Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
547. Het heeft Zijne Majesteit behaagd …
 

Titel:   

Het heeft Zijne Majesteit behaagd …

Ondertitel:   

Het handboogschuttersgilde Sint-Sebastiaan en koning Willem III

Auteur:   

Jo Pluymakers en Gerard Steijns (1)

Jaargang:   

XIX (2001) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

3

Pagina’ s:   

75-96


Tilburg kent enige verenigingen en een school, die het predikaat ‘koninklijk’ mogen voeren.(2) Een van die verenigingen is het Koninklijk Handboogschuttersgilde Sint-Sebastiaan van Willem III. In 2001 was het 150 jaar geleden dat dit veel oudere gilde - het wordt al genoemd in 1504 - deze bijzondere eer ontving. Alle drie de Tilburgse gilden, ook de voetboogschutters van Sint-Joris en de kolveniers van Sint-Dionysius hadden tevoren ook al niet over koninklijke belangstelling te klagen gehad. Zeker niet ten tijde van het verblijf van koning Willem II in de stad. Maar alleen Sint-Sebastiaan is bij besluit van zijn opvolger ‘koninklijk’ geworden. Opmerkelijk misschien, maar toch weer niet zo, als we dit feit bezien in het perspectief van de nationale geschiedenis en in relatie met de persoon en de positie van Willem III in de eerste jaren van zijn koningschap. Sint-Sebastiaan in Tilburg was niet de enige schutterij die toen zijn belangstelling had, maar het speelde in dat stuk wel een eigen rol.


Proloog: de koning is dood, leve de koning?

Op 3 april 1849 vertrekt een droeve stoet uit Tilburg. Koning Willem II is ruim twee weken tevoren in zijn woning achter de Grote (thans Heikese) Kerk aan het begin van de Nieuwe Dijk overleden en nu wordt hij, vergezeld door zijn weduwe en kinderen, waaronder de nieuw koning Willem III, naar de grafkelder van de Oranjes in de Nieuwe Kerk in Delft gebracht. De weduwe, de tsarendochter Anna Paulowna, zal nooit meer een stap in Tilburg zetten. Voor zover we weten de nieuwe koning ook niet. Wel de jongste zoon, prins Hendrik, die vijfentwintig jaren later, op 17 maart 1874 de gedenknaald op de plek van het overlijden van zijn vader zal onthullen. Plechtige getuigen van de uitvaart uit Tilburg van de dode vorst zijn de inwoners van de stad, waaronder de leden van de drie schuttersgilden. Deze laatsten hadden enige dagen tevoren een formeel verzoek gericht aan H.J. Baron Van Doorn van Westcapelle, de minister van staat en opperkamerheer van de overleden koning, die diens uitvaart moest regelen, om een plaats te krijgen in de stoet.(3) De verslaggever meldt over het resultaat: ‘De leden der sociëteit ‘de Nieuwe Koninklijke Harmonie’ begeleidden den stoet met treffende treurmuziek. De gilden stonden met hunne standaards en vaandels langs den weg geschaard. Het stedelijk bestuur met de Burgemeester H.B. Beckers aan het hoofd in ambtsgewaad, stond buiten de stad om den uittocht van het vorstelijk Lijk bij te wonen. Van des Morgens half zeven tot op het ogenblik, dat de trein (= stoet ) het grondgebied der stad verlaten had, werden onafgebroken de sombere doodsklokken geluid’. (4)

Met dit trieste eerbetoon kwam een einde aan een jarenlange goede relatie van de vorstelijke parttime Tilburger, niet alleen met deze gilden maar met nog andere min of meer notabele genootschappen in het zich tot stad ontwikkelende industriedorp. Telkens als hij op enigszins feestelijke wijze Tilburg binnenkwam, stonden de Nieuwe (later Koninklijke) Harmonie, de leden van de deftige Liedertafel en de drie gilden klaar om hem met muziek en ander eerbetoon te ontvangen. Ook wanneer hij gasten had gebeurde dat. Als in april 1839 de tsarevitsj grootvorst Alexander, de latere tsaar Alexander II, in Tilburg enige dagen in het hoofdkwartier van zijn oom, dan nog kroonprins en opperbevelhebber van het leger te velde, als het ware stage komt lopen en de manoeuvres meemaakt van de nog steeds tegen de Belgen gemobiliseerde troepen. (5)

In 1840 krijgt het Kolveniersgilde Sint-Dionysius van de koning een nieuw vaandel met daarop de wapenschilden van Oranje-Nassau en Rusland en de twee gekruiste maarschalksstaven. Bij zijn intocht als koning op 29 april 1841 staan de gilden en genootschappen aangetreden bij de herberg ‘De Vier Winden’ aan de toen pas twintig jaar geleden aangelegde nieuwe weg naar Breda. Ze zijn er ook als hij een jaar later de eerste steen van zijn cavaleriekazerne legt, en in augustus 1847 ook bij dezelfde plechtige handeling ten aanzien van ’s konings nieuwe paleis. In de zomer van 1844 verblijft Willem II enkele dagen in de stad en wordt hij verblijd met het beschermheerschap van de schietvereniging onder de zinspreuk ‘Honos Alit Arcum’ van de sociëteit Philharmonie. De heren laten voor hem een fraaie gedenkpenning slaan.(6) 

Al dit vorstelijk wederkerig eerbetoon valt met de dood van de koning weg. Ook dat is reden voor rouw! Zoals gezegd, de koningin-weduwe had niets meer te zoeken in Tilburg. Zij stuurt op 22 juli aan dominee Schotel als dank voor zijn diensten en het bewezen medeleven nog wel een set fraai avondmaalszilver. Ook pastoor-bisschop Zwijsen werd bedacht, bij wie zij en haar familie in de twee weken dat de koning in Tilburg boven aarde stond, hadden mogen logeren (niet geheel tot des pastoors genoegen overigens).(7) Hij kreeg een kostbaar borstkruis en een eigenhandig door de koningin geborduurde bidstoel. Met deze vorstelijke giften wordt als het ware een boek gesloten. Van de nieuwe koning had men na diens schriftelijke dankbetuiging voor het medeleven van de inwoners van Tilburg, een week na de begrafenis, ook niet meer zoveel aandacht te verwachten. Althans, zo lijkt het.

Het Koninklijk Concours van 1849

Maar toch. Er gebeurt iets opmerkelijks. Op 31 mei 1849, nog tijdens de officiële periode van hofrouw, laat Willem III zijn hofmaarschalk L. graaf van Bylandt bekendmaken – het bericht staat op 3 en 4 juni in de Nederlandse Staatscourant - dat ‘bij gelegenheid der Wedrennen op Het Loo, zal plaats hebben een wedstrijd naar prijzen voor het handboogschieten, één naar het Doel, en één naar den Vogel op den staak’. De datum moet nog wel bepaald worden, maar Nederlandse handboogschutterijen die daaraan wensen deel te nemen, kunnen zich aanmelden bij de kamerheer en intendant van Paleis en Domein Het Loo.(8) Deze intendant, Julius Bernard graaf van Limburg-Stirum, heeft daags tevoren al opdracht gekregen in overleg te treden met de ‘sociëteiten van Boogschutters naar het doel en de staak hier te lande ter bekoming van inlichtingen en een geschikt reglement dienaangaande’. Dat schrijft hij in een brief van diezelfde 31e mei, gericht aan ‘De Heer president der Boogschuttersgilde van de stad Tilburg’. En hij vervolgt dan dat hij meende ‘niet beter te kunnen doen dan mij voor dat doel in de eerste plaats te wenden …tot de directie der alom bekende Tilburgse Gilde van boogschutters welke zoo zeer de belangstelling van onzen laatst overleden Vorst tot zich trok’. Er volgen dan vragen over o.a.: ‘de kleeding der leden,… de geldelijke bedragen,…de vermakelijkheden, … hoogte en kleur der staken,… kleur en hoedanigheid van den vogel,…aard en constructie van het bolwerk achter het doel’ en als laatste en nog steeds niet het onbelangrijkste in gildekringen: ‘prijzen, straffen, bepalingen omtrent de feesten en schutterskoningen…’ Deze brief bevindt zich in het archief van de schietclub van de Sociëteit Philharmonie ‘Honos Alit Arcum’(9) , maar hij was kennelijk in eerste instantie bezorgd bij burgemeester H.B. Beckers, waarschijnlijk omdat de adressering wat verwarrend was. 



M.C.N. Bressers en zijn echtgenote Louisa J.C. Donders 
met hun oudste kind Cornelis in 1863 gefotografeerd door 
Hugo Perger. Dit is de vooralsnog de oudst bekende foto die 
in een Tilburgs atelier is gemaakt (coll. Fam. Bressers).

