Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
185. In de hoek waar de klappen vallen
 

Titel:   

In de hoek waar de klappen vallen

Ondertitel:    

Over losse handen, blote messen en enkele lijken

Auteur:   

Wim van Hest

Jaargang:   

XVIII (2000) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

3

Pagina´s:   

86-97


Geweld is van alle tijden. Al lijkt het er soms op dat het typisch een fenomeen van onze tijd is, wie een blik werpt in de oude criminele archieven zal al snel tot de conclusie komen dat er op dit terrein weinig nieuws onder de zon is. Al eeuwenlang worden mensen geconfronteerd met uitingen van agressie en het lijkt wel of de neiging tot geweld er bij de mens ingebakken zit. 


Natuurlijk kan de een met dit ongerief wat beter overweg dan de ander. Terwijl de meesten erin slagen in het leven van alledag hun neiging tot agressie in vreedzamer banen te leiden, blijft er ook een categorie medemensen bij wie regelmatig de zaken uit de hand lopen. Allerlei uitingen van lichamelijk geweld - of we daar nu het modieuze predikaat "zinloos" aan toevoegen of niet - zijn maar moeilijk weg te denken uit onze wereld; evenzo uit de wereld van onze voorouders.

Het zal dan ook niemand verbazen dat we bij een onderzoek naar het wel en wee van de Tilburgse familie Van Heijst/Van Hest van tijd tot tijd een aantal familieleden op ons pad ontmoeten die blijkbaar horen bij die groep mensen bij wie gemakkelijk de vlam in de pan slaat. Waar ze ook komen, zij raken steeds opnieuw verzeild in ruzies en vechtpartijen en soms lijkt het of ze als een magneet het geweld naar zich toe trekken. Vaak menen ze het niet zo kwaad en diep in hun hart zijn het geen beroerlingen, maar zij beschikken blijkbaar niet over de vaardigheid om zichzelf in zulke situaties in de hand te houden. Ze zijn licht ontvlambaar, heetgebakerd, hun handen zitten wat los, of, in goed Tilburgs: "ut zen hêête duvels". Soms blijft de agressie beperkt tot "enighe harde woorden" , maar als de strijd alleen met woorden niet valt te winnen, schakelt men over op andere middelen. Niet zelden moeten voet of vuist voor sterkere argumenten zorgen en als dat niet helpt wordt er gegrepen naar stok of "clippel", maar ook een bierpint of een "bloot mes" is geen zeldzaamheid. Dan kan de zaak weleens behoorlijk escaleren en kunnen de gevolgen ernstig zijn: "sware quetsueren, grouwelijcke sneeden" en ... van tijd tot tijd een lijk. Want ook in vroeger eeuwen kon agressie een zware tol eisen en meer dan eens vallen er dan ook dodelijke slachtoffers te betreuren. 

Opvallend is dat in één tak van de familie zo vaak iemand betrokken was bij uitingen van geweld dat je met recht kunt spreken van "de hoek waar de klappen vielen". Al blijken er in deze familietak dan heel wat rake klappen te zijn gevallen, je kunt er niet zomaar de conclusie uit trekken dat het hier alleen de slàchtoffers van geweldsdelicten betreft. Dezelfde personen die de slagen moesten incasseren hebben dikwijls ook zelf de nodige klappen uitgedeeld of anders toch meer dan eens door hun gedrag of hun uitlatingen de gewelddadige reactie van de tegenpartij opgeroepen of uitgelokt. Bij menig treffen is er sprake van een hoog eigen-schuld-dikke-bult-gehalte. En zo belanden we te midden van een verzameling lichtgeraakte heethoofden aan de ene kant en een aantal machteloze slachtoffers aan de andere kant; tussen ruziezoekende herrieschoppers enerzijds en hulpeloze underdogs ter andere zijde. Een ware mix van opvliegende figuren die nogal eens vlug het recht in eigen hand nemen en hun minder assertieve dorpsgenoten die van dat agressieve optreden de dupe zijn geworden. Onnodig te vermelden dat in niet weinig gevallen naast het licht ontvlambare karakter van de betrokkenen ook het drankgebruik een niet te verwaarlozen rol heeft gespeeld.

Voordat we u met enkele van deze familieleden-met-losse-handen - en mogelijk ook wel met-lange-tenen - laten kennismaken, geven we hier een genealogisch overzicht, waarin een gedeelte van de betreffende familietak schematisch is weergegeven. De namen van de direct betrokkenen zijn vet afgedrukt. De nummers verwijzen naar de acht hiernavolgende bijdragen waarin hun "wandaden" nader uit de doeken worden gedaan of waarin zij de rol van lijdend voorwerp vervullen. 



1. Zonder een teken van leedwezen

Een van de zonen van Adriaen Gerit Huijben en Maeijcken Somers is Adriaen. In 1639 is hij getrouwd met Jenneken Cornelis Jan Buermans en als we hem in 1646 ontmoeten is hij inmiddels zo'n dertig jaar en vader van drie jonge kinderen. Maar denk nu niet dat leeftijd en vaderschap hem tot een kalme en bedaarde man hebben gemaakt. Adriaen heeft in zijn omgeving niet ten onrechte de naam een opvliegende figuur te zijn en weinig woorden kunnen al genoeg zijn om hem te laten exploderen. En dat is ook precies wat er in 1646 gebeurt als Adriaen "enige woorden" krijgt met Jan Jan Adriaen Stevens. Kennelijk is Stevens net zo heetgebakerd als Adriaen: in het vuur van de discussie winden beiden zich zo op dat ze al snel met elkaar op de vuist gaan. Het gaat er zo hard toe dat Stevens op een kwaad moment Adriaen "met sijn hooft gevat heeft ende met vuijsten geslaegen".

‘Met de bierpot die hij in zijn handen heeft, wil hij Jan te lijf.’
Deze bierpul uit omstreeks 1700, een zogenaamde Humpen, 
is gemaakt in het Westerwald en werd in 1978 gevonden bij 
de opgraving van het kasteel van Tilburg in de Hasselt.
(coll. RHC Tilburg).

