Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
197. Tilburg geknipt
 

Titel:   

Tilburg geknipt

Ondertitel:   

Auteur:   

Ronald Peeters

Jaargang:   

II (1984) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

2

Pagina’ s:   

18-19


Restauratie Duvelhok
De Stichting Musische Vorming krijgt een subsidie van ƒ 9000,- als bijdrage in de kosten tot bijscholing van jongeren die in het kader van Werkverruimende Maatregelen (WVM) aan de restauratie van het Duvelhok aan de St.-Josephstraat werken. Voorts probeert men te bereiken dat de WVM-plaatsen voor de restauratie van de schoorsteen worden verlengd. Dit voorstel komt op 19 maart in de raad. (Uit: B & W-besluiten van 7 februari 1984).

Stoomtrein wordt verkocht
De Stichting Stoomtrein Tilburg-Turnhout (SSTT) moet al haar bezittingen, zoals een stoomlocomotief, een wagon en een kantoorpand, gaan verkopen. De rechtbank in Breda heeft, op verzoek van het bestuur van de “Boal Boemel”, de stichting failliet verklaard. Al enkele jaren kampte de organisatie met grote financiële problemen, omdat de NS geen toestemming meer gaf om met de toeristische trein te rijden. Zowel de NS als de gemeente wilden financieel niet de helpende hand toespreken. De wens van de initiatiefnemers van de “Boal Boemel” om de toeristische treinverbinding uiteindelijk tot Turnhout te krijgen, is nooit gehonoreerd. Het eindstation was en bleef het landgoed Schaluinen in Baarle-Nassau. (Uit: Het Nieuwsblad van 24 februari 1984).

Stoommachine voor Textielmuseum
In de toekomstige huisvesting van het Nederlands Textielmuseum in het Mommerscomplex aan de Goirkestraat, zal in 1985 een echte stoommachine zijn geïnstalleerd. Deze uit 1906 stammende stoommachine is afkomstig van de textielfabriek van A & N Mutsaerts aan de Gasthuisring. De Stichting Vrienden van het Nederlands Textielmuseum bekommert zich om het behouden van tenminste één stoommachine voor de Tilburgse gemeenschap. Om nu al voorbereidingen tot plaatsing te kunnen treffen, heeft de stichting 100.000 gulden nodig, voorlopig als lening omdat de geldelijke steun uit zo’n twaalf fondsen in 1984 nog niet gerealiseerd kon worden. De gemeente wil een krediet van 100.000 gulden beschikbaar stellen, waarbij de rentekosten van 5000 gulden uit nieuw beleid betaald worden. De raad zal op 19 maart een beslissing nemen. (Uit: Het Nieuwsblad van 22 februari 1984 en De Tilburgse Koerier van 23 februari 1984). 

IJzertijdnederzetting geen archeologisch monument
De plaats waar de archeologische dienst in 1982 een nederzetting uit de late ijzertijd ontdekte wordt geen archeologisch monument. B en W menen dat de vindplaats voldoende beschermd wordt door het bestemmingsplan dat in voorbereiding is voor het plangebied Moerenburg. In december 1982 troffen stadsarcheoloog H. Stoepker en zijn medewerkers in Moerenburg tal van sporen aan die bewezen dat het gebied al rond het begin van de jaartelling bewoond was. Onder meer vond men paalgaten, brandsporen, kuilen en diverse restanten aardewerk, ook van Romeinse makelij. Bovendien werden ten oosten van deze nederzetting vanuit de lucht sporen gezien van een gebouw. Of het hier een Romeinse villa betrof. kon echter niet meer verder onderzocht worden. Inmiddels kwam vast te staan dat de archeologische dienst diende te verdwijnen. Stoepker, wiens dienstverband in juli van dit jaar eindigt, is nu bezig de archeologische activiteiten van de dienst af te bouwen. Een onderdeel daarvan was het schrijven van een nota aan B en W, waarin hij adviseerde van bovengenoemde vindplaats een archeologisch monument te maken. Zoals gezegd, kiezen B en W echter voor een planologische bescherming van het gehele gebied. (Uit: Het Nieuwsblad van 27 januari 1984)

