Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
223. De Tilburgse Historische Reeks, 1
 

Titel:   

De Tilburgse Historische Reeks, 1

Ondertitel:    

Auteur:   

Ton Thelen *

Jaargang:   

XV (1997) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina´s:   

18-27


Hoewel vanaf 1992 al een achttal publicaties is verschenen in de 'Tilburgse Historische Reeks', een uitgave van de Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed te Tilburg, is hieraan in het tijdschrift 'Tilburg', eveneens uitgegeven door deze Stichting, buiten de aankondigingen geen inhoudelijke aandacht besteed.
Tal van interessante aspecten van de geschiedenis van Tilburg zijn daarin de revue gepasseerd. 


Zij brengen een correctie aan op de eenzijdige beeldvorming van Tilburg als textielstad, die voor de industrialisatie aan het begin van de negentiende eeuw een onbeduidende, geïsoleerde agrarische gemeenschap vormde. Tilburg heeft niet alleen een rijkere geschiedenis, maar nam in het verleden ook een belangrijkere positie in zijn omgeving in. Meer dan tot nu toe wordt aangenomen, is de geschiedenis van Tilburg verweven met de ontwikkelingen in samenleving en cultuur, bestuur, economie en politiek, die zich in het wijdere verband van bovenlokale veranderingen hebben voorgedaan. Gelet op de thema's die in de Historische Reeks besproken zijn, ligt het accent vooral op de 19de en 20ste eeuw. Dit is minder een gevolg van beleid, dan een toeval; auteurs en projecten dienen zich merendeels aan. Het is voorts minder een toeval dan een afspiegeling van de belangstelling van historici voor Tilburg: hoe dan ook, zowel qua bevolkingsgroei als industriële ontwikkeling is de negentiende eeuw in hoge mate bepalend geweest voor de beeldvorming van Tilburg-textielstad. Maar daarmee is niet alles over Tilburg gezegd en geschreven.

Nu het negende deel van de Tilburgse Historische Reeks in voorbereiding is, over religie en kerk in de samenleving, is het meer dan tijd om de eigenheid en de historische betekenis van Tilburg eens voor het voetlicht te halen. In een aantal artikelen wordt een samenvatting gegeven van de publicaties die tot dusver over de geschiedenis van deze stad in de vermelde reeks zijn verschenen. 


Geworteld in Taxandria

In samenwerking met de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring der Antwerpse Kempen 'Taxandria' te Turnhout kwam in 1922 het eerste deel uit, onder de titel Geworteld in Taxandria. Historische aspecten van de relatie Tilburg - Turnhout. Deze uitgave kadert in het project Europa 1992. Doel van dit project was het ontplooien van grensoverschrijdende culturele en economische activiteiten om de integratie te bevorderen. De keuze voor het onderwerp, de relatie Tilburg - Turnhout, was ingegeven door de historische verbondenheid van beide plaatsen aan de uiterste grenzen van de Kempen, die eertijds deel uitmaakte van het hertogdom Brabant. Met de opstand der Noordelijke Nederlanden en de daaropvolgende Vrede van Munster in 1648 kwam weliswaar bestuurs- en staatsrechtelijk een einde aan deze relatie, maar ondanks de verschillen die sedertdien zijn gegroeid, hebben beide plaatsen zich niet geheel los van elkaar ontwikkeld. In een bloemlezing van tien artikelen worden de vele aspecten van deze historische relatie belicht.

Texandrië

In zijn bijdrage, met als titel 'Texandrië, van omstreden gouwbegrip naar integratie in het hertogdom', presenteert Bas Aarts niet alleen een schets in hoofdlijnen van de vorming van het rechtsgebied waarin Tilburg en Turnhout geïncorporeerd werden, maar plaatst hij ook enkele vraagstekens die uitnodigen tot voortgezet onderzoek naar de gecompliceerde ontstaansgeschiedenis en onderlinge relatie van de beide Tilburgen, die voor het eerst in een akte van 709 zijn genoemd.

Hij opent met de stelling dat het begrip gouw, verdeeld in graafschappen, allerminst een eenduidige en statische invulling had. Zo konden gouwen meerdere graafschappen omvatten en konden graafschappen zich over meerdere gouwen uitstrekken. Bovendien: "Gouwen bleken te kunnen groeien en slinken, hun benaming kon zich verplaatsen. Graafschappen werden ingericht naar de wisselende behoeften van het moment en hebben soms een kortstondig leven geleid." Na een diepgaande analyse, waarin hij de aanduiding Texandrië terugvolgt tot in de Romeinse Tijd, komt hij tot een begrenzing van het gebied naar de grootste omvang die het in de 10de eeuw bereikte, doordat andere gouwen en/of graafschappen eromheen zich iets duidelijker manifesteerden. Vooral de omvorming omstreeks 1000 van de zuidoostelijk gelegen gouw Rien - volgens sommigen de 'bakermat' van het grote Texandrië - tot het markgraafschap Antwerpen, heeft tot die nadere begrenzing geleid. 

Daarmee zijn de rechtsmacht en bestuurlijke organisatie in het gebied Texandrië bepaald niet eenduidig vastgelegd. Hoewel er sprake is van grafelijke macht, die aan de Utrechtse bisschop Ansfried sr. toeviel, is zijn gezag over het gehele gebied nog niet onbetwist en onbetwistbaar.
Opvallend voor Texandrië is, blijkbaar meer dan elders, de enorme concentratie van kerkelijke bezittingen, die hier ondermeer vanuit Echternach, Luik, Thorn en het invloedrijke Keulen verworven werden en tot bestuurlijke bemoeienis leidden. Hoe nu bij de positie van Ansfried als waarschijnlijke graaf binnen Texandrië de invloedssferen van Utrecht en met name Keulen zich onderling precies verhielden, ligt nog in het ongewisse. Het relatiepatroon wordt nog gecompliceerder door aanspraken van een derde partij, de hertogen van Gelder, die via Keulen bezit en invloed in Texandrië hadden gekregen.
Voorzover er sprake was van een economisch-juridisch centrum, zoekt de auteur dit in de excentrisch gelegen regio Orthen-Vught, verwijzend naar de latere centrumfunctie die 's-Hertogenbosch in het hertogdom Brabant innam.