Zoiets moet je bij die man nou juist niet doen; dat is vragen om moeilijkheden. De reactie van Adriaen is dan ook niet mis. Met de bierpot die hij in zijn handen heeft, wil hij Jan te lijf. Adriaen haalt uit, maar de slag wordt gestuit door "het mantelbilt" (de schoorsteenmantel?), waardoor de voet van de pot eraf springt. Eerst staat Adriaen enigszins verbouwereerd met het overblijvende deel van de pot in zijn hand. Lang duurt zijn verbijstering echter niet: met het restant van de pot slaat hij verscheidene keren krachtig op het hoofd van Stevens, waarbij de scherpe randen van de afgebroken potdelen een ware ravage aanrichten: Stevens heeft door de slag maar liefst "thien sware quetsueren in sijn hooft ontvangen"; en dat zijn alleen nog maar de open wonden. Daarnaast heeft de klap hem "oock meer andere butsen" opgeleverd "die noch op sijn hooft niet geopent waren". De toegebrachte verwondingen zijn "soo swaer ende periculeux datmen in grote vrese is geweest dat Jan daeraff soude sijn gestorven". Achteraf is die vrees gelukkig ongegrond gebleken. Al blijken de verwondingen dan minder levensbedreigend dan het zich aanvankelijk liet aanzien, zijn onbesuisde optreden levert Adriaan toch een veroordeling op tot betaling van smartengeld: tien gulden en tien stuivers voor elke "bendige" wonde die hij Stevens heeft toegebracht. Zijn losse handjes kosten Adriaen in totaal dus 105 gulden, wat je in die tijd beslist geen kleinigheid kunt noemen. Of hij hiermee nu ook zijn lesje geleerd heeft, is nog maar de vraag.(1)

Het jaar daarop wordt al meteen duidelijk dat dat inderdaad niet het geval is. Op 15 april 1647 zit Adriaen Huijbert Brock met enkele anderen te drinken ten huize van Jan van de Sande, als Adriaen Adriaen Gerit Huijben samen met Nicolaes Jan Wouters binnenkomt. Als Adriaen ergens op het toneel verschijnt, is ruzie nooit ver uit de buurt, zo ook nu. Het drinkende gezelschap stelt de aanwezigheid van de nieuwkomers niet erg op prijs en met name Adriaen Brock begint al snel tegen onze Adriaen "te murmureeren en twistige woorden aen te nemen". Zoals te verwachten, duurt het niet lang of bij Adriaen slaat de vlam weer eens in de pan. Met vereende krachten weten de aanwezigen de driftkikker de deur "uijt te stooten", waarna die snel van binnen afgesloten wordt, zodat de rust kan weerkeren in huize Van de Sande. "Ende alhoewel alle ongeluck daermede tot daertoe ware voorcomen", gaat het toch mis en krijgt het voorval nog een vervelend staartje. 

Kort na zijn buitensluiting verschijnt een getergde Adriaen "voor het venster neffens de deur" en maakt met heftige gebaren duidelijk dat hij binnengelaten wil worden. Als hier niet op wordt gereageerd, timmert hij verwoed op de ruiten en begint te roepen en te dreigen. Brock is het hele gedoe beu en wil er een einde aan maken: hij stapt resoluut naar het raam toe om de lawaaischopper weg te jagen. Als Adriaen niet snel genoeg naar Brocks zin verdwijnt, opent deze het raam en "door het venster" heeft hij de druktemaker "recht onder den hals voor inde slincker borst met een mes gestoocken", waardoor Adriaen "achterwaerts was bottende". Vervolgens heeft het slachtoffer zich omgekeerd naar het huis van vorster Couwenberch; hij heeft "zijn wambas opgetrocken, roepende: Couwenberch, Couwenberch, den soon van Huijbken Brocken vermoordt mij daer". Vanuit het huis van de vorster komt geen reactie. De zwaargewonde Adriaen probeert nog enkele stappen te gaan maar hij komt niet ver: "Ontrent de lindeboomen voor het huijs vande vorster is hij ter aerde nedergevallen ende soo datelijck gestorven." En wat misschien nog wel het ergste is: gestorven "sonder een vuijtwendich teecken van leetwesen over sijn sonden te hebben betoont." 

De dader, Adriaen Brock, is hierna op de vlucht geslagen, en hoewel de vorster wel vijfmaal de huizen van Jan Matthijs Peter Wijtens en Adriaen Peter Vrancken heeft laten doorzoeken, "mitsgaders alle henne schueren, schoppen, stallingen, solders, schelften ende alomme daer sij presumptie hadden den voornoemden Brock te vinden ende t' apprehendeeren", lukt het niet de bedrijver van de doodslag te vinden. Of de zoon van Huijbken Brocken later nog is opgespoord, vermelden de stukken niet. Voor onze Adriaen maakt het natuurlijk niets meer uit; slechts 31 jaar is hij geworden. Zijn weduwe, Jenneken Buermans, blijft verslagen achter met haar drie kleine kinderen. Zeven jaren later, in 1654, is ze hertrouwd met de weduwnaar Adriaen Denis Daniel van Heijst.(2)


2. Op blote knieën

Een andere zoon van Adriaen Gerit Huijben en Marie Somers, Anthonis, gaat vanwege zijn huidziekte met de bijnaam "de Lazarus" door het leven. Bij onze eerste ontmoeting met Anthonis laat hij zich niet meteen van zijn fraaiste kant kennen. Op 29 maart 1658 is hij samen met zijn zwager Peter Joost Pauwels (van Heijst) en enkele anderen "in gelag bijeen" in de herberg van Cornelis Peter Donders, aan de Heikant. Daar bevindt zich ook Anthonis Peter Donders, die kort tevoren uit de nalatenschap van Peter Peter Somers een huis heeft gekocht. Nu zijn "de Lazarus" en zijn zwager allebei erfgenamen van diezelfde Peter Somers. Donders komt bij de beide mannen aan tafel zitten om hun te vertellen "dat hij vuijt de vercoop van dat huijs nog seeckere somme van penningen schuldig was", waarbij hij hun een aantal geldstukken laat zien. Rechthebbend op een deel van dat geld is Anthonis zo vrij dat hij "van die penningen affnamp drij ducatons in specie, waermede hij in een andere camer liep". Dat was niet Donders' bedoeling. Hij loopt Anthonis achterna en vraagt de ducatons weer terug "onder belofte hem te geven ende te laten volgens dat bevonden soude werden hem te competeren". Anthonis is niet van plan aan dat verzoek te voldoen; ook na herhaald aandringen van Donders "heeft hij niet willen luijsteren". Het komt zelfs zo ver dat Anthonis "sijn mesch vuijt sijn schede heeft getrocken ende daermede onder andere deselve soo danige snede over sijn aangesigt gegeven (heeft) dat sijn voorhooft, neuse, coon ende lippen geheel waren open ende gesplitst soo dat den chirurgijn die weeder aen malcanderen heeft moeten hechten dat seer deerlijck was om sien ende hij daervan noch seer sober is". Enkele omstanders hebben de twee van elkaar weten te scheiden terwijl enkele anderen vervolgens Anthonis tot voor de deur van zijn huis "gestuwelt" hebben, "daer hij noch op den gequetsten ende andere was fulmineerende". Over de drie ducatons spreekt niemand meer.(3) 



Op 29 maart 1658 is Anthonis ‘de Lazarus’ met zijn zwager Pater Joost Pauwels 
(van Heijst) en enkele andere ‘in gelag bijeen’ in de herberg van Cornelis Peter Donders, 
aan de Heikant. Foto omstreeks 1918 van de Heikant (De Schans). Rechts de brouwerij
 van Witlokx (coll. RHC Tilburg).

