Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
177. Ach Lieve Tijd [3 tot en met 5]
 

Titel:   

Ach Lieve Tijd [3 tot en met 5]

Ondertitel:   

Auteur:   

Paul van Dun

Jaargang:   

XII (1994) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

2

Pagina’ s:   

62-63


Journalist Ed Schilders schreef het derde deel van Ach Lieve Tijd Tilburg over de Tilburgers en hun geloof. Beter gezegd de Tilburgers en het katholieke geloof, want de andere religies komen vrijwel niet aan bod. Schilders besteedt vooral aandacht aan de laatste 200 jaar. De periode daarvoor komt slechts karig aan bod en blijft steken in een haast droge opsomming van feiten met weinig structuur. Zo blijft de behandeling van de band van Tilburg met de Norbertijner abdij van Tongerlo vrijwel beperkt tot het noemen van namen. Tilburg was met deze abdij verbonden doordat ze in 1232 het patronaatsrecht over de parochie Tilburg kreeg. Meer inhoud had Schilders hier kunnen geven door kort de specifieke zienswijze van de Norbertijnen op de parochiële zielzorg en de functie die ze daarin voor zichzelf zagen aan te geven. In de paragrafen over het Ancien Régime staan verder een paar storende en onnodige fouten. Zo staat op bladzijde 57 dat in 1648 een trieste periode begon voor het katholicisme, terwijl Steijns op bladzijde 18 van deel 1 deze - terecht - al in 1629 laat beginnen. Op pagina 57 staat verder dat de predikant na 1648 in de pastorie kwam te wonen. Blijkens een bijschrift op blz. 55 waren dat rentmeesters van de geestelijke goederen. Wie zij waren wordt niet uitgelegd. Jammer, want dan was meteen duidelijk wat er na 1648 met de Tilburgse bezittingen van de katholieke kerk gebeurde.

Bij de behandeling van de negentiende en de twintigste eeuw besteedt Schilders terecht veel aandacht aan hetgeen Zwijsen en de door hem gestichte Fraters van Tilburg en Zusters van Liefde voor de stad hebben gedaan. Ook de andere in Tilburg vertegenwoordigde ordes en congregaties en hun werkzaamheden komen aan bod. Vervolgens beschrijft Schilders de lotgevallen van een aantal bekende Tilburgse geestelijken. Onder anderen martelaar Pater Rutten, de missionaris-bisschoppen Aelen en Pessers en natuurlijk Peerke Donders. Leuke anekdotes, maar ze benaderen de grens van het triviale. Schilders had beter meer aandacht besteed aan hetgeen op blz. 72 in een paar alinea's wordt afgedaan: de grote invloed van de kerk op het maatschappelijk en geestelijk leven. Schilders eindigt met het relaas van de sloop en bijna sloop van veel kerken na de terugval van het kerkbezoek in de jaren zestig en zeventig. Het zijn tegelijkertijd vrijwel de enige stukjes die indirect iets vertellen over de gewone Tilburger en zijn geloof.

Het vierde - door Cor van der Heijden geschreven - deel gaat over het onderwijs. In een verhaal met een duidelijke structuur schetst hij de ontwikkeling van het onderwijs in Tilburg van de zestiende tot in onze eeuw.
In de loop van de zestiende eeuw bestonden er in Tilburg een hoofd- en een aantal bijscholen. Het beroep van schoolmeester werd meestal met een ander beroep gecombineerd. Het onderwijs had een sterk godsdienstig karakter, hetgeen in de zeventiende eeuw, nadat de protestantisering werd ingezet, tot grote beroering leidde. Door de verplichtingen dat de onderwijzers protestants dienden te zijn en dat de ketterse Heidelbergse Katechismus onderwezen moest worden, stuurden veel ouders hun kinderen naar clandestiene schooltjes. Deze werden door de drossaard regelmatig gesloten. In de loop van de achttiende eeuw verbeterden de verhoudingen zich. Het onderwijs in deze periode kende nog niet het klassikale systeem en had een zeer laag rendement. Na vier of vijf jaar konden veel leerlingen nog maar amper lezen of schrijven.

De onderwijshervorming van 1806 bracht enige verbetering. Het klassikaal systeem werd ingevoerd en meer nadruk kwam te liggen op de ontplooiing van het kind. Het godsdienstig onderwijs verdween. Toch bleven er problemen, zoals een tekort aan onderwijzers. Van grote betekenis voor het onderwijs was het werk van Zwijsen en de door hem opgerichte Frater- en Zustercongregaties. Zij wisten veel katholieke scholen te runnen in een tijd dat daar eigenlijk geen geld voor was. Tot rond 1970 speelden zij een belangrijke rol in het katholiek onderwijs.
De geschiedenis van het voortgezet onderwijs begint pas in de loop van de negentiende eeuw. Tilburgse jongens gingen tot dan buiten Tilburg in bijvoorbeeld Turnhout, Geel of Weert naar school. Vanaf 1864 konden ze ook in eigen stad naar de Rijks-HBS. Vanwege het openbare karakter bestond hier aanvankelijk veel weerstand tegen. In 1899 kreeg Tilburg het eerste RK-gymnasium in Brabant waaruit het Odulphuslyceum zou voortkomen. In 1926 volgde het Theresialyceum voor meisjes. Beide scholen werden in 1971 gemengd.