De burgemeester heeft hem blijkens een antwoord op een rappelbrief van de intendant ter hand gesteld aan de directie van ‘Honos’, die echter op 12 juni nog niet had geantwoord. Beckers meldt dat hij de heren tot spoed heeft aangemaand.(10) Kennelijk was het de heren echter niet allemaal zo duidelijk geweest, want er komt daags daarna op Het Loo wel een brief van ‘Honos’ binnen, maar daarin gaan ze zelf vragen stellen, in plaats van antwoord geven.(11) Nu waren de vragen van de intendant wel sterk gericht op de gebruiken bij traditionele schuttersgilden. De burgemeester had de brief dus beter aan de overheid van het Sint-Sebastiaansgilde kunnen geven, maar hier zien we al een resultaat van een proces dat zich vanaf het tweede kwart van de 19e eeuw aan het voltrekken was: de oude schuttersgilden raakten sociaal gezien wat achterop. De gegoede middenstand, die overigens op dat moment sterk in opkomst was, bleef hun nog trouw, maar de notabelen van de stad kozen steeds vaker voor een respectabeler en meer bij de tijd passend lidmaatschap van de opkomende sociëteiten en dilettantenmuziekgezelschappen. Dat daar ook sportief vermaak gezocht werd, bewijst de oprichting van ‘Honos’.(12) De gilden verloren nu langzaamaan hun netwerkfunctie. En bovendien: Willem II was toch beschermheer van ‘Honos’geweest. Beckers gaf de brief dus aan zijn vrienden van de sociëteit en negeerde de echte deskundigen van het gilde. Dat heeft Tilburg een eervolle rol gekost bij de voorbereiding van het concours, waarvan inmiddels de datum op 27 juni was vastgesteld. Pas op 21 juni meldt ‘Honos’ zich daarvoor aan.(13) De organisatie was toen al rond. Graaf van Limburg Stirum had zich inmiddels verzekerd van de goede raad en vervolgens ook daadwerkelijke medewerking van de Arnhemse handboogschutterij ‘Soranus’.(14) 

Sint-Sebastiaan was in ieder geval wat de aanmelding betreft al alerter geweest. In een vergadering van 6 juni viel het besluit om op de uitnodiging van Willem III in te gaan. Dat was een beetje een onverantwoorde beslissing. Bestudering van het in het archief bewaarde kasboek leert dat de liquide middelen van het gilde op dat moment nog geen twee gulden bedroegen. Maar gelukkig was gildebroeder G. Teurlings zo fideel om 100 gulden te lenen die de deelnemers beloven via de maandelijkse contributie terug te betalen.(15) 
Voor de reis hadden zich opgegeven: P.L.Donders, hoofdman; P.Verschuren en L. Maaijwee (beiden als commissaris, welke laatste tevens de prijzen behaald in 1847 in Den Haag op het concours bij de Eendragt zou meedragen) (16); P. Goijaerts als oud-koning, P. van Dun als standaarddrager, alsook een zestal schutters bestaande uit: C.P.G. Cox, als schutterskoning (17), J.G. Marsé, P. Marsé, M.C.N. Bressers, A.J. Verschuuren en J. van de Langerijt.(18) We volgen nu (in ruime samenvatting) het verslag van de reis en het verblijf in Apeldoorn, zoals dat in de gildevergadering van 19 juli wordt gedaan.(19) 



C.P.G. Cox, deken-schrijver van het Sint-Sebastiaansgilde, 
op latere leeftijd (ca. 1879) in zijn uniform van kapitein 
der Schutterij (uit: Gedenkboek der N.K. Harmonie Tilburg 
1843-1918
).

Op 26 juni 1849 om 01.30 uur ‘des voormiddags’ (dus in de nacht van 25 op 26 juni) begaven genoemde personen zich per rijtuig, eigendom van de heer A. Abbema uit ‘s-Hertogenbosch, naar Apeldoorn via ‘s-Hertogenbosch, Grave, Nijmegen en Arnhem. Bij hun stop in Nijmegen hebben zij in deze stad de belangrijkste bezienswaardigheden gezien en vervolgens hun naam, de naam van het gilde en het doel van de reis in het register van vreemdelingen op het ‘Belvedère en in de Heidensche Kapel’ (20) geschreven. In Arnhem zijn zij door de handboogschutterij Soranus verwelkomd en konden zij het fraaie lokaal van deze schutterij bezichtigen. Omstreeks 17.30 uur op die 26e juni arriveerden de Tilburgers in Apeldoorn, alwaar zij door de commissie van orde ontvangen en onthaald werden op de erewijn. Vervolgens zijn ze door de burgemeester van Apeldoorn, D. Bas Backer, naar hun logeeradres bij Rouwenhorst aan de Vaart gebracht. Na een kort oponthoud aldaar werden zij door de ordecommissaris uitgenodigd om alvast een aantal proefschoten te lossen op het doel, waartoe zij een geleide kregen voor de toegang tot het terrein op Het Loo. 

Op 27 juni werden zij vóór de aanvang van het concours zeer minzaam aangesproken door de koning en koningin. De heren P.L. Donders, P. Goijaerts en C.P.G. Cox hadden de hoge eer om het hoofdmanschild, de broche en de drie vogels (21), aan de koninklijke hoogheden te tonen. Ook werden door Cox de ereprijzen op 27 juli 1847 behaald tijdens de handboogwedstrijd bij de Eendragt in Den Haag aan het koninklijk paar getoond: ‘alle welke prijzen bijna een voor een door Hoogstdezelven werden naargezien onderwijl aan de respectieve dragers daarvan de beteekenis vragende, en werde gedurende de wedstrijd nog verschillende leden meermaals door HH.MM. aangesproken’. P. Marsé behaalde het hoogste aantal punten bij het doelschieten. Hij ontving uit de handen van koning Willem III het door koningin Sophie geschonken zilveren erekruis.(22) De overige prijzen werden door de prinsen Willem en Maurits uitgereikt. In de avonduren volgde het souper, waarbij alles vorstelijk was ingericht en de hoflakeien in groot tenue de gerechten opdienden. Het ging er vrolijk toe: ‘Z.M. den Koning met Hoogstdeszelfs gemalinne bragten een bezoek aan de gasten onder een uitbundig gejuig en hoezee en onderhielden zich nog allerminzaamst met verschillende schutters, waarna H.M. de Koningin vertrok terwijl Z.M. den Koning bijna gedurende de geheele tijd van het souper onder hun doorbragt en verschillende toasten instelde, op den bloei van Nederland en de aldaar vereenigde schutterijen en meer andere; en mankeerde het van den kant der schutters niet aan verschillende toasten aan den Koninklijken gastheer, de Koningin en de overige leden van het vorstelijk huis’. (23)

De volgende dag, 28 juni, werd nog deelgenomen aan het schieten naar de twee overgebleven vogels op de schutsboom, echter zonder succes. koning Willem III had inmiddels tijdens een speciale audiëntie een delegatie vanuit de schutterijen, waaronder de heren Cox en Maaijwee, ontvangen en hun verzoek ingewilligd om opperbeschermheer te worden van alle Nederlandse handboogschutterijen.
Na afloop van de wedstrijd werd nog gekeken naar de wedrennen op Het Loo. Vervolgens vertrok men zeer voldaan en met een onuitwisbare herinnering huiswaarts. De nacht werd doorgebracht in Lent, aan de overzijde van de Waal bij Nijmegen. De dag daaropvolgend, 29 juni, vertrok men naar Tilburg en arriveerde aldaar omstreeks 20.30 uur bij Tivoli, een herberg aan de Bosscheweg. Aldaar werden zij begroet door het ‘Tilburgsch zanggezelschap’ en een grote menigte, die hen onder gejuich begeleidden naar het schutterslokaal ‘waar zij tot laat in den avond in gulle vrolijkheid vereenigd bleven en nog menige heildronk aan het Vorstelijk gezin, het vaderland en den bloei der Nederlandsche schutterijen werd ingesteld en zeer voldaan van elkander scheidden’.

Een beschermheer van zes jaar oud

Aldus het verslag van de reizigers in de gildevergadering van 19 juli. De heren zijn dus zeer tevreden over hun reis en grijpen de kans aan om de in hofkringen nieuw verworven relaties sterker aan zich te binden. Besloten wordt dat de leden van de organisatiecommissie van het koninklijk concours het erelidmaatschap van het Gilde zal worden aangeboden. Dat zijn er nogal wat. Alleen van de graaf Van Limburg Stirum (24) en burgemeester D. Bas Backer(25) komt er direct een expliciet bericht terug dat ze deze eer accepteren. Van Limburg Stirum biedt daarbij de gildebroeders in gloedvolle bewoordingen zijn diensten aan en kan: ‘melden dat ik het als eene bijzondere eer aanmerk mij voortaan onder de banier van hunne broederschap te mogen scharen. Ik beveel mij in hun aandenken, daar waar mijne zwakke pogingen tot eer en luister van St.Sebastiaansgilde iets kan bijdragen’. Maar dan geeft hij in het vervolg van zijn dankbrief toch een heel verkeerd advies aan de gildebroeders inzake een nogal delicate zaak. Kennelijk hebben de heren bij hem het idee opgeworpen om de tweede zoon van de koning, de zesjarige prins Maurits, het bijzondere beschermheerschap van het gilde aan te bieden.(26) Hij schrijft nu dat men zich hiertoe het best rechtstreeks tot Hare Majesteit Koningin Sophie (1818-1877) kan wenden.(27) De argeloze broeders volgen zijn raad op 14 augustus op. Maar op 19 augustus ligt er al een brief op de mat van de staatsraad en directeur van het Kabinet des Konings A.G.A.van Rappard met de terechtwijzing, dat men zo’n verzoek dient te richten aan de koning. De directie van Sint-Sebastiaan haast zich om de fout te herstellen. Op 22 augustus herhalen zij hun verzoek, nu aan de koning.(28) 



Brief van 25 augustus 1849 waarin de directeur van het Kabinet des Konings 
A.G. van Rappard meedeelt dat koning Willem III er in toestemt dat zijn zoontje
Maurits beschermheer van het Tilburgse Sebestiaansgilde wordt 
(coll. Sint-Sebastiaansgilde Tilburg).

