de dinsdagse of vrijdagse markt kocht, kreeg met hogere prijzen te maken. In het tijdvak juli 1867 tot en met mei 1868 was bovendien de prijs van een roggebrood meer dan 50 % hoger dan normaal. Van 25 cent (normaal) die (gemiddeld) in 1866 voor een drieponds roggebrood betaald moest worden, steeg de prijs via ongeveer 30 cent in 1867 tot 40 cent in 1868. De H. Geest Armen en Vincentius vormden het karige vangnet voor hen die niet of nauwelijks in hun onderhoud konden voorzien.
In Tilburg was nog geen rioolstelsel. Men behielp zich met waterlopen en sloten. Foto Henri
Berssenbrugge (coll. RHC Tilburg).
Ten tijde van Van Goghs komst naar Tilburg werd de stad geplaagd door de ergste
cholera-epidemie uit de negentiende eeuw. De ziekte had zich geopenbaard in de zomer van 1866. Zelfs de kermis, volksvermaak bij uitstek voor de Tilburgers, kon geen doorgang vinden, uit angst voor besmettingsgevaar. In september en oktober van 1866 was de ziekte op zijn hevigst. 64 personen werden aangetast, van wie er 33 overleden. In totaal bedroeg het aantal slachtoffers in dat jaar 41. De stedelijke overheid deed nagenoeg niets om verspreiding van de ziekte te voorkomen. Passende maatregelen die voorgeschreven waren door het Ministerie van Binnenlandse Zaken werden niet genomen. In een gezamenlijk schrijven wezen de Tilburgse geneesheren het gemeentebestuur o.l.v. burgemeester F.Suys en de wethouders J.A.A. Kerstens en J.H.A. Diepen op zijn tekortkoming. Ook de inspecteur van het Geneeskundig Staatstoezicht maande het gemeentebestuur tot het nemen van maatregelen.
De gezondheidssituatie was verre van ideaal in Tilburg in de tweede helft van de negentiende eeuw. Ten opzichte van andere industriesteden had de stad het voordeel van de open bebouwing. Dicht op elkaar gepakte huizen en fabrieken en een aaneengesloten bebouwde kom waar de 20.000 inwoners gehuisvest waren, kwamen niet voor. De bebouwing was gespreid over de oorspronkelijke heerdgangen van de stad met een zekere concentratie langs de lijn
Heuvel-Heuvelstraat-Markt-Nieuwlandstraat-Veldhoven-Goirke. Juist in de jaren zestig werden nieuwe straten aangelegd in de omgeving van de hier genoemde lijn. De verbindingsweg van het Nieuwland met het station (Stationsstraat) en de Heuvelstraat met de spoorlijn (Comediestraat, later Willem
II-straat) zijn er voorbeelden van. Overigens waren ook in het centrum (achter de hierboven genoemde straten) grote delen onbebouwd (akker of weiland). Anders dan
’s-Hertogenbosch of Breda had Tilburg geen duidelijke urbane structuur. Anderzijds had het met name door zijn inwonertal en zijn economische activiteiten wel degelijk een stedelijk karakter.
Voor Vincent was de Zomerstraat de verbindingsweg tussen school en zijn kosthuis. Links het torentje
van de Nederlands hervormde kerk. Tot dit kerkgenootschap behoorde Van Gogh (coll. RHC Tilburg).
Het ontbreken van waterleiding en een behoorlijk rioolstelsel was natuurlijk niet bevorderlijk voor de gezondheidssituatie in de groeiende industriestad. De watervoorziening was ronduit slecht. Openbare putten of gemeenschappelijke pompen waren gebruikelijk. Eerst op het einde van de negentiende eeuw werd een aanvang gemaakt met de aanleg van een waterleidingnet.
Met de afvoer van vuil water was het zo mogelijk nog slechter gesteld. Waar in andere plaatsen een rioolstelsel al gebruikelijk was, behielp men zich in Tilburg nog met waterlopen, sloten en goten. Met de aanleg van riolering werd pas in 1870 begonnen. Daarvoor werd onder meer het riviertje de Leij benut voor de afvoer van industrieel afvalwater. Daarna overigens ook nog.
Het Tilburg waarin Van Gogh terechtkwam, verkeerde in een duidelijke overgangssituatie. Het omschakelingsproces van thuiswerk naar fabrieksarbeid was gaande. Her en der vonden bouwactiviteiten plaats: wegen werden bestraat, spoorlijnen aangelegd. Naar uiterlijke vorm, bestuurlijke verhoudingen en cultureel leven (o.a. de sociëteit de Philharmonie en het zangkoor l’ Echo des Montagnes) was Tilburg een dorpse gemeenschap; wat de economische activiteiten betreft, ontwikkelde het zich steeds meer tot een belangrijke industriële samenleving. Dat veranderingsproces zou nog enkele decennia doorgaan. Wanneer Van Gogh een kleine 20 jaar later aan zijn verblijf in Tilburg refereert (hij beschrijft zijn jeugdjaren in Brabant zonder een specifieke plaats te noemen) merkt hij op dat de hei, de boerderijtjes en de weefgetouwen vervangen zijn door ontginningen en industrie. Ruim anderhalf jaar zou Van Gogh in de betrekkelijk beschermde burgerlijke omgeving van rijksambtenaar Hannik en de Rijks Hogere Burgerschool verblijven, om vervolgens plotseling uit de textielstad te verdwijnen.
