Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
224. De Tilburgse Historische Reeks, 2
 

Titel:   

De Tilburgse Historische Reeks, 2

Ondertitel:    

Blauwsloten en riolen

Auteur:   

Ton Thelen

Jaargang:   

XV (1997) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

3

Pagina´s:   

63-71


Aanleiding tot het schrijven van deze studie over de afvoer van hemelwater, huishoudelijk en industrieel afvalwater vormde de presentatie begin 1993 van het 'Gemeentelijk Rioleringsplan Tilburg'. Het leek een goede gedachte om dit plan-voor-de-toekomst te completeren met een terugblik op deze problematiek gedurende de voorbije eeuw. 

Volgens goed gebruik in de historiografie plaatst de auteur de besproken problematiek tegen de achtergrond van ontwikkelingen in de samenleving. Het ontstaan van het probleem en de wijzen waarop naar een oplossing is gezocht, zijn immers niet los daarvan te zien. 



Milieuprobleem 

Hoewel men al vele eeuwen de afvoer van hemelwater en van afvalwater uit huishoudingen en bedrijven niet zonder ingrepen als 'Gods water over Gods akker' kon laten wegvloeien, is het naar de omvang en de gevolgen een 'modern' probleem. Het hangt samen met de ingrijpende veranderingen in de negentiende-eeuwse samenleving naar een moderne industriële maatschappij. In de omgang met dit 'milieu'-probleem weerspiegelen zich deze structurele en culturele veranderingen. Het verbaast daarom dat in de vele nederzettingsgeschiedenissen maar sporadisch hieraan aandacht is besteed. Het initiatief om voor Tilburg deze leemte op te vullen, kan dan ook worden toegejuicht.
In deze studie ligt het accent op de industriële vervuiling. Kort gaat de auteur in op de reiniging van de openbare ruimte, de riolen, zinkputten en privaatputten (fecaliën). Voorts wijdt hij enige aandacht aan de aanleg van een drinkwaterleiding.

Ondanks het ontbreken van goed bruikbare vergelijkende studies over andere stedelijke nederzettingen in Noord-Brabant is de auteur erin geslaagd een dusdanig beeld te schetsen van de problematiek, dat én het algemene én het typisch Tilburgse karakter tot uiting komen. De onderkenning van het probleem als probleem en de wijze waarop burger en overheid daarmee omgingen, is geen specifiek Tilburgse aangelegenheid. Zowel hier als elders was het de groeiende aandacht voor hygiëne en volksgezondheid die omstreeks begin jaren zestig van de negentiende eeuw de zorg voor het afvalwater tot een 'milieu'-probleem definieerde. De term 'milieu' heeft echter nog weinig of niets van doen met wat wij daar vandaag de dag onder verstaan. Niet de zorg om de natuur, maar om mens en maatschappij gaf daaraan inhoud.

Wat de probleemdefinitie en -oplossing typisch Tilburgs maakte, was de natuurlijke gesteldheid en ligging van Tilburg, zijn zeer verspreide nederzettingspatroon en de aanwezigheid van een dominante, snel groeiende en veel water verbruikende tak van nijverheid, de textielindustrie. Door deze 'plaatsbepaling' van de problematiek zondert de auteur niet alleen het Tilburgs eigene af, maar biedt hij de lezer ook inzicht in de invloed van de omstandigheden op het ontstaan van het probleem als zodanig en op de omgang daarmee. Aan dit rijtje van omgevingsfactoren had ook toegevoegd kunnen worden de bestuurscultuur van het Tilburgs college en de raad. Een meer gerichte bespreking dan de soms wat terloopse aandacht zou het Tilburgs eigene nog scherper hebben kunnen karakteriseren. 

Afvoer van het verontreinigde water

De uitgebreide vermelding van technische gegevens lijkt minder noodzakelijk. Ook zonder dat kan men begrijpen waar het in Tilburg om ging. De stad beschikte niet over een verbinding met open water. Er waren wel tal van waterlopen en enkele riviertjes als de Donge, de Leij en de Zandleij, maar door hun geringe breedte en diepte hadden zij niet voldoende capaciteit om zonder problemen de toenemende hoeveelheid afvalwater daarop te kunnen lozen. Gunstig voor Tilburg was wel dat de stad op een hogere zandrug gelegen was en in buitenwaartse richting afwaterde, maar dit was minder gunstig voor de buurtschappen aan de rand, en vooral voor de omliggende dorpen. Hiermee is tevens een wezenlijk element van de Tilburgse waterhuishouding gegeven, en wel dat met de afvoer van het verontreinigde water ook het probleem naar elders werd afgevoerd. Dit deed zich met name gelden in de langslepende Leij-kwestie, waarover de onenigheid tussen Tilburg en Oisterwijk meermalen hoog opliep. Dat geschil illustreert treffend de wijze waarop Tilburg het 'vuilwaterprobleem' aanpakte. Volstrekt uniek was dit echter niet. Figuurlijk en/of letterlijk was het afvalwaterprobleem in vele stedelijke nederzettingen tot ver in de twintigste eeuw een fenomeen dat door 'verplaatsing' werd opgelost. 