Het mag een wonder heten, dat Willem III (1817-1890) gezien zijn karakter en de verhoudingen binnen zijn huwelijk na de aanvankelijke blunder toch welwillend reageert. Bij missive van 25 augustus 1849 meldt de staatsraad.: ‘Naar aanleiding van de bevelen des Konings, heb ik de eer aan de directie der Handboogschuttersgilde St. Sebastiaan te Tilburg in antwoord op haar adres de dato 22e dezer, te kennen te geven, dat zijne Majesteit het daarbij gedaan verzoek heeft ingewilligd, en derhalve aan de directie toestemming verleent om zijne Koninklijke Hoogheid Prins Maurits der Nederlanden beschermheer van die gilde te noemen.’ (29) De brief heeft een rouwrand, wat bewijst dat de hofrouw om Willem II dus nog niet opgeheven was, een merkwaardig contrast met de vrolijkheid twee maanden eerder op Het Loo. 
Het incident met de verkeerd gerichte brief, dat dus toch nog goed afliep, is voor ons nu aanleiding de chronologie van de gebeurtenissen en de beperkte horizon van Tilburg even te verlaten en ons eens te verdiepen in de problematische situatie op dat moment aan het Nederlandse hof en de pijnlijke dynastiek-politieke context waarin de wedstrijden op Het Loo plaatsvonden. De koning kan namelijk zijn redenen hebben gehad om toch niet te zwaar aan de faux pas te tillen.

Een beladen huwelijk

Het is dan goed om eerst even terug te gaan naar de periode juist voorafgaande aan de dood van Willem II. (30) Het jaar 1848 was voor deze vorst een dramatisch jaar geweest. In februari was zijn tweede en meest geliefde zoon Alexander aan een longziekte overleden, ver weg op het eiland Madeira, waar hij voor een kuur naartoe was gegaan. In diezelfde maand nog woedt in Parijs de zogenaamde ‘Februarirevolutie’, die in maart overslaat naar andere Europese hoofdsteden. Onder invloed van deze dreiging van radicale aard kiest de koning voor de in vergelijking toch rustiger opvattingen van de opkomende ‘liberale upper-middle class’ van Thorbecke en bewilligt hij in een reeds langer liggend voorstel voor een nieuwe grondwet, waarin onder andere de ministeriële verantwoordelijkheid wordt geregeld. Dat levert hem de woede van zijn oudste zoon en troonopvolger op. Kroonprins Willem verwijt zijn vader dat hij door zijn toegevendheid hem de perspectieven op een ongebreideld koningschap heeft ontnomen. Hij vertrekt in oktober naar Engeland, nadat hij heeft laten weten van zijn opvolgingsrechten af te zien. Zijn vrouw, kroonprinses Sophie, blijft in Den Haag achter. Haar oudste zoon, de achtjarige Willem, is dan al aan haar directe toezicht onttrokken en zal binnen twee jaren tegen haar zin op een strenge kostschool worden geplaatst, haar tweede zoontje Maurits koestert zij nog tegen de in haar ogen barbaarse opvattingen over opvoedingsmethoden van een brute vader, met wie zij in toenemende onmin leeft. Het huwelijk van de kroonprins met Sophie van Württemberg werd immers geteisterd door een onoverbrugbaar verschil in karakter en opvattingen over zowat alle aspecten van het leven en de politiek van die dagen. 



De prinsen Maurits (links; 1843-1850) en Willem (rechts; 1840-1879), 
de twee oudste zonen van koning Willem III en koningin Sophie, ca. 1847. 
Het is een van de oudste bekende fotoportretten van leden van het 
koninklijk huis, waarschijnlijk bedoeld als studiemateriaal voor een 
geschilderd portret door N. Pieneman (coll. Koninklijk Huisarchief).

De historicus L.J. Rogier schetst op de hem eigen genadeloze wijze Willems erfelijk belaste karakter als volgt: ‘Via zijn moeder erfde deze (toekomstige) constitutionele koning over het tamste volk van Europa in de burgerlijkste eeuw der geschiedenis het bloed van Peter de Grote en Catharina II, d.i. van een in de negentiende eeuw steeds meer degenererende dynastie die rijk was aan zonderling gespleten typen: bulderende tyrannen, teder en wreed, impulsief en inert-vroom en losbandig tegelijk, voor wie de omgeving beeft, maar die, als de bui was uitgewoed, als was in gewiekste handen waren. Wie Tolstoi’s romans kent en daarmee de stijl van de zwaar-levende, diep-drinkende Russische groten, zal begrijpen, dat deze halve Rus er soms behoefte aan had in zijn paleizen ontzetting te wekken door wilde uitvallen in kazernetaal.’ (31) En bij die taal alleen bleef het niet. Ook wat betreft de huwelijksmoraal hield Willem de normen van de kazerne aan. Of liever nog die van de kleedkamers van schouwburgen, gezien zijn voorliefde voor toneelspeelsters. Hij zal dan ook de hele rest van zijn lange leven conflicten oproepen en zijn omgeving en onderdanen blijven choqueren en bruuskeren. Sophie, zijn volle nicht, zou eigenlijk ongeveer hetzelfde erfelijk materiaal van haar moeder (een zus van Anna Paulowna) gekregen moeten hebben, maar merkwaardig genoeg was zij in alles het tegendeel van haar man. Ze was een ‘femme savante’, een voor haar eigen opvattingen gewiekste intrigante, melancholiek en trouw in haar vriendschappen met soms de grootste geesten van haar tijd, met wie ze een drukke correspondentie onderhield. Preuts was ze zeker niet, ze kende de wereld en de ondeugden van haar stand, maar zou daar uit gevoel voor distinctie zelf niet aan toegeven. Zij voelde zich bovendien in de Haagse kneuterigheid niet thuis en zocht liever de grandeur van andere hoven, zoals dat van de door haar zeer bewonderde Napoleon III, die toch eigenlijk maar een parvenu was, maar wiens politiek zij tegen de opvattingen van haar man in heimelijk steunde. De Engelse minister van buitenlandse zaken Lord Clarendon, die een van haar beste vrienden werd, schreef nadat hij haar in 1857 in Londen voor het eerst ontmoet had: ‘Ik was zeer gecharmeerd van de koningin van Holland, iedereen trouwens. Haar gratie en waardigheid, haar intelligentie, kennis, volmaakt goed humeur en groot conversatietalent hebben haar bezoek aan Engeland tot een groot succes gemaakt. Ik kan me niet herinneren dat dit ooit met iemand anders, al dan niet van koninklijken bloede, in die mate het geval is geweest’.(32) Boven het huwelijk van deze twee totaal verschillende mensen heeft dus al van stond af aan de dreiging van een scheiding gehangen, en straks zal die er, de jure niet, maar de facto wèl komen.(33) En nu op dit dynastiek zo cruciale moment dus eigenlijk ook al. 

Op 13 februari 1849 is de kroonprins wegens volgehouden uitlandigheid niet aanwezig bij de plechtige opening van de op basis van de nieuwe grondwet verkozen Staten-Generaal. Maar dan gaan de ontwikkelingen snel. Sophie schrijft twee dagen later over haar schoonvader aan een vriendin: ‘De koning gaat achteruit, maar dat wordt diep geheim gehouden.’ (34)Allicht, want de situatie was tamelijk gecompliceerd. Alle reden dus voor de kroonprins om naar huis te komen. Hij doet dat echter niet. Op 15 maart schrijft Sophie: ‘De koning is stervende ….. ik besef dat er een crisis nadert die beslissend zal zijn voor mijn toekomst. Hij is niet eens hier! Ik voel mij ellendig. God zij mij genadig.’ (35) Als Willem II in de nacht van 16 op 17 maart na een kort ziekbed in zijn woning in Tilburg overlijdt, zijn daar wel koningin Anna Paulowna en de jongste zoon prins Hendrik op tijd bij, maar niet de troonopvolger. Hij werd inmiddels wel door twee ministers en een hofdignitaris in Engeland opgespoord en daags na de dood van zijn vader in een proclamatie van de regering als nieuwe koning aanvaard. Hij is dus voor een voldongen feit geplaatst. Toen hij dan ook op 21 maart met een haastig gezonden oorlogsschip in Hellevoetsluis aankwam, kon hij het koningschap niet meer weigeren. En dan treedt er in zijn houding een plotselinge verandering op. Hij geeft toe aan de gehate politieke werkelijkheid en laat zich inhuldigen, terwijl de nieuwe koningin alleen maar gesterkt wordt in haar overtuiging, dat haar man niet deugt voor de taak die hij ineens met schijnbaar enthousiasme aanvaardt. Zij twijfelt zelfs aan de oprechtheid van zijn juichende onderdanen. Aan haar vriendin schrijft ze op 22 maart: ‘Hij is dezelfde als altijd, onveranderd. Het volk heeft hem zonder vreugde of geestdrift aanvaard, uit noodzakelijke loyaliteit. Ieder interregnum zou een ramp zijn, en de Nederlanders wensen rust. Wij hebben onze plicht gedaan’, en een week later: ‘Ik ben bang dat zijn volslagen gebrek aan kennis en aan routine in het afhandelen van de staatszaken, betekent dat de ministers alle macht zullen hebben en dat we stap voor stap naar een republiek toe gaan. Ik moet in het begin buitengewoon voorzichtig zijn, vermijden dat er een crisis ontstaat en alleen maar in het algemeen enige invloed trachten uit te oefenen…’ (36) Dat is haar nooit gelukt. 



Koningin Sophie te paard deelnemend aan de valkenjacht op 
Het Loo. Schilderij door H.A. comte de Montpézat, 1849 
(coll. Oranje Nassau Museum, Delft).

