Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
215. Schetsen uit het leven van een tachtigjarige
 

Titel:   

Schetsen uit het leven van een tachtigjarige

Ondertitel:   

Auteur:   

ir. Rob van Putten *

Jaargang:   

V (1987) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina’ s:   

19-22

 

Op 14 maart jl. werd het feit herdacht dat het precies tachtig jaar geleden was dat er in Tilburg een vereniging van academici werd opgericht onder de naam Wetenschappelijke Kring. Door de jaren heen fungeerde deze vereniging als een forum voor Tilburgse academici en andere hoger opgeleiden. Enkele jaren geleden werd de kring bedreigd met opheffing, maar men slaagde erin de crisis te overwinnen. Al met al voldoende reden om eens te duiken in de historie van een der oudst nog bestaande verenigingen van Tilburg. (1)

Het was tijdens een kegelavond in de sociëteit Philharmonie dat de arts dr. B. Daamen het idee lanceerde om in Tilburg een vereniging van academici op te richten. Het idee oogstte veel bijval, en tijdens een vergadering die gehouden werd op 14 maart 1907, werd de Wetenschappelijke Kring officieel opgericht.

Als lid traden toe: dr. B.A.C. Daamen, dr. J. Hensen, dr. M. Proot, J.F.J. Bloemen, dr. K.A.F. Deeelen en dr. L.J.M. Eijgenraam, allen arts, de oogarts dr. N.F.J.N. Sassen, apotheker Th. Cloosterhuis, de jurist mr. dr. J.F.H.L. Geelen, dr. H.A.J. van Swaay, W.Jansen, J. Kamerbeek en J. Kofman, docenten aan de Rijks-HBS, de ingenieurs G.H. Brandt, M.H. Damme en B. Cappel en tot slot J. van Geuns. Het beroep van laatstgenoemde is niet bekend; hij was geen Tilburger van geboorte en had de stad weer voor het eind van 1907 verlaten.

Kort na de oprichting kon de Kring nog een aantal nieuwe leden verwelkomen: de artsen dr. A.M.L.E. Piters en dr. Ph.L.M.M. Taminiau, de apothekers M.J.M. Bijvoet en G.A.A.M. Kerssemakers, de juristen mr. J.C.A.M. van de Mortel, mr. J.A. la Bree en mr. G.E. Passtoors, de ingenieurs J.K. Mercx, J.J.C. Willekens en C.L. Schöller tot Peursum en dr. B. Dijksterhuis, W.G. van der Meer en dr. J.F.D. Blöte, docenten aan de Rijks-HBS. Hiermee telde de Kring dertig leden, het toen reglementair maximum aantal.

Ofschoon de Wetenschappelijke Kring wordt aangeduid als een vereniging van academici bepaalde het reglement niet dat het lidmaatschap uitsluitend aan hen was voorbehouden. Door de jaren heen zijn dan ook vele niet-academici lid geweest van de Kring. Onder hen bevonden zich diverse kunstenaars zoals de componist-dirigent Constant Donders, de kunstschilder tevens directeur van de Academie voor Beeldende en Bouwende Kunsten, Henri Sicking en diens zoon, de kunstschilder Joost Sicking.

Wel bood het reglement voldoende waarborgen om te voorkomen dat minder gewenste personen lid zouden worden. Men kon namelijk alleen maar toetreden op voordracht van een lid, en na schriftelijke stemming door de leden. Het aantal stemmen "tegen" mocht hierbij niet meer dan vier bedragen.

Dat er indertijd grote behoefte bestond aan een vereniging als de Wetenschappelijke Kring kan gemakkelijk verklaard worden. Tilburg was in 1907 nog een echte fabrieksstad. Het merendeel van de ruim 47.000 inwoners behoorde tot de arme en weinig ontwikkelde arbeidersklasse. Het sociale en culturele leven in de stad werd grotendeels beheerst door de relatief kleine groep middenstanders en door de eigenlijke "elite", voornamelijk bestaande uit enkele tientallen fabrikantenfamilies.

Een bijzondere, maar zeer geïsoleerde plaats in de Tilburgse samenleving werd nog ingenomen door de talrijke en alomtegenwoordige zusters, fraters en paters, die een belangrijk stempel drukten op het onderwijs.

Het aantal academici en andere personen met een hogere scholing was gering. Volgens het Adresboek van Tilburg uit 1906 telde de stad in dat jaar: acht artsen, vijf apothekers, een tandarts, een veearts, acht juristen (waaronder twee advocaten en vier notarissen), negen ingenieurs, twaalf docenten aan de Rijks-HBS, negen priester-docenten aan het R.-K. gymnasium en elf architecten. Voorts telde Tilburg toen twee predikanten en enkele tientallen pastoors en kapelaans. Tezamen met de burgemeester en enkele andere hoge gemeenteambtenaren en devele kloosterlingen met hun seminarieopleiding komen we dan op een totaal van enkele honderden personen met een academische of in ieder geval hogere opleiding.

