Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
179. Ach Lieve Tijd 11 tot en met 14
 

Titel:   

Ach Lieve Tijd 11 tot en met 14

Ondertitel:   

Auteur:   

Paul van Dun

Jaargang:   

XIII (1995) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina’ s:   

30-31


Cor van der Heijden beschreef in deel 11 van Ach Lieve Tijd Tilburg op een heldere wijze de ontwikkeling naar een professionele gezondheidszorg in Tilburg. Terecht begint zijn verhaal met de lijkbezorging van overleden pestlijders in de zestiende en zeventiende eeuw. De medische wetenschap was toen nog vrijwel machteloos. Dat behalve aan universiteiten opgeleide 'medicinae doctores' ook zogenaamde aderlaters, piskijkers en gebedsgenezers optraden, is in dit geval veelzeggend. Het zou nog tot begin twintigste eeuw duren dat de officiële geneesheren het moesten opnemen tegen de kwakzalvers en andere Jomanda's van toen. Het te geringe aantal erkende artsen zal hiervan ongetwijfeld mede oorzaak zijn geweest. In de negentiende eeuw was er door de sterke bevolkingsgroei op dit vlak zelfs sprake van een verslechtering. Verbetering kwam pas na de oprichting van het eerste Tilburgse ziekenfonds in 1914.

Het gemeentebestuur bemoeide zich enkel met de gezondheidszorg voor de armen. Het zo goedkoop mogelijk houden daarvan stond daarbij voorop. Niet verwonderlijk is het dan ook dat het vooral voor de armen bedoelde ziekengasthuis, dat in 1838 geopend werd, er niet op initiatief van het gemeentebestuur kwam. Dit gasthuis - waar de Zusters van Liefde de verpleging op zich namen - had overigens een slechte naam; men ging er alleen heen om te sterven. Pas na de eeuwwisseling kwam hierin verandering. Hierdoor veranderde ook de sociale samenstelling van de patiënten. Voor een groot deel was dit het gevolg van het werk van dr. Deelen. Hij was de drijvende kracht achter de professionalisering van het gasthuis dat - omgedoopt in St. Elisabethziekenhuis - in 1929 verhuisde naar de Jan van Beverwijckstraat en vandaar in 1982 naar haar huidige locatie. Zijn tweede ziekenhuis kreeg Tilburg in 1966, ruim twintig jaar nadat daar voor het eerst over gesproken was.

Over het gemeentebestuur schreef archivaris Gerard Steijns. Zijn verhaal begint in de middeleeuwen en behandelt niet alleen het bestuur, maar ook de rechtspraak. Tot 1811 was dit namelijk ook een taak van de schepenbank die uit naam van de heer Tilburg en Goirle bestuurde. De procesgang wordt uitgelegd en een aantal aardige voorbeelden van gevoerde processen wordt gegeven. De schepenbank sprak recht in civiele en criminele zaken en kon zelfs de doodstraf opleggen.

De bestuurstaak werd, nadat deze in de praktijk gedurende eeuwen was gegroeid, pas in 1732 vanuit Den Haag definitief geregeld. In 1660 was al wel bepaald dat alleen gereformeerden in de schepenbank zitting mochten nemen. Na de komst van de Fransen werden zij al snel vervangen door de aanhangers van de Bataafse revolutie. Tussenkomst van de geestelijkheid zorgde ervoor dat al snel gematigder personen op de belangrijke bestuurlijke posten kwamen te zitten. Zo kwamen in de negentiende eeuw de Tilburgse fabrikanten en andere welgestelden op de sleutelposities van het Tilburgse bestuur. Zij wisten de touwtjes in handen te houden door samen met familieleden in kleine kring de ambten door te geven. Na 1900 zou dat door onder andere de komst van het algemeen kiesrecht veranderen. Er kwamen ook arbeiders in de raad en katholieke arbeiders werden wethouder. In dit kader vind ik het een niet onbelangrijke misser van de auteur dat hij de affaire Bart van Pelt niet noemt. Deze geboren en getogen Tilburger was van huis uit katholiek en later socialist geworden. Vanwege deze combinatie wilde de KVP hem in 1953 niet als wethouder. Een duidelijk teken dat de negentiende-eeuwse regentenmentaliteit nog niet verdwenen was.
Steijns besteedt verder nog kort aandacht aan de wijze waarop het bestuur van de stad zijn taak opnam. Tot ongeveer 1900 was dit vooral onthouding van overheidsbemoeienis en zuinigheid, pas daarna greep de overheid meer in. Jammer dat de achtergronden niet nader worden toegelicht.