In deze schizofrene situatie ontvangt het vorstelijk paar de schutters op Het Loo, waar Sophie maar node verbleef en Willem zich juist wel het best thuisvoelde. Het lijkt erop dat de organisatie van het concours een onderdeel vormde van een bewust door de nieuwe koning ingezet communicatieoffensief om de in het algemeen braaf loyale burgerij ook van harte voor zich te winnen, tegen de scepsis in van liberale regerings- en stijf preutse hofkringen, die het oneens waren met zijn opvattingen over zijn staatsrechtelijke positie respectievelijk met zijn levenswandel. Waar kon hij ook beter beginnen dan bij diegenen die zijn vader zo toegedaan waren? De gildebroeders van Sint-Sebastiaan hebben samen met hun collega’s uit alle windstreken van het vaderland waarschijnlijk zonder het te beseffen meegespeeld in een tactisch spel. De koningin diende in dit stuk wellicht nolens volens te figureren als beminde gade en gastvrouw. En nu wordt bovendien ook haar geliefde jongste kind Maurits als instrument ingezet. Ook tegen haar zin? Zij was bij de inhuldiging in Amsterdam niet ongevoelig gebleken voor de volkse gevoelens van aanhankelijkheid die juist zijzelf en haar kinderen opriepen. Aan haar vriendin schrijft ze daarover: ‘Toen ik alleen binnenkwam met mijn twee jongens werd ik uitbundig toegejuicht. Bij mijn vertrek kwamen er mensen van hun zitplaatsen naar mij toe, een oude man kuste de zoom van mijn japon en riep: ‘O, u bent even mooi als goed!’Wat ik hier schrijf lijkt erg ijdel en dwaas, maar u weet hoe weinig demonstratief Nederlanders zijn, daarom betekent dit heel veel’ (37) In dezelfde brief meldt ze dat ze over drie weken, begin juni 1849 dus, naar Het Loo vertrekt; zoals we weten vergezeld van haar kinderen Willem jr. en Maurits, voor wie het schuttersfeest een paar weken later misschien wel een spannende belevenis was. 

Juist de tragische vroege dood van het jongste prinsje zal echter spoedig hierna een dieptepunt vormen in de slechte verhouding tussen de echtelieden.(38) Maurits, toch al een zwak jongetje, kreeg in het voorjaar van 1850 een infectie die tot hersenvliesontsteking leidde. Het kind was zeker in die dagen met zo’n aandoening reddeloos. Maar Sophie meende dat de hofarts Everard onjuiste beslissingen had genomen en wilde een arts van haar eigen keuze raadplegen. Terwijl de ouders aldus in fel conflict waren over de artskeuze, stierf Maurits op 4 juni 1850. Vier dagen later schrijft Sophie aan haar vriendin: ‘Mijn kind is dood – zelf heb ik de oogjes dichtgedrukt – al wat me op deze aarde nog restte aan hoop en vreugde is voor altijd weg. … Ik hoop dat ik gauw mag sterven. Bid voor mij.’ (39) De koningin maakte zichzelf en haar man hevige verwijten en ze is diep ellendig en treurig. De koning lijkt minder aangedaan, wat de kloof tussen beiden alleen maar dieper maakt. Maar toch, op 18 juli schrijft de koningin ‘Mijn diepste wens is weer een kind te hebben’(40); het werd voorlopig een miskraam. Rond de jaarwisseling moet er een periode van toenadering tussen de echtelieden geweest zijn, want de koningin raakt weer zwanger en op 25 augustus 1851 wordt, te vroeg, prins Alexander geboren. Het werd een zwakke vreemde jongen, die door de moeder als een godsgeschenk werd beschouwd, als vervanger voor de verloren Maurits, maar die door zijn vader nooit is geaccepteerd. 

Willem jr. was inmiddels op kostschool geplaatst maar zou zich ondanks of misschien wel juist door dat niet alleen strenge maar ook liefdeloze regime ontwikkelen tot een niet zo plichtsgetrouwe kroonprins, die voortdurend in conflict lag met zijn vader met name over zijn liefde voor de door deze niet geaccepteerde Mathilde van Limburg Stirum. Na een bepaald niet ingetogen vrijgezellenbestaan overleed hij in 1879 onder verdachte omstandigheden in Parijs. Koningin Sophie stierf twee jaar daarvoor vereerd door half intellectueel Europa maar volkomen vervreemd van haar man en het Nederlandse volk. Alexander ontwikkelde zich tot een eenzame zonderling en stierf eveneens ongehuwd in 1884 in zijn huis vol herinneringen aan zijn geliefde moeder en broers. Willem III kwam pas na veel aandringen voor zijn begrafenis over vanuit zijn vakantieadres. Hij was inmiddels sinds 1879 voor de tweede maal gehuwd met de ruim veertig jaar jongere Emma van Waldeck Pyrmont, die hem in 1880 een dochter Wilhelmina schonk. Tot zover deze indruk van wat zich achter coulissen van het concours van 1849 en de in de volgende jaren nog komende schutterlijke feesten afspeelde. 

Eerbetoon naar alle kanten

Keren we terug naar Tilburg en de schutters van Sebastiaan. De vaderlijke toestemming voor het beschermheerschap van prins Maurits is kort voor het driejaarlijks koningschieten op 27 augustus 1849 (de maandag van de kermis) bij het Sint-Sebastiaansgilde binnengekomen en wordt dan aan de leden voorgelezen. Het geeft aanleiding tot extra vreugde en weer talrijke toasten op het vorstenhuis, de prille beschermheer, de nieuwe schutterskoning P.H. van Dun en op al wie zich maar bij het feest, dat duurde ‘tot in den volgenden morgenstond’, wil aansluiten. Op 8 september 1849 besluit de directie om op Maurits’ verjaardag op 15 september de vlaggen aan het gildehuis, de herberg ‘Het Zwaard’, later genaamd ‘De Zwarte Leeuw’ aan de Markt, uit te steken en er ’s avonds weer een feestje te vieren. Ook besluit men een verguld zilveren draagteken voor de prins te laten maken. Of het ooit zover gekomen is, weten we niet. Het rekeningboek van het gilde vermeldt dienaangaande geen uitgavenpost en in de verzamelingen van het Koninklijk Huisarchief is iets dergelijks ook niet aangetroffen.(41) 



Aquarel door Charles Rochussen (1814-1894) van het défilé op Het Loo door de deelnemers 
aan de wedstrijden aldaar in 1849 of 1851 (coll. Museum Paleis Het Loo).

De wederzijdse pluimstrijkerijen waren daarmee nog niet over. Op 11 november schrijft de heer A. van Leent uit Arnhem dat er op 18 november in Utrecht een vergadering gehouden zal worden van alle handboogschutterijen inzake een voorstel om Willem III een gouden medaille aan te bieden als blijvend aandenken aan zijn opperbeschermheerschap. Er was na het concours namelijk een commissie ad hoc gevormd, die bestond uit de heren A. van Leent, F. van Gorkum en M. van Rijsewijk, allen bestuurder van Soranus uit Arnhem. Zij hadden zich, zoals we al weten, zeer ingespannen bij de organisatie van de wedstrijd. Van een overkoepelende bond of federatie was toen nog geen sprake. De uitnodiging was kennelijk tot ongenoegen van de heren van Sebastiaan al eerder bij ‘Honos’ en een andere Tilburgse club ‘Fijne Mast’(42) binnengekomen. Maar Van Leent verontschuldigt zich: hij had de circulaire achtergehouden om hem tegelijk te versturen met deze door onvoorziene omstandigheden wat late brief waarin hij dank betuigt voor de toegezonden diploma’s van het erelidmaatschap voor hemzelf en zijn medeorganisatoren. Besloten wordt deken-schrijver Cox naar de vergadering 'in de zaal bij Wouters op het Vreeburg in de Comedie te Utrecht’ af te vaardigen met op zak 10 gulden als bijdrage voor de medaille en 5 gulden voor te maken reiskosten.(43) Cox doet op 24 november mondeling verslag van zijn missie en kondigt aan dat er nog een schriftelijk verslag uit Utrecht zal volgen. Dat komt inderdaad na zes weken. De vergadering had succes. Uiteindelijk leverden 58 handboogschutterijen een bijdrage. De verenigingen die ten minste tien gulden hadden betaald kregen een bronzen naslag. Voor een zilveren exemplaar moest tien gulden extra voldaan worden.(44) 

De bedoeling was dat de gouden medaille op een al voorzien tweede concours op Het Loo op 20 juni 1850 aan de koning zou worden aangeboden. Het wedstrijdprogramma was al verzonden toen prins Maurits overleed. De wedstrijd werd afgelast, maar wel volgde op 26 juni de aanbieding van de medaille aan de koning tijdens een ontvangst op Paleis Noordeinde in Den Haag. Ook nu weer een min of meer feestelijke activiteit ruim binnen de rouwperiode. Het is tekenend voor zijn karakter, dat Willem III ook nu het zijn zoontje betrof net als na de dood van zijn vader weer niet zodanig door de eigen droefheid noch die van zijn vrouw geraakt leek te zijn, dat hij voor enige tijd dit soort activiteiten wilde staken. In zijn antwoord op de aanbiedingstoespraak, die ook een condoleance bevatte, zegt hij wel: ‘Het verzacht den rouw, welke mijn gemoed nog vervult, de deelneming te ontwaren, waarmede zoo vele vereenigingen uit onderscheiden oorden des rijks mijne droefheid vergezellen, maar ik ontvang tevens met genoegen dit fraai zinnebeeld uwer gehechtheid en trouw …’ (45) Droefheid èn genoegen dus. Bij zijn gemalin was er, zoals we al gezien hebben, op dat moment absoluut voor het laatste geen plaats meer. 