Archeologische dienst gaat verdwijnen
Het stadsgewest Tilburg zal geen verdere actie ondernemen om de archeologische dienst, die nog tot 1 juli onder de gemeente Tilburg ressorteert, voort te zetten. Slechts vijf gemeenten binnen het gewest, te weten Berkel-Enschot, Diessen, Dongen, Hilvarenbeek en Moergestel, zijn voorstander van een gezamenlijk onderzoek naar de mogelijkheden tot continuering van het archeologische werk. Door de afwijzende reactie van de negen andere aangeschreven gemeenten voelt het dagelijks bestuur van het stadsgewest er weinig voor nader onderzoek te verrichten. Wel is het stadsgewest bereid coördinerend op te treden wanneer de vijf gemeenten die wel behoefte hebben aan de archeologische dienst gezamenlijk verder willen gaan. Dit heeft het dagelijks bestuur aan deze gemeenten meegedeeld. De gemeente Tilburg stopt op 1 juli met de archeologische dienst omdat er geen geld meer voor is. Deze dienst was voor de andere gemeenten van het stadsgewest op afroep beschikbaar. (Uit Het Nieuwsblad van 9 februari 1984). Een uitvoerige beschouwing met commentaren uit de archeologische wereld is te vinden in De Tilburgse Koerier van 23 februari 1984 onder de titel “Tilburg doekt zijn archeologische dienst op”. 

Afbouw archeologie
Conform eerder door de raad en het college genomen besluiten, project archeologie per 1 juli 1984 stopzetten. Op nader vast te stellen tijdstip het Oudheidkundig Centrum sluiten en collectie overbrengen naar het Mommerscomplex. Uitvoeringsplan opstellen voor de integratie van het depot voor bodemvondsten en de museumcollectie in het Mommerscomplex en voor de personele aspecten. (Uit: B & W-besluiten van 27 en 28 maart 1984)

Ergens gelezen…
“Voor de archeoloog kan het als een wetenschappelijke plicht beschouwd worden om publiekgericht te werken, daar de tijd dat de wetenschapper zich in zijn ivoren toren terugtrok voorgoed voorbij is. Om die reden is er meer nodig dan zich open te stellen voor de vraag van het publiek. Beter is het om een educatief beleid te voeren, dat in eerste instantie gericht is op de diverse doelgroepen in plaats en regio.” (Archeologie in Tilburg en omgeving, 1980-1982. Verslag van het Oudheidkundig Centrum “De Oliemeulen” tussen 1 juli 1980 en 1 januari 1983. Afdeling Archeologie Archiefdienst Gemeente Tilburg, 1983, blz. 81.) Deze verstandige opmerking van stadsarcheoloog drs. H. Stoepker getuigt van de instelling die in de afgelopen vijf jaar heeft geheerst in het prachtig ingerichte archeologisch centrum van Tilburg. Het ware overigens te wensen dat al zijn collega’s er zo over zouden denken. Helaas lazen wij ook in hetzelfde rapport op blz. 16: “Hoe we het ook betreuren en hoe we ook van de noodzaak van ons werk voor Tilburg overtuigd zijn en getracht hebben, mede middels dit verslag, aan die zin van ons werk gestalte te geven, moeten we ervan uitgaan, en in het licht van de economische omstandigheden daar zelfs begrip voor opbrengen, dat in 1984 het doek voor de Tilburgse archeologie valt.” Wanneer er inderdaad volgend jaar een eind zou komen aan het werk van de stadsarcheoloog in Tilburg, dan betekent dit een gevoelig verlies voor de archeologie. Hier is iemand bezig met de juiste mentaliteit, met interesse zowel voor “een hutje op de heide” als voor een kasteel, met feeling voor een vruchtbare wisselwerking tussen beroeps en amateur, maar boven alles een archeoloog die zijn vak naar de bevolking toe weet te vertalen. De tragiek van het noodlot wil dat juist deze stadsarcheoloog met zijn team van medewerkers ten offer dreigt te vallen aan de economische crisis. Maar de vraag blijft, of de verantwoordelijke bestuurders bij hun overwegingen voldoende kunnen inschatten hoe goed hun archeologische dienst functioneert en wat ze in feite willen afbreken. Insiders in de archeologische wereld realiseren zich dat maar al te zeer. En als dan, na een juiste afweging van alle factoren, toch nog het doek zou vallen, dan moet het met onze economie wel uiterst droevig gesteld zijn, veel erger dan iemand beseft. (Uit: Archeologische Berichten, 1983, nr. 14, p. 183).