| 221. Tilburg eindelijk stad ! | |||
|
Titel: |
Tilburg eindelijk stad ! |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
drs. G.J.W.Steijns |
|
Jaargang: |
IX (1991) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
4 |
|
Pagina´s: |
110 |
Onlangs verscheen als aflevering 3-4 van de 73e jaargang (1990) van het tijdschrift "Bijdragen tot de Geschiedenis" het verslagboek van het negende colloquium "De Brabantse stad", dat op 9 en 10 november 1990 te Antwerpen werd gehouden. Deze colloquia worden om de drie jaren gehouden en zijn, zoals de titels hiervoor al doen vermoeden, gewijd aan telkens andere aspecten van de geschiedenis van de Brabantse steden. Dit keer was het thema: "Economische heroriëntatie en reorganisatie in de Brabantse steden tijdens de scheiding der Nederlanden (1550-1650)".
Bij de uitnodiging van sprekers voor de lezingen zijn de inrichters deze keer, zeker onder invloed van de onvermijdelijkheid die in het thema opgesloten zat, eindelijk eens afgestapt van het enge standpunt, dat het begrip stad in de geschiedenis van het aloude hertogdom slechtn juridische aard zou zijn en dat dus na het verdwijnen van het middeleeuwse verschijnsel van stadsrechtverlening door of op gezag van de souverein er geen steden meer ontstaan zouden zijn in de zin van de definitie die ik in mijn encyclopedie vond. Een stad is daar: "een nederzetting die wordt gekenmerkt door een vrijwel aaneengesloten bebouwing waarin een grote niet-agrarische bevolking is gehuisvest, waarbij de bebouwing is gegroepeerd rond en de bevolking georiënteerd op een centrum van economische bedrijvigheid, bestuur en/of kunst en wetenschap". Aan die definitie voldoet Tilburg minstens al ruim een eeuw - Lodewijk Napoleon vond dat zelfs al wat eerder - en dat besef is nu dus ook breder doorgedrongen.
Drs. Martin W.J. de Bruijn kreeg de gelegenheid een bijdrage te leveren over: De opkomst en de oriëntatie van de Tilburgse lakennijverheid in de 16e en 17e eeuw. Het zou hier te ver voeren om op de teksten van alle bijdragen aan dit zeer interessante colloquium in te gaan. Het verslagboek en met name ook de algemene probleemstelling, tevens samenvatting van relevante literatuur door Prof. dr. P.M.M. Klep wordt de lezers van harte aanbevolen. Wel dient hier even afzonderlijk aandacht besteed te worden aan de bijdrage van onze oud-stadgenoot. Puttend uit een grote kennis van de bronnen en de literatuur over het onderwerp wist Martin de Bruijn zijn toehoorders duidelijk te maken, dat er in Tilburg geen sprake hoefde te zijn van heroriëntatie in en als gevolg van de opstand en de scheuring van het hertogdom, maar dat de al ver ontwikkelde wolnijverheid alleen maar bevestigd werd in haar reeds lang bestaande oriëntering op de noordelijke markt, met name Holland en daarbinnen weer Leiden. De nieuwkomer heeft baat gehad bij de loop der gebeurtenissen en was zeker voor wat zijn afzet betrof niet ontredderd zoals eigenlijk alle oude stedelijke centra in het zuiden, met uitzondering dan van die stadjes (Helmond, Eindhoven, en vooral Turnhout), zo bleek ook uit andere bijdragen en de discussie, die v.w.b. de economische structuur sterk op het "aanzienlijke vlek" Tilburg leken. Het bleek voor vele aanwezige historici een verrassende conclusie te zijn. Het voortreffelijke verhaal van De Bruijn smaakt naar meer en dat zou er ook zeker kunnen komen. Ik denk dat het zelfs grotendeels al lang klaar ligt. Zelf verklaart hij in de eerste noot bij zijn verhaal, dat het hoofdzakelijk gebaseerd is op twee onuitgegeven doctoraalscripties, de ene van hemzelf en de andere van het duo N.Kreuwels en I.Strouken, beiden met een intrigerende titel. Het wordt hoog tijd dat ook anderen dan de auteurs en de beoordelende hoogleraren er kennis van kunnen nemen !