  

Bronzen naslag van de gouden medaille die in 1850 door de gezamenlijke handboogschutterijen 
aan hun opperbeschermheer koning Willem III werd aangeboden (coll. Sint-Sebastiaansgilde Tilburg).

Door de commissie werd toegezegd dat er nog een diploma voor de opperbeschermheer zou volgen met vermelding van de namen van de 58 deelnemende verenigingen en ondertekend door hun bestuursleden. Met het vervaardigen van dit diploma (46) was men in mei 1850 gestart. Er ontstond echter al direct onenigheid over de tekst. De bestuurders van St.-Sebastiaan uit Alkmaar merkten op dat zij geaarzeld hadden om te tekenen daar in de tekst diverse taalkundige fouten stonden waardoor 'het geheel onhollandsch' aandeed. Voor Sint-Sebastiaan Tilburg tekenden P.L. Donders (hoofdman), C.P.G. Cox (deken-secretaris), P.H. van Dun (koning), C. Bressers (oudraad), H. Latour (oudraad), G. Teurlings (oudraad), P.C. Verschuuren (oudraad), H.J. Dijkmans (deken), A. van Gils (cornet) en M.C.N. Bressers (alpheris). Alles bekrachtigd met het stempel van het gilde. Dat gebeurde op 29 juli in de eigen gildevergadering. Het stuk is dus door het land rondgezonden. Ook ‘Honos’ had aan het geschenk bijgedragen; daarvoor tekenden J.A. Mutsaers (president), A.J. Verbunt (vice-president), J.H.A. Diepen (secretaris), F. Suijs (thesaurier) en J.B. Bruggeman (koning). Wonderlijk detail is, dat bij de handtekeningen van de bestuurderen van de Utrechtse schutterij Apollo, waar prins Maurits eveneens beschermheer was geworden, ook diens naam staat. Maar het handschrift waarin dat gebeurde lijkt wel heel sterk op dat van de president Arendts. Achteraf gezien viel dus dit ongetwijfeld goed bedoelde gebaar een beetje wrang uit. Het geeft wel aan dat het diploma vóór 4 juni moet zijn getekend. De uiteindelijke aanbieding van dit diploma, mét aangepaste tekst, gebeurde pas op 23 juni 1851 toen 29 handboogverenigingen naar Het Loo waren getogen om deel te nemen aan het tweede koninklijke concours.

Het Koninklijk Concours van 1851

Maar inmiddels was Sint-Sebastiaan uit Tilburg wel zijn beschermheer kwijt. De gildebroeders hebben aan de ouders uiteraard hun deelneming betuigd. Tekenend voor de geplogenheden aan het hof is dat er daarop twee bedankbrieven terugkomen, één op 17 juni 1850 vanwege de koning en één twee dagen later namens de koningin.

Het blijft nu even stil op Het Loo, althans met schuttersactiviteiten, en ook in Tilburg gaat men even over tot de orde van de dag.(47) Maar op 31 maart 1851 wordt er ter vergadering weer een circulaire van de koninklijke commissie voorgelezen. Deze behelst een invitatie voor een tweede koninklijk concours op Het Loo op 23 juni a.s. Het gilde blijkt in deze maanden geteisterd te worden door opzeggingen van het lidmaatschap door prominente broeders. In de vergadering van 5 mei 1851: ‘Wordt ter kennis gebragt, dat de oudraad H.J. Dijkmans, den deken L. Maaywee en den cornet A van Gils voor het lid maatschap der gilde hebben bedankt en de directie dientengevolge voorsteld om de teerdag welke op den 8e mei zoude plaatshebben, om het klein getal leden voor onbepaald uit te stellen en daarvoor op maandag den 12e des avonds om negen uren gezamentlijk eene biefstuk te eten, zullende de biefstuk door de leden uit hun privé beurs betaald worden en er vanwege het gezelschap voor de man een halve flesch wijn bij worden gegeven en is overeenkomstig besloten.’ Ondanks deze malaise, waarvan we de dieperliggende oorzaak niet kennen, besluit men in dezelfde vergadering nog om aan het tweede concours op Het Loo mee te doen. De problemen hebben wel tot gevolg dat men twee vergaderingen nodig heeft om tot overeenstemming te komen over de financiering van de reis. Men bereikt het kennelijk compromis, dat ‘de liefhebbers voor het concours’ 100 gulden uit de kas zullen krijgen onder de voorwaarde dat ze die som na een jaar met 5 % interest zullen terugbetalen. Op 12 juni wordt besloten dat de afvaardiging zal bestaan uit de heren: C.P.G. Cox als waarnemend beschermheer (sic!), P. C. Verschuuren als waarnemend president, M.C.N. Bressers als standaarddrager en P.H. van Dun, J.G. Marsé, L. Demouge en P. Marsé als schuttersviertal.(48) Pas op 4 augustus doen ze verslag van hun wederwaardigheden omdat: ‘de twee voorlaatste vergaderingen niet gehouden hebben kunnen worden wegens het niet opkomen der leden’. We volgen dat verslag weer in samenvatting.

Op 21 juni om 13.00 uur is men uit Tilburg afgereisd in gezelschap van een afvaardiging van de handboogschutterij ‘Gloria Sorano’ uit Dongen. Er werd doorgereden tot Nijmegen alwaar is overnacht. De dag erna, 22 juni, kwam men om 18.00 uur aan in Apeldoorn. Daar werd wederom gelogeerd in het logement van A. Rouwenhorst. Men werd ontvangen in de ‘Sociëteit Willem III’ door de burgemeester van Apeldoorn, de heer D. Bas Backer. Deze ontving uit handen van C.P.G. Cox, waarnemend beschermheer, het insigne als erelid.
Bij de wedstrijd op 23 juni werd de deputatie herhaaldelijk ‘minzaam aangesproken’ door koning Willem III. Ook werd men hartelijk begroet door de in 1849 gecreëerde ereleden. Burgemeester Bas Backer trakteerde op wijn. 



Tekening van koning Willem III als handboogschutter met 
aan een lint om de hals de gouden medaille die hem als 
opperbeschermheer door de handboogschutterijen werd 
geschonken. De tekening is waarschijnlijk vervaardigd en 
aangeboden door E.M. van Mattenburgh (1807-1886), 
beschermheer van de schutterij Concordia te Bergen op 
Zoom (coll. Koninklijk Huisarchief).

Bij het doelschieten moest Sint-Sebastiaan voor de tweede rozenprijs kampen met enige andere gezelschappen. Uiteindelijk ging de prijs toch naar Tilburg. Het zilveren ereteken, geschonken door koningin Sophie, werd door Hare Majesteit uitgereikt aan Cox. Vervolgens schoot men naar de vogel, waarbij koning Willem III zijn eigen handboog aanbood aan P.H. van Dun voor het lossen van een schot. De vorst uitte zijn bewondering voor de goede schoten van het Tilburgse viertal, echter de vogels werden er niet door de Tilburgers af geschoten. Na afloop van de wedstrijd volgde de feestdis, waaraan ook door de koning, zijn broer prins Hendrik en hun gevolg werd deelgenomen. Er volgden weer vele toasten. Daarbij bood C.P.G. Cox het erelidmaatschap aan aan de heren jhr. H.M. Mollerus, kamerheer van de koning en secretaris van de koninklijke commissie voor de regeling van de wedstrijden op Het Loo, jhr. L. van Bronkhorst, de nieuwe intendant van het paleis en domein Het Loo, en mr. J. van Lennep, hofdichter en president van de feestdis.(49) Tevens aan de heren F. van Gorkum, N. van Rijsewijk, beiden commissaris van de commissie van handboogschutterijen, en D. Arendts, president van de handboogschutterij Apollo uit Utrecht. Zij aanvaardden dat en de drie eersten kregen meteen het bijbehorende insigne overhandigd. 



H.M. baron Mollerus (1812-1899) in het kostuum van 
kamerheer des Konings. Hij was secretaris van de commissie 
belast met de verordeningen der Koninklijke Wedstrijden.

Na afloop van het feestmaal, dat ‘regt koninklijk’ was verlopen, ging men (op maandagavond) terug naar het logeeradres om zich te verkleden en ving dadelijk de terugreis aan. Men trok naar Arnhem, waar afscheid werd genomen van de heer Van Alphen, de notaris uit Dongen. Op woensdagmorgen 25 juni arriveerde het schuttersgezelschap weer in Tilburg, zeer voldaan en met een aangename herinnering. 
De vergadering besluit na dit verslag om in plaats van de f 100, - waartoe de deelnemers zich verbonden hebben, slechts f 75, - te laten restitueren.(50) 

Het prachtige verguld zilveren ereteken van koningin Sophie, de tweede prijs voor de viertallen in de wedstrijd om de meeste rozen, wordt nog steeds bij de gildeschatten bewaard. Er hadden 29 schuttersgezelschappen naar de prijzen meegedongen. Sint-Sebastiaan was de enige Tilburgse deelnemer. ‘Honos’ had het om wat voor reden dan ook af laten weten. Een interessante nevenactiviteit bij het concours was een tentoonstelling van de producten van bogen- en pijlenfabrikanten. Ook daar was een wedstrijd aan verbonden en ook hier was er een Tilburgs succes. De firma Wed. C. Bressers en Zoon (dat was M.C.N. Bressers) mocht een zilveren medaille voor haar pijlen mee naar huis nemen.(51) 



De verguld zilveren ereprijs die de gildebroeders van Sint-Sebastiaan in 1851 op Het Loo uit handen 
van koningin Sophie mochten ontvangen (coll. Sint-Sebastiaansgilde Tilburg).

