| 182. 'Uitgescholden voor donker' | |||
|
Titel: |
'Uitgescholden voor donker' |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Frans van Gaal * |
|
Jaargang: |
IX (1991) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina’ s: |
22-26 |
In september 1990 promoveerde Ton Wagemakers aan de Katholieke Universiteit Brabant. Zijn proefschrift draagt de titel
Buitenstaanders in actie; socialisten en neutraal-georganiseerden in confrontatie met de Tilburgse samenleving, 1888-1919. Daarmee zag Ton Wagemakers jarenlange noeste wetenschappelijke arbeid (in de vrije tijd!) bekroond. De Stichting Zuidelijk Historisch Contact nam het proefschrift op in de reeks 'Bijdragen tot de geschiedenis van het zuiden van Nederland'. Voorlopig wordt hiermee een drieluik voltooid van studies over het socialisme in de provincie Noord-Brabant. Eerder verschenen immers studies over het socialisme in Breda en 's-Hertogenbosch. Het wachten is op een studie over het socialisme in de grootste Brabantse stad Eindhoven.
Genoemde uitgaven maken het echter nu reeds mogelijk te vergelijken. Tevens kunnen ze opheldering verschaffen omtrent de vraag of er mogelijk sprake is geweest van typisch Brabantse bijdragen aan de ontwikkeling van het
socialisme.
Rode draad
'Hoe kon een klein groepje 'buitenstaanders' (socialisten en gelijkgezinden) in iets meer dan dertig jaar tijd, uitgroeien tot een flinke beweging waar vriend en vooral vijand rekening mee moesten houden ?'
Met deze vraag kiest Wagemakers voor een heldere probleemstelling. De toegankelijkheid van zijn studie is ermee gediend. Wagemakers houdt met deze keuze ook een duidelijk herkenbare rode draad voor ogen. Wagemakers' probleemstelling heeft echter meer voordelen. Hij vestigt de aandacht op een vraagstuk dat, hoe essentieel het ook geweest mag zijn voor de ontwikkeling van het socialisme in Noord-Brabant, te weinig aandacht heeft gekregen. De socialistische beweging, in het bijzonder de sociaal-democratische uitgave ervan, kwam van boven de rivieren. De officiële ideologie mocht de tegenstelling kapitaal-arbeid centraal stellen, de noord-zuid tegenstelling is er niet - veel minder - belangrijker op geweest. Meer en langer dan bijvoorbeeld in het westen van het land waren de socialisten buitenstaanders.
Aankondiging 'Groote Nationale Meeting' voor vakorganisatie te Tilburg,
6 juni 1909 (coll. Ton Wagemakers, RHC Tilburg).
Met enige regelmaat geeft Wagemakers voorbeelden van gebeurtenissen die wijzen op wrijving en irritatie tussen de centrale leiding in Amsterdam en afdelingsactiviteiten in Tilburg. Wagemakers praktizeert in zijn proefschrift het gevoel voor de nuance, dat nodig is om de verschillende tegenstellingen tot hun recht te laten komen. Typerend is in dit verband bijvoorbeeld zijn kijk op de gebeurtenissen in en na de 'revolutieweek' in november 1918. De dagen van de 'bibberbourgeoisie' mogen dan tot gevolg hebben gehad dat behoudend Nederland in de periode na november 1918 een aanzienlijke concessiebereidheid vertoonde, in Tilburg ervoeren de vertegenwoordigers van de progressieve vakorganisaties ook een negatief gevolg van de gebeurtenissen. De grote textielstaking in 1917 had in Tilburg geleid tot aanzienlijk verbeterde verhoudingen tussen de vertegenwoordigers van de katholieke en NVV-vakorganisaties in de textielindustrie. De reactie van de katholieke machtshebbers in Tilburg op de novembergebeurtenissen vertroebelden die verbeterde verhoudingen aanzienlijk. Een voordeel van Wagemakers' uitgangspunt is zeker ook het gegeven dat hij gedurende zijn onderzoek socioloog en historicus is gebleven.
Wagemakers' keuze heeft geleid tot een uitermate waardevolle bijdrage aan de stadsgeschiedenis van Tilburg. Omdat het de recente geschiedenis van de stad betreft, zouden heel wat politici en beleidsambtenaren er hun voordeel mee kunnen doen.
