| 180. Ach Lieve Tijd 15 tot en met 19 | |||
|
Titel: |
Ach Lieve Tijd 15 tot en met 19 |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Paul van Dun |
|
Jaargang: |
XIII (1995) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
2 |
|
Pagina’ s: |
63-65 |
Aan de hand van geboorte, huwelijk en overlijden behandelt Cor van der Heijden in deel 15 van
'Ach Lieve Tijd Tilburg' het leven van alledag. Van der Heijden is op deze terreinen goed thuis. het resultaat is dan ook een helder verhaal met een duidelijke lijn, een enkel schoonheidsfoutje daargelaten.
Van de Heijden opent met het verschijnsel van de grote gezinnen. Iets wat door de geestelijkheid overigens pas vanaf ongeveer 1900 werd gepropageerd. In 1918 werd in Tilburg een RK bond voor grote gezinnen opgericht. Hij geeft aan dat rond 1900 het Tilburgse geboortencijfer boven het landelijk gemiddelde lag. Tot ongeveer 1880 lag het geboortencijfer in de Zuidelijke provincies onder het landelijk gemiddelde. Tot in de twintigste eeuw bleef de zuigelingensterfte hoog. Onzorgvuldigheid bij de hygiëne met flesvoeding was hier een van de belangrijke oorzaken. De in 1919 opgerichte
'R.K. Wijkverpleging Het Wit-Gele Kruis' deed belangrijk werk om de zuigelingensterfte te verminderen. Ook om de zuigelingensterfte te verlagen kwam het gemeenetbestuur in het begin van de negentiende eeuw met een aantal verordeningen die professionele verloskundige hulp verplicht stelden.
Over het huwelijk weet de auteur te vermelden dat de gemiddelde huwelijksleeftijd als gevolg van de veranderde economische structuur voor de mannen op 26 jaar en voor de vrouwen op 25 jaar lag. Na de industrialisatie verdween het agrarisch ambachtelijk huwelijkspatroon. Door het fabriekswerk bereikte men eerder het financieel maximaal haalbare dan voorheen, zodat men eerder op eigen benen kon staan. Van der Heijden geeft verder nog leuke wetenswaardigheden over het huwelijksfeest en andere gebeurtenissen rond het huwelijk. Zo noemt hij de gewoonte van jongemannen om met donderbussen bij het huis van de bruid een traktatie af te dwingen; het zogenaamde
'schietbier'. Waarom de auteur hier niet het veel gangbaarder begrip 'kwanselbier' heeft gebruikt, is mij een raadsel.
Van der Heijden gaat verder nog in op de huisvestingssituatie in het verleden. Zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve woningnood komen daarbij aan de orde. Lang werd woningbouw en -verhuur aan het particulier initiatief overgelaten. Tilburg kreeg pas laat (1913) zijn eerste woningbouwvereniging. Ook de bejaardenzorg en -huisvesting worden kort behandeld. Tilburg kreeg in 1888 zijn eerste bejaardenoord. Aardig is het om te lezen hoe het de oudjes langzaam maar zeker verboden werd om een borreltje te drinken.
Via besmettelijke ziekten en epidemieën komt Van der Heijden ten slotte op het onderwerp overlijden en begraven. Hij bespreekt de vele gebruiken die er op dit terrein bestonden. In het verleden stond burenhulp daarbij centraal. Nu is het de begrafenisondernemer die alles regelt.
Journalist Paul Spapens schreef deel 16 over de Tilburgers en hun kooplust. Het is een opsomming van feiten geworden, waarbij een goede structuur ontbreekt. Losse opmerkingen over bijvoorbeeld de invloed van de wolnijverheid en de hoge mate van zelfvoorziening van de Tilburgse bevolking op de ontwikkeling van het marktwezen worden niet uitgewerkt.