Ook bij het volgende voorval treffen we Anthonis aanvankelijk in een kroeg aan, deze keer betreft het de herberg van Cornelis Peter Adriaen Goijaerts. De avond van die laatste zondag van juni 1664 heeft hij doorgebracht in het gezelschap van twee goede vrienden, Jan Jan van Hemert en Marten Gerit Martens. De maten gaan die avond laat naar huis. Als het drietal bij de woning van Jacob Matthijssen is aangekomen, nemen zij afscheid van elkaar en gaat ieder zijns weegs. 
"Corts daernae" ziet Van Hemert dat "eenige persoonen in het hemde stonden opde straete". Het is duidelijk dat er iets aan de hand moet zijn, en daar wil Van Hemert het zijne van weten. Naderbij gekomen bemerkt hij dat het de vrouw van Matthijssen is met haar kinderen. En wat die op dit late uur in nachtkledij op straat moeten, is ook snel duidelijk: zij staan geschaard rond een "manspersoon die daer gequetst ter aerde nederlach". Van Hemert herkent in de gewonde meteen Anthonis "de Lazarus", zijn makker met wie hij kortgeleden nog uit de herberg is gekomen. Voorzichtig helpt hij zijn gewonde kameraad overeind en voert hem zo goed en zo kwaad als het gaat naar het huis van Marten Gerit Martens, dat daar niet ver vandaan is.

Marten staat op het punt naar bed te gaan; hij heeft weliswaar kort nadat de drie uit elkaar zijn gegaan, "al in sijnen hoff sijnde, eenich gerucht op de straet gehoord", maar hij heeft er verder geen aandacht aan geschonken en is niet op onderzoek uitgegaan. Hij is zijn huis binnengelopen en terwijl hij zich klaar aan het maken is om naar bed te gaan, wordt er op zijn deur gebonsd. Groot is zijn verbazing als hij na het openen van de deur de beide mannen ziet staan: Van Hemert met de gewonde Anthonis. 
Hij laat het tweetal binnen en terwijl de hoofdwond van Anthonis verbonden wordt, ervaart Marten wat er gebeurd is: Anthonis blijkt te zijn opgewacht door Cornelis, de zoon van Jacob Mattijssen. Zodra de beide metgezellen hem verlaten hebben, is Cornelis op Anthonis toegesprongen en heeft hem "soodanich geslagen met een torffschop", dat "en sware quetsuere op sijn hooft waeraff hij seer deerlijcken bloeijende was" het gevolg is. Nadat de wond verzorgd is en Anthonis een beetje op verhaal is kunnen komen,wordt hij door Marten naar huis gebracht. Dader Cornelis Matthijssen is inmiddels in geen velden of wegen te bekennen. Op 29 juni is Anthonis thuis door de chirurgijn "gevisiteerd"; gelukkig blijkt het mee te vallen met de ernst van de verwondigen, al heeft Anthonis wel enkele dagen rondgelopen met de pijnlijke naweeën van deze nachtelijke confrontatie. Hij overleeft echter de brutale "aanslag".(4) 

Ruim twee jaar eerder gebeurde iets omgekeerds. Toen - het is dan februari 1662 - liep Anthonis zelf uit bij het slachtoffer van een vechtpartij en was hij degene die de helpende hand kon bieden. Achter "de bosschen van Z. Ex.; Heer Grave van Grobbendonck" ontdekt hij een oude man die "beswijmpt" op de grond ligt. Het is de 74-jarige Jan Gijsbert Verschuren; hij blijkt, na een ruzie over het wel of niet betaald hebben van een stuk laken, te zijn neergeslagen door Willem Daniel van Heijst. Willem heeft de grijsaard bruut neergeknuppeld "met sijnen stock, waerinne was eenen ijseren pin" en heeft zich vervolgens uit de voeten gemaakt, zijn slachtoffer bewusteloos achterlated. Als Anthonis vervolgens de neergeslagen man aantreft, heeft hij zich over de oude Verschueren, die "in de slaep van sijn hooft geraeckt was op de muskel temporael", ontfermd. Hij heeft de man overeind geholpen en met een doek de wond zo goed mogelijk verbonden; nadat Verschueren weer "tot sijn selven was gekomen" heeft Anthonis hem naar huis gebracht.(5)

Anthonis de Lazarus, afwisselend in de rol van messentrekker, slachtoffer en barmhartige Samaritaan; eerst de aanvaller, vervolgens de underdog, en daarna weer de redder in nood. Zijn minder positieve kant toont hij weer eens in 1663, wanneer hij zich schuldig maakt aan een "feijt ofte violentie van justitie" dat hem opnieuw in een minder fraai daglicht stelt. Door het " feijtelijck ewegh haelen, bij nachte" van een koe, uit de stal van Claes Thomas van Dijck, heeft Anthonis laten zien dat hij het niet zo nauw neemt met het verschil tussen mijn en dijn. Dat de diefstal ook nog eens "bij nachte" is uitgevoerd, maakt de zaak meteen een stuk ernstiger. Bovendien was het niet eens een koe van Claes van Dijck; het beest stond slechts bij Claes in de stal omdat het door de vorster en Adriaen Cornelis Everts "aldaer besteet was in het voeijer". Hoe het ook zij, Anthonis heeft zich vergrepen aan andermans eigendom en daarom is hij op 4 december 1663 gedaagd om tegenover de schepenen over deze diefstal verantwoording af te leggen.

De boosdoener begrijpt ook wel dat ontkennen weinig zin heeft; hij kan slechts berouwvol zijn misstap toegeven. En dat doet hij ook, en hoe: Schuldbewust en onderdanig verschijnt hij voor de hoge heren. "Op sijn blote knijen met ongedeckten hoofde" heeft Anthonis "de heeren wethouders om vergiffenis gebeden". Door zo diep en deemoedig in het stof te buigen, slaagt Anthonis erin de schepenen te vermurwen. En nadat hij plechtig beloofd heeft nooit meer zo iets te zullen doen, "maer ter contrarie hem met alle respect tegens de justitie te sullen gedragen" wordt hem grootmoedig "tselve delict gratieuslijck geremitteert". Zo komt Anthonis er toch nog genadig van af.(6) 


