Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
527. Tilburg in de koloniën, de koloniën in Tilburg
 

Titel:   

Tilburg in de koloniën, de koloniën in Tilburg

Ondertitel:   

De relatie van de gebroeders Bles met Indië en Suriname

Auteurs:   

John Boeren en Luud de Brouwer*

Jaargang:   

XIX (2001) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina’ s:   

3-18


In november 2000 organiseerde het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap een tweetal 'geschiedenisdagen' in het Koninklijk Instituut voor de Tropen te Amsterdam. Thema van deze dagen was: 'Nederland in de koloniën, de koloniën in Nederland'. Onmiddellijk viel ons in dat de Tilburgse familie Bles een mooi voorbeeld is. Uit deze invloedrijke familie zijn twee zonen gekomen die hun blikken tot over de oceanen richtten, Marcellus verbleef in Batavia en op Ceylon, en zijn broer Cornelis trouwde een Surinaamse vrouw.
Daar over de banden tussen deze familie en de oude koloniën nog nooit eerder iets is geschreven, zijn wij op zoek gegaan. Dit artikel probeert een beeld te schetsen van de banden die bestaan hebben tussen de gebroeders Bles en de koloniën. Heel bewust wordt niet ingegaan op de rol die de familie Bles in Tilburg heeft gespeeld.
(1) 


De komst van de Blessen naar Tilburg

Op 13 augustus 1699 noteert de kerkeraad van de Nederduits Gereformeerde gemeente van Tilburg Govert Bles in het lidmatenregister.(2) Hij is afkomstig uit Helvoirt, waar hij op 24 september 1695 belijdenis heeft gedaan. Over zijn motieven om naar Tilburg te gaan, tasten we in het duister. Het mag echter algemeen bekend verondersteld worden dat in deze tijd, waarin van overheidswege was beslist dat de openbare functies nog slechts door protestanten mochten worden bekleed, meerdere protestantse families hun geluk in het katholieke zuiden gingen beproeven. De vader van Govert, Marcellus, had in 1673 in Oisterwijk belijdenis gedaan. Hij verhuisde in 1680 naar Udenhout en vertrok vandaar weer naar Helvoirt, waar hij vorster werd. Dit om aan te geven dat de familie Bles geen last had van honkvastheid, een eigenschap die we later nog vaker zullen tegenkomen.

Govert Bles is omstreeks 1675 geboren, waarschijnlijk in Wychen, als zoon van Marcellus Bles en Maria Wassenbergh. Govert Bles vervult de functies ouderling in Tilburg, gezworen klerk ter secretarie en schepen van Tilburg. Hij gaat in ondertrouw op 10 februari 1714 in Tilburg met Arnolda Cloostermans, dochter van notaris Cornelis Cloostermans en Catharina Smits. Zij wordt in Tilburg begraven op 15 april 1755. Haar man was enkele jaren eerder overleden, en begraven te Tilburg op 17 mei 1747.
In 1718 koopt hij van François Joseph baron van Gelder een "huijs, schuer, en hoff" gelegen "aende kerck alhier"… "sijnde deselve huijsinge van outs geheten het Sevengestert".(3) Dit pand, later met adres Zomerstraat 26, zou tot 1818 in het bezit van de familie blijven. 


De Zomerstraat ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Het huis 'het 
Sevengestert' is zichtbaar tussen de lantaarn op de voorgrond en de 
winkelpui in het midden van de foto. (Collectie RHC Tilburg)


In Tilburg zijn 6 kinderen uit dit gezin door de predikant gedoopt. Achtereenvolgens zijn dat: Marcellus (9 juni 1715), Catharina Goverdina (17 januari 1717), Maria Jacoba (28 december 1721), Adriana Josina (25 mei 1723), Cornelis (12 november 1724) en Adriana Judith (8 december 1726). Het gaat ons nu met name om de beide zonen, die allebei belangen krijgen in de koloniën die de Republiek der Verenigde Nederlanden dan bezit.


Detail van de kaart van Diederik Zijnen uit 1760, bewerkt door L. Langeweg. Hierop zijn te zien de 
kerk van Tilburg, de Oude Markt en de 'Somerstraat'. Het pand links van de tweede "a" van 
'Somerstraat' is het huis 'het Sevengestert'. (Collectie RHC Tilburg)


Marcellus Bles

Marcellus Bles is gedoopt in Tilburg op 9 juni 1715. Hij heeft waarschijnlijk de ongedurigheid van zijn grootvader en naamgever in zijn genen gehad. Op zoek naar avontuur en fortuin gaat hij op 12 februari 1736, nog geen 21 jaar oud, scheep op de "Noordwaddingsveen", een schip van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). Dit schip vaart voor de kamer van Amsterdam naar Batavia (het huidige Djakarta) vanaf de rede van Texel. Van elk schip legde de VOC in een grootboek precies vast wie en wat er allemaal meereisde. Van iedereen die in een dergelijk grootboek vermeld stond, werd door de klerken allerlei informatie bijgehouden, ook al bleef men vele jaren in de Oost, of reisde men nog wat heen en weer tussen diverse plaatsen. In het grootboek van de "Noordwaddingsveen" staat dan ook op folio 2 de inschrijving van "Marcellus Bles van tilburg ondercoopman".

Na een voorspoedige reis loopt het schip op 1 juni 1736 binnen op de Kaap de Goede Hoop, het vaste rustpunt tijdens de lange tocht naar Indië. Daar viert Marcellus Bles zijn 21ste verjaardag ver verwijderd van huis en haard. Na nieuwe voorraden ingeslagen te hebben vertrekt de "Noordwaddingsveen" vanuit de Kaap op 17 juni om de reis naar Batavia voort de zetten. Deze tweede etappe verloopt ook zonder verdere bijzonderheden en op 25 augustus bereikt het schip de rede van Batavia. Tijdens deze reis zijn er 11 mensen overleden. Volgens het gangbare gebruik wordt de nalatenschap van deze mensen op de boot onder de mast aan de hoogstbiedende verkocht. Op de rekening van Marcellus Bles in het grootboek van de "Noordwaddingsveen" staan 7 posten van uitgaven die betrekking hebben op aankopen uit deze openbare verkopingen. 


Inschrijving van Marcellus Bles als onderkoopman van de VOC in het grootboek van de 
'Noordwaddingsveen'. (Algemeen Rijksarchief, 's-Gravenhage, zie noot 5)

Hij ontvangt voor zijn eerste 6½ maand aan boord een gage van 260 gulden. Dat afgezet tegen een uitgavenpost van 148 gulden en 4 stuivers heeft hij daarmee zijn eerste bescheiden winst te pakken. Hij krijgt het restant van 111 gulden en 16 stuivers uitgekeerd op 26 augustus 1736.
Vervolgens blijft Marcellus in Batavia, waar hij voor de VOC werkt. Op 31 augustus 1737 krijgt hij zijn eerste jaarsalaris betaald. Dat betekent dat hij kort na aankomst in Batavia zijn werkzaamheden voor de VOC is begonnen. Waarschijnlijk was hij in dienst als onderkoopman, zoals ook in het grootboek vermeld staat. Mogelijk heeft hij ook nog secretariële taken vervuld. Hoe het ook is geweest, hij blijft in Batavia werken tot juni 1744.
Dan verplaatst hij zijn werkterrein naar Ceylon (het huidige Sri Lanka), waar hij in Colombo gaat werken als secretaris van politie. Maar in sommige akten noemt men hem ook secretaris van het Gouvernement. Het is niet duidelijk in hoeverre hiermee dezelfde functie wordt bedoeld. Te Colombo trouwt hij op 24 december 1747 met Anna Maria de Caauw en daar worden ook hun zes kinderen geboren.

Tijdens zijn verblijf in de Oost vergaart Marcellus blijkbaar een behoorlijk kapitaal. Het gaat hem daar voor de wind. Zijn vooraanstaande positie zal ook zeker een belangrijke rol daarin hebben gespeeld. In de Tilburgse notarisarchieven duikt zijn naam herhaaldelijk op, omdat er geld in Amsterdam klaarligt dat opgehaald kan worden.
Hij ontvangt op Ceylon een salaris van 720 gulden per jaar.
Het is opvallend dat na zijn huwelijk in 1747 het salaris in handen komt van zijn moeder Arnolda Cloostermans. In het grootboek van de "Noordwaddingsveen" staan enkele posten waarin geld vanuit Indië naar Tilburg verhuist. Op 24 september 1749 int Cornelis Bles, uit naam van zijn moeder, 2827 gulden op het kantoor van de VOC in Amsterdam. Op 13 oktober 1751 verleent Arnolda Cloostermans procuratie aan haar dochter Maria Jacoba Bles om namens haar op te treden.(4) Vijf dagen later int zij 1440 gulden in Amsterdam. Zij maakt die reis nogmaals in 1754 wanneer ze een bedrag van 2160 gulden ophaalt. 
De laatste post in het grootboek van de "Noordwaddingsveen" die betrekking heeft op zijn werk in Colombo is van 15 februari 1756, wanneer hij voor 5 maanden en 15 dagen geld ontvangt voor zijn werk op Ceylon.