De tocht naar Apeldoorn krijgt nog een vervolg, als Sint-Sebastiaan ingaat op de uitnodiging van de Utrechtse schutterij ‘Apollo’ om daar op 23 en 24 augustus aan een toernooi mee te doen. Men wint daar echter geen corpsprijs, maar de beide broers Marsé kunnen voor hun individuele prestaties wel een kristallen ‘suikervaas’ met zilveren voet en een bronzen thermometer in ontvangst nemen. Deken Cox krijgt er het erelidmaatschap van de Koninklijke Handboogschutterij Willem III uit Arnhem aangeboden.(52) 

Een vader volgt zijn zoon op

Belangrijker effect van de deelname aan het tweede concours op Het Loo is de welwillendheid waarmee Willem III een verzoek van het gilde aan hem gericht op 26 september beantwoordt. Op 16 oktober ontvangt men in Tilburg met een brief van jhr. Mollerus een koninklijk besluit met de volgende inhoud: ‘Aan de Bestuurderen van het Koninklijk Handboogschuttersgilde St Sebastiaan van Willem III te Tilburg. Wij bewilligen bij deze het bij Uw adres van 26 september jl gedaan verzoek, en nemen diensvolgens aan: het Beschermheerschap over het door U bestuurd wordend Handboogschutters Gilde; waardoor het krachtens ons rescript van den 3n Julij jl ook aan Uw Gilde vergund zal zijn den titel van Koninklijk Handboogschutters Gilde te voeren. ’s Gravenhage, de 16n October 1851, Willem’. (53) Het rescript van 3 juli 1851, waarnaar verwezen wordt, behelsde het besluit dat de koning aan alle schutterijen waarvan hij ‘bijzonder beschermheer’ was, dus naast zijn opperbeschermheerschap van alle schuttersgezelschappen, het predikaat ‘koninklijk’ had verleend.(54) 

Het is duidelijk dat dit koninklijk schrijven grote geestdrift teweegbrengt. Men besluit een feest te organiseren en alle ereleden en de schutterijen in Tilburg per circulaire van het heugelijk feit op de hoogte te stellen. Noch die circulaire noch een afschrift van de ook verzonden dankbetuiging aan de koning zijn in het gildearchief aangetroffen, maar ze zullen ongetwijfeld in de gebruikelijke gloedvolle bewoordingen gesteld zijn geweest. Sebastiaan had bovendien gevoel voor public relations. Het feestje wordt op 1 december gevierd met een ‘biefstukpartij’ en een halve fles wijn de man, die daarvoor zestig cent te betalen krijgen. Het deficit wordt uit de ‘maandelijksche boeten’ betaald. Nog steeds is het bij Sint-Sebastiaan gewoonte om uit die pot, waarin de boeten bij niet of te laat opkomen worden gestort, extra activiteiten te subsidiëren. 
De koning bekrachtigt zijn beschermheerschap op 21 november met de aanbieding van een grote litho van zijn statieportret naar een schilderij van Nicolaas Pieneman. De gildebroeders laten er een vergulde lijst om maken, die hun de lieve som van 10 gulden kost. Gildebroeder F. Hutten zal daarvoor zorgen, het is niet duidelijk of hij ook de kosten op zich neemt.(55) 



Koning Willem III deelt op 16 oktober 1851 aan de bestuurders van het 
Koninklijk Handboogschuttersgilde St.-Sebastiaan van Willem III te 
Tilburg mee, dat hij bewilligt in hun verzoek om het beschermheerschap 
van het gilde aan te nemen. Daarom mogen ze voortaan het predikaat 
‘koninklijk’ voeren (coll. Sint-Sebastiaansgilde Tilburg).

Koning Willem III bleef wel belangstelling houden voor de Nederlandse handboogschutterijen, maar tot een volgend concours op het Loo is het niet meer gekomen. Daar was een merkwaardige directe reden voor: de koning had geldgebrek. Maar daarover hierna meer.
In de Nieuwe Rotterdamsche Courant verscheen op 18 oktober 1851 een bericht waarin melding werd gemaakt van grote toebereidselen voor het concours van 1852. De koninklijke commissie voor regeling van de wedstrijden op Het Loo zou zelfs voor elke handboogschutterij een oranje zijden vaandel hebben laten vervaardigen, voorzien van het wapen van de stad of gemeente waar het gezelschap was gevestigd. Het bericht bleek een canard! Dezelfde krant meldde op 17 januari 1852: ‘een in omloop zijnd gerucht wil dat dit jaar geen concours van handboogschutterijen op Het Loo zal plaatsvinden.’ En dat bleek maar al te waar. Overigens al op 18 november 1851 had jhr. Mollerus, secretaris van bovengenoemde commissie, aan de intendant van Paleis Het Loo laten weten dat men de schietdoelen wel kon opruimen aangezien er in 1852 om financiële redenen geen wedstrijd op Het Loo zou plaatsvinden. Toch werd door de koning gezocht naar een alternatief, en in maart 1852 verscheen dan ook een circulaire waarin Mollerus berichtte dat Zijne Majesteit aan elke vereniging een zilveren medaille zou verstrekken als persoonlijke prijs voor de schutter die in 32 schoten het hoogste aantal punten of vogels schoot. Dit zogenoemde koningschieten moest bij elke schutterij afzonderlijk plaatsvinden en voor 1 juli van dat jaar zijn afgerond. Elke vereniging diende een voorgeschreven model schietdoel of vogelfiguur te hanteren. De gelukkige winnaar kreeg de medaille in persoonlijk bezit. Of dat in groten getale is gebeurd? In totaal zijn 133 stuks van de medaille in omloop gebracht. Uit de verslaglijst blijkt dat 159 handboogvereniging zich hadden aangemeld, echter 26 waren buitengesloten omdat zij te laat hadden ingeschreven. Van de 133 wedstrijden die aldus plaatsvonden, waren er slechts twaalf waarbij geschoten werd naar de ‘vogel of gaai’.(56) 

In Tilburg werd besloten om deze wedstrijd samen met ‘Honos’ te organiseren. Op gezamenlijke kosten wordt de voorgeschreven vogel gemaakt. Eind mei wordt de prijs ontvangen: ‘een sierlijk gedreven verguld zilveren ster, benevens een blauw zijden met zilveren strepen doorweefd lint om dezelve te dragen’. Bepaald wordt dat het kleinood door de winnaar bij het eventueel verlaten van het gilde of bij zijn overlijden gelaten zal worden aan het gilde, waarna het aan de standaard zal worden gehecht.(57) Op 21 juni heeft de wedstrijd plaats. Eerst schiet ‘Honos’ om haar prijs, daarna Sint-Sebastiaan. Winnaar werd C.P.G. Cox Hij raakte de vogel achtmaal en kreeg behalve de zilveren ster ook nog een diploma. Van het verloop van de wedstrijd wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat naar jhr. Mollerus wordt gezonden. Uiteraard wordt er die avond weer feest gevierd.(58) 



Houten bord met daarop de prijsmedailles die door de fa. M.C.N. Bressers 
en haar voorganger de fa. Wed. C. Bressers in de tweede helft van de 
19e eeuw op de tentoonstellingen werden verworven. Daaronder die 
voor de pijlen en bogen op de tentoonstellingen op Het Loo (coll. Fam. 
Bressers in het RHC Tilburg).

Op Het Loo werd in 1852 toch nog één activiteit gehouden, namelijk het beoordelen van het door bogen- en pijlenfabrikanten ingezonden schietmateriaal. En daar had de firma Bressers uit Tilburg net als een jaar tevoren weer succes mee. Haar inzending werd bekroond met een zilveren medaille voor de beste handboog, alsmede één voor de beste pijlen. De bekroonde voorwerpen werden in de loop van juli ook tentoongesteld op de expositie van Nationale Nijverheid in Musis Sacrum in Arnhem.
Hoewel er geen concours was in het jaar 1853, konden de bogen- en pijlenfabrikanten toen ook wel weer hun schietgerei naar Het Loo zenden. In september van dat jaar verzocht de koninklijke commissie overigens nog om ’alvorens een oordeel te vellen’ bekend te worden gemaakt met de prijsstelling én of er een lagere prijs dan voorheen mogelijk was! En ook nu ontving de fa. Bressers weer een zilveren medaille voor haar handboog.(59) 
Had de firma deze successen voorvoeld? In mei 1850 loopt men er immers al op vooruit en heeft men de moed om bij de koning het predikaat hofleverancier aan te vragen. Nadat die aanvraag, ondersteund door de burgemeester van Tilburg, wat op en neer gestuiterd is tussen een aantal adviserende hofdignitarissen is zij helaas voor Bressers niet gehonoreerd.(60) 