3. Met een vork of riek 

Het jaar 1682 is nog maar amper een week oud als Adriaen Anthonis Adriaen Gerit Huijben - ter onderscheiding van zijn gelijknamige jongere broer wordt hij "Adriaen de Oude" genoemd - het slachtoffer wordt van een "geweldsdelict". Adriaen is een zoon van de eerder genoemde Anthonis "de Lazarus" en Lijntje Jans en is op dat moment ruim dertig jaar oud. Op de avond van 7 januari bevindt hij zich met een aantal andere Tilburgers in het huis van Adriaen Fiers, die aan de Veldhoven woont. 
Het moet zo rond een uur of zes geweest zijn als hij daar met een van de aanwezigen, Jan Denis de Beer, onenigheid krijgt. De woordenstrijd die hiervan het gevolg is, leidt ertoe dat De Beer zijn mes trekt. Of hij nu zo'n agressieveling is of dat hij zich door Adriaens woorden zodanig bedreigd heeft gevoeld dat hij zich genoodzaakt ziet uit zelfverdediging naar zijn mes te grijpen, wordt uit de archivalia niet duidelijk. Wel staat vast dat het reactievermogen van Adriaen het deze keer laat afweten: hij is niet snel genoeg om het mes van Jan de Beer te ontwijken. Zodoende "ontfangt" hij van zijn tegenstander "een steek onder de lincker oxsel van sijnen arm". Een wond van ongeveer acht centimeter lengte is het pijnlijk souvenir dat Adriaen aan deze confrontatie overhoudt.(7)

Nu is Adriaen zelf ook niet bepaald een lieverdje. Dat blijk wel in de zomer van 1683. Deze keer ontmoeten we Adriaen niet in de rol van slachtoffer, maar voor de afwisseling figureert hij nu eens als de dader. 
Samen met nog vijf andere Tilburgers is Adriaen op 10 augustus naar Dongen gewandeld. Daar is het gezelschap onder andere geweest "ten huize van de weduwe Quaet Giel, ontent het Loontsch Gericht aldaer". En ook nu weer krijgt Adriaen "sonder eenige de minste reeden" - het lijkt wel of hij er patent op heeft - "seer harde woorden ofte questien". Dit maal is zijn "gesprekspartner" een zekere Anthonis van Gils. 
Ook deze keer dreigt de "discussie" behoorlijk uit de hand te lopen; de harde woorden leiden na enige tijd tot harde daden. Voordat Van Gils het kan verhinderen heeft Adriaen plotseling zijn mes getrokken en hij snijdt daarmee zijn onthutste opponent "seer deerlijk over de hand". Als Adriaen na deze snijpartij het huis van de weduwe verlaat, halen ze daar opgelucht adem en lijkt de rust te zijn weergekeerd. 

Kaart van Hendrik Verhees uit 1790 met onder andere Heuvel, Veldhoven, 
Hasselt en Stokhasselt (coll. Rijksarchief in Noord-Brabant, ’s-Hertogenbosch).

Hoe bedrieglijk die rust is, wordt pijnlijk duidelijk als korte tijd later een nog altijd verbolgen Adriaen opnieuw opduikt. Dat zijn boze bui nog lang niet is overgedreven kan niemand ontgaan zijn. Adriaen is nu eenmaal "een nèèg menneke", en wanneer hij eenmaal door het lint gaat, is de man niet vlug tot kalmte te brengen. 
Zijn korte afwezigheid blijkt hij benut te hebben om zich een ander wapen te verschaffen: met "een vurck ofte rieck" wil hij Anthonis van Gils opnieuw te lijf gaan. Terwijl de anderen machteloos toekijken, stormt een furieuze Adriaen, wild om zich heen slaand met zijn (hooi)vork, op Anthonis af en deelt enkele rake klappen uit aan zijn tegenstander, die zich met zijn gewonde hand maar moeilijk kan verdedigen. 
De omstanders weten later - wanneer zij als getuigen worden gehoord - te vertellen dat Adriaen in zijn woede "Anthonis van Gils met een vurck omver was slaende, dat dese tegen een trechter was vallende". Door deze ongelukkige val loopt Anthonis een fikse hoofdwond op, "soodanich dat daerdoor in abondantie t' bloedt van sijn hooft was affvloeijende". 

Als het gezelschap later naar Tilburg terugwandelt, zullen Adriaen en Anthonis wel een beetje uit elkaars buurt zijn gebleven en mogelijk heeft die hevig bloedende wond de driftige Adriaen toch tot bezinning gebracht. Hoe het ook zij, de archivalia maken in ieder geval geen melding van nieuwe handtastelijkheden of aanvaringen tussen de twee. Wel heeft een dag later de chirurgijn het slachtoffer thuis nog onderzocht. Naast de hoofdwond constateert die een wond aan de linkerhand, "sijnde eene sneede door de muijs". Hoewel de geneesheer niet spreekt over doodsgevaar wil Anthonis toch dat er duidelijk wordt vastgelegd - zwart op wit - dat "ingeval hij van dese wonden quam te sterven, niemandt in den dootslach te leggen als voornoemde Adriaen".(8) 


4. Gesneden, geslagen, gestoken en geschopt

Adriaen de Jonge, een van de zonen van Anthonis Adriaan Gerit Huijben en Lijntje Jans, wordt op 11 augustus 1686 door Barthelmeeus Thielen in zijn hand gesneden. Aan deze mishandeling is een korte woordenwisseling tussen de twee voorafgegaan. Het ziet er allemaal niet zo ernstig uit en het zal vast niet de eerste keer zijn geweest dat Adriaen een sneetje oploopt ten gevolge van een te hoog oplaaiende discussie; en het zal evenmin de laatste keer zijn dat Adriaen betrokken raakt in een snij- of steekpartij.(9)
Nog geen jaar later loopt hij opnieuw met een verwonding rond. Ditmaal gaat het om "een quetsuere aen het hooft, ter sijde van de neus". Deze verwonding is hem toegebracht op 23 juni 1687, als Adriaen zich bevindt ten huize van Cornelis Hendrick Hensen. Het moet daar zijn gebeurd tussen tien en elf uur in de avond. De boosdoener is een zekere Peter Jan Symons, die nader omschreven wordt als de "weert aent Krijven". Op een gegeven moment slaat Symons met zijn pint krachtig op Adriaens hoofd. De slag komt hard aan en veroorzaakt bij Adriaen "aen de rechter sijde van de neus een wonde, door de muskel vande neus gaende, alsmede eenen slagh aende rechter ooghe". Wie zijn neus schendt schendt zijn aangezicht.(10)

Waarom de waard "aen het Creijven" Adriaen met zijn pint zo flink heeft toegetakeld, wordt in de betreffende stukken niet vermeld, maar kennelijk had Symons nog een rekening met hem te vereffenen. Mogelijk is deze mishandeling nog een reactie op wat zich een week eerder heeft afgespeeld in het huis van Cornelis Corstiaen van Beurden. Op 16 juni is Adriaan tussen twaalf en een uur 's nachts bij de familie Van Beurden, "alwaer een bruijt was", binnengelopen om nog even te delen in de feestvreugde. Het feest is er nog in volle gang en Adriaen mengt zich er tussen de overige gasten. Te midden van het vrolijke gezelschap wil hij "een pijp toeback" aansteken. Met het oog op brandgevaar wil Cornelis dat niet hebben, en dan ontstaan er moeilijkheden: Adriaen vindt de bezorgdheid van Cornelis maar overdreven en wenst zich van diens verbod niets aan te trekken; een pijpje opsteken tijdens zo'n feest, dat moet toch kunnen! 

