| 178. Ach Lieve Tijd 6 tot en met 10 | |||
|
Titel: |
Ach Lieve Tijd 6 tot en met 10 |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Paul van Dun |
|
Jaargang: |
XII (1994) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina’ s: |
87-88 |
Paul Spapens heeft een vlotte pen. Zoveel is in ieder geval duidelijk na het lezen van zijn bijdragen aan de serie. In deel 6 schrijft hij over de Tilburgers en hun feesten. Diep gaat Spapens niet op de materie in en structuur brengt hij ook niet aan, maar hij vertelt toch op een aardige manier kort de geschiedenis van allerlei in Tilburg gevierde feesten.
Conform het agrarische karakter van Tilburg, bleven boerengebruiken lang bij de diverse festiviteiten overheersen. De meeste feesten hadden een kerkelijke achtergrond. Daarnaast kwamen ook festiviteiten - al dan niet verplicht - ter gelegenheid van het staatshoofd veelvuldig voor. De 1-meivieringen mis ik overigens.
Meer volkse festiviteiten werden in het verleden door de overheid vaak tegengewerkt. Wrede volksvermaken als 'gansrijden' en 'hanenrijden' werden verboden. Een lot dat ook het gemaskerd dansen in onder andere 1756 en 1831 beschoren was.
Carnaval dat in de vorige eeuw door de geestelijkheid nog fel werd bestreden, werd pas in de jaren zestig van deze eeuw voor het eerst openbaar gevierd. In 1967 werd prins carnaval voor het eerst door de gemeentelijke overheid op het stadhuis ontvangen.
In deel 10 beschrijft Spapens de geschiedenis van de Tilburgse kermis en het Tilburgse uitgaansleven.
De oorsprong van de Tilburgse kermis ligt ergens in de middeleeuwen. Een bevredigende verklaring voor het ontstaan weet Spapens, kenner van de kermiscultuur in Tilburg, echter niet te geven.
Na 1850 ziet de auteur een duidelijke verandering in het kermisvieren optreden. Voor die tijd waren het zogenaamde boerenkermissen met het accent op de eigen activiteiten van de kermisvierders. Pas na 1850 komen de attractiekermissen zoals we die nu nog kennen. Het eten, drinken en dansen blijft na het midden van de negentiende eeuw een belangrijk aspect van de kermis. Vanaf de preekstoelen werd dan ook regelmatig opgeroepen toch vooral een nette kermis te vieren. In de negentiende eeuw zien we ook dat standsverschillen hun invloed krijgen op de manier waarop de kermis gevierd werd. Zo vierden de fabrikanten in hun sociteit de kermis van 1880 met een harmonie en symfonieorkest.
Buiten de Eerste en Tweede Wereldoorlog werd de kermis slechts één keer verboden. Dat was in 1921 vanwege de slechte economische omstandigheden. Daarna breidde het aantal kermisdagen enkel uit tot de negen die we sinds 1982 kennen. Ook het kermisgebied breidde zich in deze periode steeds meer uit.
Spapens behandelt ook de bioscopen in Tilburg. Hij geeft een opsomming van de verschillende bioscopen die Tilburg heeft gekend en een korte karakterisering van het soort films dat er gedraaid werd. De eerste bioscoopvoorstellingen werden overigens gegeven door rondreizende kermistheaters. Een ernstige tekortkoming vind ik dat Spapens de zogenaamde bioscoopkwestie die in de jaren veertig en vijftig voor heel wat beroering zorgde, niet behandelt.
Als belangrijk aspect van het uitgaansleven laat Spapens het café- en kroegleven niet onbeschreven. Hij verhaalt over de oudst bekende herberg, 't Hert op de Heuvel, die tot in het midden van de zeventiende eeuw werd uitgebaat door kasteleins die tevens schout waren. Tevens komt aan de orde dat een aantal etablissementen eigen huisbrouwerijen hadden. Over de overige brouwerijen (in 1694 26, in 1816 nog slechts 7) weet hij te vermelden dat zij uiteindelijk de concurrentieslag van de sinds 1881 brouwende trappisten verloren. Waarschijnlijk brouwden de Tilburgse brouwers ook niet zo'n goed bier, anders hadden zij in de achttiende eeuw geen protectionistische maatregelen hoeven te vragen tegen het toen populaire bier uit het Belgische Diest.
Spapens eindigt zijn verhaal met de constatering dat veel elementen in het Tilburgse uitgaansleven ongewijzigd bleven en dat er pas na de Tweede Wereldoorlog door de nieuwe jongerencultuur grote veranderingen kwamen. Hij noemt in dit kader de ondergang van de traditionele parochiële jeugdbeweging en de opkomst van de dancings en jeugdsozen. Een van de laatste stuiptrekkingen van de almacht van het katholiek zedelijkheidsoffensief was ongetwijfeld het begin 1965 voor straf vijf weken sluiten van de soos Di Rialto. Na politiecontrole was namelijk gebleken dat de jeugd er niet aan het dansen, maar aan het vrijen was.
