| 170. Pieter van Dooren en Tilburg | |||
|
Titel: |
Pieter van Dooren en Tilburg |
| Ondertitel: | Opmerkingen naar aanleiding van het proefschrift van Henk Muntjewerff |
|
Auteur: |
Henk van Doremalen |
|
Jaargang: |
XI (1993) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina´s: |
79-83 |
De Tilburgse sociale en economische geschiedenis is de laatste jaren volop in
de belangstelling. De aanwezigheid en de goede toegankelijkheid van de bronnen
in het Gemeentearchief is daarbij niet onbelangrijk. De nabijheid van de KUB
(Brabant Collectie), waar aanvullend materiaal steeds eenvoudiger op te zoeken
is, speelt ongetwijfeld ook een rol. Tal van proefschriften, monografieën,
scripties en artikelen zijn inmiddels verschenen. In de dissertaties worden
theses getoetst waarvoor Tilburg (de Tilburgse situatie) als toetssteen wordt
gebruikt. Los van de wetenschappelijke waarde van de proefschriften, die in
meerdere of mindere mate bijdragen aan de theorievorming, leveren de studies in
het algemeen ook veel nieuw materiaal op dat een beter beeld geeft van de
geschiedenis van Tilburg, zelfs zonder dat de stadsgeschiedenis nadrukkelijk
onderwerp is. De nieuwste loot aan de stam is het proefschrift van Henk
Muntjewerff (1), dat in deze beschouwing centraal zal staan.
Op sociaal-economisch terrein mochten de laatste jaren bijdragen begroet worden
van Rossen over de volkshuisvesting (2), Thelen over kapelaan Poell en
zijn rol in het vakbondswerk (3), Wagemakers over de textiel- en
spoorwegarbeiders en het ontstaan van de socialistische beweging in Tilburg(
4), Janssens over de veranderingen binnen de gezinnen in de
overgangssituatie van huisarbeid naar fabriekswerk (5) en Plantenga over
de vrouwenarbeid (6). De talloze scripties, met name van studenten van de
universiteiten van Nijmegen, Tilburg en Utrecht en het grote aantal artikelen op
sociaal-economisch terrein, onder meer gepubliceerd in het ter ziele zijnde
Jaarboek De Lindeboom en het tijdschrift Tilburg, laat ik hier
onvermeld. Recent is door de Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed een
reeks Tilburgse monografieën gestart, terwijl ook de uitgave van bronnenstudies
op het programma staat. Wat de popularisering van de geschiedenis betreft, lijkt
de fraai uitgevoerde serie Ach Lieve Tijd, waarvan in november het eerste
deel verscheen, een schot in de roos. Zowel in tekst als beeldmateriaal komt ook
in deze serie niet eerder gebruikt materiaal naar voren. De relatieve
achterstand die Tilburg met zijn geschiedschrijving lang had op de andere grote
steden wordt in hoog tempo weggewerkt (7). Dat deze tendens in de laatste
editie van de Literatuurgids voor de Noordbrabantse geschiedenis niet
helemaal uit de verf komt, is te betreuren. (8)
Opmerkelijk is dat nog steeds de neiging bestaat terug te vallen op de oude en
vertrouwde studies zoals die van Dijksterhuis, de economische geschiedenis van
Boeren, de bundel Van heidorp tot industriestad en de artikelen van een
aantal studenten aan de Economische Hogeschool onder redactie van Van den
Eerenbeemt en de toenmalige archivaris Schurink. De meest recente van deze
studies is inmiddels bijna 35 jaar oud (9). Er lijkt wat minder oog te
bestaan voor de talloze detailstudies (artikelen en scripties) die meer recent
over allerlei ontwikkelingen zijn verschenen. Daarin worden heel wat
nuanceringen aangebracht op het gangbare beeld, ontwikkelingen verhelderd of
zelfs van een andere kijk voorzien.