Vervolgens verlegt Marcellus Bles zijn werkterrein opnieuw. Ditmaal gaat hij naar een plaats aan de kust van India genaamd "Coilan" (het tegenwoordige Quilon). De redenen voor die overplaatsing zijn niet bekend. Het is evenmin duidelijk of zijn vrouw op dat moment ook meegaat of al overleden is. Na 1755 zijn er in iedere geval geen kinderen meer bekend uit zijn huwelijk. Hij is dan vanuit Colombo naar het Indiase vasteland gegaan, vanuit Batavia bezien een stapje dichter bij zijn vaderland. Op 31 augustus 1756 ontvangt hij salaris voor 6 maanden en 15 dagen werken in Coilan. Dat betekent dat hij daar per 15 februari 1756 is begonnen. Hij is vervolgens tot 15 januari 1758 actief in Coilan.



   
Detail van de plattegrond van de stad Colombo in 1736. Linksboven is het 
gouvernementscomplex zichtbaar, waar in de rechter onderhoek de 
secretarie van politie zich bevond. (Algemeen Rijksarchief, 's-Gravenhage, 
MIKO, W25)

Marcellus Bles heeft het avontuur en fortuin gevonden dat hij ruim twintig jaar eerder in Azië ging zoeken. De laatste post in het grootboek van de Noordwaddingsveen laat zien dat hij op 27 juni 1759 voor 17 maanden en 12 dagen salaris ontvangt tot aan zijn arrivement. Hij vaart terug naar Nederland met het schip "Overnes". Op 6 juli 1759 ontvangt hij het restant van 4993 gulden, dat hij nog aan salariskosten van de VOC te goed had. Hij int dat persoonlijk in Amsterdam, waarschijnlijk kort na zijn aankomst op de rede van Texel.(5) Vervolgens gaat hij per postkoets naar Tilburg terug. In het lidmatenboek van de Nederduits Gereformeerde gemeente aldaar staat zijn (ongedateerde) inschrijving genoteerd tussen 27 mei en 9 september 1760. Hij trekt weer in bij zijn broer in het ouderlijk huis "het Sevengestert".

Eenmaal terug in Nederland gaat Marcellus Bles meteen aan de gang om zich een positie van formaat te verwerven. Hij koopt op 21 juni 1760 van Charles, hertog van Ursel en Hoboken, de heerlijkheid Moergestel met alle rechten die daarbij horen. Het leenhof van Brabant bevestigt deze aankoop op 2 maart 1761.(6) Marcellus Bles mag zich voortaan heer van Moergestel noemen.

Op 12 februari 1761 machtigt hij door middel van een notariële akte - die zijn broer Cornelis opmaakt - Lucas Wakker, schipper van Amsterdam op Enkhuizen, om in zijn naam bij de VOC-kamer van Enkhuizen een bedrag van 5378 gulden op te halen.(7) Marcellus Bles had dat bedrag op 29 september 1758 te Colombo in de compagniekas gestort. Waarschijnlijk deed hij dat omdat zijn reis naar Nederland ophanden was en hij niet het risico wilde lopen dat zijn geld met hem eventueel naar de haaien ging. Op deze manier bleef het geld veilig in Colombo en kon hij met behulp van daartoe opgemaakte assignaten dat geld in Nederland innen.


In 1761 koopt Marcellus Bles het kasteel 'Nieuwenhof' te Moergestel. De kaart toont de situatie 
van de gebouwen en bijbehorende percelen in 1775. (Collectie RHC Tilburg)

In zijn nieuwe hoedanigheid van heer van Moergestel verschijnt hij op 5 juni 1761 in het raadhuis van Moergestel voor de schepenen aldaar om "seekere Casteel off Heeren Huijsinge, van outs genaamt Nieuwenhoff met schuur, stallinge, schop, hof en aangelag" te kopen voor een bedrag van 4150 gulden van Jacobus Schoonus. Bij dit landgoed hoort ook een aantal percelen akker- en weiland. Bij de voorwaarden waaraan de koper zich moet houden staat een opmerkelijk artikel. Marcellus Bles mag het kasteel op elk moment na het sluiten van de koop betrekken, doch niet voordat hij "bij off ontrent het voorn. kasteel sal hebben doen bouwen eene boere huijsinge met stal, schuur, schop en verdere noodwendigheeden bequaam in ordre en bewoonbaar". En die boerderij is bestemd voor Jacobus Schoonus, zijn gezin en "haaff en goederen" om in te wonen als ze Nieuwenhoff moeten verlaten. 
Het wordt Marcellus ook gepermitteert om voordat hij die boerderij bouwt, eerst verbouwingen en repraties aan het kasteel te laten plaastvinden en zelfs "een vleugel daar aan te bouwen als het sal goeddunken, mits den verkoper in dien gevalle maar ongemoeijt kan blijven woonen".(8)
Blijkbaar had Marcellus Bles al voor de definitieve koop te kennen gegeven dat hij Nieuwenhoff wilde gaan verbouwen en meer specifiek: er een vleugel aan bouwen.


Martinus van Dooren en Gerardus Dams voltooiden in 1799 de bouw 
van een volmolen in Tilburg aan de Hoeven. (Collectie RHC Tilburg)

Marcellus Bles leent ook geld aan industriëlen-in-wording die verlegen zitten om kapitaal. Zo maakt zijn neef Isaac Bles op 16 januari 1797 een akte op waarin Marcellus Bles de heeren Martinus van Dooren en Gerardus Dams geld leent.(9) Deze laatsten hadden sinds 1783 een firma onder de naam Van Dooren & Dams. Zij lenen van Marcellus de som van 4.000 gulden tegen 4 procent rente per jaar. Waarvoor ze dat geld precies nodig hadden is niet bekend, maar misschien hebben ze het wel gebruikt om hun nieuw te ontwikkelen volmolen die in 1799 in gebruik kwam, te financieren.
Van deze lening heeft hij waarschijnlijk nooit de vruchten gezien, want hij overleed enkele maanden later op 81-jarige leeftijd in Moergestel en is aldaar op 3 november 1797 begraven.


Overlijdensbericht van Marcellus Bles, 1797. (Collectie Centraal Bureau voor Genealogie)


Het Kasteel van Tilburg vaart uit…

Ten tijde van het werk van Marcellus Bles bij de VOC hebben drie schepen de naam 'Kasteel van Tilburg' gekregen.(10) Of deze schepen hun naam danken aan de aanwezigheid van Marcellus Bles, is moeilijk aan te tonen. Het blijft niettemin intrigerend dat er schepen met zo'n naam zijn geweest.

Het eerste schip (1737-1740)
In 1737 besluit de kamer van Amsterdam tot de bouw van een nieuw schip. De inhoud van het schip bedraagt 850 ton. Om onduidelijke redenen krijgt dit schip de naam 'Kasteel van Tilburg'. In de notulen van het bestuur van de VOC is geen aanwijzing gevonden dat de naam van het schip ingegeven is door personen met een band met Tilburg.
Op 17 oktober 1737 is het zover. Onder leiding van kapitein Pieter Kronenburg vertrekt het schip van de rede van Texel. Aan boord bevinden zich 163 zeevaarders, 85 soldaten, 11 werklieden en 4 passagiers. Een van deze passagiers is een slaaf. Bijna vier maanden later, op 4 februari 1738, komt het schip aan bij Kaap de Goede Hoop. Inmiddels zijn dan 48 personen overleden.
Kaap de Goede Hoop is het 'verversingsstation'; hier worden goederen uitgeladen, andere goederen ingeladen. Maar vooral worden vers water en vers eten ingeslagen. Ook vindt er een wisseling van de bemanning plaats: 18 Zeevaarders en 5 soldaten stappen van boord, en voor hen komen 18 andere zeevaarders en 2 werklieden in de plaats. Op 27 februari gaat de reis verder richting Batavia.

In het tweede deel van de reis zijn nog eens 38 zeevaarders overleden, alsook 19 soldaten, 2 werklieden en 1 passagier. Wanneer het schip op 6 juni 1738 op de rede van Batavia aankomt, zijn er nog 131 zeevaarders, 58 soldaten, 11 werklieden en 3 passagiers over. Onderweg zijn twee en misschien wel drie soldaten hun functie van soldaat kwijtgeraakt en 'gewoon zeevarende' geworden. Bij een ontmoeting met het schip 'Berkenrode' vindt een uitwisseling plaats. Eén opvarende van 'Kasteel van Tilburg' gaat aan boord van 'Berkenrode' en één vice versa.


Het kasteel van Tilburg op een kopergravure uit 1690. Dit kasteel gaf naam aan een drietal 
VOC-schepen. (Collectie RHC Tilburg)

Na ruim een jaar vertrekt het schip in Batavia op 10 december 1739 voor de terugreis naar Nederland. Aan het roer staat kapitein Jurriaan Wolbergen. Samen met 'Kasteel van Tilburg' vertrekken nog vier andere schepen: 'Kerkzicht', 'Klarabeek', 'Sint Laurens' en 'Venenburg'. Wolbergen is niet alleen kapitein van het schip, maar tevens commandeur van deze gehele vloot. Aan boord van 'Kasteel van Tilburg' bevindt zich een lading ter waarde van f 165.841.
Het noodlot slaat echter toe. Ergens tussen Batavia en de Kaap vergaat de gehele vloot. Zo komt er reeds na één reis een einde aan het eerste schip 'Kasteel van Tilburg'. Het zal begin 1740 zijn geweest.