Was deze kwestie echter nadrukkelijker besproken tegen de achtergrond van de opvattingen over de overheidstaak als zodanig, van de geldende maatschappelijke, economische en politieke denkbeelden en verhoudingen, en van de mogelijkheden en maatregelen in de tijd zelf, dan had de auteur de lezer meer behoed voor het gemakkelijk insluipende verwijt dat de Tilburgse overheid slechts blaam trof en haar alleen. In vergelijking met de, weliswaar summier in de literatuur besproken, aanpak in andere steden komt Tilburg er immers niet slechter af, scoort zelfs op een aantal punten hoger door de introductie van vernieuwende methoden en technieken.(1)

Hoewel zegenrijk uit het oogpunt van volkshygiëne, was ook de aanleg van riolen, waartoe menige stad in het laatste kwart van de negentiende eeuw overging, te beschouwen als een vorm van 'verplaatsing'. Het hieraan gekoppelde oordeel van de auteur dat het rioolstelsel uit het oogpunt van het milieu een rampzalige ontwikkeling was, "vooral toen de openbare wateren waarop het rioolwater werd afgevoerd in de loop van de 20e eeuw in zelfreinigend vermogen tekort begonnen te schieten" (p. 10), doet echter wat vreemd aan. Het is een constatering achteraf, die, gelet op de toenmalige stand van de milieutechnische kennis, niet zonder meer in de tijd teruggeplaatst mag worden.

Consequent is de auteur voorts niet, waar hij deze relativerende 'milieutoets' niet aanbrengt bij de toenmaals vernieuwende zuiveringsmethoden die in Tilburg al voor de Tweede Wereldoorlog werden toegepast. Te noemen zijn de aanleg van vloeivelden, de proefnemingen met de septictankinstallatie en de chemische reinigingsmethode. Ook hier lijkt/is, achteraf beschouwd, nog geen sprake van een volledig effectieve oplossing, waar het afvalwater weliswaar 'kleur- en reukloos' was, maar niet van alle voor het milieu schadelijke stoffen gezuiverd. Zichtbare of onzichtbare verplaatsing, hoe rampzalig uit milieutechnisch oogpunt bepaalde ingrepen ook mogen zijn (geweest), milieuhistorisch dient men deze te relateren aan de complexe mengeling van sociaal-culturele en politieke opvattingen en houdingen en van economische en technologische mogelijkheden en belangen. Het is deze context die het milieuprobleem schept en de oplossingen aanreikt. 

Watervervuiling

De zwaarte die het probleem van het afvalwater in de loop van de negentiende eeuw kreeg, sluit niet in dat het voordien niet bestond, noch dat de zorg in de voorgaande eeuwen van een te verwaarlozen betekenis was. Met de groei van de steden en de snelle uitbreiding van de nijverheid was de watervervuiling (en het stedelijk afval) al in de dertiende en veertiende eeuw tot een niet meer te dragen last geworden. Door velerlei verordeningen trachtte de lokale overheid de overlast te beheersen en terug te dringen.(2)

Tilburg was weliswaar geen stad, met de beperkingen van een gesloten omwalling en verdedigingswerken, maar vanwege de op het einde van de Middeleeuwen tot bloei gekomen wolnijverheid kreeg ook Tilburg te maken met een toenemende watervervuiling, veroorzaakt door het spoelen van de wol. Van oudsher werden hiervoor al de Leij en de Donge gebruikt. Daarnaast werd de wol gespoeld in de poelen en kuilen, die over de buurtschappen verspreid lagen. Het voorkomen van deze stilstaande waters hield verband met de geologische gesteldheid: ondanks de relatief hoge ligging van het bewoonde Tilburg was het op meerdere plaatsen ook erg drassig, wat een goede waterafvoer tot een zorg van alle tijden maakte. Weinig is nog over beide zaken bekend. Over het schoon en op diepte houden van de waterlopen, om een goede en geregelde afwatering te verzekeren, bericht een ordonnantie van Karel V van 14 april 1510. De auteur vermeldt hierbij niet of het om een algemene verordening ging, wat wel waarschijnlijk lijkt. In elk geval hielden de Tilburgse schepenen al in de zestiende eeuw toezicht op het onderhoud van de waterlopen, waarvoor de aangelanden (de eigenaren van de aangrenzende gronden), door het zogenaamde schouwbaar stellen, verplicht waren te zorgen. Over de vervuiling van de wolspoelen waren er al klachten in de zeventiende eeuw. Het was de dorpsarts Johan Janssens die deze kwestie aan de orde stelde, waarbij hij, heel opmerkelijk, wees op het gevaar voor de volksgezondheid. Door de vervuiling waren de wolspoelen niet alleen ongeschikt geworden als drinkwater, maar kwam de vervuiling via het grondwater ook op andere plaatsen terecht waar drinkwater werd gehaald. Hiervan wijkt toch wel erg sterk af hoe de latere gezondheidscommissie (ingesteld bij wet van 1902) zoveel jaren nadien, in 1906 nog wel, oordeelde over de kans op vervuiling en bedreiging van de volksgezondheid. Zij achtte de kans op bodemvervuiling of het vermengen van industrieel afvalwater en drinkwater in de sloten waardoor het industriële afvalwater werd afgevoerd, niet erg groot. De lezer blijft met deze discrepantie zitten. 