Na de voor de geïnteresseerde leek wat moeilijk toegankelijke analyse van de alleszins verwikkelde bestuursrechtelijke macht en invloeden over en binnen het gebied Texandrië, bespreekt de auteur de emancipatie van het Leuvense Huis tot hertogen van Brabant en hun streven naar gebieds- en machtsuitbreiding over het noordelijk gelegen 'graafschap' Texandrië. De opmaat naar het hertogdom Brabant was de verwerving in 1106 van het markgraafschap Antwerpen, waarmee Godfried I de hertogstitel kreeg. De daarop volgende 'Brabantisering' van dat Texandrië was een moeizaam proces, waarvan de precieze gang nog in het duister van zijn geschiedenis ligt.
Dat het Leuvense Huis erin kon slagen het gebied onder zijn invloed te krijgen, hield verband van de versnippering van territorium en macht, die zich omstreeks die tijd lijkt te hebben doorgezet, dan wel te zijn versneld. In de luwte van het landsheerlijk gezag konden lokale grondheren hun aanzien en invloed versterken. Verbeteringen in de landbewerking verschaften hun daartoe de sociaal-economische basis. "In een tijdperk gekenmerkt door grote bevolkingsgroei en nieuwe sociaal-economische ontwikkelingen zijn het dan de plaatselijke grondheren die, vaak ten koste van aan hun bescherming toevertrouwd kerkelijk goed, zich verrijken en opklimmen tot regionale grootheden. Het oude Texandrië met zijn grote hoeveelheid aan domeingoederen van verafgelegen abdijen en kapittels vormde hierbij een ideaal jachtterrein." Tegen deze achtergrond moet ook de opkomst van het Tilburgse geslacht van de Giselberten begrepen worden.

Op het einde van de 12de eeuw slaagde hertog Hendrik erin de suprematie dan wel het beschermheerschap van zijn huis te vestigen, door vele lokale grondheren aan zich te verplichten. Als vertrekpunt voor deze 'onderwerpingspolitiek' gold de meest noordelijk enclave van hertogelijk bezit, Orthen en omgeving. Hier verrees een nieuwe nederzetting, met stadsrechten bekleed: 's-Hertogenbosch. De sterke positie die de hertog daarmee in het rivierengebied innam, werd betwist door de hertog van Gelder en de graaf van Holland. In dit conflict bleek hertog Hendrik de meerdere.

De opgestelde conceptvredesregeling maakte ook gewag van conflictstof elders tussen Brabant en Gelder. Bedoeld wordt het gebied van de Kempen, het meest oostelijke deel van de gouw Texandrië, waarin gelegen Tilburg en Turnhout. Deze 'Eninge' der Kempen, waarbinnen een en hetzelfde recht gold, viel onder een vaag Utrechts hoogheidsgezag en werd in leen gehouden door de hertog van Brabant, maar ook de hertog van Gelder claimde hier zekere rechten. In de definitieve vredesregeling wist hertog Hendrik zijn suprematie over de 'Eninge' veilig te stellen. Er volgde een reeks 'stadsstichtingen' of aanzetten daartoe: een eerste golf vóór 1213, Arendonk, Herentals, Hoogstraten, Oisterwijk, Turnhout; een tweede golf rond 1231, Sint-Oedenrode, Eindhoven, Helmond. De toekomst moest uitwijzen of zij economisch levensvatbaar waren en tot de status van een middeleeuwse stad konden uitgroeien, dan wel een 'bevoorrecht' dorp bleven. Was dit laatste het geval met Oisterwijk, Turnhout groeide naar een plaats van meer stedelijke allure.

De stichting van de 'vrijheid' Oisterwijk als instrument van machtspolitiek tegenover de lokale en regionale adel, is duidelijk aanwijsbaar in het geval van Tilburg, beter gezegd de beide Tilburgen, dan nog van elkaar onderscheiden door het voorvoegsel 'West-' of 'Oost-'. In beide Tilburgen noemt een adellijk geslacht, naar de voornaam aangeduid als de Giselberten, zich heer. Rond 1200 oogden zij nog als zeer zelfstandig, zo'n veertig jaar later is hun positie gedegradeerd en hun rol uitgespeeld, ten gunste van het gezag van de hertog.
De vrijheid Oisterwijk betrof de creatie van een nieuwe (markt)plaats, pal oostelijk van het kerkdorp Oost-Tilburg. Beide kernen smolten spoedig samen; de naam Oost-Tilburg stierf af. Toen Oisterwijk in 1230 bovendien werd begeven met de rechten van 's-Hertogenbosch, uitgezonderd de tolvrijdom op de Rijn, sloeg het nog meer een eigen weg in, georiënteerd op de 'moederstad' 's-Hertogenbosch.

De auteur concludeert dat de nieuwe vrijheden of stadsstichtingen 'op termijn' de hertog nieuwe centra opleverden van waaruit het zich uitbreidende territorium kon worden georganiseerd en geadministreerd. "In die bestuurlijke reorganisatie van het feodaal verbrokkeld geraakte oude Texandrië was weinig plaats voor eigengereide grootgrondbezitters van de oude stempel." De heren van Tilburg werden bijgevolg terzijde geschoven.

In Vught deed zich een vergelijkbare situatie voor. Ook daar werd de lokale heer, wiens rechtsmacht zich oorspronkelijk over het territorium van de 'Eninge' van de Kempen uitstrekte, onvrijwillig naar de auteur aanneemt, ingepast in het hertogelijk keurslijf.