De auteur begint in de prehistorie, stipt daarna de Romeinse tijd en de middeleeuwen aan, om vervolgens de verlening van het marktrecht aan Tilburg te noemen. Dit gebeurde in 1574 toen het voor de Tilburgers door de vele oorlogshandelingen te gevaarlijk was geworden naar elders te gaan. Spapens geeft verder een opsomming van wat er tot ongeveer 1900 door een aantal individuele kooplieden ter markt werd aangevoerd. In hoeverre deze produkten representatief zijn voor het totaal verhandelde is niet duidelijk. Over de plaats waar de markt gehouden werd, geeft hij een aantal aardige wetenswaardigheden. Zo is er door de herbergiers van de Heuvel veel aan gedaan om de markt aldaar te krijgen. De daardoor te verwachten omzetstijging was kennelijk dusdanig, dat men het in 1598 de moeite waard vond om gemeentesecretaris Jan de Roy ervoor af te rossen. Spapens behandelt verder summier een aantal andere markten, zoals de Besterdse. Door de ontwikkeling van het winkelbedrijf vanaf eind negentiende eeuw verloren de markten aan belang.
Op het vlak van het winkelbedrijf behandelt Spapens uiteraard de ontwikkeling van de al in 1656 verharde Heuvelstraat tot winkelstraat. Ook de later ontstane winkelcentra, zoals Westermarkt, Palet- en Wagnerplein, worden kort behandeld.
Gerard Steijns en Henk van Doremalen tekenden voor deel 17 over het Tilburgse culturele leven. Lange tijd was hiervan in Tilburg echter geen sprake. Angst voor zedelijke bedreiging leidde - aldus de auteurs - voor brede lagen van de bevolking tot ver in deze eeuw tot culturele armoede. Alleen de religieuze cultuur was toegestaan.
Zowat alle aspecten van Tilburgs culturele verleden komen aan de orde. Van beeldende kunst tot leescultuur.
Gedurende de negentiende eeuw werd het culturele leven bepaald door de zogenaamde sociëteiten. Fabrikanten, handelaren en een enkele rentenier vonden er gezelligheid en kunstzinnig vermaak, meestal in de vorm van muziek en toneel. Wars van iedere frivoliteit volgde de clerus dit met de nodige argwaan.
In 1790 kreeg Tilburg zijn eerste toneelzaal in de huidige Nieuwlandstraat. In 1808 kreeg Tilburg een tweede toneelzaal in de Heuvelstraat. In deze zalen werd vooral door amateurs gespeeld. In verband met de aanleg van de Willem II-straat moest de Nieuwe Comedie in 1870 worden afgebroken. Pas in 1926 kreeg de stad een nieuwe (nood)schouwburg in de voormalige wollenstoffenfabriek van de weduwe J.B. de Beer nabij de spoorwegovergang Heuvel-Koestraat. Wanneer er een trein langs kwam, was spelen er onmogelijk. In 1961 was dit probleem voorbij; toen werd de nieuwe schouwburg op zijn huidige locatie geopend. De auteurs vermelden niet dat dit gebouw toentertijd een van de best geoutilleerde toneelzalen van Nederland was.
Ruime aandacht besteden de auteurs ook aan de leescultuur. Slechts aangestipt wordt het eerste leesgezelschap dat in 1779 werd opgericht. Iets meer aandacht is er voor de in 1787 opgerichte
'Vaderlandsche Sociëteit'. Dit politiek georinteerde gezelschap werd door de geestelijkheid met argusogen bekeken vanwege de liberale boeken die er gelezen werden. Door het grotere publiek werd er pas in de tweede helft van onze eeuw meer gelezen. De in 1913 gestichte
'R.K. Openbare Leeszaal en Bibliotheek Sint Dionysius', de voorloper van de huidige Openbare Bibliotheek, werd aanvankelijk vooral voor het betere deel van de burgerklasse opgericht. Geestelijken als censor zorgden ervoor dat alleen
'leerzame boeken en vertrouwbare ontspanningslectuur' werden verstrekt. Na 1965 verdwijnt de censuur, komt er ruimere huisvesting, voldoende geld en een grote toestroom van nieuw
lezerspubliek.
De auteurs besteden verder nog aandacht aan de geschiedenis van de beeldende kunst, van het muziekleven en van de Tilburgse musea.
