Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
186. Grensverleggend historisch onderzoek over Tilburg
 

Titel:   

Grensverleggend historisch onderzoek over Tilburg

Ondertitel:   

Auteur: Cor G.W.P. van der Heijden

Jaargang:   

IX (1991) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

4

Pagina’ s:   

107-109


Tilburg is 'in'. Althans als we het hebben over historisch onderzoek. Aan diverse universitaire onderzoeksinstellingen is door een groot aantal historici en sociologen gewerkt aan enkele stukjes van de legpuzzel die bijdragen aan de geschiedenis van Tilburg moeten worden. In een aantal gevallen heeft dit onderzoek geresulteerd in een proefschrift. Zo verscheen in 1988 de studie van Marjan Rossen over het woningbouwbeleid in Tilburg. Verleden jaar zag het langverwachte boek van Ton Wagemakers over de opkomst van de socialistische beweging in de wolstad het levenslicht, of beter gezegd: de dageraad. Ook 1991 heeft een academisch proefschrift over de geschiedenis van Tilburg opgeleverd; en voor volgende jaren staan er al weer andere in de steigers.

Dinsdag 7 mei 1991 promoveerde namelijk Angelique Janssens aan de Katholieke Universiteit Nijmegen op haar dissertatie over de structuur van huishoudens in Tilburg in de negentiende en begin twintigste eeuw. Deze in het Engels geschreven studie - Family and Social Change. The Household as Process in an Industrializing Context, Tilburg 1840-1920 - is een opmerkelijke meesterproeve. Zowel wat betreft de vraagstelling als de methode van het onderzoek werd deze ter promotiezitting als 'innoverend' omschreven.


Kerngezin

In de vraagstelling stond een frontale aanval op een theorie van de Amerikaanse socioloog Parsons centraal. Volgens hem heeft de industrialisatie in de negentiende eeuw een grote invloed gehad op de samenstelling van huishoudens. In plaats van het zogenoemde samengestelde gezin, waarin naast ouders en kinderen ook andere familieleden zijn opgenomen, zou het kerngezin een steeds centraler plaats zijn gaan innemen. Het moderne kerngezin is het meest geschikte gezinstype voor een industriële samenleving. Het heeft zich - volgens Parsons - ontdaan van knellende familiebanden. Het traditionele gezin zou te star en te stug zijn geweest en kon onvoldoende inspelen op de snelle veranderingen die de industrialisatie met zich meebracht.

Deze opvatting is wijd en zijd verbreid. Maar zoals zo vaak bij een algemene theoretische constructie blijkt deze niet te kloppen. Historici hebben al voor veel regio's aangetoond dat het gangbare beeld van gezin en huishouden in de tijd van vòòr de industrialisatie niet geheel klopt. Europa werd in deze eeuwen niet gedomineerd door grote uitgebreide gezinnen. In haar onderzoek houdt A. Janssens zich echter niet met dit deel van de theorie bezig. Zij richt haar pijlen meer op het tweede deel van de theorie van Parsons: de opkomst van het kerngezin in een zich industrialiserende samenleving.

In de negentiende eeuwse Tilburgse samenleving hebben zich grote veranderingen voltrokken: de wording van de wolstad van Nederland. Opmerkelijk is dat de soms snelle bevolkingsgroei - van 11726 inwoners in 1829 tot 61557 in 1919 - vooral tot stand kwam door groei van binnenuit. Alleen in de tweede helft van de zestiger jaren van de vorige eeuw was er sprake van een vestingsoverschot. De industriële ontwikkeling werd volledig overheerst door de wolnijverheid. Belangrijk voor de ontwikkeling van Tilburg is hierbij het gelijktijdig en naast elkaar bestaan van de thuisweverij en het werken in fabrieken. Tilburg bleef in de onderzochte periode (1840-1920) het karakter van een plattelandsgemeente behouden. Immers: Tilburg bestond uit een flink aantal gehuchten die langzaam maar zeker aan elkaar vastgroeiden.