De passages over de textielnijverheid in de onlangs verschenen proefschriften
van Van den Heuvel (10) en Plantenga zijn niet gebaseerd op eigen
onderzoek en vertonen op sommige plaatsen de neiging zich op de oude literatuur
te baseren met voorbijgaan aan wat de laatste decennia is verschenen. Beide
promovendi maken wel gebruik van de resultaten van het uitvoerige IVO-onderzoek
naar de ondergang van de Tilburgse textielindustrie.(11) Historici als
Ton Wagemakers en Ton Thelen, die voor hun proefschriften zelf het
bronnenmateriaal met betrekking tot Tilburg hebben bestudeerd, zetten bij
jarenlang als vanzelfsprekend aangenomen ontwikkelingen vraagtekens. Henk
Muntjewerff, die onlangs promoveerde aan de KUB te Tilburg, past in dat laatste
rijtje met zijn gedegen studie naar de ontwikkeling van het familiebedrijf
Pieter van Dooren .
Markant
Al weer geruime tijd geleden wees een medewerker van het Gemeentearchief, die
mijn belangstelling voor de Tilburgse textielnijverheid kende, mij op het
'binnenkomen' van het archief van de wolspinnerij Pieter van Dooren. Was de
spinnerij Pieter van Dooren, ondanks de rijkdom van het archief, nu wel
representatief voor de Tilburgse industrie, zo vroeg ik mij af? Jaren later
geeft Henk Muntjewerff definitief het antwoord: nee. Pieter van Dooren, zo
schrijft hij al op de eerste pagina van zijn dissertatie, hield zich bezig met
voorbewerkingen (spinnerij) en nabewerking (vollerij). Het weven, algemeen
beschouwd als het centrale deel van het produktieproces zonder daarmee afbreuk
te doen aan het belang van de andere werkzaamheden, ontbrak - op een korte
periode na - bij Van Dooren. Het bedrijf lag aan de rand van de stad en bevond
zich op twee momenten na ook in de periferie van de belangstelling. Die twee
momenten zijn markant in de Tilburgse historie.

Briefkaart Pieter van Dooren, waarschijnlijk
uit 1892. (coll. RHC Tilburg).
Het eerste betreft de bouw van de eerste moderne fabriek in Tilburg en de
komst van de eerste stoommachine in 1826-1827. Het tweede behelst de sloop van
het, toen al, in industrieel-archeologisch opzicht als uniek aangemerkte complex
in 1975.
Inhoud
Muntjewerffs proefschrift is het best te karakteriseren als de 'rise and fall'
van het familiebedrijf Pieter van Dooren, voorafgegaan door een aantal
'inleidende' hoofdstukken. Na de inleiding, waarin de opzet van de studie in het
algemeen wordt uiteengezet, volgt een hoofdstuk over de stand van zaken met
betrekking tot bedrijfsgeschiedenis. Daarna volgt een hoofdstuk over de theorie
en methode van onderzoek. Er zijn twee kernstukken in het werk van Muntjewerff:
het familisme en de financiële ratio-analyse. Dat laatste is een methode om de
administratie (boekhouding) te doorgronden. Het eerste komt verderop nog ter
sprake. Dan volgt in de hoofdstukken opkomst (1825-1880), bloei (1881-1948) en
neergang (1949-1975) de geschiedenis van het bedrijf en de daarmee verbonden
familie. In de slotbeschouwing verbindt Muntjewerff de elementen familisme en
financiële ratio-analyse met elkaar.
Muntjewerff beantwoordt in zijn proefschrift over Pieter van Dooren een aantal
vragen die al langer bestaan over de vroege industrialisatie in Tilburg. Beter
gezegd, hij bevestigt een aantal opvattingen en hij plaats enkele vraagtekens.
Ik zal me tot twee voorbeelden beperken.
