| 185. In de hoek waar de klappen vallen | |||
|
Titel: |
In de hoek waar de klappen vallen |
|
Ondertitel: |
Over losse handen, blote messen en enkele lijken |
|
Auteur: |
Wim van Hest |
|
Jaargang: |
XVIII (2000) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina´s: |
86-97 |
Geweld is van alle tijden. Al lijkt het er soms op dat het typisch een fenomeen
van onze tijd is, wie een blik werpt in de oude criminele archieven zal al snel
tot de conclusie komen dat er op dit terrein weinig nieuws onder de zon is. Al
eeuwenlang worden mensen geconfronteerd met uitingen van agressie en het lijkt
wel of de neiging tot geweld er bij de mens ingebakken zit.
Natuurlijk kan de een met dit ongerief wat beter overweg dan de ander. Terwijl
de meesten erin slagen in het leven van alledag hun neiging tot agressie in
vreedzamer banen te leiden, blijft er ook een categorie medemensen bij wie
regelmatig de zaken uit de hand lopen. Allerlei uitingen van lichamelijk geweld
- of we daar nu het modieuze predikaat "zinloos" aan toevoegen of niet
- zijn maar moeilijk weg te denken uit onze wereld; evenzo uit de wereld van
onze voorouders.
Het zal dan ook niemand verbazen dat we bij een onderzoek naar het wel en wee
van de Tilburgse familie Van Heijst/Van Hest van tijd tot tijd een aantal
familieleden op ons pad ontmoeten die blijkbaar horen bij die groep mensen bij
wie gemakkelijk de vlam in de pan slaat. Waar ze ook komen, zij raken steeds
opnieuw verzeild in ruzies en vechtpartijen en soms lijkt het of ze als een
magneet het geweld naar zich toe trekken. Vaak menen ze het niet zo kwaad en
diep in hun hart zijn het geen beroerlingen, maar zij beschikken blijkbaar niet
over de vaardigheid om zichzelf in zulke situaties in de hand te houden. Ze zijn
licht ontvlambaar, heetgebakerd, hun handen zitten wat los, of, in goed Tilburgs:
"ut zen hêête duvels". Soms blijft de agressie beperkt tot "enighe
harde woorden" , maar als de strijd alleen met woorden niet valt te
winnen, schakelt men over op andere middelen. Niet zelden moeten voet of vuist
voor sterkere argumenten zorgen en als dat niet helpt wordt er gegrepen naar
stok of "clippel", maar ook een bierpint of een "bloot
mes" is geen zeldzaamheid. Dan kan de zaak weleens behoorlijk escaleren
en kunnen de gevolgen ernstig zijn: "sware quetsueren, grouwelijcke
sneeden" en ... van tijd tot tijd een lijk. Want ook in vroeger eeuwen
kon agressie een zware tol eisen en meer dan eens vallen er dan ook dodelijke
slachtoffers te betreuren.
Opvallend is dat in één tak van de familie zo vaak iemand betrokken was bij
uitingen van geweld dat je met recht kunt spreken van "de hoek waar de
klappen vielen". Al blijken er in deze familietak dan heel wat rake klappen
te zijn gevallen, je kunt er niet zomaar de conclusie uit trekken dat het hier
alleen de slàchtoffers van geweldsdelicten betreft. Dezelfde personen die de
slagen moesten incasseren hebben dikwijls ook zelf de nodige klappen uitgedeeld
of anders toch meer dan eens door hun gedrag of hun uitlatingen de gewelddadige
reactie van de tegenpartij opgeroepen of uitgelokt. Bij menig treffen is er
sprake van een hoog eigen-schuld-dikke-bult-gehalte. En zo belanden we te midden
van een verzameling lichtgeraakte heethoofden aan de ene kant en een aantal
machteloze slachtoffers aan de andere kant; tussen ruziezoekende herrieschoppers
enerzijds en hulpeloze underdogs ter andere zijde. Een ware mix van opvliegende
figuren die nogal eens vlug het recht in eigen hand nemen en hun minder
assertieve dorpsgenoten die van dat agressieve optreden de dupe zijn geworden.
Onnodig te vermelden dat in niet weinig gevallen naast het licht ontvlambare
karakter van de betrokkenen ook het drankgebruik een niet te verwaarlozen rol
heeft gespeeld.
Voordat we u met enkele van deze familieleden-met-losse-handen - en mogelijk ook
wel met-lange-tenen - laten kennismaken, geven we hier een genealogisch
overzicht, waarin een gedeelte van de betreffende familietak schematisch is
weergegeven. De namen van de direct betrokkenen zijn vet afgedrukt. De nummers
verwijzen naar de acht hiernavolgende bijdragen waarin hun "wandaden"
nader uit de doeken worden gedaan of waarin zij de rol van lijdend voorwerp
vervullen.
1. Zonder een teken van leedwezen
Een van de zonen van Adriaen Gerit Huijben en Maeijcken Somers is Adriaen. In
1639 is hij getrouwd met Jenneken Cornelis Jan Buermans en als we hem in 1646
ontmoeten is hij inmiddels zo'n dertig jaar en vader van drie jonge kinderen.
Maar denk nu niet dat leeftijd en vaderschap hem tot een kalme en bedaarde man
hebben gemaakt. Adriaen heeft in zijn omgeving niet ten onrechte de naam een
opvliegende figuur te zijn en weinig woorden kunnen al genoeg zijn om hem te
laten exploderen. En dat is ook precies wat er in 1646 gebeurt als Adriaen "enige
woorden" krijgt met Jan Jan Adriaen Stevens. Kennelijk is Stevens net
zo heetgebakerd als Adriaen: in het vuur van de discussie winden beiden zich zo
op dat ze al snel met elkaar op de vuist gaan. Het gaat er zo hard toe dat
Stevens op een kwaad moment Adriaen "met sijn hooft gevat heeft ende met
vuijsten geslaegen".
‘Met de bierpot die hij in zijn handen heeft, wil hij Jan te lijf.’
Deze bierpul uit omstreeks 1700, een zogenaamde Humpen,
is gemaakt in het Westerwald en werd in 1978 gevonden bij
de opgraving van het kasteel van Tilburg in de Hasselt.
(coll. RHC Tilburg).
Zoiets moet je bij die man nou juist niet doen; dat is vragen om moeilijkheden.