Hoewel beslist geen alledaagse kost - er wordt veel kennis voorondersteld - geeft de bijdrage van Bas Aarts een indringende kijk op het 'machtsspel der groten' waaraan de verworven zelfstandigheid van de kleine lokale heren al dan niet gedwongen werd geofferd.

Een grens vraagt om smokkel

De bijdrage van Paul Spapens is van geheel andere aard. Hoewel het thema van de smokkelhandel zich afspeelt in het schemerdonker, betreft het hier niet de duisternis van het verleden, maar die van de samenleving.

Hij concentreert zich op de grensovergang tussen Turnhout en Tilburg en beschrijft hoe het smokkelen in de 19de en 20ste eeuw verliep en om welke producten het ging. Het ontstaan van deze grens en het aan weerskanten bestaan van verschillende tarieven en belastingstelsels bracht onvermijdelijk smokkelhandel met zich mee.
Na een informatieve inleiding over soorten grenzen en grenspalen bespreekt hij de lange voorgeschiedenis die aan het ontstaan van de huidige rijksgrens tussen Nederland en België is voorafgegaan. Daarin laat hij ook zien hoe de politieke en bestuurlijk-administratieve besluitvorming soms dwars door gemeenschapsverbanden heen gaat. Zo zijn na de Vrede van Munster in 1648 ondanks veel onenigheid en felle protesten de dorpen Reusel en Bladel uit hun sociale en economische achterland losgesneden en bij het Noorden gevoegd, terwijl de rijke abdij van Postel aan gene zijde van de grens kwam te liggen. Reusel dat oorspronkelijk tamelijk centraal gelegen was, bevond zich sedertdien in een uithoek van het Rijk. Alleen al de omstandigheid, zo kan men hieraan toevoegen, dat de grensscheiding louter op de politieke tekentafel werd getrokken, zette aan tot een vorm van 'burgerlijke ongehoorzaamheid' door sluik- en smokkelhandel.

Het politieke spel, waarin gemeenschapsverbanden als pionnen over het veld heen en weer geschoven werden, kreeg na de Franse Tijd opnieuw zijn beslag in de hereniging van Noord en Zuid. Beide waren echter door religieuze tegenstellingen in de voorbije eeuwen uit elkaar gegroeid. Animositeiten over en weer belemmerden een vruchtbare eenwording. De Belgische Opstand van 1830, die wederom tot een scheiding van geesten voerde, kwam dan ook niet uit de lucht vallen. Na langdurige onderhandelingen werd in 1843 de grens tussen Noord en Zuid minitieus vastgelegd. Het leidde op sommige plaatsen zoals Baarle-Nassau tot bizarre situaties, waarover nog vele besprekingen tot corrrectie zouden volgen.



Gecamoufleerde smokkelaars met 'pungel' eind jaren veertig. Reconstructie door 
douaniers (coll. Belastingmuseum Prof. dr. Van der Poel, Rotterdam).

De veranderende staatsvorming bleef door de steeds nieuwe grensscheidingen voor problemen zorgen. Met de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België waren deze problemen niet overwonnen. België, dat na de Eerste Wereldoorlog de in 1839 opgelegde neutraliteit niet langer wilde aanvaarden, besloot voortaan zelf zijn grenzen te verdedigen en drong aan op grenscorrecties. Het maakte aanspraak op annexatie van Nederlands grondgebied, maar een daartoe strekkend memorandum haalde het in 1919 uiteindelijk niet. Het gemeenschappelijk gedragen leed van de Duitse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog bracht een toenadering, die in 1948 haar beslag kreeg in de vorming van de Benelux. De auteur tekent hierbij echter aan dat het vooral gaat om samenwerking op regeringsniveau. In het leven van alledag heeft de grens tussen Nederland en België door het verleden heen een barrière opgeworpen tussen de bevolkingen, die hoger blijkt dan tussen Nederland en Duitsland of zelfs tussen het Nederlandstalige West-Vlaanderen en Frankrijk.

Hoewel de hier gegeven geschiedenis alleszins interessant is, staat deze uiteenzetting toch enigszins los van de bespreking van de smokkelhandel die hierop volgt. Is het bestaan van deze smokkelhandel niet juist een teken dat sociale en economische relaties dwars door politieke grenzen en de gevolglijke animositeiten heen breekt? Jammer genoeg gaat de auteur niet in op het bestaan en de omvang van de smokkelhandel ten tijde van de Republiek.

"Gesmokkeld is er altijd al, maar contrabande illegaal over de grens brengen greep pas goed om zich heen na de scheiding van België en Nederland." De scheiding bracht niet alleen een grens, maar ook verschillende belastingtarieven, waarmee de teerling was geworpen. In de 19de eeuw ging de smokkelhandel om brandhout, lompen voor de papierfabricage, sigaren, dure stukken kant en zelfs kerkboeken. De afschaffing in 1870 in België van de accijns op zout veroorzaakte een druk grensverkeer met Nederland, waar het duurdere zout ook nog eens met flinke heffingen belast was. De verlaging van de accijns in 1892 maakte deze grootscheepse smokkel niet meer lonend. Hoewel nadien nog gesmokkeld werd in geraffineerde suiker, granen en kinabast, nam deze handel toch niet die omvang aan als voorheen met het zout.

Aan de betrekkelijke rust aan de grens kwam met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog een einde. De smokkelhandel veranderde van koers en was buitengewoon levendig. Met de smokkel, zowel naar België als Duitsland werd 'goud-geld' verdiend. Niet alleen duizenden grensbewoners, maar ook Nederlandse militairen en de Duitse bezetters verrijkten zich aan de nood onder de Belgen. Man, vrouw of kind, soms in ploegen van 30 tot 40 man, trokken 's nachts heimelijk de grens over. Het was bepaald geen fraaie episode in de geschiedenis van de smokkelhandel, temeer omdat in die tijd de meeste doden vielen. Het 'electrisch gordijn', door de Duitsers aangelegd, eiste veel slachtoffers, maar zette ook aan tot grote vindingrijkheid om deze barrière te nemen.