In het kasteel van Tilburg aan de Hasselt, bevond zich het cachot (coll. RHC Tilburg).

Van Beurdens zoon Peter, "siende dat Adriaen in sijne hand was hebbende eenen tondel om daermede sijn pijp te ontsteecken", pakt hem resoluut de tondel uit zijn hand. Dit ingrijpen is allerminst naar de zin van Adriaan en zo wordt een bagatel opeens een prestigekwestie. Op het wegnemen van zijn tondel reageert Adriaen onmiddellijk door "met een bloot mes" op de jonge Van Beurden in te steken en te snijden. 
Blijkbaar heeft Adriaen onder de feestvierders een medestander die het voor hem opneemt: Jan Gommerden. Als Iefken, de vrouw van Cornelis van Beurden, zich mengt in de onenigheid tussen Adriaen en haar zoon laat ook Gommerden zich niet onbetuigd: hij slaat Iefken stevig "op het hooft met eenen pael daer mede men broot in den hoven schiet".(11)

Al vlug raken nu verschillende van de aanwezige gasten met elkaar in gevecht en zo eindigt een vrolijk begonnen bruiloft in een onoverzichtelijk tumult. Bij het opmaken van de balans van deze geweldsuitbarsting blijkt dat de volgende verwondingen voor rekening van Adriaen komen: een drie centimeter lange snee over het hoofd van Cornelis van Beurden en een steek van maar liefst tien centimeter lengte, "gaende naer den elleboog toe", in de rechterarm van Hendrik van Beurden, een broer van Cornelis. Een andere broer van Cornelis, Jan van Beurden, "is gesneden aan de rechtersijde vande mondt", terwijl bovendien "sijn rock met verscheijden sneeden was doorsneden" en - wat erger is - Adriaen heeft de eerdergenoemde Hendrik van Beurden ook nog eens "met voeten soodanich getreeden dat het bloet uijt sijn buijck was loopende". Je zou bijna kunnen spreken van het Tilburgse equivalent van de Parijse Bloedbruiloft, zij het dan dat er hier geen doden zijn te betreuren.(12)
Dank zij het drieste optreden van Adriaen en Jan is het voor de familie van Beurden in ieder geval een gedenkwaardig dagje geworden met een chaotisch slot. En voor het jonge paar een huwelijksdag om niet licht te vergeten.(13)

5. Fameuze liedekens 

Op 2 december 1666 heeft Jan, de ongeveer 20 jaar oude zoon van Daniel Adriaen Gerit Huijben en Neeltje de Wijs, bij een zekere Willem - zijn familienaam is in Tilburg niet bekend, men weet alleen dat hij "cleermaecker tot Dongen" is - "verradelijck gesneeden over de cleederen". Wat voor Jan de aanleiding tot deze euveldaad geweest is, wordt uit de voorhanden zijnde stukken niet duidelijk. Misschien heeft de jongeman hiermee indruk willen maken op de andere aanwezigen, bij zichzelf denkend dat zulke vernielingen bij een kleermaker niet meteen een ramp hoeven te betekenen: zo iemand kan de aangerichte schade gemakkelijk zelf herstellen. Het is niet uit te sluiten dat ook drankgebruik een rol gespeeld heeft: de snijpartij vindt namelijk plaats in de herberg van Jan Jan van Besouw. Enkele van de overige herbergbezoekers vinden dat Jan met zijn vernielingen te ver is gegaan en een van hen, Joost Bastiaen Teunis Joosten (Cuijsters), verkondigt luid dat "sulcx geen eerlijck jongmans werck" is. Dat had Joost beter niet kunnen doen. Zijn opmerking valt bij Jan erg verkeerd: deze trekt bliksemsnel zijn mes en steekt Joost daarmee in diens "slinckerborst, recht boven het borstbeen gaende opwaerts naerden hals".(14)

Als messentrekker en vechtersbaas zijn we Jan, die ook bekend staat onder de bijnaam "Cortvisch", na dit incident niet meer tegengekomen. Toch komt hij enkele jaren later opnieuw in aanvaring met de justitie. In april 1669 treffen we Jan en zijn vrouw - hij is inmiddels getrouwd met de uit Liempde afkomstige Iefken Peter Driessen - beiden aan op het kasteel in de Hasselt, "gevankelijck weesende over seeckere fameuse liedeckens die bij hen luijden gevonden (zijn) ende gesongen op den jaermerckt binnen Tilborch". De volgende voorgeschiedenis blijkt aan deze gevangenneming te zijn voorafgegaan:

"Op zondag voorden halff vasten" is Jan in de herberg van Jacob Peter Jacobs, aan het Creijven in contact gekomen met een zekere Andries Lenaerts, uit Loon op Zand, die daar "inden Swaen" woont. Deze Andries vertelt tegen Jan dat hij bij Michiel, de knecht van hebergier Jacobs "een liedecken" zou vinden "vanden predicant van Loon". Al snel wordt duidelijk dat het hier een spotlied betreft op de Loonse dominee, waarin bezongen wordt hoe diens kar in den Bosch, "op de brugge aldaer", verbrand is. Andries geeft Jan de raad om het liedje te laten drukken, "seggende: gij sulter duijsendt van verkoopen". Begrijpelijk: ook in die tijd was het volk niet wars van roddel, achterklap en leedvermaak. En Jan hoeft echt niet te vrezen voor een financieel debacle, want, mocht de verkoop onverhoopt tegenvallen, dan is Andries bereid de resterende liedjes "voor een schelling het stuck aff te coopen".

Jan heeft er wel oren naar; hij ruikt goede handel. Helaas blijkt de bewuste knecht het papier met de liedtekst niet meer in zijn bezit te hebben: hij heeft het aan de weduwe van Michiel Jan Symons gegeven. Uiteindelijk lukt het Jan toch om het blad met het "liedeke" te pakken te krijgen en hij brengt het naar Breda, "bij Cornelis Seldenslach inde Corte Brughstraet, daer uijthangende is de druckerij", om er enkele exemplaren van te laten drukken. Deze Seldenslach blijkt de opdracht weer te hebben uitbesteed aan een Antwerpse collega: een dag of tien later koopt Jan bij Seldenslach negen "boecken van het gemelde liedeken, waerop in sin staet: Gedruckt t'Antwerpen bij Martinus Verhulst op d'Oude Coremerckt". Voor elk boekje heeft Jan vijf stuivers betaald. 