Het tweede schip (1746-1752)
De kamer van Amsterdam van de VOC besluit enkele jaren daarna, in 1746, om opnieuw een schip te bouwen met de naam 'Kasteel van Tilburg'. Ook nu is er in het schip plaats voor 850 ton aan goederen.
Het schip verlaat Texel op 2 mei 1747 op weg naar Batavia. Van 22 augustus tot 12 september wordt er gestopt aan de Kaap. Kapitein Abraham Zwart uit Amsterdam leidt op 2 december het schip de haven van Batavia in. Onderweg zijn 46 personen overleden, waaronder ook de assistent-luitenant, de predikant en de kok. 107 Zeevaarders, 91 soldaten, 3 werklieden en 4 passagiers zetten voet aan wal.


Model van een 18e-eeuws VOC-schip

Op 14 augustus 1748 begint 'Kasteel van Tilburg' aan zijn retourvaart. De lading, met een waarde van f 52.186, bestaat uit 98 pakken textiel, 50.000 pond koffie, 98.000 pond suiker, 110 kojang (ca. 2 ton) rijst en nog wat overige goederen. Het schip is maar ten dele beladen. De 'Kasteel van Tilburg' moet lading overnemen van het schip de 'Duinhof', dat bij Kaap de Goede Hoop is vastgelopen en de eigen lading niet meer naar Nederland kan vervoeren. Om niet al te veel achterstand op te lopen met het transport van de handelswaren, wordt uiteindelijk na overleg tussen het bestuur in Batavia en den Heren XVII te Amsterdam besloten dat andere schepen de lading mee zullen nemen. Ook 'Kasteel van Tilburg' wordt hiervoor ingezet. Hierdoor komt de totale waarde van de lading op f 339.086. Twee personen stappen uit aan de Kaap en negentien hebben de reis niet overleefd. De overigen, zo'n 63 man, komen op 4 mei 1749 aan te Texel.

Vijf maanden later begint kapitein Zwart aan zijn tweede tocht met 'Kasteel van Tilburg'. Het schip legt de tocht naar Batavia zonder problemen af. Daarop wordt besloten om in 1750 een kortere reis van Batavia naar Ceylon te maken, om een aantal personen te repatriëren. Op 15 mei 1752 keert Zwart succesvol terug in Texel vanuit Batavia. Bij de tussenstop aan de Kaap zijn er 130 personen aan boord, de lading heeft een waarde van f 632.129.
Eenmaal terug in Nederland, na twee succesvolle reizen naar Batavia, wordt het schip in 1752 omgedoopt tot de 'Diemen'. Onder deze naam vertrekt het nog eenmaal naar Indië, waar het in 1756 ten onder gaat.


Plattegrond van de nederzetting bij Kaap de Goede Hoop, 1767. (Uit: 'Geschiedkundige atlas
 van Nederland', 1924)


Derde schip (1752-1758)
Zoals gezegd wordt het tweede schip 'Kasteel van Tilburg' in 1752 omgedoopt tot de 'Diemen'. Het schip dat deze naam eerder voerde, heeft inmiddels vier reizen naar Indië op z'n naam staan en keert in 1752 gehavend terug. Op de terugreis van Bengalen naar Texel breekt de hoofdmast af. Terug in Nederland wordt het schip opgeknapt en omgedoopt tot 'Kasteel van Tilburg'. Zo zien we dus dat twee schepen van naam veranderen: de 'Diemen' wordt het derde 'Kasteel van Tilburg' en het tweede 'Kasteel van Tilburg' krijgt de naam 'Diemen'.

Dit derde VOC-schip met dezelfde naam vaart op 28 december 1752 uit onder leiding van kapitein Willem 't Hoen uit Alblasserdam. Hij vertrekt met 272 personen aan boord, daarbij geassisteerd door Adriaan Bertrant uit Curaçao. Tot aan de Kaap worden er 'slechts' 9 sterfgevallen geteld en bij de tussenstop stappen 14 mensen uit. Er is een flink kapitaal aan boord voor betaling van rekeningen in Bengalen: f 403.279 aan contanten. De datum van aankomst is niet bekend.
Kapitein Gillis Paterson - die kapitein 't Hoen vervangt op de terugreis - keert op 28 augustus 1756 terug in Texel. Voor de kamer van Amsterdam heeft hij een lading ter waarde van f 434.177 vervoerd. Bij Kaap de Goede Hoop bedraagt het aantal opvarenden 99 personen.

De laatste reis van een 'Kasteel van Tilburg' begint op 24 juni 1757. Dit keer wordt het schip aangevoerd door kapitein George Christaan Honsdorp. Aan boord zijn 140 zeevarenden, 80 soldaten en 6 passagiers. Bij aankomst aan de Kaap - waar van oktober tot december 1757 gepauzeerd wordt - zijn 62 personen overleden. Samen met 118 zeevarenden, 52 soldaten, 1 werkman en 6 passagiers komt kapitein Honsdorp op 6 april 1758 aan in Batavia.
Het schip zou niet meer terugkeren in Nederland. Na enkele kleine reizen in Indië neemt de VOC op 20 oktober 1764 het schip uit de vaart.


Cornelis Bles

In tegenstelling tot zijn broer Marcellus kiest Cornelis niet voor een carrière bij de VOC, maar voor een bestuurlijke loopbaan. Toch zou ook hij te maken krijgen met handel in de koloniën.
Deze tweede zoon van Govert Bles en Arnolda Cloostermans wordt gedoopt op 12 november 1724, in de kerk van Tilburg. Zijn grootvader Cornelis Cloostermans, naar wie hij vernoemd wordt, en zijn tante Adriana Cloostermans zijn getuige bij de doop. Op 29 maart 1741 doet hij zijn belijdenis.
Kennelijk is Cornelis reeds op jonge leeftijd een intelligente jongen. In 1745 - hij is dan pas 21 jaar oud ! - wordt hij aangesteld als vorster van de heerlijkheid Tilburg.(11) Omdat hij nog minderjarig is, neemt zijn vader de functie waar.(12) 


In 1745 benoemt Willem, landgraaf van Hessen-Kassel, heer van Tilburg en 
Goirle, Cornelis Bles tot vorster van de heerlijkheid. (RHC Tilburg, zie noot 11)

Vijf jaar later, op 7 januari 1750, admitteert de Raad van Brabant in 's-Gravenhage hem als notaris te Tilburg. Deze functie zou hij blijven bekleden tot 1789. Tegelijkertijd krijgt hij ook toestemming om voor de schepenbank op te treden als procureur. Naast deze functies op juridisch gebied, weet Cornelis ook in het lokale bestuur een plaats te verwerven. In 1763 wordt hij aangesteld als president-schepen, welke functie hij blijft bekleden tot 1782. Dan verhuist hij naar Boxtel, waar hij benoemd wordt tot rentmeester van de baronie. Zijn dood in 1790 maakt hieraan een einde. Hij wordt begraven te Tilburg op 5 juli 1790.

In de tijd dat zijn broer in Batavia en Colombo verblijft, reist Cornelis regelmatig naar Amsterdam om daar de zaken van zijn broer waar te nemen en om gelden in ontvangst te nemen. Mogelijk is hij bij een van zijn bezoeken zijn toekomstige echtgenote tegengekomen.
Hij huwt op 29 augustus 1755 in de Waalse kerk te Amsterdam met Marthe Cathérine Peneux, die in augustus 1752 vanuit Suriname naar Nederland verhuisd is.(13) Na hun huwelijk gaan zij in Tilburg wonen in het ouderlijk huis van Cornelis, genaamd het Sevengestert. Hier worden ook alle kinderen geboren.
Marthe Cathérine overlijdt op 4 september 1799 te Boxtel. Drie dagen later, op 7 september, wordt zij begraven in de kerk van Tilburg.


Belangen in Suriname

Door zijn huwelijk verwerft Cornelis aanzienlijke belangen in plantages in Suriname. Om te begrijpen hoe Marthe Cathérine aan deze goederen komt, moeten we terug in de geschiedenis van haar familie.
Het is 26 april 1708 als David Gebert en zijn vrouw Martha Sauvaget worden ingeschreven als lidmaat van de Waalse kerk in Paramaribo.(14) Zij hebben dan al op diverse plaatsen ter wereld gewoond. Eerst in Koningsbergen, waar twee kinderen - een zoon en een dochter - het levenslicht zien, daarna in Riga, waar een dochter geboren wordt, en ten slotte nog in Harderwijk, waar in 1704 hun jongste dochter ter wereld komt. Gezien het feit dat Riga, Koningsbergen en Harderwijk allemaal havensteden zijn, mogen we aannemen dat vader Gebert zijn kost verdiende als koopman. In Suriname vinden hij en zijn vrouw eindelijk de rust van een eigen stek.