De spincapaciteit
Muntjewerff zegt op pagina 54 dat 'het al of niet overbodig worden van
handspinners nader onderzoek behoeft'. Van Gorp berekende eerder dat de
komst van spinassortimenten in het begin van de 19e eeuw voor velen betekende
dat ze overbodig werden.(12) Eventuele massale werkloosheid was niet
terug te vinden in de bedelingscijfers of in extra verhoogde uitgaven door het
Armbestuur.(13) Ook met de zogeheten kwartaalcijfers over het aantal
arbeidskrachten, die - niet helemaal correct overgenomen - bij De Jong terug te
vinden zijn, is de werkloosheid niet aantoonbaar.(14)
Muntjewerff geeft aan dat er in het begin van de 19e eeuw sprake was van een
vergroting van de spincapaciteit. De handmatige spinmethodes leverden te weinig
garen om aan de vraag van de wevers te voldoen. Uitbreiding van de
spincapaciteit betekende dat een knelpunt in de produktieketen kon worden
opgelost. Daar springt Pieter van Dooren op in. Eerst via Van Dooren & Dams,
waar hij vanaf 1805 in de zaak was opgenomen. Mogelijk heeft Pieter van Dooren
daar een rol gespeeld bij de aanschaf van de eerste spinassortimenten in 1809; later - grootschaliger - met zijn nieuwe door een stoommachine aangedreven
fabriek aan de Leij. Geconcludeerd moet worden dat veel van de 'werkloze'
spinners binnen de fabrieken aan het werk konden worden gezet.

De fabriek met fabrikantenwoning aan de
Hilvarenbeekseweg in 1904. (coll.
RHC Tilburg).
Ook de vraag waarom Tilburg zich na een eerste 'industriële revolutie' niet
snel verder ontwikkelde, wordt door Muntejewerff beantwoord, al doet hij dat
niet rechtstreeks. De oplossing moet gevonden worden in een combinatie van
factoren. Loonkosten, transportkosten en het binnen de familie beschikbaar zijn
van voldoende financieringsmogelijkheden spelen een rol. Daarnaast speelden ook
politieke factoren (de moeilijkheden met België) mee. Wanneer, zoals Pieter van
Dooren (15) ooit zelf aangaf, met goedkope arbeidskrachten gewerkt kan
worden, is de drang om kapitaal in machines te investeren beperkt.
Familisme
Ook al was de fabriek door het ontbreken van een weverij en het optreden als
loonbedrijf niet representatief voor de Tilburgse textielnijverheid, daarmee
was ze niet minder interessant. Het was dan ook alleszins gerechtvaardigd om aan
de wolspinnerij Pieter van Dooren een proefschrift te wijden. Muntjewerff heeft
niet gezocht naar een representatief bedrijf voor de Tilburgse industrie, maar
hij wilde de theorie van het familisme en de methode van financiële
ratio-analyse toetsen. Zijn kernvraag luidt: is de historische werkelijkheid van
een bedrijf te vatten aan de hand van deze begrippen.
De conclusie luidt dat het voor historisch onderzoek vrijwel ondoenlijk is om de
analyse van de kengetallen, die gebaseerd zijn op de boekhouding van de firma
Pieter van Dooren, op de voorgrond te plaatsen. De historische achtergrondkennis
moet noodzakelijkerwijs eerst vergaard worden. De verkregen kengetallen zijn
bruikbaar ter ondersteuning, maar niet geschikt als verklaring. Het begrip
familisme bleek beter bruikbaar; Muntjewerff definieert het op pagina 26.
Hij noemt familisme 'het streven van de familie der kapitaalbezitters naar
een zodanige rentabiliteitswaarde van de eigen onderneming dat daarmee het
inkomen, het aanzien en de duurzame sociale positie van de familie behouden
blijft en mogelijk versterkt kan worden'. Inherent aan deze definitie is dat
niet alleen het bedrijfsbelang, maar ook het (particuliere) familiebelang een
rol speelt. Muntjewerff noemt dat 'goed begrepen eigenbelang'. Daarmee
is dan ook direct duidelijk wat de betekenis van de factor arbeid binnen een
familiebedrijf is: volkomen ondergeschikt. Voor de Tilburgse situatie, waar
de middelgrote familiebedrijven toonaangevend waren, is de definitie van
Muntjewerff heel hanteerbaar. Ze geeft ook de grenzen aan van de immer
veronderstelde patriachale zorg.