Militair-historicus Herman Roosenbeek schreef aflevering 13 over de Tilburgers en de soldaten. De soldaten die hier in de zestiende en zeventiende eeuw waren, brachten vooral ellende en een keer letterlijk de pest, waardoor 20% van de bevolking het leven verloor. Voor de verspreiding van ziekten zorgden ook de soldaten die hier in het kader van de Belgische opstand ingekwartierd waren. Door hun seksuele behoeften steeg het aantal syfilisgevallen. Het aantal prostituées en onwettige geboorten overigens ook.

Willem II vestigde in Tilburg tijdelijk het hoofdkwartier van de opperbevelhebber van het leger. Na zijn dood vertrok dat snel. In 1856 verlieten de laatste dragonders de stad. Rond de eeuwwisseling probeerde de gemeente weer een garnizoen in de stad te krijgen. Het waarom hiervan maakt de auteur niet duidelijk. Het door hem genoemde Duitse gevaar lijkt mij onvoldoende als verklaring. Gevolg was in ieder geval de bouw van de Kromhoutkazerne nabij de Bredaseweg. Het aantal militairen werd tijdens de Eerste Wereldoorlog nog vergroot door de inkwartiering van veel gemobiliseerden. De officieren werden bij de gegoede burgerij ingekwartierd, de gewone manschappen werden onder slechte hygiënische omstandigheden in lege fabrieken 'gehuisvest'. Helaas gaat de schrijver onvoldoende in op de bijdrage van de laatstgenoemden aan de verspreiding van de socialistische gedachte.

Gedurende de Tweede Wereldoorlog herbergden de twee Tilburgse kazernes de soldaten van de fascistische onderdrukker. Na hun verdrijving werden er in transport gespecialiseerde troepen en een militaire rijopleiding in gelegerd. Zij veroorzaakten in het verkeer van de stad een 'groene plaag'. Op 30 april 1993 verdwenen de laatste militairen uit de stad.
Volgens mij kunnen we blij zijn dat Tilburg geen militaire stad meer is. Uitgezonderd de Schotse militairen die de stad in 1944 bevrijd hebben, brachten de soldaten overwegend weinig goeds.

Henk van Doremalen schreef aflevering 14 over ambacht en industrie. Het is een goed verhaal geworden dat duidelijk maakt dat er in Tilburg meer is geweest dan alleen textiel. Zo waren er in Tilburg van oudsher smeden, timmermannen, bierbrouwers, molenaars, looiers en schoenmakers. Voor een groot deel werkten zij aanvankelijk alleen voor de lokale markt. In de dynamiek van de economische ontwikkeling tijdens de negentiende en twintigste eeuw wisten enkelen van hen hun bedrijven fors te laten groeien. Van Doremalen geeft een aantal goede voorbeelden, die hij nader toelicht; bij de smeden noemt hij de firma Merkx. Deze uit Oirschot afkomstige smedenfamilie vestigde zich in 1800 in Tilburg en wist zich te ontwikkelen tot een heuse machinefabriek en ijzergieterij. In de schoen- en lederindustrie veranderde door de komst van de stikmachine veel in de verhouding tussen de tot dan toe gewoon samenwerkende baas en knecht. Uit deze bedrijfstak geeft Van Doremalen onder andere het voorbeeld Van Arendonk. Deze firmant, die alles heeft geprobeerd om het verenigingsrecht onder zijn arbeiders tegen te houden, kon zich zelfs een tijdje eigenaar van de grootste schoenfabriek van Nederland noemen.

Verder komt onder andere ook de tabaksnijverheid nog aan de orde. De bekendste firma uit deze bedrijfstak is wel die van Majoie. Ook gaat Van Doremalen nader in op een aantal timmerlieden die onder andere door de bouw van de vele fabrieken konden uitgroeien tot heuse aannemers, en komen de Volt en de werkplaats van de spoorwegen nog aan de orde. Deze laatste, die aanvankelijk veel personeel van buiten Tilburg aantrok, was enige tijd de grootste werkgever van Tilburg. 


Bernard van Dijk, drs. Henk van Doremalen, drs. Cor van der Heijden, drs. Menno van der Laan, Ronald Peeters en drs. Gerard Steijns (red.), Ach Lieve Tijd, de boeiende historie van Tilburg, Zwolle, Waanders Uitgevers, 1994,f 7,95 per aflevering.
Afl. 11 drs. Cor van der Heijden, De Tilburgers en hun gezondheidszorg
Afl. 12 drs. Gerard Steijns m.m.v. Arjan van Loon, De Tilburgers en hun bestuur en rechtspraak
Afl. 13. drs. Herman Roosenbeek, De Tilburgers en de soldaten
Afl. 14 drs. Henk van Doremalen, De Tilburgers en hun ambacht en industrie.