Gemeentearchivaris Steijns schreef ook deel 18 over de Tilburgers en hun stadsbeeld. Op een aardige manier beschrijft hij hier het onderwerp dat de laatste dertig jaar in de Tilburgse gemeenteraad en aan de borreltafel veel stof heeft doen opwaaien. De ontwikkeling van de stad, de stadsvernieling en -vernieuwing.
Steijns begint zijn verhaal in de negentiende eeuw met de bebouwing van wat wij nu grofweg als binnenstad kennen, de Koningswei en Hoogvenne. Alles geschiedde op basis van het particulier initiatief, pas na de Eerste Wereldoorlog zou het gemeentebestuur zich met de stadsontwikkeling gaan bemoeien.
De eerste gemeentelijke uitbreidingsplannen werden in 1917 opgesteld door de directeur van Publieke Werken, ir. Rückert. Hij plande nog geen grootscheepse doorbraken, maar projecteerde wel reeds de ringbanen. Hij creëerde een aantal buurten met een zeer intiem karakter, zoals de nieuwbouwwijkjes bij de Hoefstraat, tussen Korvel en Oerle en in Broekhoven. In de jaren twintig werden deze wijkjes door de woningbouwverenigingen gerealiseerd. Door de enorme toename van het verkeer waren de plannen van Rückert overigens eind jaren dertig al achterhaald.
Na de Tweede Wereldoorlog was het verbeteren van de verkeersvoorzieningen een van de centrale punten van het gemeentelijk ruimtelijk beleid. Om die reden keurde de raad in 1959 het plan van 72 miljoen goed. Dit plan voorzag in een groot aantal doorbraken om het groeiende autoverkeer aan te kunnen. Vreselijk veel werd er gesloopt, onder andere het oude stadhuis tegenover de Heikese kerk. Becht hield er de bijnaam
'Cees de Sloper' aan over.
De kaalslag kwam tegelijk met de instorting van de textielindustrie. Het incasseringsvermogen van de Tilburgse bevolking werd hierdoor extra zwaar op de proef gesteld. Tegen verdere afbraak van de stad werden vanaf eind jaren zestig volop acties gevoerd. Veel beroering was er bijvoorbeeld rond de sloop van het fabriekscomplex van Pieter van Dooren aan de Hilvarenbeekseweg. Tegenwoordig wordt er iets voorzichtiger met het bebouwde verleden van Tilburg omgesprongen.
Steijns gaat verder nog in op de vele nieuwe woonwijken die de stad na 1945 kreeg. De bouw daarvan was noodzakelijk geworden door de geweldige bevolkingstoename. Tussen 1940 en 1960 was deze zelfs 47%.
In het negentiende en laatste deel van de serie staat een bijdrage van Cor van der Heijden, die een globaal beeld geeft van het over Tilburg gepubliceerde werk. Kort passeren de zestiende- en zeventiende-eeuwse Tilburgse pastoors die over hun parochie schreven. Ook komen personen als Pieter Vreede, Adriaan van der Willigen, Elise van Calcar, die in dagboeken en/of persoonlijke herinneringen over Tilburg schreven aan de orde.
Pas na 1900 werden de autochtone schrijvers van belang; op hen gaat Van der Heijden wat uitgebreider in. Hij noemt onder anderen Ed de Nève, Anton Roothaert en Jan Horsten. Een veel terugkerend thema bij deze auteurs zijn de verschillen in levensstijl tussen fabrikanten en arbeidersklasse. De Nève geeft in zijn boek 'Bij ons op den Heuvel' bijvoorbeeld een prachtig beeld van de fabrikanten als verwaande, protserige en aanmatigende dommeriken wier interesse niet verder ging dan geld. Roothaert schreef in Antwerpen zijn 'Doctor Vlimmen', gebaseerd op zijn tochten met dierenarts Pulles langs boerderijen in Tilburg en omgeving. Katholieke recensenten vonden zijn boek maar venijnig.
Wat meer idealiserend schreef bijvoorbeeld pater Piet Heerkens, en tekende Cees Robben. Van der Heijden geeft verder nog een globaal overzicht van de kranten die in Tilburg werden uitgegeven.