De vennoten van de familie Van Dooren
(1880-1948) op een foto die gemaakt is ter gelegenheid
van het 100-jarig bestaan van de firma in 1927. (coll. RHC Tilburg).
Heel treffend vond ik de laatste zin van zijn uitleg over het begrip
familisme: 'Wanneer namelijk de onderneming minder oplevert in een tijd van
toenemende alternatieve mogelijkheden van inkomenswerving, en zelfs gevaar
oplevert voor het behoud van het familie-inkomen, dan verliest de continuïteit
van de onderneming het van de continuïteit van de familiepositie' (pagina
26). Wie dat leest moet onwillekeurig denken aan de sluiting van de Tilburgse
textielfabrieken. Volgens sommigen was die uitsluitend terug te voeren op
internationale ontwikkelingen. Anderen zijn van mening dat de structuur van het
familiebedrijf wel degelijk een grote rol speelde in de ondergang van de
textielindustrie in Tilburg.(16)
De opmerking van dr. J.F.E. Bläsing na afloop van de promotie, dat de familie
Van Dooren op tijd haar kapitaal uit de onderneming had teruggetrokken, moet
tamelijk wrang zijn voor de mensen die in het bedrijf hebben gewerkt. Puur op
economische grondslagen zal Bläsings opmerking ongetwijfeld juist zijn, maar ik
moest onwillekeurig (en weinig academisch) denken aan de tallozen die zonder
het genot van opbrengsten uit BV's waarin het aan de textielondernemingen
onttrokken kapitaal was ondergebracht, of royale pensioenregelingen, de
textielfabrieken moesten verlaten. Wat ik bij bedrijfsgeschiedenis altijd zo
node mis, is de aandacht voor de arbeiders in het bedrijf. Veelal komen ze
uitsluitend terug als kostenfactor.
Het zal wel een reactie zijn op de rol die de sociale geschiedenis in Nederland
traditioneel heeft gespeeld. Eenvoudig gezegd ging de sociale geschiedenis
altijd over de arbeidende bevolking, terwijl de economische geschiedenis zich
met de ondernemersklasse bezighield. Sinds 1975 heeft de sociale geschiedenis
zich ontwikkeld in een richting waarin aandacht is voor alle lagen van de
bevolking. De bedrijfsgeschiedenis als onderdeel van de economische geschiedenis
houdt zich, naar ik mag hopen, toch niet alleen bezig met het ontstaan en
eventueel succes of verval van een onderneming en de sociale en economische
positie van de ondernemersklasse? Komt het misschien in de toekomst nog tot een
vorm van integrale ondernemingsgeschiedenis?
Wat de sociale aspecten van de geschiedschrijving over Pieter van Dooren
betreft, mis ik zaken als de stakingen die de Tilburgse textielindustrie in
1917, 1935 en 1947 troffen. Zijn deze aan Pieter van Dooren voorbijgegaan?
Een (langdurige) staking heeft toch zijn effect op het reilen en zeilen van het
bedrijf, al is het alleen maar omdat de arbeidsverhoudingen verstoord raken. De
bedrijfsgeschiedenis rekent het blijkbaar niet tot haar taak zich daarmee bezig
te houden.
Ook het werkreglement dat Ton Wagemakers (17) bij een eerste kennismaking
met het archief Pieter van Dooren tegenkwam, blijft onbesproken. Het legde nogal ingrijpend vast hoe het werk verricht behoorde te worden.