Bronnen en literatuur
Adresboek van Tilburg 1865.
Doremalen, Henk van, Arbeid en arbeidsomstandigheden in Tilburg 1810-1870. Niet uitgegeven doctoraalscriptie universiteit Nijmegen, afd. ESG, 1982.
Eerenbeemt, H.F.J.M. van den, De onbekende Vincent van Gogh. Leren en tekenen in Tilburg,
1866-1868. Tilburg, 1972.
Gemeentearchief Tilburg, Secretariearchief 1810-1907, diverse stukken m.b.t. de periode
1865-1870.
Gemeenteverslagen 1865-1870.
Put, C.A.M.M. van de, Volksleven in Tilburg rond 1900. Assen, 1971.
Weekblad voor Tilburg 1865-1870.
Gebeurtenissen Belangrijke gebeurtenissen die Tilburg bezighielden in de tijd dat Van Gogh er verbleef: * De cholera die in het najaar van 1866 veel slachtoffers maakte en die in 1867 opnieuw als een dreiging boven de stad hing. * De aanleg en het bestraten van diverse wegen: het Schijfstraatje, de Koestraat, het Piusplein, de Piusstraat, de Comediestraat (Willem II-straat) en de Stationsstraat. De Parallelweg (Spoorlaan) werd met bomen beplant. * Vanaf het station werd in zuidwestelijke richting gewerkt aan de aanleg van de spoorlijn naar Turnhout . * De geplande festiviteiten rond de opening werden uitgesteld i.v.m. de cholera. * Tilburgse zoeaven verdedigen de pauselijke staat in Italië en doen daarvan verslag in het ‘Weekblad van Tilburg’. Dit sinds 1865 bestaand weekblad geeft verder berichten uit binnen- en buitenland, advertenties en officiële mededelingen. |
De vrouw uiterst links staat voor de deur
van het kosthuis van Vincent van Gogh
op Korvel 57 (coll. RHC Tilburg).
‘De fabriek’ in Tilburg Van Gogh en Tilburg hebben nog meer met elkaar gemeen. Mr. Menno Stokvis publiceerde in 1926 in zijn boek Nasporingen omtrent Vincent van Gogh in Brabant (Amsterdam, 1926, p. 5-8) een welhaast onwaarschijnlijk verhaal over de lotgevallen van een groot aantal werken van Vincent van Gogh. In 1885 was Vincent naar Antwerpen getrokken. Zijn werken liet hij grotendeels achter bij de koster van de katholieke kerk in Nuenen, waar hij enige tijd zijn atelier had gehad. Een paar jaar later was zijn moeder, inmiddels weduwe, met de in kisten gepakte tekeningen en al dan niet bespannen schilderijen, naar Breda verhuisd. De kisten werden bij timmerman Schrauer in bewaring gegeven. En omdat er later in enkele kisten houtworm werd ontdekt, liet de familie Van Gogh deze met de werken van Vincent bij Schrauer achter. Die liet ze nog jaren onberoerd staan, totdat hij ze uiteindelijk maar eens openbrak. Hij beschouwde zich nu als eigenaar, de familie was er immers nooit meer naar komen vragen. Het hout van de kisten gebruikte hij voor timmerwerk en in 1903 gaf hij ‘dien rommel’ aan de opkoper J.C. Couvreur mee. Volgens Stokvis moeten het zo’n zestig schilderijen op raam, honderdvijftig losse doeken, twee portefeuilles met ongeveer tachtig pentekeningen, en honderd tot tweehonderd krijttekeningen zijn geweest! En als meest dramatische alinea in zijn boek schrijft hij: ‘Couvreur bracht een wagen hoog opgeladen met Van Goghstukken thuis, en het heele zaakje werd zoolang in den kelder gedeponeerd. Omstreeks honderd krijtteekeningen, als waardeloos beschouwd, werden onmiddellijk verscheurd en weggeworpen. Sommige grootere doeken zijn daarop aan een voddenmagazijn verkocht en gingen naar ‘de fabriek’ in Tilburg om te worden vernietigd. Wellicht heeft een enkele werkman er toen voor de aardigheid een mee naar huis genomen. Couvreurs vrouw was er op tegen dat haar man naaktteekeningen in huis hield en deze werden dus weggeworpen.’ Couvreur heeft links en rechts nog wel een aantal tekeningen voor vijf tot tien cent verkocht. Aan boeren en boerinnen in de omgeving verkocht hij ook nog een enkel schilderstuk. Het is niet bekend welke ‘fabriek in Tilburg’ wordt bedoeld. |
* Brief Vincent van Gogh aan zijn broer Theo gedateerd 13 juni 1873
(‘Verzamelde Brieven’, brief 9). Hij schrijft dan over het Londense stadje
Brixton.