Na deze investering van een kleine twee en een halve gulden kan het grote geldverdienen beginnen. Hij trekt naar Loon op Zand, want daar zal de belangstelling voor het liedje wel het grootst zijn. Voor het huis en de herberg van Wouter Driessen, in de Molenstraat, heeft Jan daar zijn beruchte "liedeken" gezongen. En hij heeft succes: "vijff a ses boeckxkens" heeft hij in Loon op Zand kunnen verkopen; een hoopgevend begin.
Hierna gaat Jan in Tilburg zijn geluk beproeven; deze keer is ook zijn vrouw Iefken van de partij. Een herhaling van het musicale optreden tijdens de Tilburgse jaarmarkt is echter minder succesvol: Jan en Iefken worden gearresteerd; de resterende liedboekjes worden in beslag genomen. Zo belanden de beide liedjeszangers in het cachot van het Tilburgse kasteel en eindigt hun avontuur toch een stuk minder fortuinlijk dan hun aanvankelijk door Andries is voorgespiegeld: die vijf of zes verkochte liedjes zullen amper genoeg hebben opgebracht om de drukkosten te kunnen compenseren. Nog een geluk dat ze in hun overmoed geen duizend van die "boecxkens" hebben laten drukken. Een mooi luchtkasteel is in rook opgegaan.(15)


6. Een kruidje-roer-mij-niet

Adriaen, de 27-jarige zoon van Adriaen Anthonis de Jonge en Soetje van Gils, moet echt een heetbroek zijn geweest; zo eentje die maar weinig van een ander kan verdragen en die er nogal eens rap op slaat als iemands gedrag of woorden hem niet zinnen. Zijn buurvrouw, Anthonet, de huisvrouw van Adriaen van Gorkum, heeft dat in 1727 aan den lijve mogen ondervinden. Waarschijnlijk heeft het nooit erg geboterd tussen die twee, maar als het nieuwe jaar nog maar goed en wel is begonnen, komt de bom een keer echt tot barsten. Door Adriaen uit te maken voor "hoerenvoocht" is Anthonet - in zijn ogen - toch echt over de schreef gegaan. Daar moeten onvermijdelijk moeilijkheden van komen, want de jongeman accepteert van niemand commentaar op zijn levenswandel, en zeker niet van zijn buurvrouw. 

Als Adriaan op 2 januari Anthonet tegenkomt, wil hij meteen het een en ander rechtzetten en het wordt dan ook beslist geen hartelijke ontmoeting. Hij maakt zijn buurvrouw - op geheel eigen, dat wil zeggen: hardhandige, manier - duidelijk dat hij van dat soort uitlatingen niet gediend is. Adriaen maakt er echter weinig woorden aan vuil, maar geeft de vrouw botweg "een clap op haer cop en een schop twee a drie onder haer gat". De jongeman houdt nu eenmaal van duidelijkheid. Of Anthonet met haar kwalificatie het nu wel of niet bij het rechte eind had, moeten we in het midden laten; het zou van haar echter wel verstandiger zijn geweest als ze zich wat voorzichtiger had uitgedrukt. De zoon van haar buren staat namelijk alom bekend als een echt kruidje-roer-mij-niet: een licht ontvlambare vechtersbaas, bij wie de handen erg los zitten en wiens mes soms rap getrokken is. Ze had zo'n reactie van Adriaen dus wel kunnen verwachten en ze mag nog van geluk spreken dat hij haar niet op wat ergers heeft getrakteerd.(16)

Dat "de zoon van Soetjen aent Creijven" wel eens wat al te snel op zijn teentjes getrapt kan zijn, is een feit waar ook enkele andere Tilburgers een boekje over kunnen opendoen. Zoals bijvoorbeeld Adam Peter Daems. Op 2 juli 1729 is Adam samen met Adriaen naar Dongen gelopen. Ook Adriaen van Heijst en Goijaert Mutsaerts met zijn zoon maken deel uit van het gezelschap. Wat het clubje in Dongen ging doen, is niet bekend. De heenreis schijnt in alle pais en vree te zijn verlopen; van de thuisreis kun je dat niet zeggen. 

Aquarel van Nicolaas Wicart (1748-1815) gemaakt in de omgeving van Tilburg 
(Coll. KUB, Brabant-collectie).

Op de terugtocht van hun Dongens uitstapje - toch al gauw een wandeling van zo'n dikke twee uren - neemt het groepje de weg "door de heij". Ze hebben er flink de pas in en al pratend en gekscherend komt stilaan Tilburg weer in zicht. Als ze "omtrent het Swartven" zijn aangekomen ontstaat er een kleine woordenwisseling over de stok van Daems. Plagenderwijs wordt door een van het groepje - misschien was het wel onze Adriaen - geconstateerd dat die stok te krom is. Daems antwoordt laconiek: "Wil ick hem op uwen rug eens recht maecken?" Adriaen kan er de humor niet van inzien en neemt de woorden van Daems een beetje te letterlijk. Door hem wordt Adams grapje opgevat als een dreigement, en wat als een plagerijtje is begonnen, loopt daardoor uit op een vechtpartij. 

Volgens de verklaring van de andere reisgenoten is Adriaan daarbij zo hevig tekeergegaan dat hij in zijn drift "bijna Adam sou hebben dootgeslaegen" als zij dit niet met vereende krachten hadden kunnen verhinderen. Een geluk voor Adam dat zijn gezellen hem voor erger hebben kunnen behoeden, maar ondanks de tussenkomst van zijn makkers komt de goede man toch niet helemaal ongehavend uit de strijd: hij houdt er een flinke snee aan de linkerkant van zijn neus aan over. Daarnaast heeft hij nog een snee door zijn lip gekregen en nog eentje tussen zijn duim en wijsvinger. 
Zo gaat dat, als je met die heetgebakerde zoon van Soetje in de clinch raakt; die laat nu eenmaal niet ongestraft de spot met zich drijven. Dat mag voor iedereen duidelijk zijn.(17)


7. Rondom de meiboom

Anthonis Adriaen de Jonge, een andere zoon van Adriaen en Soetje, is op 30 april 1728 's avonds nog laat op pad. In gezelschap van zijn broer Adriaen komen we hem omstreeks twaalf uur tegen in de buurt van "het goed van Jacob Peter van Beurden". Daar lopen ze drie gebroeders Maes tegen het lijf: Laureijs, Jan en Peter, de zonen van Matthijs Maes. De drie broers voeren, samen met enkele andere jongelui, een vers omgehakte boom met zich mee. De boom, die zij op het perceel van Jacob van Beurden hebben "afgekapt", is bedoeld om als "meiboom" te fungeren; het is tenslotte de volgende dag de eerste mei en kennelijk is de aloude meiboomfolklore in het achttiende-eeuwse Tilburg nog springlevend.(18)