Cholera

Na deze korte terugblik op het verdere verleden maakte de auteur de overstap naar het 'milieu'-probleem dat in de laatste decennia van de negentiende eeuw structurele vormen aannam door de expansieve groei van de bevolking en de grootschalige uitbreiding van de industriële nijverheid. Het is wederom uit de medische hoek dat het probleem aan de orde werd gesteld.



Het afvalwater bleef meestal tussen de woningen staan. Deze foto van Henri 
Berssenbrugge schets de situatie rond de eeuwwisseling. (coll. RHC Tilburg).

Een kleine 'excursie' vooraf. De cholera-epidemieën die in de negentiende eeuw de West-Europese landen teisterden en ook in Nederland vele slachtoffers telden, leverden volgens verscheidene medici het bewijs van een oorzakelijk verband tussen de vervuiling van het water en de verspreiding van de ziekte. Zij baseerden hun verklaring op de al enige eeuwen geldende zogenaamde miasma-theorie. Volgens deze theorie werd de ziekte verspreid door een smetstof, miasme, die onder onhygiënische omstandigheden ontstaat buiten het menselijk lichaam in de lucht, de bodem of het water. Hoewel deze theorie door anderen weersproken werd - zij meenden dat de smetstof in het menselijk lichaam zelf ontstaat en door contact wordt overgedragen (de contagio-theorie), - Pasteur in 1864 het gelijk hiervan aantoonde, en Koch in 1883 de cholera-bacterie ontdekte, bleef de miasma-theorie niettemin tot het einde van de eeuw aangehangen, mede omdat de behandelwijze bij de contagio nog geen resultaten opleverde. Hoe fout de diagnose volgens de miasma-theorie dan ook bleek, met de aanleg van een riolerings- en drinkwaterstelsel werden wel de juiste maatregelen genomen.(3)

De acute dreiging in Tilburg van een cholera-epidemie in 1867 was voor de plaatselijke medici aanleiding om bij het gemeentebestuur aan te dringen op het nemen van concrete maatregelen tot bevordering van de openbare gezondheidstoestand. Zij vonden daarin aan hun zijde de inspecteur van het geneeskundig staatstoezicht, in 1865 bij wet van rijksoverheidswege ingesteld, en Gedeputeerde Staten, die de gemeente maanden om een rioolstelsel aan te leggen, ten einde een behoorlijke afvoer van vuil water te realiseren. De dringende oproepen vonden bij de gemeente echter nog geen gehoor. Zij leek niet van de ernst van het probleem overtuigd, dan wel leek zij niet gemakkelijk te bewegen tot een actievere rol in het openbare leven, of schrok zij terug voor de kosten. Hoewel de auteur wijst op de elitaire samenstelling van de raad en het college, waarin slechts notabelen, industriëlen en een enkele middenstander zitting hadden, gaat hij niet nader in op de voor de hand liggende vraag of wellicht daarin een verklaring te vinden is voor de afwachtende houding die men innam. Wel geeft hij aan dat van hogerhand de nodige druk moest worden uitgeoefend om de gemeenteraad en het college tot een actievere opstelling te brengen. Was het de nog heersende bestuurscultuur, waarin de overheid haar taak beperkte tot de handhaving van de openbare orde en veiligheid, en de daarbuiten gelegen terreinen beschouwde als het domein van het particuliere initiatief, of was het ook eigenbelang van met name de industriëlen, dat hier een rol speelde? De interessante vraag naar het functioneren van een bestuursmentaliteit en/of een groepsmentaliteit wordt niet gesteld, al geeft de auteur wel op diverse plaatsen aanknopingspunten daarvoor.
De aanhoudende druk werkte; in 1869 kwam er een commissie die met de riolering in Tilburg belast was.