Gedeelte van de kaart van A. de Lavaux van de plantages aan de rivier de Cottica, waaronder Nieuwe 
Hoop (Kleine Hoop) en Nieuw Mocha, 1737. (Uit: 'Westindisch Plakaatboek', 1973)

Over de plantage waar het gezin Gebert-Sauvaget woont, is niet veel terug te vinden. Twee dochters, Marguerite en Anne, trouwen op de plantage 'De Nieuwe Hoop', waardoor de indruk ontstaat dat dit hun ouderlijk huis is. Lang heeft het allemaal niet geduurd, want op 10 juni 1726 worden de kerkrechten betaald voor de begrafenis van de weduwe Gebert. Haar man is kennelijk enige jaren daarvoor al overleden.
Naast drie dochters laten zij één zoon na, genaamd Paul David Gebert. Hij is geboren te Koningsbergen rond 1690 en doet op 26 april 1714 examen om lidmaat van de Waalse kerk te Paramaribo te kunnen worden. Op 29 september 1716 huwt hij met Catharina Ridderbach. Zij vestigen zich niet op de plantage 'De Nieuwe Hoop', maar weten de hand te leggen op een plantage aan de rivier de Cottica, genaamd 'Nieuw Mocha'. Kinderen uit dit huwelijk zijn niet bekend. In de jaren 1723 tot 1725 wordt P.D. Gebert regelmatig genoemd in de registers van kerkrechten, voornamelijk om geld te betalen voor een zitplaats in de kerk voor zijn vrouw. In december 1734 wordt hij weduwnaar. Daarna huwt hij met Judith de Boneijes.(15) Zijn vrouw en haar twee dochters vertrekken op 8 juli 1745 met het schip de 'Beekhuisen' naar Amsterdam. Paul David blijft alleen achter op zijn plantage, waar hij in augustus 1750 begraven wordt, terwijl zijn gezin nog in Amsterdam verblijft. De kerkrechten voor deze begrafenis bedragen 20 gulden. Zijn weduwe keert pas op 17 november 1751 met het schip de 'Isaac' terug naar Suriname.(16) 




Gezicht op het Oranjekerkhof van Paramaribo, buiten de stad. Sommige leden van de familie 
Gebert werden begraven op de begraafplaats 'De Nieuwe Oranjetuin' in Paramaribo. (Litho uit: 
P.J. Benoit, 'Voyage à Surinam', 1839)

Erfgenamen van P.D. Gebert zijn zijn neven Jean Philippe Peneux en David Thomas Peneux en zijn nicht Marthe Cathérine Peneux. Zij zijn alledrie kinderen van Isaac Peneux en Marie Anne Gebert, een zuster van de overledene.
Deze Isaac Peneux werd rond 1703 geboren in het Belgische Herstal. In zijn jeugd moet hij verhuist zijn naar Amsterdam, want vandaar vertrekt hij op 29 juli 1724 naar Paramaribo, waar hij op 4 januari 1725 ingeschreven wordt als lidmaat. Drie jaar later, op 26 juli 1728, trouwt hij met Marie Anne Gebert, de op 4 maart 1704 te Harderwijk gedoopte dochter van David Gebert en Martha Sauvaget. Zij vestigen zich op de plantage 'L'Hermitage', gelegen aan de Tamapati-kreek. Hier worden minstens vier kinderen geboren. De plantage vinden we op de kaart van A. de Lavaux uit 1737 niet meer terug omdat het grondgebied deel uitmaakt van een aantal 'verlaten gronden', waar de familie Peneux nog wel bezittingen heeft. Dat deze plantage niet meer in gebruik is, is niet vreemd. Immers, op 30 augustus 1736 vertrekt Isaac Peneux aan boord van het schip de 'Anna Magdalena' van Paramaribo naar Amsterdam, "tot herstel zijner gezondheid". Eenmaal terug in Amsterdam gaat Isaac wonen bij zijn broer Jean Philippe Peneux aan de Kalverstraat. Met zijn gezondheid gaat het echter niet veel beter en al op 1 april 1737 wordt hij in Amsterdam begraven.


De plantage 'Leverpoel' was gelegen in de directe omgeving van 'Nieuw Charlottenburg'. (Uit: 
'Westindisch Plakaatboek', 1973)

Van zijn drie kinderen besluiten Jean Philippe en David Thomas Peneux in 1763 de plantage Frankenland te kopen van de erfgenamen van David van Paddenburg. Nadat Jean Philippe het deel van zijn broer heeft gekocht, geeft hij deze plantage een nieuwe naam, Nieuw Charlottenburg. Deze naam is hoogstwaarschijnlijk te danken aan zijn vrouw, Charlotte Wilhelmine de Saint-André, met wie hij in 1758 gehuwd is.
Als erfgenamen van hun oom P.D. Gebert hebben Jean Philippe Peneux, David Thomas Peneux en Marthe Cathérine Peneux de plantage 'Nieuw Mocha' in bezit gekregen. Met de koop van 'Frankenland' doet Jean Philippe zijn deel in 'Nieuw Mocha' van de hand. En bij het overlijden van David Thomas, die op 11 januari 1774 te Tilburg begraven wordt, is Marthe Cathérine, en dus ook haar man Cornelis Bles, eigenaar van de gehele plantage 'Nieuw Mocha' geworden.


De plantages

Frankenland (Nieuw Charlottenburg)
Van de plantage 'Frankenland', die in 1763 door de broers Jean Philippe en David Thomas Peneux gekocht wordt, bestaat een inventaris die gebruikt is bij de verkoop.(17) 
De plantage bestaat uit 280 'akkers' (een akker is 4294 m2), verdeeld over 18 kavels. Op de gronden wordt zowel koffie als katoen verbouwd. Voor de eigenaar is er een woonhuis, ongeveer 10 meter lang en 7,5 meter breed. Dit huis, dat geen kelder of zolder heeft, bestaat uit twee vertrekken, te weten een kamer en een voorhuis. Bij dit woonhuis staan nog twee iets kleinere gebouwen, elk 7,5 meter lang en 3,5 meter breed. Het ene gebouw, dat wel voorzien is van een kelder en een zolder, kent een vertrek voor de huisdienaar en een magazijn. Het andere gebouw, zonder kelder of zolder, heeft twee vertrekken. Een daarvan is in gebruik als keuken en het andere vertrek wordt gebruikt als theehuis.
Voor de sanitaire voorzieningen is er in de nabijheid van deze gebouwen een 'gemakhuisje', ongeveer 2 meter in het vierkant groot, en is er een 4,5 meter lange wasbak.

Zoals gezegd, wordt op de plantage onder meer koffie verbouwd. Voor de opslag hiervan is een koffieloods gebouwd, met een lengte van 20 meter en een breedte van ruim 10 meter. Naast de loods staan twee drogerijen, eentje met een lengte van 10 meter en een breedte van 8,5 meter. De andere drogerij is iets kleiner, namelijk 7,5 meter lang en 6 meter breed.
Het vervoer van en naar de plantage wordt verzorgd door een tentboot met zes riemen en een iets kleinere tentpont met vier riemen. Voor zowel de boot als de pont zijn een boothuis en ponthuis gebouwd aan de 'landingsplaats'. Bij deze aanlegplaats staat ook een wachthuisje, met voor de wachter een klein visserspontje. Vanaf de aanlegplaats, die bijna 10 meter lang en 1,5 meter breed is, loopt een brug van 6 meter over de voorpolder naar het drogere gedeelte.




Tentpont voor het vervoer over de rivieren, bijvoorbeeld de Cottica. (Litho uit: P.J. Benoit, 'Voyage
 à Surinam', 1839)
 

Bij de verkoop van de plantage hoort ook de 'slavenmacht'. In 1763 zijn er 35 slaven op de plantage werkzaam: 14 (volwassen) mannen, 11 (volwassen) vrouwen, 8 jongens en 2 meisjes. De slaven staan onder leiding van een 'officier'. Verder zijn er nog timmernegers, veldnegers, een kuiper, negers die in de loodsen werken en huisslavinnen. Zij dragen namen als Primo, Cupido, Bienvenue, Augustus, September, Februarij, Sara, Minerva, Truij, Geluk, Fortuijn en Madelon.

Zoals gezegd, heeft de plantage 'Frankenland' van zijn nieuwe eigenaar een andere naam gekregen: 'Nieuw Charlottenburg', ook wel 'Klein Charlottenburg'. Na het overlijden van Jean Philippe Peneux in de jaren '70 van de 18de eeuw blijft zijn weduwe in het bezit van de plantage. De waarde van de plantage wordt in 1769 geschat op 97.376 gulden.(18) Zij krijgt problemen met haar schoonfamilie in Tilburg, wanneer Cornelis Bles en Marthe Cathérine Peneux haar aanspreken op het geld dat haar man nog verschuldigd was aan zijn broer David Thomas in verband met de aankoop van diens helft in de plantage. Op 23 maart 1782 stuurt Cornelis Bles zijn zoon Govert Jacobus naar Suriname om daar een beeld te krijgen van de situatie. Dit levert niets op, waarna de kwestie zelfs voor het Hof van Civiele Justitie van Suriname wordt gebracht. Op 30 november 1786 wijst het hof vonnis en veroordeelt de weduwe tot betaling van een bedrag van 7.148 gulden.(19) 


Detail van de kaart van De Lavaux waarop de plantage (Nieuw) 'Charlottenburg' staat aangegeven. 
(Uit: 'Westindisch Plakaatboek', 1973)

In de Almanak van Suriname uit 1793 wordt de plantage nog genoemd als eigendom van de weduwe Peneux. Charlotte Wilhelmine de Saint-André wordt in januari 1809 te Paramaribo begraven. Daarna wordt de plantage verkocht, want in de Almanak van Suriname uit 1821 staat de heer J.F. Ohland als eigenaar vermeld.