Uit het vorenstaande zal duidelijk zijn dat de academici in Tilburg, met een voornamelijk zakelijk ingestelde bevolking, en zonder intellectuele traditie, een tamelijk ge‹soleerde positie innamen, temeer omdat het grotendeels niet-autochtonen betrof. (Van de dertig leden die de Kring in 1907 telde waren er slechts vier Tilburger van geboorte.) Daar kwam nog bij dat er een grote schaarste was aan informatiebronnen. Radio en televisie waren immers nog onbekend, terwijl de weinige kranten en tijdschriften nauwelijks informatie verschaften over wetenschappelijke onderwerpen.

Een openbare bibliotheek kende Tilburg nog niet, wel was er in 1906 een Rooms-Katholieke (en dus gecensureerde) bibliotheek opgericht. Het is dan ook te begrijpen dat er onder de Tilburgse academici een grote behoefte bestond om in contact te treden met gelijkgestemden, om zodoende kennis te nemen van de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van wetenschap en techniek, en om gedachten uit te kunnen wisselen.

De doelstelling van de Wetenschappelijke Kring was (en is nog steeds): "Het bevorderen van het wetenschappelijk en gezellig verkeer onder de leden." Het voornaamste middel om deze doelstelling te verwezenlijken was (is) het houden van voordrachten op het gebied van wetenschap of kunst door de leden of door gastsprekers. Later ging men er ook toe over "uittochten" (excursies) te organiseren.

Om te voorkomen dat de discussies, die gewoonlijk op de lezingen volgden, zouden ontaarden in gebakkelei over religieuze of politieke kwesties, werd bepaald dat onderwerpen op het gebied der politiek of theologie van te streng partijdig standpunt beschouwd uit den boze waren.

Ofschoon het in Tilburg min of meer als een vanzelfsprekendheid werd beschouwd dat verenigingen een R.-K.-signatuur voerden, kunnen we op grond van het vorenstaande wel begrijpen dat men bij de Wetenschappelijke Kring hiervan bewust heeft afgezien.
Factoren die hierbij ongetwijfeld een rol hebben gespeeld, zijn de omstandigheid dat de meeste leden niet uit Tilburg afkomstig waren, dat een aantal van hen niet katholiek was, en dat men potentiële nieuwe leden niet wilde afschrikken.

Reeds kort na de oprichting van de Kring bleek dat er onder de leden weinig animo bestond voor het vervullen van een spreekbeurt. Men voerde daarom in 1909 het systeem in dat de sprekers door loting werden aangewezen.

In de meer dan tachtig jaren die de Kring thans achter de rug heeft, zijn vele lezingen gehouden. Het exacte aantal is niet meer te achterhalen, aangezien het archief van de Kring over de periode 1907-1934 tijdens de oorlogsjaren is zoekger(m)aakt.

Vanaf 1934 tot 1987 bedraagt het totaal aantal "vergaderingen": 283. In 72 gevallen betrof het een vergadering waar door een gastspreker het woord werd gevoerd. Daarnaast zijn er nog 29 excursies georganiseerd.

Talloze onderwerpen zijn in de loop der jaren aan bod gekomen. Onderwerpen op het gebied van de natuurwetenschappen, de techniek, de geneeskunde en de farmacie, juridische en historische onderwerpen, onderwerpen op het gebied van de economie, de sociologie, de psychologie en de pedagogie, maar ook op het gebied van architectuur, schilderkunst, beeldhouwkunst en muziek. Onder de gastsprekers bevonden zich dikwijls personen met nationale of zelfs internationale bekendheid zoals de kunstschilder en mede-oprichter van "De Stijl", Theo van Doesburg, de dichter Jan Engelman, de auteurs Antoon Coolen, mr. F. Bordewijk en PIm Hofdorp, de fysicus en historicus en oud-Kringlid prof. dr. E.J. Dijksterhuis, de literator dr. P.H. Ritter jr., de componist Willem Andriessen, de musicoloog Caspar Höweler, de historicus prof. dr. P. Geyl en de kunstschilder Hans van Zummeren.

Gedurende de eerste twee oorlogsjaren kwamen de leden van de Kring nog regelmatig bijeen. Toen echter begin 1942 de toenmalige secretaris, mr. J. Peters, door de Duitsers werd gearresteerd, waarbij het gehele archief van de Kring in beslag werd genomen, besloot men de verenigingsactiviteiten voorlopig te staken. De Kring was namelijk niet aangemeld bij het Commissariaat voor niet-commerciële verenigingen, en men wilde de positie van mr. Peters niet in gevaar brengen. De laatse vergadering van de Kring werd gehouden op 2 december 1941. De Kring telde op dat moment 35 leden, het toen geldende maximum.