De reactie van Adriaen is dan ook niet mis. Met de bierpot die hij in zijn
handen heeft, wil hij Jan te lijf. Adriaen haalt uit, maar de slag wordt gestuit
door "het mantelbilt" (de schoorsteenmantel?), waardoor de voet
van de pot eraf springt. Eerst staat Adriaen enigszins verbouwereerd met het
overblijvende deel van de pot in zijn hand. Lang duurt zijn verbijstering echter
niet: met het restant van de pot slaat hij verscheidene keren krachtig op het
hoofd van Stevens, waarbij de scherpe randen van de afgebroken potdelen een ware
ravage aanrichten: Stevens heeft door de slag maar liefst "thien sware
quetsueren in sijn hooft ontvangen"; en dat zijn alleen nog maar de
open wonden. Daarnaast heeft de klap hem "oock meer andere butsen" opgeleverd
"die noch op sijn hooft niet geopent waren". De toegebrachte
verwondingen zijn "soo swaer ende periculeux datmen in grote vrese is
geweest dat Jan daeraff soude sijn gestorven". Achteraf is die vrees
gelukkig ongegrond gebleken. Al blijken de verwondingen dan minder
levensbedreigend dan het zich aanvankelijk liet aanzien, zijn onbesuisde
optreden levert Adriaan toch een veroordeling op tot betaling van smartengeld:
tien gulden en tien stuivers voor elke "bendige" wonde die hij
Stevens heeft toegebracht. Zijn losse handjes kosten Adriaen in totaal dus 105
gulden, wat je in die tijd beslist geen kleinigheid kunt noemen. Of hij hiermee
nu ook zijn lesje geleerd heeft, is nog maar de vraag.(1)
Het jaar daarop wordt al meteen duidelijk dat dat inderdaad niet het geval is.
Op 15 april 1647 zit Adriaen Huijbert Brock met enkele anderen te drinken ten
huize van Jan van de Sande, als Adriaen Adriaen Gerit Huijben samen met Nicolaes
Jan Wouters binnenkomt. Als Adriaen ergens op het toneel verschijnt, is ruzie
nooit ver uit de buurt, zo ook nu. Het drinkende gezelschap stelt de
aanwezigheid van de nieuwkomers niet erg op prijs en met name Adriaen Brock
begint al snel tegen onze Adriaen "te murmureeren en twistige woorden
aen te nemen". Zoals te verwachten, duurt het niet lang of bij Adriaen
slaat de vlam weer eens in de pan. Met vereende krachten weten de aanwezigen de
driftkikker de deur "uijt te stooten", waarna die snel van
binnen afgesloten wordt, zodat de rust kan weerkeren in huize Van de Sande. "Ende
alhoewel alle ongeluck daermede tot daertoe ware voorcomen", gaat het
toch mis en krijgt het voorval nog een vervelend staartje.
Kort na zijn buitensluiting verschijnt een getergde Adriaen "voor het
venster neffens de deur" en maakt met heftige gebaren duidelijk dat hij
binnengelaten wil worden. Als hier niet op wordt gereageerd, timmert hij verwoed
op de ruiten en begint te roepen en te dreigen. Brock is het hele gedoe beu en
wil er een einde aan maken: hij stapt resoluut naar het raam toe om de
lawaaischopper weg te jagen. Als Adriaen niet snel genoeg naar Brocks zin
verdwijnt, opent deze het raam en "door het venster" heeft hij
de druktemaker "recht onder den hals voor inde slincker borst met een
mes gestoocken", waardoor Adriaen "achterwaerts was
bottende". Vervolgens heeft het slachtoffer zich omgekeerd naar het
huis van vorster Couwenberch; hij heeft "zijn wambas opgetrocken,
roepende: Couwenberch, Couwenberch, den soon van Huijbken Brocken vermoordt mij
daer". Vanuit het huis van de vorster komt geen reactie. De
zwaargewonde Adriaen probeert nog enkele stappen te gaan maar hij komt niet ver:
"Ontrent de lindeboomen voor het huijs vande vorster is hij ter aerde
nedergevallen ende soo datelijck gestorven." En wat misschien nog wel
het ergste is: gestorven "sonder een vuijtwendich teecken van leetwesen
over sijn sonden te hebben betoont."
De dader, Adriaen Brock, is hierna op de vlucht geslagen, en hoewel de vorster
wel vijfmaal de huizen van Jan Matthijs Peter Wijtens en Adriaen Peter Vrancken
heeft laten doorzoeken, "mitsgaders alle henne schueren, schoppen,
stallingen, solders, schelften ende alomme daer sij presumptie hadden den
voornoemden Brock te vinden ende t' apprehendeeren", lukt het niet de
bedrijver van de doodslag te vinden. Of de zoon van Huijbken Brocken later nog
is opgespoord, vermelden de stukken niet. Voor onze Adriaen maakt het natuurlijk
niets meer uit; slechts 31 jaar is hij geworden. Zijn weduwe, Jenneken Buermans,
blijft verslagen achter met haar drie kleine kinderen. Zeven jaren later, in
1654, is ze hertrouwd met de weduwnaar Adriaen Denis Daniel van Heijst.(2)
2. Op blote knieën
Een andere zoon van Adriaen Gerit Huijben en Marie Somers, Anthonis, gaat
vanwege zijn huidziekte met de bijnaam "de Lazarus" door het
leven. Bij onze eerste ontmoeting met Anthonis laat hij zich niet meteen van
zijn fraaiste kant kennen. Op 29 maart 1658 is hij samen met zijn zwager Peter
Joost Pauwels (van Heijst) en enkele anderen "in gelag bijeen"
in de herberg van Cornelis Peter Donders, aan de Heikant. Daar bevindt zich ook
Anthonis Peter Donders, die kort tevoren uit de nalatenschap van Peter Peter
Somers een huis heeft gekocht. Nu zijn "de Lazarus" en zijn
zwager allebei erfgenamen van diezelfde Peter Somers. Donders komt bij de beide
mannen aan tafel zitten om hun te vertellen "dat hij vuijt de vercoop
van dat huijs nog seeckere somme van penningen schuldig was", waarbij
hij hun een aantal geldstukken laat zien. Rechthebbend op een deel van dat geld
is Anthonis zo vrij dat hij "van die penningen affnamp drij ducatons in
specie, waermede hij in een andere camer liep". Dat was niet Donders'
bedoeling. Hij loopt Anthonis achterna en vraagt de ducatons weer terug "onder
belofte hem te geven ende te laten volgens dat bevonden soude werden hem te
competeren". Anthonis is niet van plan aan dat verzoek te voldoen; ook
na herhaald aandringen van Donders "heeft hij niet willen luijsteren".
Het komt zelfs zo ver dat Anthonis "sijn mesch vuijt sijn schede heeft
getrocken ende daermede onder andere deselve soo danige snede over sijn
aangesigt gegeven (heeft) dat sijn voorhooft, neuse, coon ende lippen geheel
waren open ende gesplitst soo dat den chirurgijn die weeder aen malcanderen
heeft moeten hechten dat seer deerlijck was om sien ende hij daervan noch seer
sober is". Enkele omstanders hebben de twee van elkaar weten te
scheiden terwijl enkele anderen vervolgens Anthonis tot voor de deur van zijn
huis "gestuwelt" hebben, "daer hij noch op den
gequetsten ende andere was fulmineerende". Over de drie ducatons
spreekt niemand meer.(3)

Op 29 maart 1658 is Anthonis ‘de Lazarus’ met zijn zwager Pater Joost Pauwels
(van Heijst) en enkele andere ‘in gelag bijeen’ in de herberg van Cornelis Peter Donders,
aan de Heikant. Foto omstreeks 1918 van de Heikant (De Schans). Rechts de brouwerij
van Witlokx (coll. RHC Tilburg).