Koninklijke bezuinigingen

Keren we even terug naar ’s konings geldgebrek. Daar zit ook nog een klein Tilburgs kantje aan, want dat had alles te maken met het feit dat zijn vader na zijn overlijden een negatieve erfenis bleek te hebben achtergelaten. Het failliet van Willem II zal wel niet alleen gelegen hebben aan de gemaakte kosten voor zijn hofhouding of zijn bouwwerken hier in Tilburg. Die waren opmerkelijk sober. Maar iedereen die daar belang bij had, wist wel dat hij in Tilburg, zonder beschermende hofentourage, gemakkelijk benaderbaar was voor allerlei lieden die van zijn vrijgevigheid wilden profiteren, hem wilden chanteren met al dan niet begane zonden of hem soms niet al te waardevolle kunstwerken voor zijn verzameling wilden verkopen.(61) En als hij dan gestorven is schrijft zijn weduwe Anna Paulowna nog vóór de begrafenis op 31 maart 1849 vanuit haar logeeradres, de pastorie van Zwijsen, aan haar ‘Beminde broer’ tsaar Nicolaas I: ‘Ik heb reden om diep geroerd te zijn door de sentimenten van toewijding en belangstelling die me van alle zijden zijn betoond en die me een zoete troost schenken bij mijn onherstelbaar verlies. Maar nu staan ons verdere droeve en kwellende zaken te wachten, namelijk de verdeling van de nalatenschap onder mijn kinderen. We weten nu al dat de uitslag ongunstig zal zijn.’ En dan verwoordt ze haar angst, dat met name haar jongere kinderen erbij in zullen schieten. Willem, de nieuwe koning, is verzekerd van een staatstoelage, maar Hendrik en Sophie zullen van hun vader niets erven, zeker niet als nog allerlei onverkwikkelijke zaken moeten worden toegedekt met afkoopsommen. Daarom wendt ze zich ronduit als een bedelares tot haar broer om ‘de familie-eer' veilig te stellen.(62) Nicolaas zal dat doen. Hij wordt preferent schuldeiser van de boedel en pikt daaruit als tegenprestatie de beste schilderijen uit de koninklijke collectie, die nu nog de kern van de verzameling Hollandse meesters in de Heremitage in Petersburg vormen. Pas na twee jaar kon door een speciale vertrouwenscommissie het totale bedrag aan schulden worden vastgesteld. 

Heel veel roerend en onroerend goed wordt dan verkocht, onder andere dat in Tilburg, waar de hoeven en landerijen onder de hamer gaan en voornamelijk in het bezit van de rijke textielfabrikanten komen. Alleen het paleisje wordt onder voorwaarde dat er een Rijks Hogere Burgerschool in zal worden gesticht aan de gemeente geschonken. Uiteindelijk leveren alle verkopen tegenover de schulden toch nog een batig saldo op, maar het was geen vetpot. Tot overmaat van ramp werd ’s konings toelage uit de schatkist wegens bezuinigingen teruggebracht van één miljoen naar zes ton.(63) 

Dat alles had tot gevolg dat er beknibbeld moest worden op de uitgaven. Ook op Het Loo. Zo kwam daar bijvoorbeeld in 1852 een einde aan de activiteiten van de beroemde vooral door de overleden prins Alexander begunstigde Royal Hawking Club, met als doel de jacht met de valk op reigers, het enige vertier aldaar waaraan koningin Sophie altijd van harte had meegedaan. De Valkenswaardse valkeniers kregen er hun congé.(64) Het koninklijk concours voor schutters stond in 1851 nog voor bijna 7000 gulden op de rekening maar in 1852 werd er zo goed als niets meer voor op de begroting gezet.(65) Vandaar waarschijnlijk dus de noodgreep met de plaatselijke wedstrijden, waarvoor alleen de prijzen ter beschikking hoefden te worden gesteld. 

 

De zilveren ereprijs die beschikbaar werd gesteld door koning Willem III om 
in 1852 tijdens onderlinge wedstrijden bij de schutterijen thuis verschoten te 
worden (coll. Sint-Sebastiaansgilde Tilburg).

In Tilburg blijven de gildebroeders voorlopig feestvieren. Bij gelegenheid van de verjaardag van koningin Sophie op 17 juni, de dag waarop tevens die van de koning-beschermheer (eigenlijk 19 februari) werd gevierd, wordt het gildehuis versierd met de nationale vlag en de vaandels van het gilde en ‘is door de Gilde geïllumineerd het levensgroot portret van Hoogstdezelve geschilderd door den heer D. Struijs alhier naar het portret door Hoogstdezelve aan de Gilde geschonken, hetwelk een overheerlijk effect deed’.(66) Een jaar later wordt netjes een felicitatiebrief gestuurd bij gelegenheid van het huwelijk van prins Hendrik, de broer van de koning. Er komt natuurlijk even netjes een bedankje terug.(67) We moeten nu weer bijna een jaar wachten voordat de gildebroeders weer iets van koninklijke zijde vernemen. Maar dan wordt het ook even erg druk voor ze. 

Sint-Sebastiaan op zijn ponteneur

In de gildevergadering van 24 april 1854 wordt aan de orde gesteld een circulaire d.d. 20 april, ontvangen van de koninklijke commissie voor het houden van een wedstrijd waarbij namens Zijne Majesteit een prijs wordt beschikbaar gesteld voor zilverwerk ter waarde van ƒ 500, -, heel wat minder dus dan de ƒ 7000, - die het concours van 1849 had gekost. De organisatie was nu ook veel minder bezwaarlijk voor de koninklijke kas. De commissie laat het namelijk aan de Noord-Brabantse handboogschutterijen over om zelf plaats en tijdstip voor de koninklijke wedstrijd te bepalen. Ze zal verder geen bemoeienissen hebben met de organisatie.

De gildevergadering besluit de in Noord-Brabant gevestigde handboogschutterijen per circulaire aan te schrijven, waarbij Tilburg als plaats van samenkomst voor de voorbereidende vergadering wordt aangeprezen ‘omdat dezelve in het middenpunt der provincie is gelegen en dus de geschiktste plaats is’. Voorlopig nog een redelijk objectief argument. Men wordt verzocht om vóór 5 mei mededeling te doen of men daarmee instemt. (68)Op 4 mei 1854 volgt dan een vergadering van de hoofdman en secretaris van Sint-Sebastiaan met de presidenten en secretarissen van alle in Tilburg gevestigde handboogschutterijen. Naar aanleiding van de circulaire van 26 april uit Tilburg zijn 26 antwoorden ontvangen, waarvan er acht tégen Tilburg als vergaderplaats waren. De overige gezelschappen wachten een oproep voor een vergadering in Tilburg af. Besloten wordt om op 5 mei een schrijven te zenden aan jhr. Mollerus, nog steeds secretaris van de koninklijke commissie. In deze brief meldt Sint-Sebastiaan, dat zij de enige Brabantse handboogvereniging is waarvan de koning bijzonder beschermheer is. Op grond hiervan meent zij het initiatief te mogen nemen tot het oproepen van de handboogschutterijen in Noord-Brabant voor het houden van een vergadering om daarmee uitvoering te geven aan het verzoek van de koninklijke commissie voor het organiseren van de koninklijke wedstrijd van 1854. De Unie uit ‘s-Hertogenbosch heeft zich echter ook tot de handbooggezelschappen gewend en reeds een vergadering uitgeschreven voor 7 mei in ’s-Hertogenbosch. De handboogschutterijen in Breda hebben hierover hun groot ongenoegen geuit. De Tilburgse handboogschutterijen zullen zich bij dit Bredase protest aansluiten. In de brief aan Mollerus wordt nu verzocht om Zijne Majesteit te laten bepalen waar de bedoelde bijeenkomst zal moeten plaatsvinden. Kortom, Brabant verviel weer eens in de verdeeldheid van vóór 1796!

De koninklijke commissie laat dan bij brief van 8 mei weten zich achter het Tilburgs initiatief te scharen. Ze zendt daarop een (ongedateerde) circulaire aan de Brabantse handboogverenigingen waarbij bepaald wordt dat Sint-Sebastiaan Tilburg ‘staande onder het bijzonder beschermheerschap van Z.M. den Koning’ gemachtigd wordt om de bedoelde vergadering uit te schrijven.(69) Op 13 mei 1854 volgt dan een gezamenlijke vergadering van de Tilburgse handboogschutterijen, waarbij de circulaire voor de oproeping van de vergadering van de Brabantse handboogschutterijen wordt vastgesteld. Deze vergadering zal gehouden worden op 21 mei 1854 in Tilburg. Er is een reglement van orde samengesteld, dat ter goedkeuring gezonden wordt aan Mollerus c.s. (70) Op 18 mei wordt een brief d.d. 17 mei ontvangen van de koninklijke commissie vergezeld van een protest van vijf handboogschutterijen uit Eindhoven. Deze vijf verzoeken de vergadering met minstens acht dagen uit te stellen, waardoor zij gelegenheid krijgen om zich door een andere schutterij te laten vertegenwoordigen. Zij wijzen op het kostenaspect van onder andere de mandaten. De commissie verzoekt dit haars inziens reële protest te bespreken. Besloten wordt om de datum te handhaven en mededeling daarvan te doen aan de Eindhovense gezelschappen. Het reglement van orde is door de koninklijke commissie goedgekeurd. 



Het portret in steendruk naar een schilderij van N. Pieneman
dat door koning Willem III geschonken werd aan de schutterijen, 
waarvan hij bijzonder beschermheer was en die zich met het 
predikaat ‘koninklijk’ mochten tooien (coll. Sint-Sebastiaansgilde Tilburg).