In deel 19 staat eveneens het door Arjan van Loon met veel accuratesse samengestelde register op de totale serie. Hoewel, als je echt gaat zoeken, dan kom je altijd wel kleine foutjes of omissies tegen. Zo staat er op bladzijde 421 een foto met bijschrift van de aanleg door de werkverschaffing van het Wandelbos in 1921. Met een verwijzing naar het bijschrift komt het wandelbos wel, maar de werkverschaffing niet in het register voor. Hetzelfde is van toepassing op een op pagina 191 afgebeelde groepsfoto van bij genoemd werkverschaffingsproject werkende arbeiders. Ik vind dat jammer, want werkverschaffing was een belangrijk maatschappelijk verschijnsel.
De op bladzijde 458-459 opgenomen literatuurlijst vind ik een aanfluiting. Ze is niet volledig en onduidelijk is op basis van welke criteria ze is samengesteld. Op het eerste gezicht lijkt er gekozen te zijn voor opname van alleen boeken. Ook boeken die niet specifiek over Tilburg gaan. Belangrijke artikelen die in het jaarboek 'De Lindeboom' en het tijdschrift
'Tilburg' werden gepubliceerd zijn niet opgenomen. Van een duidelijk lijn inzake in andere tijdschriften gepubliceerde artikelen is ook geen sprake. Zo is bijvoorbeeld wel een artikel dat Henk Roosenboom in
'Varia Historica Brabantica' publiceerde opgenomen. Maar diverse andere artikelen, gepubliceerd in bijvoorbeeld de
'Textielhistorische Bijdragen' of het 'Noordbrabants Historisch Jaarboek' zijn niet opgenomen. Een blunder is gemaakt bij de vermelding van Angelique Janssens' dissertatie. De bibliografische gegevens van de ongepubliceerde proefschiftversie, en niet de gegevens van de twee jaar later bij Cambridge University press uitgegeven handelseditie zijn opgenomen.
Afsluitend kom ik tot de slotsom dat 'Ach Lieve Tijd Tilburg' een aardige vorm van populaire geschiedschrijving heeft opgeleverd. Een duidelijk minpunt blijf ik vinden dat op belangrijke punten - zoals de volgorde van de hoofdstukken - het primaat bij de verkoopargumenten van de uitgever ligt. Zo moest en zou het nummer over feesten rond carnaval uitkomen. Het in het verlengde daarvan liggende nummer over de kermis mocht pas een paar maanden later uitkomen. Door dit soort ondernemersgeest is een goede wetenschappelijk en didactisch te verantwoorden opzet achterwege gebleven. Dat een overwegend uit academisch geschoolde historici samengestelde redactie hiermee akkoord is gegaan, vind ik onbegrijpelijk.
Verder blijf ik op het standpunt staan dat er beter per onderwerp in ieder deel een korte bibliografie had kunnen komen (Zie:
'Tilburg', jrg. 11, nr. 3). Dan had de serie voor het grote publiek nog beter kunnen dienen als een eerste kennismaking met de rijke Tilburgse geschiedenis.
Bernard van Dijk, drs. Henk van Doremalen, drs. Cor van der Heijden, drs. Menno van der Laan, Ronald Peeters en drs. Gerard Steijns (red.),
Ach Lieve Tijd, de boeiende historie van Tilburg, Zwolle, Waanders Uitgevers, 1994,
f 7,95 per aflevering.
Afl. 15 drs. Cor van der Heijden, De Tilburgers en het leven van alledag. Afl. 16 Paul Spapens,
De Tilburgers en hun kooplust. Afl. 17 drs. Henk van Doremalen en drs. Gerard Steijns,
De Tilburgers en hun culturele leven. Afl. 18 drs. Gerard Steijns, De Tilburgers en hun
stadsbeeld. Afl. 19 drs. Cor van der Heijden De Tilburgers en hun boeiende
historie; Arjan van Loon, Register.
Zie ook: reactie op recensie door Menno van der Laan in 'Tilburg', XIII (1995), nr. 2, p. 65.




