| 176. Ach Lieve Tijd Tilburg [1 en 2] | |||
|
Titel: |
Ach Lieve Tijd Tilburg [1 en 2] |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Paul van Dun |
|
Jaargang: |
XI (1993) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina’ s: |
85 |
Het eerste wat opvalt wanneer je de tot nu toe verschenen deeltjes van 'Ach lieve tijd Tilburg' doorladert, is de verzorgde vormgeving en de prachtige plaatjes. Ongetwijfeld heeft dit te maken met het feit dat het grote publiek de doelgroep is die redactie en uitgever met deze uitgave willen bereiken. Om deze reden is ook een notenapparaat achterwege gebleven en komt er pas in het laatste deel een zeer beknopte bibliografie. Dat laatste vind ik jammer. Beter ware het geweest om in ieder deel een korte bibliografie over het beschreven onderwerp te plaatsen. De door het lezen opgewekte honger naar meer had dan beter gestild kunnen worden.
Van alle auteurs die aan Ach Lieve Tijd meewerken, had gemeentearchivaris Gerard Steijns ongetwijfeld de moeilijkste opgave. Het is voorwaar geen sinecure om in krap 20 pagina's de hoofdlijnen van de Tilburgse (ontstaans)geschiedenis voor iedereen begrijpelijk weer te geven. Naar mijn oordeel is Steijns daar behoorlijk in geslaagd. Slechts een enkele keer veronderstelt hij te gemakkelijk dat de gemiddelde lezer wel weet of begrijpt wat hij schrijft. Zo gebruikt hij bijvoorbeeld op blz. 8 het begrip 'gouw' zonder dit uit te leggen.
Steijns behandelt in zijn verhaal onder andere de stichting van de eerste nederzettingen in hun geografische context, de herkomst van de naam Tilburg, de speciale band van Tilburg met de abdij van Tongerlo en het ontstaan van de eerste bestuursinstellingen. Ook komt de invloed van de Tachtigjarige Oorlog op het leven in het gebied rond Tilburg aan de orde en wordt kort verklaard waarom - terecht - de komst van het Franse leger in 1794 als een bevrijding werd ervaren. Vanzelfsprekend komen de verheffing van dorp tot stad in 1809 en de band van Willem II met Tilburg ter sprake. Verder besteedt Steijns kort aandacht aan de opkomst van de wolindustrie, de verhoudingen tussen wevers en fabrikanten en de stadsuitbreidingsactiviteiten in de laatste 150 jaar.
In zijn - overwegend goede - verhaal maakt Steijns echter een opmerking waar ik absoluut niet mee uit de voeten kan. Op blz. 24 veronderstelt hij dat door het katholieke beschavingsoffensief en het bestaan van organisaties als de 'Aartsbroederschap' er in Tilburg gedurende de 19e eeuw nooit een echt stadsproletariaat is ontstaan zoals in de andere industrie- en handelssteden. Mijns inziens gaat Steijns er hier volkomen aan voorbij dat het (stedelijk) proletariaat wordt gevormd door economische factoren. Het al dan niet bestaan van een beschavingsoffensief en godsdienstig-zedelijke organisaties kon dat niet verhinderen. Hooguit konden dergelijke organisaties de ontwikkeling van een proletarisch klassebewustzijn tegenhouden. Dat het in Tilburg onder de werkende klasse niet tot zulke schrijnende toestanden kwam als in de steden waaraan Steijns refereert, was dan ook vooral een gevolg van de sociaal-economische omstandigheid dat de woonsituatie er beter was. In Tilburg waren geen woonkazernes, stonden de huizen niet zo dicht op elkaar en hadden ze een tuin, ruim genoeg om groenten te verbouwen of zelfs wat kleinvee te houden.
Veel makkelijker dan Steijns hebben Henk van Doremalen en Jaap Veen het gehad bij het schrijven van deel 2 over de Tilburgers en hun vervoer. Hun onderwerp staat volgens mij veel dichter bij de belevingswereld van de doelgroep dan het in deel 1 beschreven onderwerp.
Veen en Van Doremalen schreven een smakelijk en vlot weglezend verhaal over de gevaren en de ongemakken van het goederen- en personenvervoer in en rond Tilburg in vroeger tijden. Alle vormen van openbaar en particulier vervoer; te voet, per dilligence en later per trein, bus, tram, auto en ook fiets komen uitgebreid aan de orde. De ontwikkeling van de verschillende bedrijven die zich hiermee bezighielden, wordt aan de hand van een aantal voorbeelden geschetst.
Ook aspecten van infrastructurele ontwikkelingen op het gebied van het vervoer komen ruim aan bod. Zo wordt uitgebreid de ontwikkeling van de spoorwegen en hun infrastructuur beschreven. Te lezen valt dat de lange wachttijden bij de spoorwegovergangen in de stad al in 1893 aanleiding waren een aantal verhoogde voetgangersbruggen over het spoor te bouwen. In 1913 was er in de raad al een voorstel om in het centrum een tunnel onder het spoor aan te leggen. Het huidige hoogspoor kwam pas in 1966 gereed.
Bernard van Dijk, drs. Henk van Doremalen, drs. Cor van der Heijden, drs. Menno van der Laan, Ronald Peeters en drs. Gerard Steijns (red.),
Ach Lieve Tijd, de boeiende historie van Tilburg, Zwolle, Waanders Uitgevers, 1993,
f 7,95 per afl.
Afl. 1 drs. Gerard Steijns, De Tilburgers: van dorp tot stad. Afl. 2 Jaap Veen en drs. Henk van Doremalen,
De Tilburgers en hun vervoer.