Pieter van Dooren mag zich inmiddels met de firma's Diepen en Mommers tot de
fabrieken rekenen waarover het meest geschreven is. Eerder had Ton Wagemakers
al twee artikelen aan de fabriek gewijd. In het ene werd het ontstaan van de
moderne textielfabriek en de daarmee gepaard gaande wijzigingen op sociaal
gebied besproken; het andere gaf een beeld van de festiviteiten naar aanleiding
van het 100-jarig bestaan van de stoomfabriek.(18) Muntjewerff had eerder
de wijze waarop de fabriek zich naar buiten toe presenteerde onder de loep
genomen.(19) Volop belangstelling voor de fabriek Pieter van Dooren was
er rond de sloop in 1975.(20)

Luchtfoto van de fabriek van Pieter van Dooren
aan de Hilvarenbeekseweg en aan de Leij in
1922. (coll. RHC Tilburg).
Het proefschrift van Henk Muntjewerff is uitgegeven in de serie Bijdragen
tot de geschiedenis van het zuiden van Nederland. Het is dan ook op de
bekende gedegen en makkelijk toegankelijke wijze afgewerkt. Het tweede deel
bevat 230 pagina's met bijlagen (!) waarin onder meer de financiële gegevens
van de firma Pieter van Dooren zijn verwerkt. Ook is in die bijlagen een
uitgebreide genealogie van de familie Van Dooren opgenomen. Dit is een rijke
bron voor degene die op zoek is naar banden en onderlinge relaties tussen de
diverse Tilburgse (textiel)fabrikanten. Wie zich met de geschiedenis van de
textielindustrie in Tilburg bezig wil houden, kan niet om het boek van Henk
Muntjewerff heen.
Noten
(1) Muntjewerff, H.A., De spil waar alles om draaide. Opkomst, bloei en
neergang van de Tilburgse familie-onderneming: wolspinnerij Pieter van Dooren
1825-1975. Tilburg, 1993. 2 dln.
(2) Rossen, M.J.J.G., Het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid in
Nederland. Een comparatief onderzoek in Tilburg en Enschede (1900-1925). Tilburg
1988 (diss. KUN Nijmegen).
(3) Thelen, A.A.J., Lambert Poell (1872-1937) en de katholieke sociale
beweging. Sociaal-klerikaal spanningsveld in het Bossche Diocees 1896-1915:
analyse van een mentaliteit. Tilburg, 1990 (diss. KUB Tilburg).
(4) Wagemakers, A.J.M., Buitenstaanders in actie. Socialisten en
neutraal-georganiseerden in confrontatie met de gesloten Tilburgse samenleving
1888-1919. Tilburg, 1990 (diss. KUB Tilburg).
(5) Janssens, A.A.P.O., Family and social change. The Household as
Process in an Industrializing Context, Tilburg 1840-1920. Nijmegen, 1991 (diss.
KUN Nijmegen).
(6) Plantenga, J., Een afwijkend patroon: Honderd jaar vrouwenarbeid
in Nederland en (West)-Duitsland. Amsterdam, 1993 (diss. RU Groningen).
(7) Een uitgebreid overzicht van de stand van zaken m.b.t. de Tilburgse
stadsgeschiedenis zal in het najaar verschijnen. Ik bezie de diverse
dissertaties in dit verband vanuit de bijdrage, die ze leveren aan de
geschiedenis van Tilburg.
(8) Brouwers, Jan, Literatuurgids voor de Noordbrabantse geschiedenis.
Tilburg/'s-Hertogenbosch, 1992. De vorige editie van de literatuurgids dateerde
uit 1978. Die bevatte 25 'Tilburgse' titels + 2 periodieke uitgaven. De nieuwe
gids noteert 34 titels. Zie ook tijdschrift Tilburg 1993, 25-26 over
hiaten die kunnen optreden wanneer men niet buiten de geëffende paden wil
zoeken.
