| 191.Gevangen onder miserabele omstandigheden | |||
|
Titel: |
Gevangen onder miserabele omstandigheden |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Arjan van Loon* |
|
Jaargang: |
XII (19994) |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina’ s: |
74-76 |
Van 1617-1620 werd er door de schout van de heerlijkheid Tilburg en Goirle, Jan de Roij, een proces gevoerd tegen Jan Jan Willemss. van Breda, ook wel Jan de Greelmaecker genoemd. Hij werd onder meer beschuldigd van diefstal van paarden en een os en vagebonderen. Daarnaast had hij op 17 oktober 1617 de vorster Jan Hendrick Boudewijns van Spaendoncq met een "Rappier" twee grote hoofdwonden toegebracht en een wond in het armgewricht waardoor er twee vingers werden verlamd. Voor al deze en meerdere delicten belandde Van Breda in het gevang op het kasteel van Tilburg en wel onder erbarmelijke omstandigheden.
In juni 1617 werd de 24-jarige, in Hilvarenbeek geboren, Jan Jan Willemss. van Breda, na diverse wandaden begaan te hebben, opgepakt en vastgezet. De ellende was begonnen tijdens zijn diensttijd. Omdat hij ziek was geworden, had hij aan de kapitein van zijn compagnie, de heer van Tilburg en Goirle, verlof gevraagd. De kapitein had toestemming verleend om acht dagen de dienst te verlaten, maar Jan keerde niet terug. Volgens zijn verklaring had hij
noijt tijdinge gehadt omme wederomme onder de compagnie te comen, totdat Geerit
den dienaer bij zijn vader was gekomen om diens zoon te verwittigen dat hij naar zijn compagnie moest terugkeren. Uit vrees door zijn kapitein gestraft te worden, is hij in de steenovens van o.a. Kalmthout en Zundert blijven werken.
Daarna heeft hij, al rondzwervend, diverse strafbare feiten gepleegd, zoals het stelen van paarden te Princenhage en Roosendaal, het stelen van geld uit het brouwhuis van Peeter Huijbert Jaspars, wonende
aende kerck te Tilburg. Ook zou hij, nog voor zijn diensttijd, medeplichtig zijn geweest aan de doodslag op Jan Aertssoon Waeghals van Oosterwijck.
Voor al deze misdaden werd hij opgepakt en in banden van ijseren gestelt. Hij werd opgesloten in de gevangenis op het kasteel van Tilburg
geslooten met een ijsere ketinge die omme seeckere steene pilaerne (...) gedaen was, ende die met een cluijstere daerane vast gemaeckt
was. Tevens waren zijn handen en benen voorzien van sloten. Bij een inspectiebezoek op 18 juli 1617 constateerden schout en schepenen
dat hij dair uuijt nijet en can geraecken.
Ontsnapt
Niets was echter minder waar, want tijdens de Tilburgse kermis van 1617 is Jan van Breda uit het gevang ontsnapt. Later verklaarde hij dat hij dit gedaan had omdat hij gehoord had
dat men ennich crijchsvolk was aennemende waermede hij sochte ewech te trecken.
Zijn geslaagde ontsnappingspoging is in een verhoor van 25 april 1618, na weer opgepakt te zijn, minutieus beschreven. Eerst had hij een klein
nagelken van zijn handboeien los gebeten, waarna er een bout loskwam. Hiermee heeft hij een
ijsere ketier aan de bout van de voetboei ontstucken gebroken. Zo had onze gevangene meer bewegingsvrijheid gekregen en kon zijn ontsnapping met
schoonen lichten dage tussen drie en vier 's middags beginnen. Met genoemde bout heeft hij in de eerste deur een gat gemaakt
ende het slodt heeft gedwongen soo veele dattet selve slodt vande doore is open
gegaen. Bij de tweede deur moest hij anders te werk gaan, omdat die verstickt was. Met de bout heeft hij onder de dorpel een gat gegraven en zo groot gemaakt dat hij erdoor kon; hij kwam toen boven
in de sadel vande huijse (kasteel). Inmiddels was het één uur in de nacht geworden. Daarna is Jan,
alnoch gehecht met twee Cluijsteren aan zijn benen, via de keuken naar de deur van de brug gegaan, waar de sleutels nog op zaten. Na de brug neergelaten te hebben, is hij
over de plaetse van het voorhuis gegaan om vervolgens bij een gesloten poort aenden dijck te komen. Via een droge sloot is hij met
de twee Cluijsteren (...) gesuckelt naar Cornelis Joost Hoeck. Deze heeft de vader van Jan gewaarschuwd, die hem, verstopt onder een
stroij bussel, met een kar heeft weggevoerd.