De crisisjaren gaven een nieuwe impuls aan de smokkelhandel. "Van de zijde van de douane bestond opmerkelijk veel begrip voor de omstandigheden die de smokkelaar tot zijn daden aanzette." Dat begrip gaf de smokkelaars echter nog geen vrij spel. Menigeen moest het 'avontuur' met de dood bekopen. Maar legio zijn ook de verhalen die gewagen van ongeschreven afspraken tussen smokkelaars en douaniers.
Er werd gehandeld in alles: zelfs de kleinste prijsverschillen zetten tot smokkel aan. De belangrijkste smokkelwaar was evenwel vee, margarine en, let wel, sigarettenpapier. Nieuw is het optreden van financiers achter de schermen en het gebruik van de auto als ideaal middel voor een grootschalige aanpak.

"De smokkel tijdens de crisisjaren ging vrijwel zonder terugval in de activiteiten over in de smokkel gedurende de Tweede Wereldoorlog, toen van het begin tot het eind ontzaggelijk veel illegaal de grens over is gegaan." Er was bepaald sprake van een goed georganiseerde handel.

Na 1945 was het allerminst gedaan met de smokkel. Waar Nederland in het kader van de wederopbouw koos voor een strak economisch beleid en bestedingsbeperking, kon in het liberale België alles vrijelijk worden geproduceerd en geïmporteerd. Dit trok een grote schare gelegenheidssmokkelaars aan en ook de echte 'beroepssmokkelaars' beleefden gouden tijden. Het 'goede voorbeeld' kwam van onverwachte zijde: "de geallieerde militairen die in kolonnes de grens overstroomden met in hun vrachtwagens een zeer gevarieerd aanbod." Ook Nederlandse militairen waren bij deze smokkel betrokken. Het Nederlandse gezag vermocht daartegen in het begin niets uit te richten. Vanaf 1945 kreeg de 'burger'-handel vrijelijk de beschikking over in Belgische legerdumps door de geallieerden afgedankte voertuigen, waaronder originele pantserwagens.
Met name de illegale handel in boter werd big business, op een schaal en met een organisatie en gewelddadigheid zoals nog nooit eerder in de grensstreek was te zien: botersmokkel, gewapend en zelfs met gepantserde voertuigen.

De overproductie aan Nederlandse boter vond vanaf de jaren vijftig op illegale wijze gretig aftrek in België, waar de prijs van een kilo boter het dubbele van die in Nederland bedroeg. Tegen deze omvangrijke botersmokkel, die in 1961 was begroot op 10% van de Nederlandse productie, werd door de Nederlandse overheid onvoldoende opgetreden. Als reden hiervoor suggereert de auteur dat de overheid aldus op een goedkope wijze van haar boter af kon komen. Hoe dit ook zij, de Belgische overheid trad krachtdadiger op, omdat zij de zuivelnijverheid er volledig door ondermijnd zag worden.
Met de invoering van de EEG-landbouwpolitiek kwam een einde aan deze fortuinlijke en gewelddadige smokkelhandel, die inmiddels volledig uit de hand gelopen was.

Wat resteerde was een goed opgezet illegaal netwerk met vele afzetkanalen en het nodige zwarte geld. Hoewel in enkele gevallen deze infrastructuur is benut voor de smokkel van drugs, legden de meeste smokkelaars zich toe op een andere zeer tot de verbeelding sprekende belastingontduiking: illegaal alcoholstoken, dat bijna volledig in handen was van de voormalige Brabantse smokkelaars. "Zij hadden het 'vak' geleerd van hun Belgische kornuiten, voorwaar een merkwaardig voorbeeld van grensoverschrijdende samenwerking."
In nog geen vijftig jaar tijd was de smokkelhandel geheel van gedaante veranderd. In welke mate het maatschappelijk oordeel over de smokkelhandel parallel liep aan deze veranderingen, laat de auteur onbesproken. 

Scheiden doet strijden

Meer op het thema van deze bundel toegespitst is de bijdrage van Harry de Kok, met als titel 'Scheiden doet strijden. De Belgische Opstand en de Tiendaagse Veldtocht'. Hij opent met de constatering dat staatkundige grenzen gemeenschappen hebben verenigd en gescheiden, daaroverheen beïnvloeding en samenwerking bleven, maar ook naijver, wantrouwen en oorlog brachten.
Heeft de grens, tussen Goirle en Poppel gelegen, Turnhout en Tilburg ooit meer tot vijandschap aangezet dan tijdens de Tiendaagse Veldtocht van 1831?

Uitvoerig bespreekt de auteur de politiek van het Nederlands vorstenhuis dat in het zuidelijke rijksdeel vrucht gaf aan onvrede en een aanzwellend protest voedde, dat in 1830 tot hevige uitbarsting kwam. Vooral de onderwijspolitiek bracht de gemoederen aan het gisten. De opgelegde kwaliteitseisen werden als een miskenning ervaren en de directe bemoeienis met de opleiding van geestelijken griefden de zuidelijke katholieke solidariteit. Koning Willem I toonde zich weinig gevoelig voor voor de drang naar eigenwaarde onder zijn katholieke rijksgenoten. Vooral bij het gewone volk viel hij door zijn opstelling en politiek in ongenade en wakkerde hij krachtige anti-Hollandse gevoelens aan. De revolutie van 1830 spoelde het 'Hollands' regime weg, grondig en onverbiddelijk.

Stond de Turnhoutse magistratuur in het begin niet aan de zijde van de opstandelingen, zij kon de machtsovername niet verhinderen, daarvoor waren de gebeurtenissen te onherroepelijk. Nog in dezelfde maand als de proclamatie van Brussel, hesen bestuur en gemeenteraad de nieuwe driekleur en kon het volk de vrijheidsboom planten.