Ook bij het volgende voorval treffen we Anthonis aanvankelijk in een kroeg aan,
deze keer betreft het de herberg van Cornelis Peter Adriaen Goijaerts. De avond
van die laatste zondag van juni 1664 heeft hij doorgebracht in het gezelschap
van twee goede vrienden, Jan Jan van Hemert en Marten Gerit Martens. De maten
gaan die avond laat naar huis. Als het drietal bij de woning van Jacob
Matthijssen is aangekomen, nemen zij afscheid van elkaar en gaat ieder zijns
weegs.
"Corts daernae" ziet Van Hemert dat "eenige persoonen
in het hemde stonden opde straete". Het is duidelijk dat er iets aan de
hand moet zijn, en daar wil Van Hemert het zijne van weten. Naderbij gekomen
bemerkt hij dat het de vrouw van Matthijssen is met haar kinderen. En wat die op
dit late uur in nachtkledij op straat moeten, is ook snel duidelijk: zij staan
geschaard rond een "manspersoon die daer gequetst ter aerde nederlach".
Van Hemert herkent in de gewonde meteen Anthonis "de Lazarus",
zijn makker met wie hij kortgeleden nog uit de herberg is gekomen. Voorzichtig
helpt hij zijn gewonde kameraad overeind en voert hem zo goed en zo kwaad als
het gaat naar het huis van Marten Gerit Martens, dat daar niet ver vandaan is.
Marten staat op het punt naar bed te gaan; hij heeft weliswaar kort nadat de
drie uit elkaar zijn gegaan, "al in sijnen hoff sijnde, eenich gerucht
op de straet gehoord", maar hij heeft er verder geen aandacht aan
geschonken en is niet op onderzoek uitgegaan. Hij is zijn huis binnengelopen en
terwijl hij zich klaar aan het maken is om naar bed te gaan, wordt er op zijn
deur gebonsd. Groot is zijn verbazing als hij na het openen van de deur de beide
mannen ziet staan: Van Hemert met de gewonde Anthonis.
Hij laat het tweetal binnen en terwijl de hoofdwond van Anthonis verbonden
wordt, ervaart Marten wat er gebeurd is: Anthonis blijkt te zijn opgewacht door
Cornelis, de zoon van Jacob Mattijssen. Zodra de beide metgezellen hem verlaten
hebben, is Cornelis op Anthonis toegesprongen en heeft hem "soodanich
geslagen met een torffschop", dat "en sware quetsuere op sijn hooft
waeraff hij seer deerlijcken bloeijende was" het gevolg is. Nadat de
wond verzorgd is en Anthonis een beetje op verhaal is kunnen komen,wordt hij
door Marten naar huis gebracht. Dader Cornelis Matthijssen is inmiddels in geen
velden of wegen te bekennen. Op 29 juni is Anthonis thuis door de chirurgijn "gevisiteerd";
gelukkig blijkt het mee te vallen met de ernst van de verwondigen, al heeft
Anthonis wel enkele dagen rondgelopen met de pijnlijke naweeën van deze
nachtelijke confrontatie. Hij overleeft echter de brutale "aanslag".(4)
Ruim twee jaar eerder gebeurde iets omgekeerds. Toen - het is dan februari 1662
- liep Anthonis zelf uit bij het slachtoffer van een vechtpartij en was hij
degene die de helpende hand kon bieden. Achter "de bosschen van Z. Ex.;
Heer Grave van Grobbendonck" ontdekt hij een oude man die "beswijmpt"
op de grond ligt. Het is de 74-jarige Jan Gijsbert Verschuren; hij blijkt, na
een ruzie over het wel of niet betaald hebben van een stuk laken, te zijn
neergeslagen door Willem Daniel van Heijst. Willem heeft de grijsaard bruut
neergeknuppeld "met sijnen stock, waerinne was eenen ijseren pin" en
heeft zich vervolgens uit de voeten gemaakt, zijn slachtoffer bewusteloos
achterlated. Als Anthonis vervolgens de neergeslagen man aantreft, heeft hij
zich over de oude Verschueren, die "in de slaep van sijn hooft geraeckt
was op de muskel temporael", ontfermd. Hij heeft de man overeind
geholpen en met een doek de wond zo goed mogelijk verbonden; nadat Verschueren
weer "tot sijn selven was gekomen" heeft Anthonis hem naar huis
gebracht.(5)
Anthonis de Lazarus, afwisselend in de rol van messentrekker, slachtoffer en
barmhartige Samaritaan; eerst de aanvaller, vervolgens de underdog, en daarna
weer de redder in nood. Zijn minder positieve kant toont hij weer eens in 1663,
wanneer hij zich schuldig maakt aan een "feijt ofte violentie van
justitie" dat hem opnieuw in een minder fraai daglicht stelt. Door het
" feijtelijck ewegh haelen, bij nachte" van een koe, uit de stal van
Claes Thomas van Dijck, heeft Anthonis laten zien dat hij het niet zo nauw neemt
met het verschil tussen mijn en dijn. Dat de diefstal ook nog eens "bij
nachte" is uitgevoerd, maakt de zaak meteen een stuk ernstiger.
Bovendien was het niet eens een koe van Claes van Dijck; het beest stond slechts
bij Claes in de stal omdat het door de vorster en Adriaen Cornelis Everts "aldaer
besteet was in het voeijer". Hoe het ook zij, Anthonis heeft zich
vergrepen aan andermans eigendom en daarom is hij op 4 december 1663 gedaagd om
tegenover de schepenen over deze diefstal verantwoording af te leggen.
De boosdoener begrijpt ook wel dat ontkennen weinig zin heeft; hij kan slechts
berouwvol zijn misstap toegeven. En dat doet hij ook, en hoe: Schuldbewust en
onderdanig verschijnt hij voor de hoge heren. "Op sijn blote knijen met
ongedeckten hoofde" heeft Anthonis "de heeren wethouders om
vergiffenis gebeden". Door zo diep en deemoedig in het stof te buigen,
slaagt Anthonis erin de schepenen te vermurwen. En nadat hij plechtig beloofd
heeft nooit meer zo iets te zullen doen, "maer ter contrarie hem met
alle respect tegens de justitie te sullen gedragen" wordt hem
grootmoedig "tselve delict gratieuslijck geremitteert". Zo komt
Anthonis er toch nog genadig van af.(6)
3. Met een vork of riek
Het jaar 1682 is nog maar amper een week oud als Adriaen Anthonis Adriaen
Gerit Huijben - ter onderscheiding van zijn gelijknamige jongere broer wordt hij
"Adriaen de Oude" genoemd - het slachtoffer wordt van een "geweldsdelict".
Adriaen is een zoon van de eerder genoemde Anthonis "de Lazarus"
en Lijntje Jans en is op dat moment ruim dertig jaar oud. Op de avond van 7
januari bevindt hij zich met een aantal andere Tilburgers in het huis van
Adriaen Fiers, die aan de Veldhoven woont.