Nieuw Mocha
Hierboven is al aangehaald dat de plantage 'Nieuw Mocha' uiteindelijk volledig in eigendom kwam van Marthe Cathérine Peneux en haar man Cornelis Bles. Een beschrijving van deze plantage volgt uit inventarissen van 1755, 1756, 1762 en 1771.(20) 
De hele plantage beslaat een oppervlakte van 683 akkers, verdeeld over 38 kavels met koffiebomen. Enkele jaren later is de plantage verdeeld in 48 kavels. De koffie wordt opgeslagen in een koffieloods met een lengte van 30 meter en een breedte van 12,5 meter. Deze loods is twee verdiepingen hoog en bestaat uit 36 schuifbakken om de koffiebonen in op te slaan. Naast de loods staan drie drogerijen, waarvan de grootste 30 meter lang en 10 meter breed is. Bij iedere drogerij staat nog een kleiner opslaghuisje voor de koffie. In deze drogerijen worden de koffiebonen gedroogd, nadat deze uit de vruchten tevoorschijn zijn gekomen. Deze vruchten worden in zogenaamde 'morsloodsen' opgeslagen, waar het vruchtvlees van de bonen afrot. Op de plantage zijn twee morsloodsen aanwezig. De oude loods wordt gebruikt als bergplaats voor materialen. En voor het eigenlijke morswerk is een nieuwe loods gebouwd, met een lengte van 13 meter en een breedte van 6,5 meter. In de loods staat een nieuwe koffiebreekmolen en bij de deur hangt een dubbele stenen wasbak.
Op het terrein staan verder nog een timmerloods (12 meter lang en 9 meter breed) en een korenhuis (6 meter lang en ruim 3 meter breed).


De plantage 'Nieuw Mocha' op de kaart van A. de Lavaux. (Uit: 'Westindisch 
Plakaatboek', 1973)

Voor het vervoer over water is er een vijf jaar oude tentboot met zes riemen, een tentpontje met zes riemen en nog een pont met een lengte van bijna 10 meter. Voor de boot en de pontjes is een tentboothuis (12,5 meter lang en 5,5 meter breed) gebouwd met twee vertrekken. Daarvoor ligt de landingsplaats met een brug die over de voorpolder naar het vaste land loopt.
I
In de inventaris van 1762 staat dat er fundamenten liggen voor een nieuw woonhuis, groot 12 meter in het vierkant. In 1771 is dit woonhuis afgebouwd en bestaat het uit een onderverdieping met een voorhuis, een grote kamer, een galerij en een bottelarij en kantoor. Op de verdieping bevinden zich twee galerijzolders, een voorhuis en twee kamers. Er is een gemakhuisje van 3 meter lang en 2,5 meter breed. Naast de fundamenten voor het nieuwe huis staat in 1762 een zijgebouw. De lengte van dit gebouw komt uit op 31,5 meter en de breedte bedraagt 3,5 meter, inclusief de galerij voor het gebouw. Het gebouw is verdeeld in zeven vertrekken die de volgende functies hebben: een directeurskamer, een officierskamer, een bottelarij, een schapenhok, een waterhuis, een magazijn met zolder en een keuken. Na de bouw van het nieuwe woonhuis wordt dit zijgebouw anders ingedeeld: keuken met bakoven, haardstede en gootsteen, magazijn, waterhuisje, schapenhok, twee ziekenkamers en een vogelhuisje. In 1771 is er nog een tweede zijgebouw, dat net zo lang is als het andere zijgebouw, maar wel wat breder. Hierin bevinden zich een kamer met medische instrumenten en boeken, nog een kamer en een magazijn.


Negerhutten op een plantage. (Litho uit: P.J. Benoit, 'Voyage à Surinam', 1839)

De slaven wonen in zestien negerhuizen. Het aantal varieert met de jaren. In 1755 zijn er 33 mannen, 32 vrouwen, 7 "omloopers, oud en afgeleeft", 6 huisslaven, 11 jongens en 13 meisjes. In totaal zijn er dus 102 slaven. In 1762 zijn zij met 107 personen, te weten 36 mannen, 37 vrouwen, 21 jongens en 13 meisjes. Hun totale waarde wordt geschat op 250 gulden. Bijna tien jaar later is de 'slavenmacht' aanzienlijk uitgebreid: er komen op de inventaris van 1771 155 slaven voor: 61 mannen, 54 vrouwen, 21 jongens en 19 meisjes.
In 1762 wordt de totale waarde van de plantage beraamd op 131.491 gulden en 18 stuivers.

Omdat Cornelis Bles en Marthe Cathérine Peneux beiden in Tilburg wonen, laten zij het beheer van de Surinaamse goederen altijd over aan procuratiehouders. Zo wordt in 1764 Charles Égon de Langes de Beauvèzes genoemd en in 1771 worden Christoffel Nagel en Jean Philippe Peneux aangesteld. Vanaf het moment dat hun zoon Govert Jacobus Bles meerderjarig is, wordt hij regelmatig als procuratiehouder aangesteld voor het beheer van de Surinaamse goederen.(21) Hij reist dan ook enkele keren van Tilburg naar Suriname en terug. Ook zien we dat hij in 1799 naar Hamburg gaat om daar - in opdracht van zijn moeder - de zaken rond een lading van 10.000 pond koffie op het schip Jupiter te regelen.(22) 

In 1784 gaat het mis met de plantage en het beheer door de familie Bles-Peneux. Een aantal investeerders - in totaal gaat het om een investering uit 1766 van 100.000 gulden - stellen twee commissarissen aan, de heer Boudewijn Jacob Lohoff, koopman te Amsterdam, en mr. Jan Frederik Berewout, bewindhebber bij de West-Indische Compagnie, om beslag te laten leggen op de helft van de plantage 'Nieuw Mocha'.(23) De reden hiervan is dat Cornelis en Marthe al sinds 1771 niet op tijd hun aflossingen en rentebetalingen voldoen. Op 1 maart 1784 wordt een overeenkomst gesloten tussen enerzijds de twee commissarissen en anderzijds Cornelis Bles en Marthe Cathérine Peneux. In deze overeenkomst wordt afgesproken dat het beslag op de plantage opgeheven zal worden, mits de achterstallige rente tegen 2% per jaar wordt betaald en de schuld binnen zes jaar ingelost is, met een toekomstig rentepercentage van 4%. Als er opnieuw niet betaald wordt, zal het beslag opnieuw gelegd worden en zullen de opbrengsten uit de plantages gebruikt worden om de schuld af te lossen.

Bij het overlijden van Cornelis Bles in 1790 is zijn weduwe krachtens testament universeel erfgename. Marthe Cathérine Peneux blijft in het bezit van haar erflanden totdat zij in 1799 komt te overlijden. Haar kinderen verklaren op 19 september 1799 in een notariële akte dat zij vanwege de oorlog niet in staat zijn goed inzicht te krijgen in de baten en lasten van de erfenis van hun moeder wat betreft haar aandeel in de plantages.(24) Zij accepteren de nalatenschap daarom voorlopig niet en willen eerst een nader onderzoek. Niet alle kinderen wachten af wat hun aandeel zal zijn. Zo verwerpt Isaac Bles, notaris te Tilburg, zijn deel van zijn moeders boedel op 7 maart 1801.(25) 


In 1863 werd de slavernij in Suriname afgeschaft. Deze prent werd gemaakt bij de herdenking van 
dit feit in 1913.


Een van de zonen, Cornelis Martinus Bles (1769-1843) heeft in ieder geval wél zijn rechten op de goederen in Suriname behouden. Zijn zoon namelijk, Johannes Martinus Bles (gedoopt te Curaçao op 10 april 1799) is van 1827 tot 1832 notaris te Lith, maar verhuist in april 1832 naar Suriname. Daar woont hij in de Heerestraat in Paramaribo, terwijl hij eigenaar is van de plantage 'Nieuw Mocha'. Hij overlijdt op 29 september 1860. Zijn dochter en enig kind, Adriana Constance Feodorovna Bles, komt na zijn dood in het bezit van de plantage.

Als in 1863 de slavernij afgeschaft wordt, krijgt zij van de Nederlandse staat een schadeloosstelling.(26) Hieraan voorafgaand stuurt A.C.F. Bles op 20 oktober 1862 een overzicht in, waarop alle nog aanwezige slaven vermeld staan. Het overzicht telt twaalf namen met geboortejaar en functie: Charles (1836, sjouwer), Goliath (1844, veldneger), Frans (1846, voetbode), Primo Dirk (1848, voetbode), Semire (1813, bediende), Francina (1816, bediende), Christina (1830, bediende), Henriette (1848, bediende), Frits (1852, leerjongen), Jacoba (1855), Paul (1857) en Josephina (1860). Voor deze slaven ontvangt zij op 25 april 1864 een bedrag van 300 gulden per persoon. Op de lijst staat ook nog Constant, geboren in 1838 en timmerman van beroep. Voor hem wordt geen tegemoetkoming uitgekeerd, omdat hij reeds op 9 april 1863 vrijgelaten (gemanumitteerd) wordt. In het manumissieregister staat dat hij verder door het leven is gegaan als Martijn Constant van der Hagen.