Een weefschool kwam er in 1877 met steun van het gemeentebestuur door toedoen van de fabrikanten. Door de industrialisatie kregen zij behoefte aan goed opgeleid kaderpersoneel. Een ambachtsschool kwam er pas in 1904. Haar eerste leerlingen kwamen vooral uit de middenklasse.
Van der Heijden eindigt zijn verhaal met de oprichting van de Tilburgse instituten voor universitair en hoger beroepsonderwijs. Katholieke geleerden als Cobbenhagen en Moller speelden bij de ontwikkeling van deze takken van onderwijs een belangrijke rol.

In deel 5 beschrijft Henk van Doremalen de textielhistorie van Tilburg. Niet alleen de wolindustrie, maar ook andere vormen van textiel, zoals de katoennijverheid die de stad in de negentiende eeuw kende, komen aan bod. Terecht ligt de nadruk echter op de wolnijverheid. Deze was immers dominant en is de grote motor van Tilburgs groei geweest. 
De auteur begint in de Middeleeuwen toen de textielnijverheid voor de boeren op de schrale Brabantse zandgronden nog duidelijk een bijverdienste was. Toch was er toen al wel degelijk vakkennis aanwezig, gegeven het feit dat toen vanuit Tilburg textieltechnische kennis naar Holland geëxporteerd werd. De semi-agrarische situatie, waarbij de textiel naast de landbouw bestond, zou tot ver in de negentiende eeuw voortduren.

Tijdens de periode van de republiek wist de textiel zich vooral te ontwikkelen doordat Tilburg op handelsgebied een uitzonderingspositie innam. Tilburgse lakens konden vrij naar Leiden geëxporteerd worden, waar de eindbewerkingen plaats vonden. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw produceerden de Tilburgse ondernemers zelfstandiger en vestigden Leidse ondernemers als Vreede zich zelfs in Tilburg. Rond 1800 was de afhankelijkheid van Leiden verdwenen. Tegelijkertijd begint dan de mechanisatie en rationalisatie van het produktieproces. In 1809 werd reeds mechanisch gesponnen en in 1827 werd bij Pieter van Dooren de eerste stoommachine geplaatst. In 1875 waren er meer dan 140 fabrieken en fabriekjes en zeer veel zogenaamde thuiswevers. Rond 1900 waren de meeste thuiswevers en kleine textielfabriekjes verdwenen. Enkel de grotere bedrijven bleven over. Op een paar fabrieken na zouden deze om diverse redenen in de jaren zestig en zeventig van onze eeuw ook verdwijnen.

Van Doremalen besteedt ook aandacht aan een aantal sociale aspecten van de textielnijverheid. Lange werktijden en lage lonen waren kenmerkend. In zijn voor het overige uitstekende exposé over de geschiedenis van deze voor Tilburg zo belangrijke bedrijfstak, gaat hij hier naar mijn mening echter eenmaal in de fout. Op bladzijde 117 stelt hij dat in het kader van de sociale strijd de kerkelijke autoriteiten zich afzijdig hielden, danwel de kant van de fabrikanten kozen. De auteur noemt onder andere de staking van 1917. Juist bij deze staking echter, koos de kerk heel duidelijk de zijde van de katholieke textielbond die, voorzien van kerkelijke goedkeuring, gezamenlijk met de socialistische bond tegen de neutrale fabrikantenorganisatie staakte. De karikatuur 'Houde gij ze mar dom, dan haaw ik ze wel èèrem' ging bij deze staking zeker niet op. Voor het overige bevat ze volgens mij wel degelijk veel waarheid.


Bernard van Dijk, drs. Henk van Doremalen, drs. Cor van der Heijden, drs. Menno van der Laan, Ronald Peeters en drs. Gerard Steijns (red.), Ach Lieve Tijd, de boeiende historie van Tilburg, Zwolle, Waanders Uitgevers, 1993-1994, f 7,95 per aflevering.

Afl. 3 Ed Schilders, De Tilburgers en hun geloof. 
Afl. 4 drs. Cor van der Heijden, De Tilburgers en hun scholen. 
Afl. 5 drs. Henk van Doremalen, De Tilburgers en hun textiel.