Het moet zo rond een uur of zes geweest zijn als hij daar met een van de
aanwezigen, Jan Denis de Beer, onenigheid krijgt. De woordenstrijd die hiervan
het gevolg is, leidt ertoe dat De Beer zijn mes trekt. Of hij nu zo'n
agressieveling is of dat hij zich door Adriaens woorden zodanig bedreigd heeft
gevoeld dat hij zich genoodzaakt ziet uit zelfverdediging naar zijn mes te
grijpen, wordt uit de archivalia niet duidelijk. Wel staat vast dat het
reactievermogen van Adriaen het deze keer laat afweten: hij is niet snel genoeg
om het mes van Jan de Beer te ontwijken. Zodoende "ontfangt"
hij van zijn tegenstander "een steek onder de lincker oxsel van sijnen
arm". Een wond van ongeveer acht centimeter lengte is het pijnlijk
souvenir dat Adriaen aan deze confrontatie overhoudt.(7)
Nu is Adriaen zelf ook niet bepaald een lieverdje. Dat blijk wel in de zomer van
1683. Deze keer ontmoeten we Adriaen niet in de rol van slachtoffer, maar voor
de afwisseling figureert hij nu eens als de dader.
Samen met nog vijf andere Tilburgers is Adriaen op 10 augustus naar Dongen
gewandeld. Daar is het gezelschap onder andere geweest "ten huize van de
weduwe Quaet Giel, ontent het Loontsch Gericht aldaer". En ook nu weer
krijgt Adriaen "sonder eenige de minste reeden" - het lijkt wel
of hij er patent op heeft - "seer harde woorden ofte questien".
Dit maal is zijn "gesprekspartner" een zekere Anthonis van Gils.
Ook deze keer dreigt de "discussie" behoorlijk uit de hand te
lopen; de harde woorden leiden na enige tijd tot harde daden. Voordat Van Gils
het kan verhinderen heeft Adriaen plotseling zijn mes getrokken en hij snijdt
daarmee zijn onthutste opponent "seer deerlijk over de hand".
Als Adriaen na deze snijpartij het huis van de weduwe verlaat, halen ze daar
opgelucht adem en lijkt de rust te zijn weergekeerd.
Kaart van Hendrik Verhees uit 1790 met onder andere Heuvel, Veldhoven,
Hasselt en Stokhasselt (coll. Rijksarchief in Noord-Brabant, ’s-Hertogenbosch).
Hoe bedrieglijk die rust is, wordt pijnlijk duidelijk als korte tijd later een
nog altijd verbolgen Adriaen opnieuw opduikt. Dat zijn boze bui nog lang niet is
overgedreven kan niemand ontgaan zijn. Adriaen is nu eenmaal "een nèèg
menneke", en wanneer hij eenmaal door het lint gaat, is de man niet
vlug tot kalmte te brengen.
Zijn korte afwezigheid blijkt hij benut te hebben om zich een ander wapen te
verschaffen: met "een vurck ofte rieck" wil hij Anthonis van
Gils opnieuw te lijf gaan. Terwijl de anderen machteloos toekijken, stormt een
furieuze Adriaen, wild om zich heen slaand met zijn (hooi)vork, op Anthonis af
en deelt enkele rake klappen uit aan zijn tegenstander, die zich met zijn
gewonde hand maar moeilijk kan verdedigen.
De omstanders weten later - wanneer zij als getuigen worden gehoord - te
vertellen dat Adriaen in zijn woede "Anthonis van Gils met een vurck
omver was slaende, dat dese tegen een trechter was vallende". Door deze
ongelukkige val loopt Anthonis een fikse hoofdwond op, "soodanich dat
daerdoor in abondantie t' bloedt van sijn hooft was affvloeijende".
Als het gezelschap later naar Tilburg terugwandelt, zullen Adriaen en Anthonis
wel een beetje uit elkaars buurt zijn gebleven en mogelijk heeft die hevig
bloedende wond de driftige Adriaen toch tot bezinning gebracht. Hoe het ook zij,
de archivalia maken in ieder geval geen melding van nieuwe handtastelijkheden of
aanvaringen tussen de twee. Wel heeft een dag later de chirurgijn het
slachtoffer thuis nog onderzocht. Naast de hoofdwond constateert die een wond
aan de linkerhand, "sijnde eene sneede door de muijs". Hoewel
de geneesheer niet spreekt over doodsgevaar wil Anthonis toch dat er duidelijk
wordt vastgelegd - zwart op wit - dat "ingeval hij van dese wonden quam
te sterven, niemandt in den dootslach te leggen als voornoemde Adriaen".(8)
4. Gesneden, geslagen, gestoken en geschopt
Adriaen de Jonge, een van de zonen van Anthonis Adriaan Gerit Huijben en Lijntje
Jans, wordt op 11 augustus 1686 door Barthelmeeus Thielen in zijn hand gesneden.
Aan deze mishandeling is een korte woordenwisseling tussen de twee voorafgegaan.
Het ziet er allemaal niet zo ernstig uit en het zal vast niet de eerste keer
zijn geweest dat Adriaen een sneetje oploopt ten gevolge van een te hoog
oplaaiende discussie; en het zal evenmin de laatste keer zijn dat Adriaen
betrokken raakt in een snij- of steekpartij.(9)
Nog geen jaar later loopt hij opnieuw met een verwonding rond. Ditmaal gaat het
om "een quetsuere aen het hooft, ter sijde van de neus". Deze
verwonding is hem toegebracht op 23 juni 1687, als Adriaen zich bevindt ten
huize van Cornelis Hendrick Hensen. Het moet daar zijn gebeurd tussen tien en
elf uur in de avond. De boosdoener is een zekere Peter Jan Symons, die nader
omschreven wordt als de "weert aent Krijven". Op een gegeven
moment slaat Symons met zijn pint krachtig op Adriaens hoofd. De slag komt hard
aan en veroorzaakt bij Adriaen "aen de rechter sijde van de neus een
wonde, door de muskel vande neus gaende, alsmede eenen slagh aende rechter ooghe".
Wie zijn neus schendt schendt zijn aangezicht.(10)
Waarom de waard "aen het Creijven" Adriaen met zijn pint zo
flink heeft toegetakeld, wordt in de betreffende stukken niet vermeld, maar
kennelijk had Symons nog een rekening met hem te vereffenen. Mogelijk is deze
mishandeling nog een reactie op wat zich een week eerder heeft afgespeeld in het
huis van Cornelis Corstiaen van Beurden. Op 16 juni is Adriaan tussen twaalf en
een uur 's nachts bij de familie Van Beurden, "alwaer een bruijt
was", binnengelopen om nog even te delen in de feestvreugde. Het feest
is er nog in volle gang en Adriaen mengt zich er tussen de overige gasten. Te
midden van het vrolijke gezelschap wil hij "een pijp toeback"
aansteken. Met het oog op brandgevaar wil Cornelis dat niet hebben, en dan
ontstaan er moeilijkheden: Adriaen vindt de bezorgdheid van Cornelis maar
overdreven en wenst zich van diens verbod niets aan te trekken; een pijpje
opsteken tijdens zo'n feest, dat moet toch kunnen!