Blauwsloten

Zonder druk van buitenaf zou de gemeente waarschijnlijk nog niet tot actie zijn overgegaan. Blijkens de gemeenteverslagen tot eind jaren zestig was zij allerminst doordrongen van de noodzaak van een rioolstelsel om het regen-, spoel-, en afvalwater af te voeren of fecaliën daaruit te verwijderen. Al werden er wel problemen gesignaleerd, deze hadden niet direct te maken met verzuiling, maar met een gebrekkige afwatering, wat vooral in het centrum van de stad overlast gaf. Toch was de vervuiling noch voor het oog noch voor de neus verborgen. En dat met name vanwege de wijze waarop de fabrieken in de binnenstad hun afvalwater loosden. Ten opzichte van de aan de Leij gelegen fabrieken stonden zij in het nadeel wat betreft het watertransport daarheen. Zij maakten daartoe gebruik van de sloten of waterlopen, en waar deze niet nabij waren, werden sloten gegraven, leidingen gelegd of zinkputten gegraven. Vanwege hun kleur kregen de afvoersloten de unieke naam van blauwsloten. Een naam die zeker niet de trots was van aanwonende burgers of boeren, omdat bij hevige regenval de donkere smurrie zich over de weg of het land verspreidde. Riolering kon een deel althans van dit milieuprobleem oplossen.

Rioolaanleg 

Erg bij de tijd was Tilburg niet met de instelling van een commissie tot aanleg van riolen. In 's-Hertogenbosch, Breda en Eindhoven was daartoe al enkele jaren eerder besloten en ook de daad bij het woord gevoegd. Zou men verwachten dat hier voor Tilburg de wet van de remmende voorsprong opging, dat het als 'laatkomer' profiteerde van de inspanningen en ervaringen van de 'voorgangers', dan helpt de auteur de lezer al snel uit de droom. Was men in Tilburg dan eindelijk ook zo ver, bepaald voortvarend toonde men zich niet. De eerste tien jaar vorderde de aanleg van riolen traag; pas tegen het einde van de eeuw kwam er meer schot in, al is er ook dan nog geen sprake van de ontwikkeling van een samenhangend stelsel.



Titelblad van het rapport-Havelaar uit 1870. (coll. RHC Tilburg).

Toch beschikte de gemeente al in 1870 over een uitgewerkt plan. Dit plan was ontworpen door een driemanschap van ingenieurs, onder leiding van Havelaar. Zij stonden niet voor een gemakkelijke opgave. Er waren nogal wat specifieke problemen te overwinnen: de uitgestrektheid van de stad, de weinig geconcentreerde bebouwing, de ruime afstand tot de riviertjes waarin het rioolwater geloosd moest worden, het onregelmatig verval in de stad en een grondwaterspiegel op 11 meter. Wat overigens de beperking van dit laatste was, legt de auteur niet uit.

Het mag door de auteur dan wel tamelijk uniek worden genoemd dat dit plan in boekvorm werd uitgegeven, maar gezien de uitvoering verbleekt daarvan toch de glans. Ondanks de gedegen opzet verdween het plan namelijk in de bureaula. De auteur geeft hiervoor een aantal mogelijke verklaringen. Allereerst maakten de genoemde factoren het project relatief kostbaar. Voorts hoopte de gemeente op een spoedige aanleg van een kanaalverbinding. Nog in 1891 werd dit als reden genoemd om rioleringswerken uit te stellen, omdat dit in de kosten kon schelen. Maar toen in 1923 het kanaal er uiteindelijk kwam, bleek het behalve voor de afvoer van regen- en grondwater geen rol te spelen bij de Tilburgse rioolplannen. Een (al te) calculerende overheid en kortetermijndenken lijken dus doorslaggevend voor het uitstel te zijn geweest. Dit wordt zelfs aannemelijk door de laatste verklaring die de auteur geeft voor het terzijde leggen van het plan: "Door de verbetering van de afvoer via de waterlopen naar de Leij en het leggen van een beperkt aantal riolen leek [dacht?] de gemeente (voorlopig) van de grootste problemen verlost te zijn." (p. 46) Hieruit spreekt bovendien de 'afschuifpolitiek', bedoeld dan wel onbedoeld.