Na de bevrijding werden de Kringactiviteiten niet automatisch weer hervat, en even leek het erop dat er een eind was gekomen aan het bestaan van de Wetenschappelijke Kring. Het is evenwel te danken aan het lid R. de Grood dat de Kring nieuw leven werd ingeblazen. Alle nog in leven zijnde personen die eind 1941 lid waren van de Kring werden uitgenodigd aanwezig te zijn op een door hem te beleggen vergadering. Tijdens deze vergadering, die werd gehouden op 20 maart 1947, besloten de elf aanwezigen unaniem de Kring te laten voortbestaan. Ook de meeste andere "oud-leden" traden weer toe, zodat de activiteiten hervat konden worden met 27 leden.

In april 1947 opperde een van de leden, de oogarts C. Kuit, het idee om ook vrouwen toe te laten tot de Kring. Het voorstel leidde tot enige discussie, maar kennelijk wilde niemand zijn vingers branden, want een principiële uitspraak bleef uit. Bijna twintig jaar later kwam het onderwerp pas opnieuw ter sprake. Ofschoon het reglement vrouwelijke leden niet uitsloot en er, zo lezen we in de notulen van 12 november 1966, alleen eisen worden gesteld aan het kunnen van de leden en niet aan de kunne, bleef men toch van mening dat er geen plaats was voor vrouwelijke leden.

Als (zeer zwakke) argumenten voerde men hiervoor aan dat men wilde aansluiten bij de traditie en dat men wilde voorkomen dat er gediscrimineerd zou worden tussen vrouwelijke leden en de echtgenotes van de overige leden.

Er zouden nog eens bijna twintig jaar voorbijgaan voordat de eerste vrouw haar intrede deed in het "mannenbolwerk". Het was de juriste drs. J. van der Werf-Steegh, die eind 1984 als lid kon worden verwelkomd. Aan het eind van 1986 telde de Kring twaalf vrouwelijke leden.

In 1932 bestond de Wetenschappelijke Kring 25 jaar. Dit feit was zowel het bestuur als de leden aanvankelijk ontgaan. Pas in 1935 werd deze omissie hersteld. Door het bestuur werd flink in de bus geblazen, want men had het in die tijd bekende cabaretgezelschap van Jan Musch weten te engageren. De feestavond, die gehouden werd op 13 December in restaurant "Modern" op de Heuvel, was een daverend succes: tweehonderd leden en genodigden bezochten de voorstelling.

Het vijftigjarig bestaan van de Kring in 1957 werd tweemaal gevierd. De officiële vergadering vond plaats op 27 maart 1957 in de aula van de (toen nog) Katholieke Economische Hogeschool aan de Bosscheweg. Als gastspreker was uitgenodigd prof. dr. A.C. Josephus Jitta, die een rede hield over 50 jaar economische en sociale politiek. Na afloop werd aangezeten aan een gezamenlijk diner in "Modern". De tweede avond die in het teken stond van het vijftigjarig bestaan vond plaats op 9 april 1957. Ditmaal hield de vlieger-schrijver A. Viruly een lezing met als titel: De zee en de bovenkant.

Vanaf de jaren zestig kampte de vereniging met het probleem van de vergrijzing; de meeste leden toonden nog maar weinig belangstelling met als gevolg een geringe opkomst van de leden tijdens de lezingen. Mogelijk is ook de opkomst van de televisie voor een deel debet hieraan. Hoe erg het was blijkt uit een citaat uit het verslag over het jaar 1965/66: "Helaas moest ook dit jaar geconstateerd worden dat het lidmaatschap uitsluitend bestaat in het jaarlijks terugkerend ritueel van het betalen der contributie".

Al eerder was een discussie gewijd aan het geringe animo van de leden, doch tenslotte kwam men tot de conclusie dat het voortbestaan van de Kring als een sociale plicht werd gezien tegenover de zich in Tilburg vestigende academicus. Door het ontbreken van een actief ledenwervingsbeleid, door het besloten karakter van de Kring en door het hanteren van een ballotagesysteem , was de aanwas van nieuwe leden gering. Dit alles leidde tot een crisis, die haar dieptepunt bereikte in 1985. Het bestuur zag geen andere mogelijkheid meer dan tot opheffing van de Kring over te gaan, mede gezien het standpunt van de meeste leden.

Het is echter te danken aan de inzet van het lid mevr. Th. Schroeder, dat de impasse kon worden doorbroken. Er kwam een nieuw bestuur onder voorzitterschap van drs. P. Sicking, dat met voortvarendheid nieuwe beleidslijnen uitstippelde. Het resultaat is een vereniging die thans weer bloeit als nooit tevoren. Er is dan ook alle reden om de toekomst van de vereniging met optimisme tegemoet te zien.

(1) De oorspronkelijke tekst van dit artikel was niet digitaal beschikbaar, daarom wordt hier de tekst van het later uitgegeven boekje van Rob van Putten, Schetsen uit het leven van een tachtigjarige; de geschiedenis van de Wetenschappelijke Kring Tilburg weergegeven. Deze tekst wijkt overigens beperkt af van die van het artikel in 'Tilburg'.

* Rob van Putten is lid van de Wetenschappelijke Kring en houdt zich in zijn vrije tijd o.m. bezig met historisch onderzoek.