In het kasteel van Tilburg aan de Hasselt, bevond zich het cachot (coll. RHC Tilburg).
Van Beurdens zoon Peter, "siende dat Adriaen in sijne hand was hebbende
eenen tondel om daermede sijn pijp te ontsteecken", pakt hem resoluut
de tondel uit zijn hand. Dit ingrijpen is allerminst naar de zin van Adriaan en
zo wordt een bagatel opeens een prestigekwestie. Op het wegnemen van zijn tondel
reageert Adriaen onmiddellijk door "met een bloot mes" op de
jonge Van Beurden in te steken en te snijden.
Blijkbaar heeft Adriaen onder de feestvierders een medestander die het voor hem
opneemt: Jan Gommerden. Als Iefken, de vrouw van Cornelis van Beurden, zich
mengt in de onenigheid tussen Adriaen en haar zoon laat ook Gommerden zich niet
onbetuigd: hij slaat Iefken stevig "op het hooft met eenen pael daer
mede men broot in den hoven schiet".(11)
Al vlug raken nu verschillende van de aanwezige gasten met elkaar in gevecht en
zo eindigt een vrolijk begonnen bruiloft in een onoverzichtelijk tumult. Bij het
opmaken van de balans van deze geweldsuitbarsting blijkt dat de volgende
verwondingen voor rekening van Adriaen komen: een drie centimeter lange snee
over het hoofd van Cornelis van Beurden en een steek van maar liefst tien
centimeter lengte, "gaende naer den elleboog toe", in de
rechterarm van Hendrik van Beurden, een broer van Cornelis. Een andere broer van
Cornelis, Jan van Beurden, "is gesneden aan de rechtersijde vande
mondt", terwijl bovendien "sijn rock met verscheijden sneeden
was doorsneden" en - wat erger is - Adriaen heeft de eerdergenoemde
Hendrik van Beurden ook nog eens "met voeten soodanich getreeden dat het
bloet uijt sijn buijck was loopende". Je zou bijna kunnen spreken van
het Tilburgse equivalent van de Parijse Bloedbruiloft, zij het dan dat er hier
geen doden zijn te betreuren.(12)
Dank zij het drieste optreden van Adriaen en Jan is het voor de familie van
Beurden in ieder geval een gedenkwaardig dagje geworden met een chaotisch slot.
En voor het jonge paar een huwelijksdag om niet licht te vergeten.(13)
5. Fameuze liedekens
Op 2 december 1666 heeft Jan, de ongeveer 20 jaar oude zoon van Daniel Adriaen
Gerit Huijben en Neeltje de Wijs, bij een zekere Willem - zijn familienaam is in
Tilburg niet bekend, men weet alleen dat hij "cleermaecker tot
Dongen" is - "verradelijck gesneeden over de cleederen".
Wat voor Jan de aanleiding tot deze euveldaad geweest is, wordt uit de
voorhanden zijnde stukken niet duidelijk. Misschien heeft de jongeman hiermee
indruk willen maken op de andere aanwezigen, bij zichzelf denkend dat zulke
vernielingen bij een kleermaker niet meteen een ramp hoeven te betekenen: zo
iemand kan de aangerichte schade gemakkelijk zelf herstellen. Het is niet uit te
sluiten dat ook drankgebruik een rol gespeeld heeft: de snijpartij vindt
namelijk plaats in de herberg van Jan Jan van Besouw. Enkele van de overige
herbergbezoekers vinden dat Jan met zijn vernielingen te ver is gegaan en een
van hen, Joost Bastiaen Teunis Joosten (Cuijsters), verkondigt luid dat "sulcx
geen eerlijck jongmans werck" is. Dat had Joost beter niet kunnen doen.
Zijn opmerking valt bij Jan erg verkeerd: deze trekt bliksemsnel zijn mes en
steekt Joost daarmee in diens "slinckerborst, recht boven het borstbeen
gaende opwaerts naerden hals".(14)
Als messentrekker en vechtersbaas zijn we Jan, die ook bekend staat onder de
bijnaam "Cortvisch", na dit incident niet meer tegengekomen.
Toch komt hij enkele jaren later opnieuw in aanvaring met de justitie. In april
1669 treffen we Jan en zijn vrouw - hij is inmiddels getrouwd met de uit Liempde
afkomstige Iefken Peter Driessen - beiden aan op het kasteel in de Hasselt, "gevankelijck
weesende over seeckere fameuse liedeckens die bij hen luijden gevonden (zijn)
ende gesongen op den jaermerckt binnen Tilborch". De volgende
voorgeschiedenis blijkt aan deze gevangenneming te zijn voorafgegaan:
"Op zondag voorden halff vasten" is Jan in de herberg van Jacob
Peter Jacobs, aan het Creijven in contact gekomen met een zekere Andries
Lenaerts, uit Loon op Zand, die daar "inden Swaen" woont. Deze
Andries vertelt tegen Jan dat hij bij Michiel, de knecht van hebergier Jacobs "een
liedecken" zou vinden "vanden predicant van Loon". Al
snel wordt duidelijk dat het hier een spotlied betreft op de Loonse dominee,
waarin bezongen wordt hoe diens kar in den Bosch, "op de brugge aldaer",
verbrand is. Andries geeft Jan de raad om het liedje te laten drukken, "seggende:
gij sulter duijsendt van verkoopen". Begrijpelijk: ook in die tijd was
het volk niet wars van roddel, achterklap en leedvermaak. En Jan hoeft echt niet
te vrezen voor een financieel debacle, want, mocht de verkoop onverhoopt
tegenvallen, dan is Andries bereid de resterende liedjes "voor een
schelling het stuck aff te coopen".
Jan heeft er wel oren naar; hij ruikt goede handel. Helaas blijkt de bewuste
knecht het papier met de liedtekst niet meer in zijn bezit te hebben: hij heeft
het aan de weduwe van Michiel Jan Symons gegeven. Uiteindelijk lukt het Jan toch
om het blad met het "liedeke" te pakken te krijgen en hij
brengt het naar Breda, "bij Cornelis Seldenslach inde Corte Brughstraet,
daer uijthangende is de druckerij", om er enkele exemplaren van te
laten drukken. Deze Seldenslach blijkt de opdracht weer te hebben uitbesteed aan
een Antwerpse collega: een dag of tien later koopt Jan bij Seldenslach negen "boecken
van het gemelde liedeken, waerop in sin staet: Gedruckt t'Antwerpen bij Martinus
Verhulst op d'Oude Coremerckt". Voor elk boekje heeft Jan vijf stuivers
betaald.
Na deze investering van een kleine twee en een halve gulden kan het grote
geldverdienen beginnen. Hij trekt naar Loon op Zand, want daar zal de
belangstelling voor het liedje wel het grootst zijn. Voor het huis en de herberg
van Wouter Driessen, in de Molenstraat, heeft Jan daar zijn beruchte "liedeken"
gezongen. En hij heeft succes: "vijff a ses boeckxkens" heeft
hij in Loon op Zand kunnen verkopen; een hoopgevend begin.