De geschiedschrijving van socialisme en arbeidersbeweging vanuit regionaal perspectief heeft met deze studie al evenzeer een stap voorwaarts gedaan.
Elke keuze impliceert beperking. Wagemakers kiest voor een studie over een relatief gesloten lokale samenleving. Wellicht dat deze keuze hier en daar ten koste is gegaan van aandacht voor de wisselwerking tussen landelijke en regionale ontwikkelingen. De ingroei van de Tilburgse buitenstaanders (lees socialisten en gelijkgezinden) ging immers gepaard met een zekere ingroei van socialisme en arbeidersbeweging in geheel Nederland.
Bossche bijdragen
De meest kritische oppositie tijdens de promotie van ondergetekende kwam van de Bossche hoogleraar Jacobs (sociaal en politiek recht). De teneur van zijn oppositie was zo ongeveer:
'lauwheid en gezapigheid domineerden toch onder de Bossche arbeidersklasse; vormt uw proefschrift daarvan niet de bevestiging?'
Natuurlijk heb ik hem in het ongelijk proberen te stellen. En voorzover ikzelf nog het idee mocht hebben Jacobs niet voldoende van repliek te hebben gediend, heeft Ton Wagemakers iets aan mijn antwoord toegevoegd. Immers, met name gedurende de periode dat socialistische geluiden en opvattingen omtrent vakbondsorganisatie in Tilburg nog van buitenstaanders moesten komen, speelden ex-Bosschenaren of in 's-Hertogenbosch woonachtigen een belangrijke of tenminste stimulerende rol. Wagemakers' beschrijving van de eerste socialistische en tegendraadse geluiden in Tilburg gedurende de jaren negentig van de vorige eeuw bevestigt hetgeen bijvoorbeeld ook Willem Vliegen beschreef in 'Dageraad der Volksbevrijding'. Vanuit 's-Hertogenbosch werd heel wat ondernomen om andere steden, dorpen en streken onder (socialistisch) vuur te nemen.
Het Volksgebouw in de wijk de Besterd, 1915
(coll. Ton Wagemakers, RHC Tilburg).
De komst van de voormalige agent van de Bossche politie Johan Kortman - in 's-Hertogenbosch ontslagen vanwege zijn socilistische sympathieën – naar Tilburg in het najaar van 1893, leidt tot oprichting van een SDB- afdeling in januari 1894. Zijn bierhuis heft voor enige tijd het lokalenprobleem op, in die dagen van vitaal belang. Christiaan Cornelissen, in 's-Hertogenbosch geboren en volwassen geworden, hield als een van de eersten de Tilburgse textielarbeiders het nut voor van een zelfstandige vakorganisatie.
Tijdens de eerste jaren van deze eeuw speelt de Bossche sigarenmaker L.A. Willems een belangrijke, zo niet vooraanstaande rol in de Tilburgse SDAP-afdeling. De Bossche bijdrage aan de ontwikkeling van het socialisme in Tilburg vindt een zeker hoogtepunt in het optreden van Toon Michielsen. Deze Bosschenaar was wagenmaker en verbonden aan de Werkplaats. Wagemakers beschrijft Michielsen als iemand die immer grote populariteit genoot onder zijn medearbeiders. Aanzienlijk minder geliefd was hij onder landelijke bestuurders van de SDAP, in welke partij hij gedurende het eerste decennium van deze eeuw een belangrijke rol speelde. Wagemakers portretteert Michielsen als
'de katholieke Brabander die niets moet hebben van de bemoeizucht van boven de rivieren'.
Uit het leven gegrepen
'Ik was ook van de partij en mijn moeder stond op mij te wachten met tranen in haar ogen. Zij verzocht mij, niet met de socialisten mee te lopen, maar ondanks dat ik veel van mijn moeder hield, weigerde ik daaraan gehoor te geven.' Wagemakers citeert hier Bart van Pelt uit diens neergeschreven
'Herinneringen'. Van Pelt (1889-1958) ontwikkelde zich tot de belangrijkste woordvoerder van de Tilburgse arbeidersbeweging. In de levensgeschiedenis van deze beminnelijke persoonlijkheid laat Wagemakers klip en klaar tot uitdrukking komen dat, zoals elders in Brabant, ook in Tilburg reële pogingen zijn ondernomen katholicisme en socialisme met elkaar te verenigen.