Uit latere verklaringen van getuigen valt op te maken dat Anthonis en Adriaen de Jonge de boom van het groepje zouden hebben willen afpakken. Adriaen zelf rept daar niet over als hij voor de schepenen zijn versie van het gebeurde vertelt. Wel staat vast dat de gebroeders De Jong het groepje van de broers Maes hebben uitgemaakt voor "schelmen en dieven, daerbij scheldende en roepende dat sij sig van daer weg soude maecken". Veel indruk schijnen deze woorden niet te maken op de tegenpartij; "die van De Jong" mogen dan terecht als vechtersbazen bekendstaan, Laureijs Maes laat zich door het tweetal geen schrik aanjagen. Dapper roept hij terug: "Wij sijn soo weinich canailje, rapaille als gijlieden", er dreigend aan toevoegend: "Als gij niet gaet loopen zoo schieten wij u over hoop". Maar ook de beide broers De Jong laten zich niet intimideren; en zeker Anthonis niet. Zelfverzekerd loopt hij op Laureijs Maes toe en vraagt hem of hij aan de eigenaar wel toestemming gevraagd heeft om die boom om te hakken. Mocht dat niet het geval zijn "dan sultgij hem voor den duivel laten leggen"

Zo ontstaat er een gespannen sfeer en Laureijs, die zich niet de wet wil laten voorschrijven door Anthonis en bovendien niet af wil gaan in de ogen van zijn compagnons, reageert hierop door tegen zijn broers te roepen: "Brengt het stickaet, brengt het stickaet". Het klinkt als een bevel, en Laureijs wordt door zijn broers op zijn wenken bediend: ze overhandigen hem het verlangde wapen. Na nog wat dreigementen over en weer is Laureijs het optreden van Anthonis goed zat en hij steekt een paar keer in diens richting, nog zonder de jongen te raken. Maar in de hitte van de strijd komen de beide tegenstanders geleidelijk dichter bij elkaar en ontstaat er een gevaarlijke situatie. Ondanks het nachtelijk duister - of was het misschien toch een maanverlichte voorjaarsnacht ? - heeft Adriaen, volgens de verklaring die hij later af heeft gelegd voor de schepenen, gezien dat Laureijs wel tien keer in de richting van Anthonis heeft gestoken. Die probeert intussen uit alle macht met zijn stok de steken af te weren. Ten slotte - zo heeft Adriaen gezien - wordt "het stickaet" door Laureijs met opgeheven arm in het lichaam van zijn broer gestoken en vervolgens er weer uit getrokken. Meteen hierna stort Anthonis neer en is "voor doot" op de grond blijven liggen. Aanvankelijk staat iedereen hulpeloos en geschrokken rond het slachtoffer, maar na enige tijd wordt het steeds duidelijker wat ze al vreesden is de harde werkelijkheid: die laatste steek is dodelijk geweest. 

Met vereende krachten wordt het lijk van de ongelukkige Anthonis onder een drukkend stilzwijgen naar het huis van zijn moeder, "achter de Hasselse Capel", gebracht. Het moet voor Soetje een zware slag geweest zijn om te zien hoe haar levenloze zoon wordt binnengedragen. Als de volgende ochtend "het dode lighaam" van Anthonis wordt "gevisiteerd" door doctor Eijmbers en chirurgijn De Meij, constateren zij dat er twee steken zijn toegebracht . De ene is gestuit op de ribben, de andere steek is Anthonis fataal geworden: "aen de slincker sijde tussen de vierde en vijfde rib door de borst, dwars door de hollicheijt van 't herte". De snee was zo breed "dat men twee vingeren neffens malcanderen daer kon doorsteecken"
De meiboom zal wel niet meer zijn opgetuigd en de eerste mei zal dat jaar aan "het Creijven" bepaald geen feestelijke dag zijn geworden.(19)


8. Een pijnlijk einde

Als de uit Oirschot afkomstige Marij van Geloven in 1711 in Tilburg trouwt met Jan Peter Somers, zullen heel wat familieleden, vrienden en bekenden haar gelukgewenst hebben. Niemand kan toen vermoed hebben hoe tragisch Marij vijfentwintig jaar later om het leven zal komen. Op de late avond van 12 oktober 1736 zijn enkele Tilburgers getuige van de barbaarse mishandeling van vrouw Somers, een mishandeling die uiteindelijk heeft geleid tot haar dood. Acht Tilburgers hebben alles zien gebeuren; ze stonden erbij, ze keken ernaar en grepen nagenoeg niet in... 

Een van de getuigen verklaart dat hij slechts "van verre volck gesien heeft"; toen hij op straat "een weijnig ramoer" hoorde is hij "van sijn bedt opgestaen" en heeft hij horen roepen: "Wilde mijn dan dootslaen?" Het hele gebeuren heeft zich afgespeeld omstreeks twaalf uur 's avonds. Opgeschrikt - en sommigen wreed uit hun slaap gewekt - door een aanhoudend lawaai en een wanhopig hulpgeroep - de getuigen zelf spreken van "geraes en gevloek opte straet"- lopen enkele bewoners van de Heikant "omtrent de Nieuwe Molen" uit bij iets wat aanvankelijk een ruzie of een vechtpartij lijkt maar bij nader inzien beter een zware mishandeling genoemd kan worden. Het slachtoffer is Marij van Geloven, de vrouw van Jan Somers; haar belager is Adriaen van Beurden, "alias Huijben". Van Beurden verkeert in het gezelschap van Michiel van Son, alias Van Geldrop, en Adriaan Bergmans, die ook Heuvelen genoemd wordt, maar die twee vervullen slechts een bijrol; Van Beurden is duidelijk de hoofdader. Sommige van de toegestroomde Heikantbewoners hebben alleen maar gezien dat Marij op de grond lag, anderen zijn er getuige van geweest hoe zij door het drietal, en dan vooral door Adriaan van Beurden, onbarmhartig werd afgeslagen. Bijna allemaal hebben ze de wanhopige Marij " horen roepen en kermen: Houd toch op. Het is zo wel genoeg." 

West- en Oostheikant op een deel van de kaart van Diederik Zijnen uit 1760 (coll. RHC Tilburg).
Centraal de ‘Heikantsche Mole’ waar Marij van Geloven in 1736 door een drietal mannen 
in elkaar wordt geslagen en vermoord.

Hoewel Marij op de grond ligt en al heel wat rake klappen heeft ontvangen, weet Adriaan nog altijd van geen ophouden. In blinde woede slaat hij genadeloos op haar in met "een langen eijken stock daer onder een knods aen was". Op de grond liggend is Marij niet in staat zich te verdedigen tegen deze overmacht van blind geweld; het enige wat ze nog kan is roepen: "Adriaen, lieven Heer, Jesus, hout op, want ik heb genoeg". 
Nog steeds grijpt niemand van de toeschouwers in; een enkeling laat Van Beurden weten dat hij er beter mee op kan houden, maar die opmerking zet geen zoden aan de dijk. Ook de ongelukkige Marij probeert tevergeefs Adriaan tot stoppen te brengen: "Ick salt van mijn leven niet meer doen". En ook haar volgende woorden: "Wilt gij mij dan dootslaen? Laat mij noch eens sugten voor mijn sonden" hebben weinig effect. Met onverminderde kracht komt Adriaens stok telkens opnieuw neer op de machteloze Marij. De deerlijk toegetakelde vrouw is intussen aan het eind van haar krachten; haar armen en benen zijn "aan stucken geslagen" en ze heeft een grote wond aan het hoofd "daer het bloet in abondantie uijtliep".