Hierna gaat Jan in Tilburg zijn geluk beproeven; deze keer is ook zijn vrouw
Iefken van de partij. Een herhaling van het musicale optreden tijdens de
Tilburgse jaarmarkt is echter minder succesvol: Jan en Iefken worden
gearresteerd; de resterende liedboekjes worden in beslag genomen. Zo belanden de
beide liedjeszangers in het cachot van het Tilburgse kasteel en eindigt hun
avontuur toch een stuk minder fortuinlijk dan hun aanvankelijk door Andries is
voorgespiegeld: die vijf of zes verkochte liedjes zullen amper genoeg hebben
opgebracht om de drukkosten te kunnen compenseren. Nog een geluk dat ze in hun
overmoed geen duizend van die "boecxkens" hebben laten drukken.
Een mooi luchtkasteel is in rook opgegaan.(15)
6. Een kruidje-roer-mij-niet
Adriaen, de 27-jarige zoon van Adriaen Anthonis de Jonge en Soetje van Gils,
moet echt een heetbroek zijn geweest; zo eentje die maar weinig van een ander
kan verdragen en die er nogal eens rap op slaat als iemands gedrag of woorden
hem niet zinnen. Zijn buurvrouw, Anthonet, de huisvrouw van Adriaen van Gorkum,
heeft dat in 1727 aan den lijve mogen ondervinden. Waarschijnlijk heeft het
nooit erg geboterd tussen die twee, maar als het nieuwe jaar nog maar goed en
wel is begonnen, komt de bom een keer echt tot barsten. Door Adriaen uit te
maken voor "hoerenvoocht" is Anthonet - in zijn ogen - toch
echt over de schreef gegaan. Daar moeten onvermijdelijk moeilijkheden van komen,
want de jongeman accepteert van niemand commentaar op zijn levenswandel, en
zeker niet van zijn buurvrouw.
Als Adriaan op 2 januari Anthonet tegenkomt, wil hij meteen het een en ander
rechtzetten en het wordt dan ook beslist geen hartelijke ontmoeting. Hij maakt
zijn buurvrouw - op geheel eigen, dat wil zeggen: hardhandige, manier -
duidelijk dat hij van dat soort uitlatingen niet gediend is. Adriaen maakt er
echter weinig woorden aan vuil, maar geeft de vrouw botweg "een clap op
haer cop en een schop twee a drie onder haer gat". De jongeman houdt nu
eenmaal van duidelijkheid. Of Anthonet met haar kwalificatie het nu wel of niet
bij het rechte eind had, moeten we in het midden laten; het zou van haar echter
wel verstandiger zijn geweest als ze zich wat voorzichtiger had uitgedrukt. De
zoon van haar buren staat namelijk alom bekend als een echt
kruidje-roer-mij-niet: een licht ontvlambare vechtersbaas, bij wie de handen erg
los zitten en wiens mes soms rap getrokken is. Ze had zo'n reactie van Adriaen
dus wel kunnen verwachten en ze mag nog van geluk spreken dat hij haar niet op
wat ergers heeft getrakteerd.(16)
Dat "de zoon van Soetjen aent Creijven" wel eens wat al te snel
op zijn teentjes getrapt kan zijn, is een feit waar ook enkele andere Tilburgers
een boekje over kunnen opendoen. Zoals bijvoorbeeld Adam Peter Daems. Op 2 juli
1729 is Adam samen met Adriaen naar Dongen gelopen. Ook Adriaen van Heijst en
Goijaert Mutsaerts met zijn zoon maken deel uit van het gezelschap. Wat het
clubje in Dongen ging doen, is niet bekend. De heenreis schijnt in alle pais en
vree te zijn verlopen; van de thuisreis kun je dat niet zeggen.
Aquarel van Nicolaas Wicart (1748-1815) gemaakt in de omgeving van Tilburg
(Coll. KUB, Brabant-collectie).
Op de terugtocht van hun Dongens uitstapje - toch al gauw een wandeling van zo'n
dikke twee uren - neemt het groepje de weg "door de heij". Ze
hebben er flink de pas in en al pratend en gekscherend komt stilaan Tilburg weer
in zicht. Als ze "omtrent het Swartven" zijn aangekomen
ontstaat er een kleine woordenwisseling over de stok van Daems. Plagenderwijs
wordt door een van het groepje - misschien was het wel onze Adriaen -
geconstateerd dat die stok te krom is. Daems antwoordt laconiek: "Wil
ick hem op uwen rug eens recht maecken?" Adriaen kan er de humor niet
van inzien en neemt de woorden van Daems een beetje te letterlijk. Door hem
wordt Adams grapje opgevat als een dreigement, en wat als een plagerijtje is
begonnen, loopt daardoor uit op een vechtpartij.
Volgens de verklaring van de andere reisgenoten is Adriaan daarbij zo hevig
tekeergegaan dat hij in zijn drift "bijna Adam sou hebben dootgeslaegen"
als zij dit niet met vereende krachten hadden kunnen verhinderen. Een geluk voor
Adam dat zijn gezellen hem voor erger hebben kunnen behoeden, maar ondanks de
tussenkomst van zijn makkers komt de goede man toch niet helemaal ongehavend uit
de strijd: hij houdt er een flinke snee aan de linkerkant van zijn neus aan
over. Daarnaast heeft hij nog een snee door zijn lip gekregen en nog eentje
tussen zijn duim en wijsvinger.
Zo gaat dat, als je met die heetgebakerde zoon van Soetje in de clinch raakt;
die laat nu eenmaal niet ongestraft de spot met zich drijven. Dat mag voor
iedereen duidelijk zijn.(17)
7. Rondom de meiboom
Anthonis Adriaen de Jonge, een andere zoon van Adriaen en Soetje, is op 30 april
1728 's avonds nog laat op pad. In gezelschap van zijn broer Adriaen komen we
hem omstreeks twaalf uur tegen in de buurt van "het goed van Jacob Peter
van Beurden". Daar lopen ze drie gebroeders Maes tegen het lijf:
Laureijs, Jan en Peter, de zonen van Matthijs Maes. De drie broers voeren, samen
met enkele andere jongelui, een vers omgehakte boom met zich mee. De boom, die
zij op het perceel van Jacob van Beurden hebben "afgekapt", is
bedoeld om als "meiboom" te fungeren; het is tenslotte de
volgende dag de eerste mei en kennelijk is de aloude meiboomfolklore in het
achttiende-eeuwse Tilburg nog springlevend.(18)
Uit latere verklaringen van getuigen valt op te maken dat Anthonis en Adriaen de
Jonge de boom van het groepje zouden hebben willen afpakken. Adriaen zelf rept
daar niet over als hij voor de schepenen zijn versie van het gebeurde vertelt.