Bij de uitbetaling van deze tegemoetkoming, ontstaat ook een geschil. Volgens de commissie van onderzoek heeft A.C.F. Bles slechts recht op de helft van het geld, dus de helft van 3.600 gulden, omdat zij voor slechts de helft eigenaar is van de plantage. Mevrouw Bles is het hier niet mee eens. Zij dient bezwaar in tegen deze beslissing en voorziet de commissie van enkele schriftelijke bewijsstukken. Haar betoog komt erop neer dat haar vader, Johannes Martinus Bles, de helft van de plantage heeft gekocht van de erfgenamen van Frederik Cramer.(27) De firma West & De Hart heeft hiervoor geld geleverd. Daarna is haar vader eigenaar geworden van de gehele plantage en hij heeft deze tot zijn dood in bezit gehouden. Ook zij heeft de gehele plantage daarna overgenomen. Op grond hiervan kan aangetoond worden dat de familie Bles gedurende meer dan dertig jaar 'rustig en ongestoord' in het bezit is geweest van de gehele plantage. De commissie kan dan ook niet anders dan concluderen dat ook de andere helft van de tegemoetkoming aan A.C.F. Bles uitbetaald dient te worden. En op 27 april 1870 ontvangt zij dan ook nog een bedrag van 1.800 gulden.(28) Hier eindigt de informatie over de familie Bles en de plantage 'Nieuw Mocha'.


Johannes Pauli = neger Adam?

Op 18 april 1779 wordt in de Nederduits Gereformeerde gemeente van Tilburg de dienstknecht van notaris Cornelis Bles gedoopt. Op zich is dat geen bijzondere gebeurtenis. Bij lezing van de inschrijving blijkt echter dat het gaat om een Westindische neger. Hij is ten tijde van zijn doop ongeveer 20 jaar oud en krijgt de naam Johannes Pauli.
Het behoeft geen verwondering te wekken dat deze zwarte dienstknecht vanuit de koloniale bezittingen van Marthe Cathérine Peneux naar ons land is gekomen. 
Op 27 maart 1772 komt Jean Philippe Peneux met het schip De Vrouw Ester naar Nederland. Hij wordt vergezeld door een negerin, genaamd Anna, en de neger Adam. Als hij na ruim een jaar op 15 oktober 1773 weer terugkeert naar zijn bezittingen in Suriname, gaat alleen de negerin Anna met hem mee terug(29). Het ligt voor de hand te veronderstellen dat Jean Philippe zijn zus Marthe Cathérine met een bezoek heeft vereerd. Mogelijk ook is Marthe naar Amsterdam gegaan om haar broer te ontmoeten. Hoe dan ook, het is niet onwaarschijnlijk dat de neger Adam in Nederland is achtergebleven bij Marthe Cathérine Peneux en dat hij de Westindische neger Johannes Pauli is. Hiervoor spreekt ook de vermelding bij zijn huwelijk in 1787, waarbij hij aangeeft 14 jaar in Tilburg te wonen.

Het is in ieder geval duidelijk dat het echtpaar Bles-Peneux er verlichte ideeën op nahield. Zij boden een van hun "slaven" de mogelijkheid om een "normaal" leven op te bouwen in een nieuw land. Door zijn doop ging Johannes Pauli als volwaardig lid deel uitmaken van de Nederduits Gereformeerde gemeente van Tilburg. Uit het vervolg van zijn levensverhaal blijkt dat hij die kans met beide handen aangegrepen heeft, daarbij geholpen door zijn invloedrijke "meester". 
Op een gegeven moment verhuist hij naar Moergestel. Marcellus Bles, de broer van zijn "adoptievader", was daar sinds 1761 eigenaar van de heerlijkheid geworden en stelde Johannes Pauli aan als nachtroeper annex veldwachter. Het oud-administratief archief van Moergestel bevat nog een ongedateerde "memorie voor Johannes Pauli". Dat stuk bestaat uit een lijst met namen, waarbij bedragen staan geschreven die inwoners van Moergestel moeten betalen wanneer Johannes Pauli als nachtroeper aan huis komt. De meesten moeten daarvoor 8 oord betalen, maar enkelen, onder wie Marcellus Bles, de heer kapitein Watteviele en predikant Van der Meulen, betalen twee stuivers.




Memorie voor de nachtroeper Johannes Pauli in Moergestel, ca. 
1788. (RHC Tilburg, Dorpsbestuur Moergestel, inv.nr. 242)

Hij trouwt op 25 november 1787 in Tilburg met Anneke van der Schans. Zij is omstreeks 1761 geboren in 's-Grevelduin-Capelle. De moeder van de bruid reageert niet op de huwelijksaankondiging, wat een stil protest tegen het "gemengde" huwelijk kan betekenen. Voorafgaand aan het huwelijk kreeg Anna van der Schans op 25 oktober 1787 van de diakonie van 's-Grevelduin-Capelle een borgbrief, die zij inlevert bij de schepenbank van Moergestel. In deze borgbrief staat echter dat zij al is getrouwd met Johannes Pauli! Op dat moment is Johannes Pauli "diender tot Moergestel".
Al voor het huwelijk doopt de predikant van Moergestel op 9 maart 1787 een kind van Johannes Pauli. Dit kind, Adrianus Johannes, overlijdt jong en is op 29 september 1789 in Moergestel begraven. Mogelijk was de geboorte van dit kind de aanleiding om te gaan trouwen.


Johannes Pauli (geboren in Sprang, 18 oktober 1841) en zijn 
vrouw Cornelia van der Stelt (geboren in Emmikhoven, 6 april 
1836). Hij was een kleinzoon van Johannes Pauli. (Coll. G. van 
Steenis)

Vervolgens wordt er op 1 november 1789 opnieuw een kind gedoopt van Johannes Pauli: Jacobus Martinus. Daarna verhuist het gezin naar Hilvarenbeek waar Johannes Pauli als ondervorster aan de slag gaat. De predikant van Hilvarenbeek schrijft hem als lidmaat in op 16 juli 1791. In datzelfde jaar benoemt Marcellus Bles een nieuwe diender en schutter in Moergestel: Antony Hendrik van Gog.
Van zijn werkzaamheden in Hilvarenbeek zijn ook nog enkele sporen achtergebleven. Zo ontvangt hij in 1791 en 1792 vergoedingen voor het wegbrengen van soldaten van Hilvarenbeek naar andere plaatsen in Brabant. In 1808 vecht hij in het kader van zijn functie met Hendrik Jacobus Moonen in een herberg in Hilvarenbeek. Hij overlijdt in Hilvarenbeek op 3 november 1819. Zijn beroep is dan veldwachter. Rijk is hij niet geworden in zijn nieuwe vaderland. Zijn memorie van successie laat zien dat hij niets van waarde achterliet.(30) 
Er zijn tot op heden nog nazaten van hem in leven.


Slot

In dit artikel hebben we willen laten zien hoe de Tilburgers Marcellus en Cornelis Bles een rol hebben gespeeld in de toenmalige koloniën Batavia, Ceylon en Suriname. Ook hebben we laten zien hoe de koloniën naar Tilburg en omgeving zijn gekomen, in de personen van Marthe Cathérine Peneux en Johannes Pauli.
De ingewikkelde structuur van bepaalde archieven en de afstand van Tilburg naar mogelijke bronnen in binnen- en buitenland hebben er mogelijkerwijs toe geleid dat niet alle bronnen geraadpleegd zijn.



Bijlage: Genealogische aantekeningen

In het artikel worden veel familiegegevens en -relaties genoemd. Om enige duidelijkheid te brengen in al deze gegevens, plaatsen we hieronder enkele fragment-genealogieën om de tekst te verduidelijken. Het is niet de bedoeling om hier uitputtende genealogieën te publiceren.(31) 

Familie Gebert
I David Gebert, koopman, woont in Riga, Koningsbergen, Harderwijk en Suriname, lidmaat van de Waalse kerk te Paramaribo op 26 april 1708. Hij huwt met Martha Sauvaget.
Uit dit huwelijk worden geboren:
a. Anne Gebert, geboren te Koningsbergen. Zij huwt in Suriname (divisie van de Beneden-Commewijne) op 20 mei 1712 met Abraham Gilbert, een jongeman uit Rochelle.
b. Paul David Gebert, geboren te Koningsbergen, doet examen om lidmaat te worden op 26 april 1714 te Paramaribo. Hij huwt in Suriname (divisie van de Beneden-Commewijne) op 29 september 1716 met Catharina Ridderbach. Zij overlijdt in december 1734. Hij huwt daarna met Judith de Boneijes. Paul David Gebert overlijdt kinderloos in augustus 1750 en wordt op zijn plantage Nieuw Mocha begraven.
c. Marguerite Gebert, geboren te Riga, doet examen om lidmaat te worden op 27 december 1719 te Paramaribo. Zij huwt op plantage 'De Nieuwe Hoop' op 12 maart 1728 met Thomas Freron, een jongeman uit Clerac die op 4 januari 1725 als lidmaat wordt ingeschreven te Paramaribo, met een attestatie van Amsterdam.
d. Marie Anne Gebert, gedoopt te Harderwijk op 4 maart 1704, doet examen om lidmaat te worden op 9 juni 1721 te Paramaribo. Zij huwt in Suriname (divisie van de Boven-Commewijne) op 2 december 1725 met Willem Hendrik Harscamp, geboren te Elst. Zij huwt voor de tweede keer in Suriname (divisie van de Beneden-Commewijne) met Isaac Peneux, geboren rond 1703, begraven te Amsterdam op 1 april 1737. (zie aantekeningen familie Peneux) Zij huwt voor de derde keer in Suriname (divisie van de Beneden-Commewijne) op 17 augustus 1743 met Mathias Serners, geboren te Aassink (Denemarken).