De opmerkelijke conclusies van het onderzoek van Janssens zijn nu dat deze maatschappelijke veranderingen geen belangrijke breuk in de aard en samenstelling van de Tilburgse huishoudens teweeg gebracht heeft. In plaats van een verdwijnen van de samengestelde gezinnen constateert zij in de loop van de periode daarentegen een toename van deze samenwoningsvorm. Meer dan de helft van de gezinnen woonde ooit samen met verwanten. In het merendeel der gevallen betrof dit directe verwanten. Gedurende de eerste fase van het bestaan van een gezin waren dit verweduwde ouders en/of ongehuwde broers en zussen. In latere fasen waren dit vooral gehuwde kinderen en kleinkinderen. Zij beargumenteert dat ouders en broers of zusters in huis genomen werden omdat een zelfstandig huishouden voor alleenstaanden economisch niet haalbaar en cultureel niet gewenst was. Het gezin fungeerde dus duidelijk als een soort sociaal vangnet. Het was voor gehuwde kinderen - in een tijd waarin ouderdom en hulpbehoevend maar al te vaak synoniem waren - een morele plicht om hun ouders de helpende, vaak reddende, hand toe te steken.



Anoniem Tilburgs gezin in het begin van de twintigste eeuw (Coll. RHC Tilburg).

Een interessant onderdeel van het onderzoek is haar analyse van de huishoudensstructuur van thuiswevers en fabrieksarbeiders. Uitgaande van de theorie van Parsons zou het namelijk voor de hand liggen te veronderstellen dat verschillende produktiestructuren grote verschillen in de samenstelling van de huishoudens met zich mee kunnen brengen. , dit bleek niet zo te zijn. De ontwikkelingscyclus van het gezin was vergelijkbaar. Huishoudens van fabrieksarbeiders kenden slechts wat meer verwanten in de eerste stadia van de cyclus, terwijl thuiswevers wat vaker samenwoonden met hun gehuwde kinderen in de laatste fase van het huishouden. Angelique Janssens constateerde dat er tussen beide beroepsgroepen wel op een ander vlak verschillen bestonden. Veel zonen en dochters van een thuiswever waren vaak werkzaam in hetzelfde of een aanvullend beroep als de vader, terwijl zoons en dochters van fabrieksarbeiders overwegend in andere beroepen terechtkwamen.

Kaartenbakken

Hoewel Janssens niet de eerste is die tegen de theorie van Parsons ten strijde trok, heeft deze nu met deze studie tocht flinke averij opgelopen. Het hele boek is een zich afzetten tegen wat zij noemt de mythe van Parsons. Maar ze realiseert zich dat dit een titanenstrijd is en relativerend merkte ze tijdens de promotie dan ook op dat één proefschrift niet voldoende zal zijn om dit idee uit de wereld te helpen. Haar verdienstelijke poging in die richting was echter niet mogelijk geweest zonder gebruik van de computer. Pas in het begin van de tachtiger jaren is de computer het historisch onderzoek binnengedrongen en is aan niet te stuiten opmars begonnen. Met het groter en sneller worden van de hard-ware en het steeds gebruiksvriendelijker worden van de soft-ware, kunnen vandaag de dag onderzoeken opgezet en uitgevoerd worden waarvan men vroeger zelfs niet had durven dromen. Janssens heeft om tot bovengenoemde conclusies te komen zo enorm veel gegevens verzameld en geanalyseerd, dat dit 'met de hand' onuitvoerbaar genoemd moet worden.

Haar voornaamste bron was het Tilburgse bevolkingsregister. Hierin worden vanaf het midden van de vorige eeuw van elke inwoner van een dorp of stad een hele waslijst van gegevens genoteerd, zoals de naam, geslacht, geboortedatum en -plaats, beroep, godsdienst en - eventueel - de datum van overlijden of verhuizing. In deze registers, die vaak om de 10 of 20 jaar opnieuw werden aangelegd, werden de bewoners van eenzelfde huishouden bij elkaar gegroepeerd. Hierbij werd dan tevens de relatie van de betreffende personen aangegeven ten opzichte van het hoofd van dat huishouden (bijvoorbeeld: zoon, zwager, kleinzoon). In aparte kolommen werd aangegeven op welke datum men zich eventueel vestigde dan wel uit de gemeente vertrok.