'Wat de geestelijkheid leert inzake den godsdienst, kan ik als katholiek onderschrijven, maar voor de rest moesten zij de
arbeiders laten handelen, zooals deze zelf meenen, dat het moet.'
Het citaat kan model staan voor het persoonlijke en maatschappelijke streven van Bart van Pelt. Aan de stijl van handelen van de Tilburgse SDAP gaf Van Pelt daarmee een voor deze stad geëigende invulling van bijvoorbeeld sociaal-democratische gemeentepolitiek. Als betaald propagandist van de Tilburgse afdeling van de NVV-textielarbeidersbond 'de Eendracht' engageerde hij zich met het lot van alle Tilburgse textielarbeiders, of ze nu van 'zijn' Eendracht lid waren of van de katholieke bond. Wat Van Pelt bezighield, hield alle maatschappelijk geëngageerden in Tilburg bezig.
Dat Wagemakers de levensgeschiedenis van Bart van Pelt koos ter illustratie van zijn bevindingen is daarom geen toevalstreffer. Daarvoor is ook deze korte biografie te treffend.
Uit het leven van de deelnemers zelf gegrepen getuigenissen leveren vaak een markante overeenkomst op met hetgeen de (sociaal-)historicus na kennisname van uiteenlopende schriftelijke bronnen neer kan schrijven. Wat extra aandacht ervoor doet ook recht aan de rol van persoonlijkheden in de ontwikkeling van een maatschappelijke beweging.
Zo mogelijk meer dan elders markeert in Tilburg het kortstondige bestaan van de Socialistenbond (SB) een overgangsfase in het denken en handelen van de socialistische beweging in de tweede helft van de jaren negentig in de vorige eeuw. In de persoonlijke levensgeschiedenis van 'buitenstaander' Hendrik Jan Horsman schetst Wagemakers op treffende wijze hoezeer in de Tilburgse omstandigheden de Socialistenbond een trait d'union vormde tussen de teloorgaande Sociaaldemocratische Bond (SDB) en de veldwinnende Sociaaldemocratische Arbeiderspartij
(SDAP).
'Telkens verhinderd'
Mensen zoeken in hun organisatie ruimte om zichzelf te zijn. De ontstaansgeschiedenis van de arbeidersbeweging geeft daarvan talrijke voorbeelden. De bevindingen van Wagemakers vormen daarop geen uitzondering. In zijn studie wijst hij de lezer met enige regelmaat op het spanningsveld zo kenmerkend voor centralistisch-geleide organisaties. Enerzijds was er een landelijk partijbestuur van de SDAP, dat de 'in Amsterdam' ontwikkelde strijdpunten en ideologische uitgangsstellingen graag in alle afdelingen gepractiseerd zag. Anderzijds ervoeren de SDAP-leden in de afdelingen zelf vaak dat dit nogal eens ten koste ging van het inlevingsvermogen voor het specifiek streekgebondene. Onder meer in Tilburg waren diverse vooraanstaande sociaaldemocraten ervan overtuigd dat de landelijke SDAP-leiding te weinig oog had voor de mogelijkheden om sympathie voor het socialisme samen te laten gaan met een zuidelijke geloofsbeleving.
De Tilburgse sociaaldemocraten eisten een speelruimte voor zich op die ze niet steeds vanzelfsprekend kregen. Dat ze die belangrijk vonden, moge blijken uit het voorval rond het Sneevliet-conflict in 1912-1913. Sneevliet eiste als bestuurder van de Nederlandsche Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel het recht voor zich op lid te kunnen zijn van de Sociaaldemocratische Partij (SDP), een linkse afscheiding van de SDAP. Bij het landelijk SDAP-bestuur, zich nauw verwant voelend met de organisaties die bij het NVV aangesloten waren, bestonden daartegen grote bezwaren. De Tilburgse NV-leden waren van mening dat een NVV-organisatie van haar leden niet kon eisen dat ze socialist of zelfs lid van de SDAP moesten zijn. Een dergelijke stellingname zou de wervingskracht van de 'Nederlandsche Vereeniging' in een katholieke stad als Tilburg slechts frustreren. Het conflict leidde in Tilburg tot stagnatie binnen de SDAP en zowaar een tijdelijke afscheiding van de afdeling van de 'Nederlandsche Vereeniging'.