De dreiging van militaire tegenactie vanuit het Noorden hing in de lucht. Turnhout bleef niet lang zonder bezetting. Ook aan gene zijde van de grens werden troepen gelegerd. Hinderlijke en ongecoördineerde acties vanuit België verhoogden de spanning aan de grens. De formele bekrachtiging van de Afscheiding door de troonbestijging van de Belgische monarch in juli 1831 bracht de dreiging van militair ingrijpen gevaarlijk dichtbij. Op 2 augustus werd het ernst: Nederlandse troepen trokken de grens over en begonnen aan hun alzo genoemde Tiendaagse Veldtocht. De krijgsverrichtingen en troepenverplaatsing, maar ook de gevolgen voor burgerij en lokale overheid komen aan de orde.
De prille staat wankelde, maar werd op tijd door een fors Frans legercontingent voor een totale ondergang behoed. De vredesregeling na de wapenstilstand eiste voor België nog de uiterste diplomatieke inspanningen om overeind te blijven. In 1839 was de politieke scheiding staatsrechtelijk een feit.

'Scheiden doet strijden', daarover gaat het artikel; dat beide ook doen en deden lijden, dat is een ander verhaal, al stelt de auteur aan het begin wel de vraag of de vijandschap aan weerszijden van de grens ooit zo groot is geweest.

Groeien aan de grens

Zoals de titel doet verwachten, - 'Groeien aan de grens. De afzet van Tilburgse wollen stoffen en de Scheiding tussen Noord en Zuid' - laat auteur Martin de Bruijn zien dat een grensverlegging niet per se nadelige economische consequenties hoeft te hebben. Wees Spapens op de nadelen voor Reusel, De Bruijn bespreekt het profijt voor Tilburg.

Al in de Middeleeuwen onderhielden Tilburgers contacten met het Noorden. Familienamen wijzen daarop en ook in de schepenprotocollen zijn daarvoor aanwijzingen te vinden. Die handelscontacten werden weliswaar gehinderd door de krijgsverrichtingen die op de Opstand tegen het Spaanse gezag volgden, maar de Tilburgse ondernemers stelden zich kranig te weer en wisten in 1585 een Spaanse vrijgeleidebrief te krijgen voor het vervoer van onder andere lakens naar Holland. Het voortsbestaan van de handel was in het belang van beide oorlogvoerende partijen: het leverde inkomsten op in de vorm van speciale heffingen, konvooien en licenten genaamd. Voor de handel was dit evenwel kostprijsverhogend. Tilburgse ondernemers, daarbij soms gesteund door hun voornaamste afnemers, de Hollandse groothandel, hebben dan ook geprobeerd om zoveel mogelijk onder die tarieven uit te komen of deze zo laag mogelijk te krijgen.

Met behulp van plakkaten werd de handel op of uit 'vijandige' gebieden gereguleerd door deze aan beperkingen en heffingen te onderwerpen. Op handige wijze slaagden de Tilburgse lakenfabrikanten erin om een importbeperkende maatregel, in 1622 door het Noorden uitgevaardigd, op een voor hen voordelige wijze te omzeilen. Zij profiteerden van de eeuwige belangentegenstelling tussen groothandelaren en producenten. Slim speelden zij de producenten, die hun productie door belasting van buitenlandse concurrentie wilden veiligstellen, uit tegen de invloedrijkere groothandelaren, die gebaat waren bij zo laag mogelijke prijzen, om het even waar de producten vandaan kwamen. "De Tilburgse textielondernemers hadden het voordeel dat zij goedkoper konden produceren dan de Hollandse steden, waar het leven duurder en de lakenproduktie door de gilden of neringen aan allerlei beperkende bepalingen gebonden waren." Zij wisten een zodanige beschikking te krijgen inzake de uitleg en toepassing van de maatregel van 1622, in 1635 nader aangescherpt, dat zij halve lakens vrij van licent binnen de Republiek mochten invoeren en van het vereiste lood van herkomst mochten laten voorzien door iemand die door henzelf was aangesteld.
Ook Den Bosch, dat in 1629 in Hollandse handen viel en bij de regeling van 1635 tot de Hollandse steden werd gerekend, waarvoor de importbeperkende regeling van 1622 van toepassing werd verklaard, zag de concurrentie vanuit Tilburg met lede ogen aan. Tegen de handige Tilburgers bleek men evenwel ook hier niet opgewassen.

Hernieuwe pogingen in 1647 vanuit de Hollandse steden, met name Leiden, om de lakenimport uit Tilburg weer in te dammen, werden doorkruist door de Vrede van Munster in 1648, die een geheel nieuwe situatie schiep.

Door de aansluiting van Staats-Brabant bij de Republiek kwam de staatsgrens ten zuiden van Tilburg te liggen. Voor de handel naar het Noorden betekende dit niet dat Tilburg nu onbelemmerd zijn waren op de markten van de Republiek kon aanbieden. Het platteland van Noord-Brabant werd inzake de heffing van in- en uitvoerrechten als buitenland beschouwd: er moest dus licent worden betaald. Maar in 1651 slaagden de Tilburgers er wederom in om een uitzonderingspositie te verwerven. Zij kregen het gedaan dat zij hun producten vrij binnen Den Bosch, Breda en Heusden mochten brengen en vandaaruit naar Holland transporteren. Bovendien werden zij vrijgesteld van heffingen op de invoer uit de Republiek via die steden van grond- en hulpstoffen voor de vervaardiging van wollen lakens. Tilburg vormde aldus een douane-enclave op het Brabantse platteland.

Door de incorporatie binnen de Republiek leed de handel met het Spaanse Zuiden wel schade, maar hiertegen wogen de voordelen binnen de Republiek ruimschoots op.