Familie Peneux
I Jacques Peneux, woont in 1728 in Herstal.
Zijn kinderen:
a. Jean Philip Peneux, geboren te Herstal rond 1694, woont in 1728 te Amsterdam in de Kalverstraat, wordt op 16 mei 1732 poorter van Amsterdam, is daarna in 1742 theekoper aan de Herengracht en ten slotte in 1749 "commies ter recherche" aan de Nieuwezijds Achterburgwal, begraven aldaar op 30 oktober 1749. Hij huwt te Amsterdam in april 1728 met Anna Soijer, geboren te Dieppe rond 1680, weduwe van de robijnslijper Paul Renouard, begraven te Amsterdam op 21 oktober 1734. Daarna huwt hij te Edam op 4 september 1735 met Anne Margrietje Delpech, overleden te 's-Gravenhage op 25 oktober 1783. Uit dit tweede huwelijk worden in ieder geval twee zonen geboren: Jean Philip (geboren te Amsterdam op 18 april 1743, overleden te 's-Gravenhage in oktober 1775) en Jacques Peneux Delpech (geboren te Amsterdam op 25 april 1746, begraven te Paramaribo in de Nieuwe Oranjetuin op 10 december 1766).
b. Isaac Peneux, geboren te Herstal rond 1703, volgt hierna onder II.
c. Elisabeth Judith Peneux, geboren te Herstal rond 1706, komt op 21 januari 1745 uit Amsterdam aan in Paramaribo, overleden te Paramaribo op 15 april 1785, begraven aldaar in de Nieuwe Oranjetuin. Zij huwt met Pierre Desmazures.
d. Jeanne Peneux, geboren te Herstal rond 1710, woont te Amsterdam aan de Leidsegracht hoek Prinsengracht, overleden in 1778. Zij huwt te Buiksloot op 28 april 1737 met Charles Joseph Le Franc de l'Arche, geboren in 1705, overleden in 1777.
e. Jacques Peneux, doet op 23 oktober 1726 examen om lidmaat te worden van de Waalse kerk te Amsterdam, wordt op 11 februari 1735 poorter van Amsterdam en heeft in 1742 een zijdewinkel in de Warmoesstraat. Hij huwt te Amsterdam in 1733 met Maria Susanna Fitte, geboren aldaar op 24 februari 1700.

II Isaac Peneux, geboren te Herstal rond 1703, vertrok uit Amsterdam op 29 juli 1724 en werd lidmaat te Paramaribo op 4 januari 1725, vaart op 30 augustus 1736 vanuit Paramaribo naar Amsterdam "tot herstel zijner gezondheid", overleden in het huis van zijn broer in de Kalverstraat, begraven te Amsterdam op 1 april 1737.
Hij huwt in Suriname (divisie van de Beneden-Commewijne) op 26 juli 1728 met Marie Anne Gebert. (zie aantekeningen familie Gebert)
Uit dit huwelijk:
a. Jacobus David Peneux, geboren op de plantage Crawaris, gedoopt in Suriname (divisie van de Boven-Commewijne) op 29 april 1729, jong overleden.
b. Marthe Cathérine Peneux, geboren rond 1735, overleden te Boxtel op 4 september, begraven te Tilburg op 7 september 1799. Op 21 augustus 1752 wordt zij lidmaat van de Waalse kerk te Amsterdam, totdat zij op 9 september 1755 attestatie krijgt voor haar vertrek naar Tilburg. Zij huwt te Amsterdam op 29 augustus 1755 met Cornelis Bles, notaris en president-schepen te Tilburg, rentmeester te Boxtel, gedoopt te Tilburg op 12 november 1724, overleden te Boxtel, begraven te Tilburg op 5 juli 1790. (zie aantekeningen familie Bles)
c. Jean Philip Peneux. Hij komt op 24 oktober 1749 te Paramaribo aan met het schip 'Surinaams welvaren', vanuit Amsterdam. Hij huwt te Paramaribo op 2 juni 1758 met Charlotte Wilhelmine Saint-André, geboren rond 1733, begraven te Paramaribo in januari 1809. Uit dit huwelijk werden minstens twee kinderen geboren.
d. David Thomas Peneux. Hij kwam in januari 1769 van Paramaribo naar Tilburg, waar hij woonde bij zijn zuster. Hij werd op 11 januari 1774 te Tilburg begraven.

Familie Bles
I
Govert Bles, geboren te Wychen omstreeks 1675 als zoon van Marcellus Bles en Maria Wassenbergh, verhuist in 1699 van Helvoirt naar Tilburg, gezworen klerk ter secretarie en schepen te Tilburg, ouderling van de Nederlands Hervormde kerk aldaar, begraven te Tilburg op 17 mei 1747.
Hij huwt te Tilburg op 25 februari 1714 met Arnolda Cloostermans, gedoopt te Tilburg op 23 maart 1687, begraven aldaar op 15 april 1755, dochter van Cornelis Cloostermans en Catharina Smits.
Uit dit huwelijk :
a. Marcellus, volgt onder IIa.
b. Catharina Goverdina Bles, gedoopt te Tilburg op 17 januari 1717, begraven aldaar op 17 januari 1793. Zij huwt eerst met Anthony van Hanswijck, hoogschout van stad en meierij van 's-Hertogenbosch, en daarna met Abraham van Velsen.
c. Maria Jacoba Bles, gedoopt te Tilburg op 28 december 1721, overleden te Boxtel en begraven te Tilburg op 22 maart 1808. Zij huwt met Petrus Bekkers, president-schepen van Chaam.
d. Adriana Josina Bles, gedoopt te Tilburg op 25 mei 1723, begraven te Moergestel op 8 mei 1782. Zij huwt met Pieter Dibbetz, secretaris van Moergestel.
e. Cornelis Bles, volgt onder IIb.
f. Adriana Judith Bles, gedoopt te Tilburg op 8 december 1726, begraven te Loon op Zand op 2 januari 1765. Zij huwt met Hendrik Tusselman, secretaris van Loon op Zand.

IIa Marcellus Bles, gedoopt te Tilburg op 9 juni 1715, onderkoopman van de VOC te Batavia, secretaris van politie te Colombo (Ceylon), heer van Moergestel, begraven te Moergestel op 3 november 1797.
Hij huwt te Colombo op 24 december 1747 met Anna Maria de Caauw, gedoopt te Colombo in november 1727 als dochter van Antonie de Caauw en Helena Ritscher. Zij is vermoedelijk te Colombo overleden.
Uit dit huwelijk:
a. Cornelia Bles, geboren te Colombo op 1 september 1748, overleden te 's-Gravenhage op 24 augustus 1830. Zij huwt met Johann Christoph Wilhelm von Daehne, klerk ter griffie van de Staten-Generaal, secretaris van diverse plaatsen en agent van de hertog van Brunswijk te 's-Gravenhage.
b. Helena Bles, geboren te Colombo op 19 februari 1750, overleden te Chaam op 26 november 1825. Zij huwt met Dirk Bekkers, ontvanger te Alphen en Chaam en heer van Moergestel.
c. Susanna Geertruida Bles, geboren te Colombo in 1751, jong overleden.
d. Casperus Govert Bles, geboren te Colombo op 19 mei 1752, overleden te Zundert op 7 september 1807, secretaris van Alphen, Baarle, Chaam, Zundert en Wernhout. Hij huwt met Johanna van Vechelen en later met Judith Barbara van de Coppello.
e. Arnolda Bles, geboren te Colombo op 3 augustus 1754, overleden te Heusden op 1 november 1822. Zij huwt met Rudolf Niclaus Manuel, vaandrig en later kapitein-luitenant in Staatse dienst.
f. Michael Bles, geboren te Colombo in 1755, jong overleden.



Boven: doopinschrijving van Marcelus Bles. Onder: doopinschrijving van Cornelis Bles. 
(RHCT Collectie DTB Tilburg, inv.nr. 72)





Inschrijving van de begrafenis van Marcelus Bles. (RHCT Collectie dtb Moergestel inv.nr. 9)


IIb Cornelis Bles, gedoopt te Tilburg op 12 november 1724, notaris en president-schepen te Tilburg, daarna rentmeester van Boxtel, overleden te Boxtel, begraven te Tilburg op 5 juli 1790.
Hij huwt te Amsterdam op 29 augustus 1755 met Marthe Cathérine Peneux, geboren in Suriname omstreeks 1735, overleden te Boxtel op 4 september 1799 en begraven te Tilburg op 7 september 1799, dochter van Isaac Peneux en Marie Anne Gebert.
Uit dit huwelijk:
a. Arnolda Catharina Bles, gedoopt te Tilburg op 15 oktober 1756, overleden te Breda op 3 februari 1835. Zij huwt met Johan de Bruin.
b. Isaac Bles, gedoopt te Tilburg op 22 oktober 1758, overleden te Tilburg op 3 oktober 1811, secretaris van Tilburg en notaris aldaar.
c. Cornelia Constantia Bles, gedoopt te Tilburg op 25 mei 1760, overleden te Boxtel op 23 september 1826. Zij huwt (na schaking) met Ernst Philipp Karl Ludwig von dem Bussche-Ippenburg, luitenant-kolonel in Staatse dienst op Curaçao.
d. Govert Jacobus Bles, gedoopt te Tilburg op 31 januari 1762, overleden te Boxtel op 14 september 1826, rentmeester van Boxtel en notaris aldaar.
e. Maria Anna Sophia Bles, gedoopt te Tilburg op 10 juni 1764, overleden te St.-Michielsgestel op 28 maart 1848. Zij huwt met Louis Berail, wijnkoper te Montpellier.
f. Elisabeth Charlotte Bles, gedoopt te Tilburg op 21 september 1766.
g. Cornelis Martinus Bles, volgt onder III.
h. Jan Philip Bles, gedoopt te Tilburg op 5 mei 1776, overleden te Rotterdam op 21 maart 1854, koopman te Montpellier en in Duitsland, later brandemmermaker te Rotterdam. Hij huwt met Johanna Henrica Tusselman.