Opnieuw in de fout
Na een nacht in een bosje, genaamd Bontevelt, aan het Laar, geslapen te hebben, is hij de volgende dag in dienst gegaan bij ene kapitein Thomas in 's-Hertogenbosch. Ongeveer veertien dagen heeft hij met een compganie rondgetrokken, toen het bericht kwam dat de compagnie
gecasseert was. Na vele omzwervingen keerde hij weer naar Tilburg terug, maar kreeg van zijn procureur tijdens zijn eerste gevangenschap, Hendrick van Dommelen, te horen dat hij
sou moeten vertrecken overmits mijnen heere van Tilborch denselven Jannen binnen deser heerlijckheijt nijet en wilde
lijden. Na vertrokken te zijn naar onder andere het land van Gulik, Sittard en het land van Aken, is hij, toen het begon te vriezen, weer naar zijn vader in Tilburg teruggekeerd. Hij verbleef hier volgens zijn zeggen tot vastenavond.
In april 1618 is Jan Jan Willemss. van Breda voor de tweede maal opgepakt. Uit onderzoeken is gebleken dat Jan wederom op het verkeerde pad terechtgekomen was. Zo werd hij ervan beschuldigd een os en een merriepaard gestolen te hebben. En als ernstig delict werd het verwonden van de Tilburgse
dienaer van iustitie, Jan Hendric Boudewijns van Spaendoncq, aangemerkt. Voor al deze begane feiten, evenals voor het vagebonderen, moest Jan Jan Willemss. van Breda terechtstaan. Het proces zou nog twee jaar duren.
Erbarmelijk omstandigheden
In het dossier dat naar aanleiding van dit proces is gevormd, bevinden zich stukken waarin de miserabele omstandigheden waarin Jan Jan Willemss. van Breda moest verblijven, zijn
vastgelegd.(1) De door Peeter Berijs van Oerlle, secretaris van Moergestel, optredend als procureur van Van Breda, opgestelde verklaring, die op 20 oktober 1618 op het gerecht werd behandeld, is een rechtstreekse aanklacht tegen de schout. In de
finale Conclusie, die op de gerechtsdag van 4 mei 1619, aan de orde werd gesteld, werden de omstandigheden nog eens uitvoerig uit de doeken gedaan.

De gevangenis in de toren van het kasteel aan de Hasselt (1694).
(coll. RHC Tilburg).
Van mei tot en met augustus 1618 heeft Jan in geheele cleynmoedich(eijt) op het kasteel van Tilburg gevangen gezeten, alwaar hij is
gestellt geweest, in een diep gat, daer hy son, noch maen, noch het hemells licht heeft kunnen aanschouwen. De procureur beschreef de onmenselijke en onverdraaglijke gevangenschap verder aldus: de stank en de dampen
door het derven van(de) Locht en de stank van het secreet, die van onder verstopt was, was dusdanig dat een
kersse (kaars) nyet brandende en conste gehouden (worden), maar door de dampen zou uitgaan.