Die uitzonderingspositie van Tilburg kan wijzen op het erkende belang van de Tilburgse wollenstoffennijverheid en heeft deze ongetwijfeld de wind in de zeilen gegeven. Wellicht heeft deze uitzonderingspositie mede de latere omslag bewerkt naar het weer geheel in eigen hand nemen van de totale productielijn in de fabricage van wollen stoffen.

Grootgrondbezit langs de grens

In dit artikel bespreekt Jef van Gils het ontstaan van de landgoederen Gorp en Rovert en Nieuwkerk in het gebied aan weerszijden van de grens. Zowel de afgelegen ligging ten opzichte van de omringende dorpen speelde hierbij een rol, als het politieke beleid op hoog en op dorpsniveau.

De namen Gorp en Rovert en Nieuwkerk betroffen vroeger alleen de kleine woonkernen in dit uitgestrekte eenzame grensgebied. De omringende heidevelden maakten deel uit van de gemeijnt, de woeste gronden die aan de plaatselijke bevolking in vruchtgebruik waren gegeven door de hertogen van Brabant. Na de Vrede van Munster, toen de rechten overgingen op de Staten- Generaal, konden particulieren stukken van de gemeijnt kopen. De verafgelegen heide trok nauwelijks kopers aan. Het nagenoeg onverkaveld blijven van dit gebied heeft later het ontstaan van het grootgrondbezit mogelijk gemaakt.
Wat het landgoed Gorp en Rovert betreft, komt daar nog bij dat de bewoningskern Gorp dezelfde leenman had als verschillende andere nabijgelegen oude kleine landbouwgebieden. Onder de eigenaar Cornelis Bles begon in de tweede helft van de achttiende eeuw het landgoed zijn latere vorm te krijgen. Vanaf eind 19de eeuw werd het ten gevolge van een reeks verkopen gedeeld. Het kwam voor een groot deel na onderhandelingen met de levensverzekeringsmaatschappij De Utrecht in handen van de Goirlese textielfabrikant Van Puijenbroek, die reeds enkele gronden in dit gebied bezat.

Het landgoed Nieuwkerk ontstond pas in het begin van de 19de eeuw. De bewoning van dit gebied gaat echter al terug tot in de 13de eeuw. Dan bezit de abdij van Tongerlo, die met de patronaatsrechten van de kerk van Tilburg beleend is, hier een hoeve. Het gebied waarin deze hoeve gelegen was, kreeg later de naam Nieuwkerk. Na de Franse Revolutie verloor de abdij haar positie van voornaamste grondeigenaar. De politieke en staatkundige omwenteling zou de oorzaak worden van het ontstaan van het landgoed Nieuwkerk.



Graaf Gijsbert Jacob van Hogendorp (1783-1845), eigenaar 
van het landgoed Nieuwkerk. (coll. RHC Tilburg).

De voormalige abdijgoederen werden tot domeingoed verklaard. In 1820 kocht de heer van Tilburg een groot deel der domeinen. Vier jaar later werd hier het gebied van Nieuwkerk aan toegevoegd. Graaf van Hogendorp startte met bouwactiviteiten en nam ook het inititatief tot de aanleg en/of verbetering van de wegen van Nieuwkerk naar Alphen, Goirle, Poppel en Hilvarenbeek.
Toen Gijsbert van Hogendorp in 1845 overleed, erfde zijn zoon Andries Willem het landgoed. Na diens dood in 1855 werd het in meerdere partijen verkocht. Het daarop gebouwde huis Nieuwkerk kwam in handen van Jean de Meester de Bocht, ridder in de Leopoldsorde. Hij ondernam pogingen om door aankopen het landgoed in zijn oude omvang te herstellen. Voorzover hij daarin mocht zijn geslaagd - dit vermeldt de auteur niet -volgde een twintigtal jaren later weer een opsplitsing. Een derde van het (toenmalige?) landgoed ging via erfenis over naar de Tilburgse notaris Louis Daamen, maar werd na enige jaren weer in familiehanden teruggekocht. Huize Nieuwkerk kreeg nog enkele nieuwe bestemmingen, totdat het in 1943 door brand verloren ging. Het landgoed zelf kwam door huwelijk aan het Belgische geslacht De Jamblinne de Meux, tot op heden de eigenaar.

Locaal vervoer tussen Tilburg en Turnhout

In 1839 verleende de minister van Financiën toestemming tot het onderhouden van een postwagendienst tussen Tilburg en Turnhout. Het was, aldus de auteur Jacob Veen, het eerste openbare personenvervoer tussen beide plaatsen. Renderend was deze dienst niet en hij werd dan ook na enige tijd gestaakt. Datzelfde lot trof nog drie pogingen om een personendienst te onderhouden. Of het aan de hoogte van het tarief lag dat de exploitatie niet rendabel was? Opmerkelijk toch dat de behoefte aan sociaal verkeer tussen beide plaatsen kennelijk zo gering was en de ontsluiting van de tussenliggende dorpen (nog?) geen hoge prioriteit had. Pas in 1890 nam de verplaatsingsbehoefte toe: deze richtte zich echter alleen op de verbinding van de dorpen met het naastbijgelegen Tilburg of Turnhout.

Het plan uit 1898 van een Amsterdamse ondernemer om een tramlijn aan te leggen tussen Tilburg en Turnhout stuitte af op de beperking door de Belgische wetgeving. Deze gaf aan een Belgische exploitant het recht van voorkeur. In 1906 was de lijn tot aan de Nederlandse grens gereed; de verbinding met Tilburg kwam in 1909. Het betekende wel dat aan de grens moest worden overgestapt. De tramverbinding voorzag louter in een lokale behoefte; doorgaand vervoer Tilburg-Turnhout v.v. was weinig aantrekkelijk, vanwege de gekozen lange omweg aan Nederlandse kant. Enige concurrentie met de in 1867 aangelegde spoorweg was er niet en veel gewin leverde de tramlijn niet op. Een verbreding van de spoorbreedte in 1922 aan de Belgische kant sneed de mogelijkheid van doorgaand verkeer af.