In deel 9 behandelt Henk van Doremalen een ander aspect van de vrije tijd van de Tilburgers. De geschiedenis van de sport in Tilburg, die - volgens de auteur - voor het eerst in bredere samenhang gepresenteerd wordt. Behalve mijn favoriete sport - vissen - passeren zowat alle sporten van bridge tot veel voetbal en wielrennen (de grote populaire Tilburgse sporten) de revue. Van Doremalen verhaalt over de opkomst van de georganiseerde sport vanaf eind vorige eeuw, de weerstanden op moreel en zedelijk vlak die er aanvankelijk tegen sportbeoefening waren, en de pogingen van de geestelijkheid greep te krijgen op de georganiseerde sport. Ook komen de sociale achtergronden van de sportbeoefenaars en fans en de verschuivingen die hierin plaatsvonden aan de orde. De auteur weet zo heel aardig de sport tegen de maatschappelijke en sociaal-culturele achtergronden te plaatsen. De beschrijving van het fenomeen sport krijgt zo inhoudelijke waarde en blijft niet zoals zo vaak gebeurt beperkt tot een opsomming van hoogtepunten. Verder geeft Van Doremalen veel sportieve feiten uit het Tilburgse verleden die in sport genteresseerden zullen boeien. Het enige minpuntje vind ik dat hij op pagina 200 de schuttersgilden erbijhaalt. Naar mijn mening in dit kader niet relevant.
Cor van der Heijden schreef deel 7 over de landbouwgeschiedenis van Tilburg. De landbouw was tot ver in de twintigste eeuw een belangrijke inkomstenbron voor veel Tilburgers. Pas in 1962 vertrok boer J. Vermelis uit de Telegraafstraat. Met hem verdween het laatste boerenbedrijf uit de binnenstad.
Van der Heijden is erin geslaagd om de Tilburgse landbouwgeschiedenis in een breder kader te plaatsen. De stadsmens met weinig kennis van agrarische technieken krijgt hierdoor een aardig inzicht in de materie.
Een belangrijk aspect dat Van der Heijden behandelt, is het grondbezit. In dit kader beschrijft hij hoe de Tilburgse burgers rond 1760 in Den Haag protesteerden toen een inhalerige graaf Van Hogendorp een stuk van de 'gemeijnt' wilde inpikken om er zijn 'Reyshof' te bouwen. Ook het grondgebruik komt uitgebreid aan de orde. De aard hiervan was overigens bepalend voor de vorming van de herdgangen.
Verdere aspecten die aan de orde komen, zijn onder andere de landbouwstelsels, de schaarste aan mest in het verleden, de invloed van de landbouwcrisis in de jaren tachtig van de vorige eeuw en het werk van de NCB.
In deel 8 presenteert Henk van Doremalen een aardige en overzichtelijke weergave van de dagelijkse strijd om het bestaan in Tilburg.
Diverse aspecten komen aan bod. Na de oorzaken van de armoede in het verleden, komen de verschillende instellingen die zich met de armenzorg bezighielden aan bod. De werkwijze en filosofie van met name de Vincentiusvereniging krijgt ruime aandacht. Daarnaast behandelt Van Doremalen bijvoorbeeld ook organisaties die zich bezighielden met het bestrijden van drankmisbruik, een lang hardnekkig gebleven fenomeen dat de sociale wantoestanden verergerde.
Van Doremalen besteedt ook ruim aandacht aan de arbeidsomstandigheden en voorwaarden in de verschillende Tilburgse fabrieken. Lange werkdagen en lage lonen waren hier het meest kenmerkend. De auteur geeft goede voorbeelden zoals de lange werktijden (ook voor kinderen) bij Chrisje Mommers en het loondrukkende effect dat het eigen tuintje had. Om verbetering in de arbeidsomstandigheden te brengen werden vakbonden opgericht. Naar mijn mening belicht Van Doremalen de rol die de clerus bij de oprichting van de bonden voor textielarbeiders speelde te summier. De arbeidersstrijd in de vorm van stakingen komt vooral aan bod aan de hand van de grote textielstaking van 1935. Terecht wordt deze staking behandelt in het kader van de heersende crisis en werkloosheid. Toen in de jaren zestig en zeventig de meeste textielfabrieken gesloten werden, bleven dergelijke krachtige vormen van arbeidersstrijd achterwege. Door de eenzijdige werkgelegenheidsstructuur van de stad had de afbraak van de textielindustrie rampzalige gevolgen. Inmiddels hadden bedeling, onderstand en liefdadigheid plaats gemaakt voor wettelijk geregelde voorzieningen die indien nodig voorzagen in de meest noodzakelijke kosten van het bestaan.
Bernard van Dijk, drs. Henk van Doremalen, drs. Cor van der Heijden, drs. Menno van der Laan, Ronald Peeters en drs. Gerard Steijns (red.),
Ach Lieve Tijd, de boeiende historie van Tilburg, Zwolle, Waanders Uitgevers, 1993-1994,
f 7,95 per aflevering.
Afl. 6 Paul Spapens, De Tilburgers en hun feesten.
Afl. 7 drs. Cor van der Heijden, De Tilburgers en hun landbouw.
Afl. 8 drs. Henk van Doremalen, De Tilburgers en hun strijd om het bestaan.
Afl. 9 drs. Henk van Doremalen, De Tilburgers en hun sport.
Afl. 10 Paul Spapens, De Tilburgers en hun kermis en uitgaansleven.