Op het verzoek van de gevangene om ennige doctoren inde medecynen de situatie op te laten nemen en het resultaat vast te laten leggen in een akte, om het als bewijsstuk bij de processtukken te voegen, werd geen gehoor gegeven. Zij zouden immers hebben kunnen vaststellen dat men daar
egheen mensche, laet staen een christenmensche kan onderbrengen.
Dag en nacht moest hij op de vloer liggen want een bedde, sargie ofte ennich stroey was er niet.
Waarschijnlijk is Jan Jan Willemss. van Breda in augustus uit deze stinckende put ontsnapt. Maar in de strenge winter van 1618-'19 zat Jan weer opgesloten en wel
opte gevangenpoorte (...) sonder ennich vuer oft vlamme. De kou was dusdanig dat het onmogelijk was
met monde uuyt te spreecken, Ja liever den doot, hoewell onnoosel (2)
soude sterven, dan dat hy noch eens zoe bitter coude soude verdragen.
Ook de schaarse kleding zal hiertoe hebben bijgedragen. Hij had immers niet meer aan dan een
lynen overstrecksell over zijn naakte lichaam, een quade ongevoerde broek, ende een paar kapotte neerhoosen. Op aandringen van o.m. zijn procureur heeft hij ten lange leste, toen de ergste kou al voorbij was, een hemdrok en
neerhoosen gekregen en later nog een wambuis en een broek. De procureur verbaasde zich erover dat de gevangene
door die excessive coude, als syne quade gesteltenisse, niet gestorven was.
De schout werd verweten dat hij Jan van Breda onder dreigementen en in yser sittende heeft ondervraagd, hetgeen niet bij iedereen gebeurde. Zo werd het geval van ene Neel Joosten, die van paardendiefstallen werd beticht, aangehaald. Deze werd zelfs niet in de gevangenis gezet, maar werd in het huis van de vorster geplaatst waar hij gezelschap had van de huisvrouw, kinderen en vrienden van de vorster.
Zelfs mocht hij eens naar Oisterwijk gaan, twee uren gaens van Tilborch, alwaar hij zich in een herberg
well droncken gedroncken hebbende. Over de vrijheid die Neel Joosten zowel van de schout als van de vorster kreeg, in tegenstelling tot hetgeen Jan van Breda moest ondergaan, had de procureur geen goed woord over.
In zijn slotconclusie pleitte procureur Berijs van Oerlle ervoor om Jan zijn vrijheid terug te geven omdat hij immers al een langdurige en
strenge gevanckenisse achter de rug had. Tevens voerde hij aan dat zijn cliënt nog maar 21 jaar was en dat zijn grootvader meester Peeter Hulselms, rector geweest is van de
groote schole te 's-Hertogenbosch. Hij stond daar bekend als een ieverich Catholyck en(de) godvruchtich man en voor die bescherminge van(de) Catholycken geloove (...) opden eersten July zyn leven gelaeten heeft. Bovendien had Jan beloofd in dienst van de heeren en princen te gaan strijden voor de rooms-katholieke religie en daarvoor zijn leven zou willen laten.
Vonnis
Het pakte echter heel anders uit. Op 9 mei 1620 kwam het advies van Bossche rechtsgeleerden binnen en werd door de schepenen van Tilburg ongewijzigd overgenomen. Zij vonnisten op 20 mei. Jan Jan Willemss. van Breda zal worden geplaatst op een galeischip om
te riemen ende te dienen. Daarnaast mocht hij zich twee jaar lang niet ophouden in
den lande van Brabant en uit de heerlijkheid Tilburg en Goirle werd hij ten eeuwigen daege verbannen. Bij overtreding zou de galg zijn lot worden.
* Arjan van Loon (1952) publiceerde eerder o.a. in dit tijdschrift en in
De Lindeboom. Hij is hoofd beheer bij het Gemeentearchief Tilburg.
Noten
(1) Gemeentearchief Tilburg, Rechterlijk archief, criminele processtukken, 1617-1620.
(2) Hij was inmiddels krankzinnig geworden.