Om met deze overvloed aan gegevens door de bomen het zicht op het bos niet te verliezen, heeft Angelique Janssens voor een methodisch hoogstandje gekozen. Zij heeft twee generatiegroepen gevormd van ieder bijna 400 huishoudensgeschiedenissen. De eerste groep van huishoudens beslaat de periode van 1849 tot 1890 en de tweede groep loopt van 1880 tot 1920. Van elke generatiegroep werden twee soorten bestanden gemaakt: een statisch en een dynamisch bestand. Het statische bestand bevat niet aan verandering onderhevige gegevens, zoals de naam, geboortedatum en dergelijke. In het dynamische bestand zijn gegevens opgenomen die wel kunnen veranderen (bijvoorbeeld het aantal leden dat een huishouden telt. Deze bestanden zijn dus in feite snel raadpleegbare kaartenbakken. Doordat de computer de gegevens uit die vier bestanden of kaartenbakken met elkaar in verband kan brengen, is hij in staat om in razendsnel tempo antwoord te geven op vragen waarvoor men anders dagen - zo niet weken - had zitten tellen en turven. In hooguit een kwartiertje kan het antwoord op het beeldscherm verschijnen op een vraag als: 'Hoeveel hoofden van huishoudens, met als beroep wever, hebben in de eerste tien jaar van het huishouden inwonende familieleden gehad?'



Anonieme Tilburgse fabrieksarbeiders van wollenstoffenfabriek Janssens de Horion, 
eind negentiende eeuw (Coll. RHC Tilburg).

Met deze methode van werken is een facet in het historisch onderzoek nog belangrijker dan voorheen: accuraat werken. Niet alleen bij het noteren van de gegevens in de archieven, maar ook bij het invoeren van de gegevens in het databestand kan een lettertje meer of minder een wereld van verschil opleveren. Gezien de opmerkingen in het voorwoord van de dissertatie en de lovende woorden van promotor P. Klep in zijn laudatio, komt een aanzienlijk deel van de verdienste van dit onderzoek toe aan de ouders van de promovenda.

Prestige

A. Janssens heeft wel een boek over Tilburg geschreven, maar eigenlijk niet voor de Tilburgers. Behalve dat de Engelse taal een groot lezerspubliek hier ter stede niet uitnodigt, zal de handelseditie van het proefschrift nog een klein jaartje op zich laten wachten. Na verschijning zullen er in de boekhandels geen grote stapels op in het oog springende plekken liggen. De reden is dat het werk door een in internationaal opzicht toonaangevende onderzoeksinstelling uitgegeven wordt. De Engelse pendant van de Franse 'Annales-groupe' (met coryfeeën als Fernand Braudel en Emmanuel Le Roy Ladurie) gaat deze studie in haar reeks opnemen. Zelfs van een van de prominente leden van de 'Cambridge Group for the History of Population and Social Structure' liet tijdens de promotie een vraag met betrekking tot het Tilburgse onderzoek voorlezen. Volgens prof. P. Klep is het een van de eerste keren dat er voor een Nederlands proefschrift al direkt na de voltooiing van het manuscript een plaats in een serie met een dergelijk internationaal aanzien en prestige gereserveerd werd. De anoniem gebleven Tilburgers, die de eigenlijke hoofdrolspelers in dit boek zijn, moesten eens weten dat hun reilen en zeilen nog eens onderwerp van discussie op internationale podia en symposia zou worden.


* Cor van der Heijden is historicus en werkt aan een studie over zuigelingen- en kindersterfte in Tilburg; is werkzaam als geschiedenisleraar aan het Cobbenhagencollege te Tilburg.