Wel staat vast dat de gebroeders De Jong het groepje van de broers Maes hebben
uitgemaakt voor "schelmen en dieven, daerbij scheldende en roepende dat
sij sig van daer weg soude maecken". Veel indruk schijnen deze woorden
niet te maken op de tegenpartij; "die van De Jong" mogen dan
terecht als vechtersbazen bekendstaan, Laureijs Maes laat zich door het tweetal
geen schrik aanjagen. Dapper roept hij terug: "Wij sijn soo weinich
canailje, rapaille als gijlieden", er dreigend aan toevoegend: "Als
gij niet gaet loopen zoo schieten wij u over hoop". Maar ook de beide
broers De Jong laten zich niet intimideren; en zeker Anthonis niet.
Zelfverzekerd loopt hij op Laureijs Maes toe en vraagt hem of hij aan de
eigenaar wel toestemming gevraagd heeft om die boom om te hakken. Mocht dat niet
het geval zijn "dan sultgij hem voor den duivel laten leggen".
Zo ontstaat er een gespannen sfeer en Laureijs, die zich niet de wet wil laten
voorschrijven door Anthonis en bovendien niet af wil gaan in de ogen van zijn
compagnons, reageert hierop door tegen zijn broers te roepen: "Brengt
het stickaet, brengt het stickaet". Het klinkt als een bevel, en
Laureijs wordt door zijn broers op zijn wenken bediend: ze overhandigen hem het
verlangde wapen. Na nog wat dreigementen over en weer is Laureijs het optreden
van Anthonis goed zat en hij steekt een paar keer in diens richting, nog zonder
de jongen te raken. Maar in de hitte van de strijd komen de beide tegenstanders
geleidelijk dichter bij elkaar en ontstaat er een gevaarlijke situatie. Ondanks
het nachtelijk duister - of was het misschien toch een maanverlichte
voorjaarsnacht ? - heeft Adriaen, volgens de verklaring die hij later af heeft
gelegd voor de schepenen, gezien dat Laureijs wel tien keer in de richting van
Anthonis heeft gestoken. Die probeert intussen uit alle macht met zijn stok de
steken af te weren. Ten slotte - zo heeft Adriaen gezien - wordt "het
stickaet" door Laureijs met opgeheven arm in het lichaam van zijn broer
gestoken en vervolgens er weer uit getrokken. Meteen hierna stort Anthonis neer
en is "voor doot" op de grond blijven liggen. Aanvankelijk
staat iedereen hulpeloos en geschrokken rond het slachtoffer, maar na enige tijd
wordt het steeds duidelijker wat ze al vreesden is de harde werkelijkheid: die
laatste steek is dodelijk geweest.
Met vereende krachten wordt het lijk van de ongelukkige Anthonis onder een
drukkend stilzwijgen naar het huis van zijn moeder, "achter de Hasselse
Capel", gebracht. Het moet voor Soetje een zware slag geweest zijn om
te zien hoe haar levenloze zoon wordt binnengedragen. Als de volgende ochtend "het
dode lighaam" van Anthonis wordt "gevisiteerd" door
doctor Eijmbers en chirurgijn De Meij, constateren zij dat er twee steken zijn
toegebracht . De ene is gestuit op de ribben, de andere steek is Anthonis fataal
geworden: "aen de slincker sijde tussen de vierde en vijfde rib door de
borst, dwars door de hollicheijt van 't herte". De snee was zo breed "dat
men twee vingeren neffens malcanderen daer kon doorsteecken".
De meiboom zal wel niet meer zijn opgetuigd en de eerste mei zal dat jaar aan "het
Creijven" bepaald geen feestelijke dag zijn geworden.(19)
8. Een pijnlijk einde
Als de uit Oirschot afkomstige Marij van Geloven in 1711 in Tilburg trouwt met
Jan Peter Somers, zullen heel wat familieleden, vrienden en bekenden haar
gelukgewenst hebben. Niemand kan toen vermoed hebben hoe tragisch Marij
vijfentwintig jaar later om het leven zal komen. Op de late avond van 12 oktober
1736 zijn enkele Tilburgers getuige van de barbaarse mishandeling van vrouw
Somers, een mishandeling die uiteindelijk heeft geleid tot haar dood. Acht
Tilburgers hebben alles zien gebeuren; ze stonden erbij, ze keken ernaar en
grepen nagenoeg niet in...
Een van de getuigen verklaart dat hij slechts "van verre volck gesien
heeft"; toen hij op straat "een weijnig ramoer" hoorde
is hij "van sijn bedt opgestaen" en heeft hij horen roepen: "Wilde
mijn dan dootslaen?" Het hele gebeuren heeft zich afgespeeld omstreeks
twaalf uur 's avonds. Opgeschrikt - en sommigen wreed uit hun slaap gewekt -
door een aanhoudend lawaai en een wanhopig hulpgeroep - de getuigen zelf spreken
van "geraes en gevloek opte straet"- lopen enkele bewoners van
de Heikant "omtrent de Nieuwe Molen" uit bij iets wat
aanvankelijk een ruzie of een vechtpartij lijkt maar bij nader inzien beter een
zware mishandeling genoemd kan worden. Het slachtoffer is Marij van Geloven, de
vrouw van Jan Somers; haar belager is Adriaen van Beurden, "alias
Huijben". Van Beurden verkeert in het gezelschap van Michiel van Son,
alias Van Geldrop, en Adriaan Bergmans, die ook Heuvelen genoemd wordt, maar die
twee vervullen slechts een bijrol; Van Beurden is duidelijk de hoofdader.
Sommige van de toegestroomde Heikantbewoners hebben alleen maar gezien dat Marij
op de grond lag, anderen zijn er getuige van geweest hoe zij door het drietal,
en dan vooral door Adriaan van Beurden, onbarmhartig werd afgeslagen. Bijna
allemaal hebben ze de wanhopige Marij " horen roepen en kermen: Houd
toch op. Het is zo wel genoeg."
West- en Oostheikant op een deel van de kaart van Diederik Zijnen uit 1760
(coll. RHC Tilburg).
Centraal de ‘Heikantsche Mole’ waar Marij van Geloven in 1736 door een drietal mannen
in elkaar wordt geslagen en vermoord.
Hoewel Marij op de grond ligt en al heel wat rake klappen heeft ontvangen, weet
Adriaan nog altijd van geen ophouden. In blinde woede slaat hij genadeloos op
haar in met "een langen eijken stock daer onder een knods aen was".
Op de grond liggend is Marij niet in staat zich te verdedigen tegen deze
overmacht van blind geweld; het enige wat ze nog kan is roepen: "Adriaen,
lieven Heer, Jesus, hout op, want ik heb genoeg".
Nog steeds grijpt niemand van de toeschouwers in; een enkeling laat Van Beurden
weten dat hij er beter mee op kan houden, maar die opmerking zet geen zoden aan
de dijk. Ook de ongelukkige Marij probeert tevergeefs Adriaan tot stoppen te
brengen: "Ick salt van mijn leven niet meer doen". En ook haar
volgende woorden: "Wilt gij mij dan dootslaen? Laat mij noch eens sugten
voor mijn sonden" hebben weinig effect. Met onverminderde kracht komt
Adriaens stok telkens opnieuw neer op de machteloze Marij. De deerlijk
toegetakelde vrouw is intussen aan het eind van haar krachten; haar armen en
benen zijn "aan stucken geslagen" en ze heeft een grote wond
aan het hoofd "daer het bloet in abondantie uijtliep".