(9) Dijksterhuis, B., Bijdragen tot de geschiedenis der heerlijkheid
Tilburg en Goirle. Tilburg, 1899 (diss. RU Leiden). Boeren, P.C., Het
Hart van Brabant. Schets eener economische geschiedenis van Tilburg, uitgegeven
bij gelegenheid van het honderd-jarig bestaan der Kamer van Koophandel en
Fabrieken voor Tilburg en omgeving. 1842-11 october-1942. Tilburg, 1942.
Schurink, H.J.A.M. en J.H. van Mosselveld (red.), Van Heidorp tot
Industriestad. Verkenningen in het verleden van Tilburg. Tilburg 1955.
Eerenbeemt, H.F.J.M. van den, en H.J.A.M. Schurink (red.), De opkomst van
Tilburg als industriestad. Anderhalve eeuw economische en sociale geschiedenis.
Nijmegen, 1959. Deze bundel bestaat uit kwalitatief en kwantitatief zeer
uiteenlopende bijdragen van 12 studenten.
(10) Van den Heuvel, M.C.M., Van patronaat tot soos. Een studie naar
de reproduktie van jeugdcultuur in een katholieke industriestad. Tilburg,
1993 (diss. KUB Tilburg).
(11) Happel, H. e.a., De ondergang van de Tilburgse textielindustrie.
Tilburg, 1980. 6 dln. De verantwoording van dit uitgebreide onderzoek is altijd
wat onderbelicht gebleven, niet het minst omdat het bij het verschijnen van
de zes deeltjes niet werd meegeleverd.
(12) Gorp, P.J.M. van, Tilburg eens de wolstad van Nederland. Bloei en
ondergang van de Tilburgse wollenstoffenindustrie. Eindhoven, 1987, 99.
(13) Doremalen, H.J.M. van, 'Armoede en armenzorg in Tilburg in de eerste
helft van de negentiende eeuw (1815-1854)'. Niet-gepubliceerde scriptie
Mollerinstituut Tilburg 1977, 66.
(14) Jong, G.F.A. de, 'Enige sociale aspecten van de arbeid in de
textielindustrie gedurende de 19e eeuw', in: Eerenbeemt/Schurink (red.). De
opkomst, 170. Vergelijk met Doremalen, Henk van, 'Arbeid en
arbeidsomstandigheden in Tilburg 1810-1870'. Niet-gepubliceerde doctoraalscriptie KUN Nijmegen 1982, 149-151.
(15) Dooren, Pieter van, 'Mededeeling omtrent het Fabrykswezen in
Tilburg', in: Tijdschrift ter bevordering van Nijverheid 4 (1837)
460-464.
(16) Vergelijk: Van Gorp, Tilburg eens de wolstad, 195 e.v. met
Happel e.a., De ondergang, en Commandeur, J. e.a., Ge waart mar arbeider. Een
beeld van de Tilburgse textiel 1890-1980. Tilburg, 1981.
(17) Wagemakers, Ton, 'Een moderne textielfabriek omstreeks 1830. Een
industrieel-archeologische reconstructie', in: De Lindeboom VI (1982)
91-114.
(18) Wagemakers, Ton, '"Den goeden geest en de prettige
verhouding". Pieter van Dooren honderd jaar stoom, 1927', in: Tilburg
5 (1987) 76-78. Zie ook noot 18.
(19) Muntjewerff, Henk, 'Een fabriek in vogelvlucht. De presentatie van
de firma Pieter van Dooren op haar bedrijfsdrukwerk', in: Tilburg 8
(1990) 12-19.
(20) Bos, J.M. en W. de Natris, 'Textielfabriek Pieter van Dooren te
Tilburg 1825-1975', in Textielhistorische Bijdragen 16 (1975) 69-93. De
in industrieel-archeologisch opzicht als uiterst waardevol beschouwde fabriek
werd in het monumentenjaar 1975 gesloopt.