De gemeente vertrouwde in eerste instantie op het particulier initiatief. Slechts daar waar de publieke mededinging niet tot resultaat leidde, wilde zij de riolering voor eigen rekening en beheer op zich nemen. In de jaren zeventig bleek het particulier initiatief echter niet bereid om zelf het plan Havelaar tot uitvoering te brengen. Bijgevolg werd de bestaande praktijk, waarbij particulieren bijdroegen in de aanlegkosten van een afvoersloot, het leggen van buizen of een riool voortgezet. Maar bij welke sociale groepen deed zich dit voor en waar was het geld daarvoor te vinden? Dat lijken toch vooral de fabrikanten te zijn geweest. Merkwaardig dat zij uit eigen portemonnee meebetaalden aan voorzieningen waarvoor de gemeenteraad, waarop de fabrikanten hun stempel drukten, niet erg genegen was om geld beschikbaar te stellen. De auteur voegt enkele pagina's verderop (p. 53) hieraan toe, dat "de houding die men ten aanzien van het rapport-Havelaar innam (overlaten aan het particulier initiatief) nauwelijks [afweek] van de handelwijze bij andere problemen op sociaal of sociaal-hygiënisch gebied". De gemeenteraad werd ook in het begin van de jaren negentig nog gedomineerd door de textielfabrikanten. In de gemeenteraad speelden zij dus de bal door naar het particuliere initiatief, terwijl zij als particulieren de bal lieten liggen, en voor zover de praktijk van de medefinanciering nog gold, wel meebetaalden in de kosten. Toch blijkt de gemeente, zeker na invoering in 1881 van de rioolbelasting, de aanleg zelf ter hand te hebben genomen, ook al bleef deze dan beperkt tot het hoogstnodige. Hoe het een met het ander valt te rijmen, licht de auteur niet toe. De conclusie dringt zich op dat de fabrikanten door hun houding de overheid klemzetten en ogenschijnlijk zo voor zich de vrijheid hielden om te handelen naar eigen goeddunken en eigen belang. Maar vertegenwoordigd in de raad konden zij toch de kosten van voorzieningen waar ook zij baat bij hadden, uit de gemeenschapskas financieren. 

Leijkwestie

Hoewel de gemeente voortging met de aanleg van riolen, voldeden de oplossingen slechts voor een beperkt gebied en een beperkte tijd. Omstreeks 1900 waren de meeste straten in het centrale deel van de stad wel van enige vorm van riolering voorzien, maar even buiten de aaneengesloten bebouwing was er nog niet veel veranderd. Daar liep het afvalwater van de huishoudens en fabrieken via de open riolen van waterlopen en blauwsloten weg naar een van de riviertjes. Bovendien was er geen sprake van een aaneengesloten systeem met aanwijsbare hoofdriolen. In de opvang en afvoer van het afvalwater in de van het centrum afgelegen herdgangen lijkt vooral te zijn voorzien door afval- en bezinkingsputten, al dan niet uitmondend in de bestaande waterlopen en blauwsloten. Voor de aan de westkant van de stad gelegen fabrieken was een begin gemaakt met het afvloeien en laten bezinken van het afvalwater op de nog onbebouwde woeste gronden (in de Witsie). Met deze zogenaamde vloeigronden haalde Tilburg het landelijke nieuws.

Tegenover deze voor die tijd moderne aanpak staat evenwel dat inzake de afvoer op de Leij alles bij het oude bleef, zij het dat de Leij meer te verwerken kreeg dan ze aankon. Met de benedenstrooms gelegen naburige gemeenten raakte Tilburg verwikkeld in een langslepend conflict, dat onder de naam Arresten van de Voorste Stroom geschiedenis maakte. Het geschil kostte de gemeente Tilburg handenvol geld, maar dit woog al die jaren kennelijk niet op tegen de te maken kosten voor een bevredigende oplossing van het probleem van de toenemende verontreiniging. Waarom de auteur aan dit milieuprobleem de kwalificatie "avant la lettre" toevoegt, verwondert. Het veronderstelt een scheiding in de aard van het probleem toen en thans, terwijl er meer te zeggen is voor een onderscheiding in probleemdefinitie en handelwijze. Er is immers sprake van een verandering in mentaliteit en milieutechniek.

Tilburg aan de ene kant en (inwoners van) Berkel-Enschot en Oisterwijk aan de andere kant verweten elkaar geen maatregelen inzake de vervuiling te treffen. De vervuiling van de Leij werd nog verergerd doordat niet alleen de in omvang toenemende textielfabrieken hun afvalwater hierop loosden, maar ook de leerlooierijen en de Werkplaats van Staatspoorwegen. Al kampte Tilburg met de handicap dat er geen mogelijkheid was om te lozen op een grote rivier of op zee, voor welk probleem niet alleen Tilburg stond, volgens een niet nader aangeduid rapport van de Provinciale Waterstaat gold dit niet als een excuus. Dit was een terugkerend punt van discussie tussen de gemeente en de provinciale overheidsinstanties.



De Leij nabij Koningshoeven in 1954. (coll. RHC Tilburg).

Tilburg ontkende het probleem niet, maar bagatalliseerde de ernst ervan, of wees op het grote sociaal-economisch belang van de industrie waardoor er geen keus was gelaten. De onverenigbaarheid met het bedrijfseconomisch belang werd overigens vaker aangehaald waar het ging om het invoeren van algemeen maatschappelijke voorzieningen. Met een beroep op dit belang zijn ook verbeteringen in de sociaal-economische positie van de arbeiders lange tijd tegengehouden. Dit had niet zonder meer met onwil te maken, alswel met de geldende liberaal-economische denkbeelden en de opvattingen over bedrijfsvoering. Die denkbeelden en opvattingen waren een product van de cultuur van die tijd. De gewenste cultuuromslag bleek ook op andere punten niet zonder strijd verwezenlijkt te kunnen worden. Het is een probleem dat voortdurend in de samenleving terugkeert.