Een van de omstanders, Gijsbert van Ginhoven, "de roeper" (nachtwaker),
kan het niet langer aanzien en heeft geprobeerd "het slaen te
beletten" door bij Van Beurden de stok uit zijn handen te slaan. Maar
Michiel van Son weet Gijsbert de stok weer af te nemen en dreigt nu hem daarmee
te gaan slaan, "tegens hem seggende: gaet heenen, gij hebt hier niet te
doen". De "Dritte im Bunde", Adriaen Bergmans, vindt
het nu ook welletjes en probeert Van Beurdens slagen "te stuijten".
Tegen zijn compagnon zegt hij: "Scheijter uijt; het is genoch",
en waarschuwend voegt hij eraan toe: "Slaetse niet op de kop, want soo
gijse doot slaat gij sultse voor een goede moeten betaelen".
Blijkbaar vindt ook Van Beurden nu dat vrouw Somers genoeg heeft geleden; samen
met zijn beide gezellen verdwijnt hij in het duister van de nacht, zijn
zwaargewonde slachtoffer hulpeloos achterlatend. Michiel van Son is echter "voor
de tweede reijse wederom gecomen en heeft noch verder de ongeluckige vrouw
soodanich geslaeghen dat (zij) kort daer naer de geest heeft gegeven".
Voordat het zover is, kan Marij tegen een aankomende jongen nog met moeite
uitbrengen: "Gaet, haelt een kreugen (een kreugel oftewel kruiwagen)
en brengt mijn thuijs want ick kan niet gaen". En zo wordt Marij
korte tijd later door haar dochters met vereende krachten in een kruiwagen
gehesen en naar huis gereden. Niet lang hierna is ze overleden: "omtrent
de clocque twee" is Jan Somers tegen "roeper" Gijsbert
van Ginhoven komen vertellen dat zijn vrouw al aan haar mishandeling is
bezweken.
Het onderzoek van de chirurgijns, dat de volgende ochtend heeft plaatsgevonden,
levert een lijst van verwondingen op die niet mis is. Zij constateren dat "den
linker arm effen boven de elleboog gebroken was, soodaenich dat een stuk van de
(elle)pijp daeruijt stack". Ook haar linkerbeen is gebroken, onder
de knie. Verder bevinden zich "op het scheen van ieder been open verse
wonden". Daarnaast vertoont het lijk "een contusie" (kneuzing)
boven de linker heup. Aan de rechterzijde van het hoofd ontdekken de heren
medici nog twee wonden, "diep tot op de muskel temporalis",
terwijl "de rug van agteren boven de heupen peers en blauw uijtsiet".
De chirurgijns komen tot de vaststelling dat deze verwondingen zonder twijfel
tot dood van vrouw Somers hebben geleid.
Intussen is Adriaan van Beurden spoorloos uit Tilburg verdwenen. Nu de
veroorzaker van al dit leed zich "fugitieff heeft gemaeckt" zit
er voor de rechter niet veel meer op dan hem bij verstek te veroordelen. In de
processtukken wordt Adriaen omschreven als "van eenen boosaerdigen
inborst en ongebonden leeven". Hem wordt ten laste gelegd dat hij "godloos
genog is geweest" om samen met Van Son en Bergmans de vrouw van Jan
Somers "met stocken dusdanig te slaen, haer leeden breeckende, dat de
doot daerop was volgende".
De voortvluchtige Van Beurden kan zich beter maar niet meer in Tilburg laten
zien, want hem wacht daar niet veel goeds: het vonnis luidt namelijk dat hij
voor zijn misdrijf "sal worden geset in strickte gevancenisse om door de
scherprechter (de beul.) soodanich aen den lijve gestrafft te worden tot
er de dood naer volgen sal".
In feite betekent dat dus dat Adriaen bij eventuele terugkeer eenzelfde "behandeling"
staat te wachten als zijn slachtoffer heeft moeten doorstaan.
Ook Van Beurdens "complice", Michiel van Son is op de vlucht
geslagen. Hij wordt "voor altoos uijt de jurisdictie van dese
Heerlijckheijt" verbannen "op poene dat hij geapprehendeert"
zal worden als hij in Tilburg terugkeert en dat er dan alsnog "naader
tegens hem geprocedeert sal worden".
Beide vluchtelingen hebben zich niet meer in Tilburg laten zien. Een reden voor
hun woede-uitbarting is nooit boven tafel gekomen.(20)
Wim van Hest (1944) publiceerde diverse
artikelen in 'Actum Tilliburgis' en 'De Lindeboom' naar aanleiding
van vondsten in het criminele Oud Rechterlijk Archief van Tilburg. In 1987 en in
1999 verschenen van zijn hand twee artikelen in het tijdschrift 'Tilburg'.
Noten
(1) Gemeentearchief Tilburg (GAT), Oud rechterlijk archief Tilburg (ORA),
Crimineel 44; 1646.
(2) GAT, ORA, Crimineel 55; 1647.
(3) GAT, Notarieel archief .20, f 28, 1658.
(4) GAT,ORA, R 6; 01.07.1664.
(5) GAT, ORA, Crimineel 110; 18.02.1662.
(6) GAT, ORA, R.91; 04.12.1663.
(7) GAT, ORA, R.6; 08-01-1682.
(8) GAT, ORA, R.6; 10.08.1683.
(9) GAT, ORA, R.6;11.07.1686.
(10) GAT, ORA, R.6; 23.06.1687.
(11) De vrouw van Cornelis van Beurden was Iefken Claes Dingeman Willems
van de Rijen.
(12) De Parijse Bloedbruiloft (ook Bartholomeusnacht genoemd) vond plaats
in de nacht van 24 op 25 augustus 1572. Vanwege het huwelijk van de Franse
prinses Margaretha van Valois met de leider van de Franse protestanten
(hugenoten), Hendrik van Bourbon, koning van Navarra, waren veel protestanten
naar Parijs gekomen. Het plan van koningin-moeder Catharina de Medici om bij die
gelegenheid een aantal hugenoten om het leven te brengen, leidde die nacht tot
grote onlusten. Naar schatting had het bloedbad van die nacht in heel Frankrijk
12.000 tot 20.000 doden tot gevolg; alleen al in Parijs zou het aantal
slachtoffers 2000 tot 3.000 bedragen.
(13) GAT, ORA, R.6; 16.06.1687.
(14) GAT, ORA, R.614; 03.12.1666.
(15) GAT, ORA, R.614; 16.04.1669.
(16) GAT, ORA, R.627; 08.01.1727.
(17) GAT, ORA, R.627; 05.07.1729.
(18) Weet iemand tot hoe lang de traditie van meiboomviering in Tilburg
in stand is gebleven?
(19) GAT, ORA, Crimineel 206; 30.04.1728.
(20) GAT, ORA, Crimineel 222 en 223; 1736-1737.