Dit incident stond, aldus Wagemakers, niet op zichzelf. De ontwikkeling van de SDAP in Tilburg is steeds beïnvloed door tegengestelde opvattingen over de autonomie van de afdelingen. Het was, Wagemakers citerend:
'zoeken naar een evenwicht tussen de opvattingen van het partijbestuur en de mogelijkheden van de buitenstaanders in de Tilburgse samenleving'. En juist omdat buitenstaanders in de beginperiode van de SDAP-afdeling goeddeels de dienst uitmaakten, is er juist hun veel aan gelegen dit evenwicht tot stand te brengen. De Tilburgse SDAP'ers vonden dat hun positie te weinig begrip ontmoette.
'Wat is het toch treurig dat Troelstra telkens verhinderd is', schreef de afdelingsbestuurder L.A. Willems in februari 1904 aan het partijbestuur. De steun van prominente sociaaldemocraten was zo hard nodig om in het donkere zuiden verlichting te brengen. Hoe treffend is in dit verband ook het volgende citaat van een Tilburgse sociaaldemocraat:
'Men heeft zich blind gestaard op de noordelijke provincin, heeft het land beneden de Maas uitgescholden voor donker, maar liet het donker.'
In het verlengde van de socialisten streefden ook de Tilburgse vakbondsleiders steeds naar een behoorlijke mate van autonomie. Het streven van de arbeidersbeweging was gericht op verbetering van het levenspeil voor de arbeidersklasse en strijd tegen ontvoogding. In het bijzonder de Tilburgse arbeidersbeweging heeft in dat laatste naam gemaakt. Socialistische vakbondsbestuurders eisten hun ruimte op (Sneevliet-conflict). Hun collega's in katholieke vakorganisaties deden er niet voor onder. Was de interconfessionele textielarbeidersbond niet vooral een experiment onder het motto:
'hoe houden we de r.k. geestelijkheid adviseur buiten de deur?' De katholieke spoorwegarbeiders ervoeren St.Raphaël eerst als hun organisatie toen de geestelijk adviseur een paar stappen terug deed. Er was toen ruimte voor St. Raphaël om zich te ontwikkelen.
Tilburgse socialisten (SDAP) en leden van de Tilburgschen Bestuurdersbond met in Tilburg
gestationeerde militairen, omstreeks 1916 (origineel particuliere coll. Kees
Andriesse).
Wellicht kunnen politici en vakbondsbestuurders nu nog lering trekken uit de bevindingen van Wagemakers. In tal van organisaties wordt op dit moment heftig
gedebatteerd over structuren en modellen. Kiezen we voor 'top-down' (baas boven baas) of 'bottom-up' (een grote ideeënbus in de bedrijfskantine)? Het schijnt dat men hier en daar lering wil trekken uit de geschiedenis. Bij het CDA en de PvdA schijnen de beleidsmakers er inmiddels achter gekomen te zijn dat het vroegere contributiezegeltje, maandelijks verstrekt door een penningmeester, die zelf langs de leden ging, zijn onmisbare voordelen had boven de anonieme acceptgiro van 1991. Groen-Links, de nieuwe partijpolitieke formatie, voortgekomen uit een aantal partijen links van de PvdA, is op dit moment verwikkeld in onder meer een debat over de organisatiestructuur. Het schijnt dat voorstanders van een verlichte en meer eigentijdse versie van het federatiemodel aan de winnende hand zijn. Volgens ingewijden zou dit samenhangen met de keuze voor de zogeheten 'bottom-up'-benadering. Centralisme wordt afgewezen. Het is allerminst denkbeeldig dat de geschiedenis van de organisaties van de arbeidersbeweging hier een beetje heeft meegeholpen.
Dr. A.J.M. Wagemakers, Buitenstaanders in actie. Socialisten en neutraal-georganiseerden in confrontatie met de gesloten Tilburgse samenleving
1888-1919, Tilburg, Stichting Zuidelijk Historisch Contact, 1990, XXIX, 313 blz., geïll., Bijdragen tot de geschiedenis van het zuiden van Nederland, LXXXIII, ISBN 90-70641-33-X,
f 52,50.
'Uitgescholden voor donker'
* Dr. Frans van Gaal (1948) promoveerde in 1989 op een proefschrift getiteld
'Socialisme en zelfstandige arbeidersbeweging in 's-Hertogenbosch 1886-1923. Over organisatie en
mentaliteit'. Hij is werkzaam als docent aan de Streekschool voor Vorming en Beroepsonderwijs in 's-Hertogenbosch.