Dat er niet zonder meer sprake was van onwil, blijkt ook uit het volgende. In 1885 nam de Tilburgse gemeenteraad het besluit om het fabriekswater in de openbare 'waterleidingen' te zuiveren. Hiermee reageerde de gemeente op het oordeel van een in 1884 ingestelde provinciale commissie, dat de gemeente niet het recht had om het vuile fabriekswater via de Leij naar anderen af te voeren. Een opmerkelijke juridische uitspraak. De gemeente verdedigde zich met een verwijzing naar het bestaan van een soort 'natuurrecht': het water volgde nu eenmaal zijn natuurlijke loop van hoog naar laag. Ook later nog werd dit recht in het geschil ingebracht. De sterk veranderende maatschappij door industrialisatie, schaalvergroting, verstedelijking en modernisering in het algemeen vroeg om nieuwe rechtsvinding. Die kwam er niet vanzelf, maar moest ook 'bevochten' worden of van hogerhand opgelegd. De Leij-kwestie was zo'n juridisch steekspel. Deze maatschappelijke en culturele context waarin nieuwe voorzieningen en nieuwe regelgeving tot stand kwamen, is door de auteur echter niet nadrukkelijk benoemd. Daarnaast speelde ook een rol dat zuiveringsmethoden nog betrekkelijk onbekend waren, te experimenteel waren of werden geacht op grote schaal toepassing te vinden, of te duur werden gevonden. En dat gold ook nog tot ver na de eeuwwende.
Welke maatregelen de gemeente tot 1900 ook nam, zij boden voor de vervuiling van de Leij geen soelaas. De voor die tijd moderne proefneming met vloeivelden, aangelegd ten westen van de stad, bleef beperkt tot de zuivering van het afvalwater in het Dongegebied.

Waterzuivering

Op het gebied van waterzuivering gebeurde er tot de jaren twintig betrekkelijk weinig in Nederland, concludeert de auteur. Het is dan ook de vraag of de kritiek die hij onderschrijft, dat de gemeente Tilburg willens en wetens de Leij-kwestie rekte en een effectieve oplossing voor zich uitschoof, voor heel de duur van het geschil wel terecht is. Te meer daar hij stelt dat een wettelijke regelgeving die zowel voor het fabrieksafvalwater als het huishoudelijk afvalwater een sluitende oplossing mogelijk moest maken, zeer moeilijk tot stand kwam: tot 1952 werden in de wetgeving geen concrete maatregelen genomen. Bovendien blijkt wel degelijk te zijn gesleuteld aan het vervuilingsprobleem. Twee plannen van Tilburgse burgers, van A. Deen in 1913 en van F.J. Hovers in 1915, vormden onderwerp van serieus onderzoek op hun haalbaarheid. Maar deze en ook allerlei andere plannen werden technisch niet uitvoerbaar en vooral financieel niet haalbaar geacht.

Wel was van rijkswege in 1904 bij wijze van proef gestart met biologische zuivering in een septictankinstallatie. Deze lag oostelijk van de stad. Hoewel deze Rijksproefinrichting bevredigende resultaten opleverde, werd de proef in 1912 beëindigd, omdat de installatie niet geschikt was om op grote schaal huishoudelijk en industrieel afvalwater te zuiveren. Dat de gemeente de aanleg niet over wilde nemen, spreekt dan ook voor zich. Daarvoor was toch niet eerst een advies van de gezondheidscommissie nodig? Vreemd is ook dat de commissie overname afwees op alleen praktische gronden.



Bezoek van minister J.B. Kan (met hoed in de hand) op 20 mei 1927 aan het werkverschaffingsproject 
op de Loonse heide. In het bassin, waarin het water wordt opgevangen voor het oppompen naar de
vloeivelden, is de vuile vetlaag zichtbaar. (coll. RHC Tilburg).

Binnen de gemeentelijke dienst zelf ontbrak het niet aan het zoeken naar een effectieve oplossing. Op basis van een rapport van de Heidemaatschappij presenteerden B&W in 1917 een plan tot reiniging van het afvalwater in verband met de vervuiling van de Leij, door de aanleg van drainage- of vloeivelden. De voorgestelde situering, ten oosten richting Moergestel stuitte op hevige bezwaren van natuurminnaars. Ondanks deze oppositie zette de gemeenteraad door. Maar nu stak de landelijke overheid een spaak in het wiel, omdat geen ontheffing werd verleend voor de onteigeningsprocedure om de benodigde gronden te kunnen verwerven. De gemeente bleef echter zoeken naar een mogelijkheid om de drainageplannen te verwezenlijken; daarnaast zocht men het in de richting van chemische reiniging. Door technische en economische problemen (de crisis) kwam het er pas van in 1937. Toen werd een zuiveringsinstallatie aan de Hoevensekanaaldijk in gebruik genomen, een unicum in den lande en zelfs in Europa. Een wettelijke verplichting dateert pas van 1970. De afvoer van het slibresidu was echter nog een probleem. Er waren twee opties: chemische nareiniging en aanleg van een drainageveld op de Beekse heide. Uiteindelijk werd in 1939 besloten tot de aanleg van een biologische nareinigingsinstallatie. Door de oorlogsomstandigheden kon deze echter pas in 1953 gerealiseerd worden. Toch was de optie van de Beekse heide nog niet voorgoed van de baan. In 1947 kwam de zaak terug, maar werd uiteindelijk afgewezen, mede met het oog op de toekomstige recreatiemogelijkheden die men voor de Beekse heide zag. 