De bus Turnhout - Poppel - Tilburg op de Korvelseweg in Tilburg, 1977 (coll. Jacob 
H.S.M. Veen, Tilburg).

Van meer betekenis bleek het autobusvervoer, waarmee in 1924 een begin werd gemaakt. Het werd een geduchte concurrent voor de tramlijn. Toen in 1934 het personenvervoer op de spoorlijn Tilburg-Turnhout werd beëindigd, kwam er een nieuwe busonderneming bij. Lang hield de tramverbinding niet meer stand: in 1948 behoorde zij tot het verleden. Wat de bus zoveel aantrekkelijker maakte, laat de auteur onbesproken.

Het 'Bels lijntje'

Dit artikel van Josée Slegers over de spoorlijn Turnhout-Tilburg behandelt enkele aspecten uit haar afstudeerscriptie, die met een prijs werd bekroond.
De spoorlijn Turnhout-Tilburg, aangelegd in 1867, kwam gereed toen de uitbouw van een basisnet door de Belgische staat was voltooid, en Nederland nog druk daarmee doende was. De politieke frustraties en het wantrouwen door de afscheiding van België teweeggebracht, maakten pas in de jaren vijftig van de 19de eeuw het idee van een internationale spoorlijn levensvatbaar. Maar al werd het idee gerealiseerd, economisch levensvatbaar bleek de realiteit niet, al waren de toekomstperspectieven rooskleurig.
Wat er mis ging? De aansluiting op Den Bosch en vandaar op Utrecht liet te lang op zich wachten; aan Belgische kant werd de lijn gecoupeerd; een benadelend Belgisch tariefbeleid ten opzichte van andere verbindingen; de verwachte groei van het vervoer bleef ver achter en de Eerste Wereldoorlog bracht ook niet veel goeds.

Aan de andere kant van de negatieve balans staat echter dat de spoorlijn veel heeft bijgedragen tot de ontsluiting van dit deel van de kempen. Zij was een stimulans voor de landbouw. Ook de plaatselijke lakennijverheid in Alphen en Riel profiteerde van de aanleg van de lijn. Het vervoer van steenkool over de lijn werd voorts steeds belangrijker. Maar ondanks dat alles wogen deze voordelen kennelijk niet op tegen de achterblijvende financiële resultaten, noch wekte dit bij de overheid veel interesse om het instandhouden van de lijn te bevorderen. De auteur gaat hier in dit artikel echter niet op in.
Was het personenvervoer in 1934 stopgezet, het jaar 1973 luidde de bel voor het goederenvervoer. Vanaf 1974 was de lijn nog als toeristische attractie in gebruik, maar in 1982 rezen ook hier van overheidswege problemen. Wat uiteindelijk rest is een fietspad, prachtig gelegen, dat wel.

Waar men het accent ook legt, Turnhout-Tilburg of Tilburg-Turnhout zoals de vorige (Nederlandse) auteur, met het openbaar vervoer in deze of gene richting werd weliswaar een verbinding tussen beide plaatsen gelegd, maar wat dit kon betekenen, ook voor de regio, daarmee leken de overheden weinig begaan. De auteurs schijnen dat wel, maar bepalen zich tot de structuur en niet de gevolgen van de relatie Turnhout-Tilburg, over en weer.

Een heiligenbeeld en een altaar

Veelkleurig zijn de betrekkingen tussen Tilburg en Turnhout. Na staatkundig, politiek, economisch en infrastructureel nu aandacht voor cultuur. Joost van Hest bespreekt een heiligenbeeld en een altaar, in zijn gelijknamige artikel, met als ondertitel 'Twee Turnhoutse objecten in de Tilburgse kerk van 't Heike'.
Rijk bedeeld met kunstenaars en kunstnijverheid is Tilburg in het verleden niet geweest. Toch verklaart dat niet helemaal waarom in de parochiekerk van 't Heike zich een beeld (1840) en een altaarmensa (1897) bevinden, afkomstig uit Turnhoutse kunstateliers. In de 19de eeuw golden Belgische kunstenaars als belangrijke leveranciers van kerkmeubilair voor Nederlandse kerken. Deels was dit een gevolg van het achterblijven van een eigen religieuze kunsttraditie door de protestantse 'overheersing' ten tijde van de Republiek. Pas in de jaren tachtig en negentig van de 19de eeuw haalt Noord-Brabant deze achterstand in en verwerven kunstateliers van eigen bodem naam.

Het desbetreffende beeld, voorstellende de H. Vincentius a Paulo, is waarschijnlijk van de hand van H. Peeters-Ditvoorst. Het is gesneden in de laat-barokke traditie. Peeters-Ditvoorst had in Turnhout en bloeiend atelier en was voor de kunstnijverheid van deze stad van toonaangevende betekenis. De reputatie van Turnhout werd bevorderd door de aanwezigheid van de Stedelijke Tekenschool. 
De altaartafel is vervaardigd door J. Marijnen, uitgevoerd in neorenaissance-stijl. De vermaardheid dan wel de vertrouwdheid van de Turnhoutse ateliers werkte in Tilburg kennelijk langer door. Den Bosch had inmiddels zijn gelijkwaardige Koninklijke School, die zeker tegen het einde van de eeuw een sterke positie had opgebouwd. En tal van gerenommeerde kunstateliers namen tegen het einde van de eeuw de rol van Turnhout over.
Die twee voorbeelden van uitheemse kerkelijke kunst laten echter niet toe algemene conclusies te trekken over de uitstraling van de Turnhoutse kunstateliers op Tilburg.