III Cornelis Martinus Bles, gedoopt te Tilburg op 2 april 1769, overleden te Esch op 17 oktober 1843, luitenant in Staatse dienst.
Hij huwt met Charlotte Amalia Wewers, geboren te Esching (Dld.) omstreeks 1774, overleden te Esch op 12 april 1815.
Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren, waaronder:

IV Johannes Martinus Bles, gedoopt te Curaçao op 10 april 1799, notaris te Lith en later eigenaar van de plantage 'Nieuw Mocha', overleden in Suriname op 29 september 1860.
Hij huwt te Maren op 12 januari 1828 met Elli Haal von dem Bussche-Ippenburg, geboren op Jamaica op 26 augustus 1799 als dochter van Ernst Philipp Karl Ludwig en Cornelia Constantia Bles (zie hiervoor).
Uit dit huwelijk:
a. Adriana Constantia Feodorovna Bles, geboren te Lith op 31 maart 1829, eigenares van de plantage Nieuw Mocha.


Noten

(1) De auteurs danken eenieder die informatie aangeleverd heeft rondom het thema, maar met name: Christel Monsanto, Philip Dikland, Dennis Lee Kong en Wim Hoogbergen.
(2) Veel van deze - en nog volgende - primaire persoonsgegevens zijn ontleend aan de collectie doop-, trouw- en begraafboeken Tilburg en lidmatenregister Nederlands Hervormde kerk Tilburg.
(3) Regionaal Historisch Centrum Tilburg (RHC Tilburg), Archief van de Schepenbank Tilburg, inv.nr. 431, folio 174v. Het huis komt in 1818 bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te 's-Hertogenbosch in handen van Paul Joseph Jean de Bosschaert de Bouwel uit Antwerpen. Na hem zijn Celestin Justus Joseph de Posson en dr. August Platner eigenaar van het pand. Laatstgenoemde verkoopt het huis aan Petrus Lambertus Donders, waarna de familie Donders hierin tot de afbraak van het pand in de jaren '60 van de 20e eeuw de firma Donders-Smulders vestigt.
(4) RHC Tilburg, Notarieel Archief Tilburg, inv.nr. 78, folio 311.
(5) Algemeen Rijksarchief 's-Gravenhage, Archief van de Verenigde Oostindische Compagnie, Land- en zeemonsterrollen, inv.nr. 5198.
(6) Rijksarchief Noord-Brabant te 's-Hertogenbosch, Archief van de familie Van den Bogaerde van Terbruggen en aanverwante families, inv.nr. 1476.
(7) RHC Tilburg, Notarieel Archief Tilburg, inv.nr. 90, akte 117.
(8) RHC Tilburg, Archief van de Schepenbank Moergestel, inv.nr. 400, folio 54v.
(9) RHC Tilburg, Notarieel Archief Tilburg, inv.nr. 146, akte 3.
(10) Alle informatie over deze schepen is gebaseerd op het archief van de VOC. (Algemeen Rijksarchief, Archief van de Verenigde Oostindische Compagnie, inv.nrs. 6054, 6209, 6246, 6292 en 6354)
(11) RHC Tilburg, Archief van de Schepenbank Tilburg, inv.nr. 476, folio 7v.
(12) Het is vreemd dat een minderjarige aangesteld wordt in een publieke functie. onzes inziens zijn er twee verklaringen mogelijk: of de jongen was zo intelligent dat hij inderdaad in staat was om de functie op een goede manier te vervullen, of - en dat lijkt ook erg waarschijnlijk - Govert Bles heeft op deze wijze kans gezien om zijn invloed in het plaatselijk bestuur te vergroten. Hij was immers schepen, een functie die niet gecombineerd kon worden met die van vorster. Met de aanstelling van zijn minderjarige zoon en zijn eigen waarnemerschap, oefende hij in feite toch twee functies uit.
(13) Gemeentearchief Amsterdam, collectie doop-, trouw- en begraafregisters.
(14) Alle gegevens rond geboorte, huwelijk, overlijden van de families in Suriname zijn terug te vinden in de diverse registers van de burgerlijke stand van Suriname. (Algemeen Rijksarchief, Oud Archief Burgerlijke Stand Suriname)
(15) Er zijn geen kinderen gevonden uit het huwelijk van Paul David Gebert en Judith de Boneijes. Het vermoeden bestaat dat zij reeds weduwe was en minstens twee dochters had uit een eerder huwelijk. Dit vermoeden wordt bevestigd doordat neven en nichten erfgenaam zijn bij zijn overlijden in 1750.
(16) Het Centraal Bureau voor Genealogie te 's-Gravenhage heeft een index op de Journalen van de Gouverneur van Suriname. In deze journalen staat vermeld welke schepen de verbinding tussen Amsterdam en Suriname onderhielden en wie met deze schepen vervoerd werd. De in dit artikel gebruikte gegevens zijn afkomstig uit deze index.
(17) Algemeen Rijksarchief, Oud Notarieel Archief Suriname, inv.nr. 212, folio 475-486.
(18) Algemeen Rijksarchief, Oud Notarieel Archief Suriname, inv.nr. 696, folio 667-685.
(19) RHC Tilburg, Archief van de Schepenbank Tilburg, inv.nr. 487, folio 107 en 118.
(20) Algemeen Rijksarchief, Oud Notarieel Archief Suriname, inv.nr. 197, folio 47. Idem, inv.nr. 200, folio 607. Idem, inv.nr. 211, folio 527. Idem, inv.nr. 699, folio 488.
(21) RHC Tilburg, Archief van de Schepenbank Tilburg, inv.nr. 479, folio 105v. Idem, inv.nr. 480, folio 99v. Idem, inv.nr. 484, folio 183.
(22) RHC Tilburg, Notarieel Archief Tilburg, inv.nr. 124, akte 30.
(23) Gemeentearchief Amsterdam, Archief van notaris Cornelis van Homrigh, inv.nr. 12471, akte 8, 97, 145 en 163.
(24) RHC Tilburg, Notarieel Archief Tilburg, inv.nr. 124, akte 45.
Idem, inv.nr. 126, akte 73.
(25) Algemeen Rijksarchief, Archief van de Algemene Rekenkamer, Comptabel Beheer, inv.nr. 226, dossier 134.
(27) Uit de archiefstukken is niet duidelijk geworden wanneer Frederik Cramer - en later zijn weduwe en erfgenamen - eigenaar is geweest van de helft van de plantage. De archiefstukken spreken elkaar ook tegen: soms heeft de familie Bles-Peneux de helft en soms de gehele plantage. Wellicht kan dit erop wijzen dat Frederik Cramer geld belegd heeft in de plantage en op basis daarvan gedeeltelijk eigenaar was, maar het beheer van de plantages volledig overliet aan de familie Bles-Peneux.
(28) Algemeen Rijksarchief, Archief van de Algemene Rekenkamer, Comptabel Beheer, inv.nr. 226, dossier 152a.
(29) Zie noot 16.
(30) L.F.P.M. de Brouwer, 'Een Afrikaanse veldwachter in het begin van de vorige eeuw, Johannes Pauli en zijn nageslacht', in: De Brabantse Leeuw, jrg. 45, 1996, nummer 3, blz. 129-136.
(31) Voor een meer complete genealogie van de familie Bles, zie W. de Vries, 'Een steigerend (Bles)-paard', in: Onze voorouders en hun werk, jubileumuitgave van de Nederlandse Genealogische Vereniging, Amsterdam, 1971, blz. 233-249.


De Bleshof in Tilburg (Foto: Frans van Ameijde)


* John Boeren (1973) studeerde staatsrecht en rechtsgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit Brabant te Tilburg. Na zijn opleiding Archivistiek A bij de Stichting Archiefschool trad hij in dienst bij het Gemeentearchief Tilburg. Momenteel is hij hoofd dienstverlening en educatie bij het Regionaal Historisch Centrum Tilburg. Hij verricht genealogisch en historisch onderzoek in de regio Midden-Brabant en is lid van de redactie van 'De Brabantse Leeuw´ en van ´Heemkundekring Loon op 't Sandt´. In 'Tilburg' publiceerde hij eerder over de vredesonderhandelingen te Tilburg ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog (1998).

Luud de Brouwer (1958) is werkzaam bij het Regionaal Historisch Centrum Tilburg als webmaster. Hij publiceerde eerder in 'Tilburg' over de Heuvelse Akkers (1991), De Muziekinstrumentenfabriek Kessels (1991), de geschiedenis van de Willem-II-straat (1992) en de Pest in Tilburg (1995). Hij is redactielid van het genealogische tijdschrift 'De Brabantse Leeuw' en heeft daarin ook enkele artikelen gepubliceerd. Daarnaast schreef hij nog stukken voor het 'Archievenblad' over de website van het RHC Tilburg en de digitalisering van de beeldcollectie.