Inmiddels had de waterzuivering via vloei- of drainagevelden voortgang gevonden. Met de eerder aangelegde velden in de Witsie boekte men goede resultaten, al spraken de bevindingen van de gezondheidscommissie en de Heidemaatschappij, die deze velden onder beheer had, elkaar volledig tegen. De gemeente deelde de mening van de gezondheidscommissie niet en besloot in 1918 tot uitbreiding van het project, uitgevoerd in het kader van de werkverschaffing. Daarnaast werd in 1923 besloten om ook noordelijk van de stad, in het afwateringsgebied van de Zandleij vloei- en drainagevelden aan te leggen (de Loonse heide), eveneens onder beheer van de Heidemaatschappij. Men was bevreesd ook nog met een Zandleij-affaire geconfronteerd te worden, boven op de nog steeds slepende perikelen rond de Leij-kwestie.

Waar de lezer in de tekst de opmerking tegenkomt dat de vloeivelden werden gebruikt voor de teelt van gras of tuinbouw (p. 104), zal hij zich ongetwijfeld afvragen of het met de vervuiling door het fabrieksafvalwater wel zo erg gesteld was. Dit vraagt toch om enige toelichting.

Samenhangend rioolstelsel

In 1919 presenteerde de directeur van Publieke Werken, D. Huender, aan het college van B&W een uitvoerig plan tot riolering van het stadsgedeelte dat afwatert op het riviertje de Leij. Aan dit plan was onder leiding van J.P. Noorden jaren gewerkt. Nadat hij in 1917 eervol ontslag had gekregen, was zijn werk voortgezet door J. de Jong, afkomstig uit Den Helder. Welke overwegingen bij deze wisseling een rol hebben gespeeld, blijft onduidelijk. Het goede van het plan-Noorden-De Jong was dat het uitging van een samenhangend rioleringsstelsel, met hoofdriolen, waaraan het tot dan ontbroken had. Toch werd pas in 1925 begonnen met de uitvoering van dit plan. Dit uitstel lijkt volgens de auteur te maken te  hebben met de waterzuivering en de lozing op de Leij. Waarom niet gewoonweg geschreven "blijkt", omdat de auteur al heeft laten zien dat het met die waterzuivering vooralsnog niet wilde lukken. In het voorbijgaan aan dit probleem zou uitvoering van het plan alleen maar tot gevolg hebben dat het vervuilde water nog gemakkelijker en in grotere hoeveelheden in de Leij kon stromen. Van onwil van het gemeentebestuur om te investeren in een nieuw stelsel van hoofdriolen lijkt in elk geval geen sprake te zijn. Met het besluit tot uitvoering van het rioolplan-De Jong nam men dus in goed vertrouwen een voorschot op de toekomstige waterzuivering, waarnaar naarstig werd gezocht.



Aanleg van het hoofdriool in de Koningstraat, 1930. (coll. RHC Tilburg).

De auteur signaleert hier een omslag in mentaliteit. Als verklarende oorzaken wijst hij op de sociale en politieke veranderingen die de Eerste Wereldoorlog teweegbracht, op de angst voor revolutie, de sociale onrust in Tilburg en op de wijziging in de samenstelling van de Tilburgse gemeenteraad, waarin sedert 1919 ook arbeiders (zowel katholieken als socialisten) vertegenwoordigd waren. Maar dat er nu ook andere stemmen klonken in de raad, wil nog niet zeggen dat zij ook gehoord werden. Of veranderingen in 'het grote leven' en gebeurtenissen in het 'kleine leven' zo maar opgeteld kunnen worden, is toch de vraag. De waargenomen mentaliteitsverandering nodigt in elk geval uit tot een ander oordeel over de Leijkwestie.