Noordbrabantse aanwezigheid in het voortgezet onderwijs te Turnhout

In deze bijdrage wijst Guido Landuyt erop dat tal van Belgische middelbare scholen veel leerlingen uit Nederland trekken. Dit is geen hedendaags verschijnsel, maar blijkt zijn sporen te hebben in een ver verleden. Al in de 15de en 16de eeuw is sprake van een toestroom van studenten uit het Noorden naar de scholen in de (Belgische) Kempen. Na de scheiding van Noord en Zuid nam dit zelfs toe. Zo zag de Latijnse school van Turnhout het leerlingental stijgen na de inname van Breda en Den Bosch. Deze Nederlandse aanwezigheid hield aan tot de opheffing van de school in 1796 of 1797. Een bekende leerling uit Tilburg was Antonius van Gils, de latere president van het Klein-Seminarie van het Bossche bisdom. Overigens werden ook andere Latijnse scholen in de Kempen met een toeloop uit het Noorden geconfronteerd. Mogelijk speelde hierin mee de wervende uitstraling van de katholieke universiteit van Leuven.

De in 1806 weer geopende Latijnse school van Turnhout werd na de definitieve sluiting in 1831 overgenomen door het instituut van Pieter de Nef. In 1846 kwam de school onder beheer van de jezuïeten, het Sint-Jozefcollege met daaraan verbonden een internaat. Ten gevolge van de Afscheiding van 1830 richtte Noord-Brabant zich weliswaar meer noordwaarts, maar een merkbare terugloop van het aantal leerlingen manifesteerde zich eerst na 1880, toen ook in Noord-Brabant het voortgezet onderwijs werd uitgebreid en verbeterd. 



Palmares (schoolresultaat) van 31 augustus 1791 van de Latijnse school van Turnhout. 
Ongeveer de helft van de leerlingen was afkomstig uit de Noordelijke Nederlanden, 
waaronder drie uit Tilburg (coll. Stadsarchief Turnhout).

Genoemd wordt nog de Apostolische School van 1872, die voorbereidde op de missie. Ook Tilburg had een dergelijke school, die hoewel onafhankelijk, goede betrekkingen onderhield met de Turnhoutse school. Zij stond onder leiding van de paters van Onze Lieve Vrouw van het Heilig-Hart.
Vanaf 1662 kende Turnhout ook een voortgezette opleiding voor meisjes. Al kan men vermoeden dat de aantrekkingskracht op het Noorden aanzienlijk was, geeft de stand van het historisch onderzoek hiervoor nog geen vaste aanknopingspunten.

Terugkijkend kan niet alleen worden gesteld dat de Noordbrabanders belangrijk waren voor de omvang van de schoolbevolking van Turnhout, maar dat Turnhout ook een belangrijk aandeel leverde in de vorming van priesters in Noord-Brabant.
Het artikel wordt gecompleteerd met enkele inzichtelijke tabellen en kaarten van de geografische spreiding van het aantal leerlingen uit Noord-Brabant.

Het 'vergeten' verleden

Onder deze titel, met als ondertitel 'De contacten tussen Tilburg en Turnhout (1850-1914)' bespreekt Eugeen van Autenboer de uitwisselingen op muzikaal gebied. Veelvuldig waren de contacten tussen de Harmonie van Turnhout en de Liedertafel l' Echo des Montagnes van Tilburg. Ook de Tilburgse fanfares en harmonieën lieten hun klanken in Turnhout horen. De auteur geeft vele voorbeelden van deze muzikale uitwisseling. Zo droeg Turnhout tijdens de in Tilburg gehouden internationale tentoonstellingen van 1909 en 1913 zijn muzikale steentje bij.

Contacten tussen Turnhout en Tilburg werden ook gelegd rond de aan weerszijden van de grens zo populaire wielersport. Vanuit Turnhout nam de wielerploeg Echo-Velo deel aan de opening van de Tilburgse wielerbaan in 1896, toen de enige baan in Noord-Brabant. Omgekeerd zette het Tilburgse Velox, samen met andere bevriende wielerclubs uit Noord-Brabant luister bij tijdens feestelijke wielermanifestaties in Turnhout.



De Nieuwe Koninklijke Harmonie uit Tilburg (foto 1867), was in 1868 te gast in Turnhout voor een 
verbroedering met de Turnhoutse muziekliefhebbers. (coll. RHC Tilburg).

De auteur memoreert voorts het bezoek dat de studenten van het College der Jezuïeten (het Sint-Jozefcollege) in 1896 aan Tilburg brachten. Tenslotte vermeldt hij nog de vele contacten op sportgebied, de voetbaltoernooien die vooral in de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog werden georganiseerd voor clubs aan beide zijden van de grens.

Tilburg en Turnhout bleven na 1830 op cultureel gebied weliswaar met elkaar verbonden, maar de band is in de loop der jaren toch aanmerkelijk losser geworden. Ligt in het Nieuwe Europa niet de uitdaging om deze band te verstevigen?

Conclusie

Hoewel de bundel veel informatieve en wetenswaardige artikelen bevat over de veelzijdige banden tussen Tilburg en Turnhout, blijft de concrete invulling in sommige bijdragen toch wat ver op de achtergrond. Wat Turnhout en Tilburg feitelijk met elkaar te maken hadden, komt niet in elk artikel even goed uit de verf. Er wordt een alleszins interessant mozaïek aangereikt, maar het patroon is minder scherp en samenhangend aangebracht.


Drs. Henk van Doremalen, drs. Harry de Kok, Ronald Peeters en drs. Gerard Steijns (red.), Geworteld in Taxandria. Historische aspecten van de relatie Tilburg-Turnhout. Tilburgse Historische Reeks 1 / Taxandria. Jaarboek van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van de Antwerpse Kempen Nieuwe Reeks LXIV, (Tilburg, 1992), 223 blz., ISBN 90-74418-01-5.



* Ton Thelen (1948) schreef een proefschrift over de priester Lambert Poell die in Tilburg een belangrijke rol heeft gespeeld in de sociale beweging. Hij publiceerde en begeleidde een groot aantal boeken en artikelen (o.a. in 'Tilburg') over de arbeidersbeweging en regionale en lokale geschiedenis van Noord-Brabant.