Een van de omstanders, Gijsbert van Ginhoven, "de roeper" (nachtwaker), kan het niet langer aanzien en heeft geprobeerd "het slaen te beletten" door bij Van Beurden de stok uit zijn handen te slaan. Maar Michiel van Son weet Gijsbert de stok weer af te nemen en dreigt nu hem daarmee te gaan slaan, "tegens hem seggende: gaet heenen, gij hebt hier niet te doen". De "Dritte im Bunde", Adriaen Bergmans, vindt het nu ook welletjes en probeert Van Beurdens slagen "te stuijten". Tegen zijn compagnon zegt hij: "Scheijter uijt; het is genoch", en waarschuwend voegt hij eraan toe: "Slaetse niet op de kop, want soo gijse doot slaat gij sultse voor een goede moeten betaelen". 

Blijkbaar vindt ook Van Beurden nu dat vrouw Somers genoeg heeft geleden; samen met zijn beide gezellen verdwijnt hij in het duister van de nacht, zijn zwaargewonde slachtoffer hulpeloos achterlatend. Michiel van Son is echter "voor de tweede reijse wederom gecomen en heeft noch verder de ongeluckige vrouw soodanich geslaeghen dat (zij) kort daer naer de geest heeft gegeven". 
Voordat het zover is, kan Marij tegen een aankomende jongen nog met moeite uitbrengen: "Gaet, haelt een kreugen (een kreugel oftewel kruiwagen) en brengt mijn thuijs want ick kan niet gaen". En zo wordt Marij korte tijd later door haar dochters met vereende krachten in een kruiwagen gehesen en naar huis gereden. Niet lang hierna is ze overleden: "omtrent de clocque twee" is Jan Somers tegen "roeper" Gijsbert van Ginhoven komen vertellen dat zijn vrouw al aan haar mishandeling is bezweken. 

Het onderzoek van de chirurgijns, dat de volgende ochtend heeft plaatsgevonden, levert een lijst van verwondingen op die niet mis is. Zij constateren dat "den linker arm effen boven de elleboog gebroken was, soodaenich dat een stuk van de (elle)pijp daeruijt stack". Ook haar linkerbeen is gebroken, onder de knie. Verder bevinden zich "op het scheen van ieder been open verse wonden". Daarnaast vertoont het lijk "een contusie" (kneuzing) boven de linker heup. Aan de rechterzijde van het hoofd ontdekken de heren medici nog twee wonden, "diep tot op de muskel temporalis", terwijl "de rug van agteren boven de heupen peers en blauw uijtsiet". De chirurgijns komen tot de vaststelling dat deze verwondingen zonder twijfel tot dood van vrouw Somers hebben geleid.

Intussen is Adriaan van Beurden spoorloos uit Tilburg verdwenen. Nu de veroorzaker van al dit leed zich "fugitieff heeft gemaeckt" zit er voor de rechter niet veel meer op dan hem bij verstek te veroordelen. In de processtukken wordt Adriaen omschreven als "van eenen boosaerdigen inborst en ongebonden leeven". Hem wordt ten laste gelegd dat hij "godloos genog is geweest" om samen met Van Son en Bergmans de vrouw van Jan Somers "met stocken dusdanig te slaen, haer leeden breeckende, dat de doot daerop was volgende". 
De voortvluchtige Van Beurden kan zich beter maar niet meer in Tilburg laten zien, want hem wacht daar niet veel goeds: het vonnis luidt namelijk dat hij voor zijn misdrijf "sal worden geset in strickte gevancenisse om door de scherprechter (de beul.) soodanich aen den lijve gestrafft te worden tot er de dood naer volgen sal". 
In feite betekent dat dus dat Adriaen bij eventuele terugkeer eenzelfde "behandeling" staat te wachten als zijn slachtoffer heeft moeten doorstaan. 
Ook Van Beurdens "complice", Michiel van Son is op de vlucht geslagen. Hij wordt "voor altoos uijt de jurisdictie van dese Heerlijckheijt" verbannen "op poene dat hij geapprehendeert" zal worden als hij in Tilburg terugkeert en dat er dan alsnog "naader tegens hem geprocedeert sal worden".
Beide vluchtelingen hebben zich niet meer in Tilburg laten zien. Een reden voor hun woede-uitbarting is nooit boven tafel gekomen.(20)


Wim van Hest (1944) publiceerde diverse artikelen in 'Actum Tilliburgis' en 'De Lindeboom' naar aanleiding van vondsten in het criminele Oud Rechterlijk Archief van Tilburg. In 1987 en in 1999 verschenen van zijn hand twee artikelen in het tijdschrift 'Tilburg'.


Noten

(1)
Gemeentearchief Tilburg (GAT), Oud rechterlijk archief Tilburg (ORA), Crimineel 44; 1646.
(2) GAT, ORA, Crimineel 55; 1647.
(3) GAT, Notarieel archief .20, f 28, 1658.
(4) GAT,ORA, R 6; 01.07.1664.
(5) GAT, ORA, Crimineel 110; 18.02.1662.
(6) GAT, ORA, R.91; 04.12.1663.
(7) GAT, ORA, R.6; 08-01-1682.
(8) GAT, ORA, R.6; 10.08.1683.
(9) GAT, ORA, R.6;11.07.1686.
(10) GAT, ORA, R.6; 23.06.1687. 
(11) De vrouw van Cornelis van Beurden was Iefken Claes Dingeman Willems van de Rijen. 
(12) De Parijse Bloedbruiloft (ook Bartholomeusnacht genoemd) vond plaats in de nacht van 24 op 25 augustus 1572. Vanwege het huwelijk van de Franse prinses Margaretha van Valois met de leider van de Franse protestanten (hugenoten), Hendrik van Bourbon, koning van Navarra, waren veel protestanten naar Parijs gekomen. Het plan van koningin-moeder Catharina de Medici om bij die gelegenheid een aantal hugenoten om het leven te brengen, leidde die nacht tot grote onlusten. Naar schatting had het bloedbad van die nacht in heel Frankrijk 12.000 tot 20.000 doden tot gevolg; alleen al in Parijs zou het aantal slachtoffers 2000 tot 3.000 bedragen.
(13) GAT, ORA, R.6; 16.06.1687. 
(14) GAT, ORA, R.614; 03.12.1666.
(15) GAT, ORA, R.614; 16.04.1669.
(16) GAT, ORA, R.627; 08.01.1727.
(17) GAT, ORA, R.627; 05.07.1729.
(18) Weet iemand tot hoe lang de traditie van meiboomviering in Tilburg in stand is gebleven?
(19) GAT, ORA, Crimineel 206; 30.04.1728.
(20) GAT, ORA, Crimineel 222 en 223; 1736-1737.