Een nieuwe zuiveringsinstallatie

Zoals gesteld kwam inzake de vervuiling van de Leij pas een afdoende oplossing in 1953. De zaak begon ook te dringen, omdat de gemeente inmiddels al tonnen aan schadevergoeding had betaald (voor het eerst was de gemeente daartoe in 1915 veroordeeld), nog afgezien van de hoge proceskosten, terwijl er ook al fors geïnvesteerd was in de reinigingsinstallatie.
Wat de zuivering via de vloeivelden betreft, deze oplossing van het milieuprobleem voldeed nog altijd. Uitbreiding van de stad, vooral in westelijke richting, stelde de gemeente voor een nieuw probleem: er was behoefte aan meer capaciteit, terwijl de stadsuitbreiding de westelijk gelegen vloeivelden steeds dichter naderde. Uiteindelijke werd in 1966 besloten, met het oog op de stadsuitleg, om het westelijke en noordelijke rioleringsstelsel samen te voegen en te laten afwateren op het uit te breiden vloeiveldencomplex op de Loonse heide. De vloeivelden in de Witsie bleven tot begin jaren zeventig in gebruik, om uiteindelijk door de staduitbreiding 'overspoeld' te worden. Ter vervanging en aanvulling is toen in 1972 een nieuwe zuiveringsinstallatie in Tilburg-Noord in gebruik genomen.
Over de vervuiling en afwaterzuivering meldt de auteur nog dat ondanks de voortgaande aanleg van riolen, het industriewater tot in de jaren zestig via open verbindingen, de waterloopjes en blauwsloten, werd afgevoerd.

Aanpassing rioleringsstelsel

Met de aanleg van het rioleringstelsel volgens het plan De Jong was inmiddels doorgewerkt. Vanaf 1955 steeg het jaarlijks aangelegde aantal kilometers riool aanzienlijk door de bouw van nieuwe stadswijken. Daar kwamen in 1970 twee nieuwe ontwikkelingen bij. Allereerst de Wet Verontreiniging Oppervlaktewater, waarmee een aangepast wettelijk kader was geschapen. In 1952 was de Hinderwet weliswaar aangepast, maar van fundamenteel ingrijpen was nog geen sprake. Voorts bleek de afvoercapaciteit van het rioolstelsel niet berekend op hevige regenval. Het probleem van de wateroverlast die dit veroorzaakte, werd nog versterkt door de verdichting van de stad, de vergroting van het versteende oppervlak en het ontbreken van open water waarop het regenwater geloosd kon worden. Aanpassing van het rioleringsstelsel was nodig. In 1990 kwamen de werkzaamheden klaar.

Tot besluit

De auteur sluit af met de opmerking dat de mening dat de maatregelen op het gebied van afvalwaterzuivering pas na 1970 werkelijk effect sorteerden, geen recht doet aan de inspanningen die door de gemeente al vanaf het eind van de negentiende eeuw op dit terrein zijn geleverd. Toch heeft de auteur op sommige plaatsen in zijn tekst de indruk laten ontstaan dat de gemeente toch enig gebrek aan bereidwilligheid en/of voortvarendheid valt te verwijten.



Aanleg van het hoofdriool (doorsnede 2,25 m) in de Baden Powelllaan 
door de Gebr. Heijnen in de begin jaren zestig. (coll. RHC Tilburg).

De auteur geeft een indringende kijk op een interessante problematiek achter de schermen van industrialisatie en modernisering, of anders gezegd onder de grond waarop een nieuwe maatschappij werd gebouwd. De lezer moet echter wat moeite doen om door de vele gegevens en talloze ontwikkelingen en verwikkelingen heen te komen. Het vasthouden aan een chronologische indeling belemmert soms de thematische samenhang. Er is, wellicht vanwege de onderzoeksopdracht, gekozen voor een meer technische dan sociaal-politieke analyse. Vanwege de nauwe samenhang van de technologische ontwikkeling met de maatschappelijke en politieke constellatie, was er ook iets voor te zeggen om beide aspecten wat meer gelijkmatig aan bod te laten komen. Dat dit niet is gebeurd, zegt wellicht meer over het beroepsbeeld van de technicus en de maatschappelijke waardering.

H. van Doremalen, Blauwsloten en riolen. Een milieu-historische studie over Tilburg en zijn rioolstelsel (Tilburg 1993), 160 blz., Tilburgse Historische Reeks, deel 2.


Aanvullende noten

(1) Een overzicht bieden de artikelen van C.W. ten Teije over de nuts- en communicatievoorzieningen, in : H.F.J.M. van den Eerenbeemt (red.), Geschiedenis van Noord-Brabant, 3 delen, Amsterdam/Meppel 1996-1997.
(2) S. Wijmer, Water om te drinken ('s-Gravenhage 1992), 30. In deze publicatie wordt de problematiek in een breed Westeuropees kader geplaatst.
(3) A.w., 66-67.


* Ton Thelen (1948) schreef een proefschrift over de priester Lambert Poell die in Tilburg een belangrijke rol heeft gespeeld in de sociale beweging. Hij publiceerde en begeleidde een groot aantal boeken en artikelen (o.a. in 'Tilburg') over de arbeidersbeweging en regionale en lokale geschiedenis van Noord-Brabant.