Dit reglement van orde wordt dan op 21 mei ter kennis gebracht aan de vergadering van Brabantse handboogschutterijen in Tilburg onder voorzitterschap van C.P.G. Cox. Er zijn 29 gezelschappen vertegenwoordigd. Daarnaast hebben negen handboogclubs verklaard zich te conformeren aan de te nemen besluiten. Besloten wordt een commissie te vormen. Ze zal dag en plaats bepalen voor de wedstrijd. Er worden dertien verenigingen bij stemming aangewezen om elk een eigen afgevaardigde te benoemen die zitting mag nemen in de commissie. Daaronder is Cox voor Sint-Sebastiaan.(71) 
De wedstrijd wordt dan toch op 7 augustus niet in Tilburg gehouden, maar in Breda op een Oranje-locatie bij uitstek, het park Valkenberg naast het kasteel, toen al K.M.A. Volgens het ‘Proces Verbaal’ waren er 63 handboogverenigingen met een afvaardiging vertegenwoordigd, waarvan de schutters allemaal een zilveren gedenkteken kregen.(72) Sebastiaans concurrent, ‘De Unie’ uit Den Bosch, was er overigens niet bij! Hoewel het aanvankelijk een Brabantse aangelegenheid zou worden waren ook schutterijen van buiten de provincie uitgenodigd, waardoor de wedstrijd toch een enigszins nationaal karakter kreeg.(73) Ofschoon er twaalf van buiten Noord-Brabant hadden ingeschreven, waren er op de dag van het concours slechts zeven verschenen. Namens Sint-Sebastiaan Tilburg namen aan het concours deel: A.J. Melis, J.G. Marsé, P.H. van Dun en P. Marsé

Ook andere Tilburgse handboogclubs hadden een viertal naar de wedstrijd gezonden: ‘Honos Alit Arcum’, ‘Landbouwers Eendragt’ (74), ‘De Roos’, en ‘Oefening en Vermaak’. Geen van de Tilburgse boogschutterijen viel in de prijzen.(75) Hadden ze alles bij elkaar toch een kater overgehouden aan de competentiestrijd en waren ze daarom wat minder vast ter hand? Het was wel een van de eerste staaltjes van een Tilburgs gevecht om de hegemonie binnen de Brabantse stedenrij! Bij deze ene keer hoefde het ook maar te blijven. Er zijn hierna nooit meer koninklijke concoursen gehouden. En Sint-Sebastiaan heeft in de praktijk ook tot op heden toe geen enkel praktisch profijt meer gehad van zijn beschermheer, noch van zijn koninklijk predikaat. 

Het verdwijnen van de koninklijke belangstelling voor de schutters als pijlers onder zijn troon kan wellicht behalve met geldgebrek ook iets te maken gehad hebben met het feit dat er inmiddels in 1853 zoiets als een ‘aprilbeweging’ had plaatsgehad, waarbij Willem III zich exclusief verbonden leek te hebben met het protestantse deel der natie tegen het herstel der katholieke kerkelijke hiërarchie met als aartsbisschop van Utrecht en tegelijk bisschop van Den Bosch de buurman van zijn vader en zijn vroegere gastheer in droeve dagen, de toenmalige Tilburgse pastoor Johannes Zwijsen. Hoewel dat meer een verbondenheid in woorden dan in daden was, kan het toch zijn dat in dat beeld een joyeuze band met feestvierende schutters met name uit het katholieke zuiden niet paste. Want juist in de zuidelijke provincies was in deze jaren het aantal handboogschietverenigingen explosief gegroeid.(76) Maar dit is louter speculatief. Er is geen expliciete bron voorhanden die dat bevestigt. Toch is er is een kleine aanwijzing dat er zoiets heeft meegespeeld. De Koninklijke Commissie van jhr. Mollerus sprak immers op een bepaald moment haar bezorgdheid uit, over het ontstaan van ‘ijverzucht en partijschap’ tussen de verenigingen, en daar diende de koning voor gevrijwaard te blijven.(77) Dat wat een teken van eenheid en verbondenheid onder Oranje moest zijn, kon natuurlijk geen slangenkuil worden. Maar misschien is de desinteresse na 1854 alleen maar het zoveelste bewijs van ’s konings wispelturige en egocentrische karakter, niet geneigd tot het onderhouden van langdurige vriendschappelijke relaties maar wel tot het afstoten van wie hem toegenegen waren.

Epiloog: het zilveren jubileum 

Er kwam twintig jaar later nog wel een soort epiloog. In de gildevergadering van 29 december 1873 wordt een circulaire voorgelezen van De Unie uit ‘s-Hertogenbosch met een oproep voor het organiseren van een huldeblijk bij het 25-jarig regeringsjubileum van koning Willem III in 1874. Maar het verzoek om een bijdrage van f 5,- ten behoeve van een cadeau, namens de Brabantse handboogschuttertijen aan te bieden, wordt afgewezen. Het ‘waarom’ van de afwijzing is niet vermeld.(78) Hebben we hier te maken met oud zeer vanwege de perikelen bij de organisatie van het koninklijk concours in 1854? We weten het niet, maar een andere reden kan zijn, dat men zich meer verplicht voelde tot de deelname aan de stedelijke activiteiten bij het komende jubilee. 

Op 27 december 1873 heeft er over de viering van het 25-jarig koningschap van Willem III namelijk al onder voorzitterschap van de burgemeester een vergadering plaatsgevonden van alle Tilburgse verenigingen. Punt van bespreking was het besluit om een optocht met praalwagens te houden. Er is door B & W een feestcommissie samengesteld, met o.a. als lid de heer P.L. Donders, nog steeds hoofdman van Sint-Sebastiaan. In diverse vergaderingen wordt nu bij Sint-Sebastiaan gedebatteerd over het al dan niet deelnemen aan de optocht met een praalwagen en ook over de vraag of men dat in samenwerking met andere gezelschappen zal doen of alleen. De hoofdman was aanvankelijk tegen vanwege de hoge kosten van de te bouwen praalwagen en de aanschaf van optochtkostuums. Bovendien voelt hij niets voor het thema: de legende van Wilhelm Tell. In de vergadering van 26 maart 1874 zijn de kosten van de praalwagen geraamd op ƒ 200, -. Maar een ‘zeker iemand’ heeft daarvoor ƒ 50, - geschonken, en twee gildebroeders, Bernard van den Meijdenberg (interieur- en meubelschilder) en Louis Franken (timmerman), hadden al eerder laten weten kosteloos medewerking te verlenen bij de bouw van de praalwagen. Uiteindelijk wordt daarom toch besloten om deel te nemen en wel op eigen gelegenheid. Uit het kasboek 1874 blijkt dat naast genoemde schenking van ƒ 50, - er ook een bedrag van ƒ 114, - is gestort door 24 leden tezamen ten behoeve van de praalwagen. Onder de uitgaven vinden we een bedrag van ƒ 120, - als onkostenpost voor de kostuums, die in Amsterdam werden gehuurd. De kosten van de praalwagen zijn niet als zodanig vermeld. Bovendien staan er tal van posten aan personen (leveranciers?) zonder nadere specificatie. Wellicht vormen meerdere van deze posten het kostenplaatje van de wagen. Of hebben bovengenoemde gildebroeders – naast hun loonkosten - óók de materiaalkosten voor hun rekening genomen? In juli 1874 is de wagen voor f 20,50 verkocht.(79) 

De Tilburgsche Courant geeft een uitvoerig verslag van de feestelijkheden in Tilburg ter viering van het 25-jarig koningschap van Willem III: plechtigheden op het stadhuis, zanguitvoeringen, bals, vuurwerk en de grote optocht vormden de feestviering.
De praalwagen van het St.-Sebastiaansgilde wordt als volgt omschreven: ‘Prachtig, die van het St. Sebastiaans-gilde, waarop de leden in rijke costumen en losse en sierlijke houding met hunne lansen hadden postgevat, en die ons naar het jaar 1300 terugkeerde.’ (80) Men had dus waarschijnlijk toch voor de periode van Wilhelm Tell gekozen. 
Dat was wel een beetje ver terug. De oudste vermelding van het Gilde dateert van 1504. Dat zal in 2004 herdacht kunnen worden, nog steeds onder het predikaat ‘Koninklijk’ want het heeft Hare Majesteit Koningin Beatrix, nadat ze na haar inhuldiging opdracht had gegeven eens kritisch naar alle koninklijke clubs te kijken, op 26 november 1985 behaagd om het te continueren, ondanks de periode van slapend zijn van het gilde tussen ca. 1890 en 1965. Zij heeft de band van de Tilburgse schutters met Oranje behouden.(81) 



BIJLAGE

De deelnemers namens Sint-Sebastiaan Tilburg aan de Koninklijke Concoursen van 1849 en 1851
(82) :

PETER LAMBERT DONDERS, touwslager, hoofdman 1847-1886 van het Sint-Sebastiaansgilde en lid van de Nieuwe Koninklijke Harmonie, werd gedoopt te Tilburg op 27 april 1804 en is overleden aldaar op 5 maart 1888. Hij was een zoon van Adriaan Donders (herbergier in de 'Gouden Zwaan' aan de Markt en gildebroeder van Sint-Sebastiaan) en Maria van der Vliet. Hij is getrouwd te Tilburg op 19 februari 1827 met Anna Maria Theresia Woestenbergh, gedoopt te Tilburg op 17 juni 1800, overleden aldaar op 7 november 1865, dochter van Cornelis Woestenbergh, (winkelier, kaashandelaar, lid gemeentebestuur (gecommitteerde, 1803-1809), lid municipaliteit (1810), lid Stedelijke Raad (1813) en lid Jachtgilde Sint Hubertus (1802-1815)) en Anna Catharina Brouwers.

PETRUS CAROLUS VERSCHUUREN, kleermaker/koopman en gildebroeder van Sint-Sebastiaan (hoofdman 1886), is geboren te Tilburg op 3 september 1814 en overleden aldaar op 27 juli 1890. Hij was een zoon van Josephus Verschuuren (kleermaker en gildebroeder van Sint-Sebastiaan) en Henrica Smulders. Hij is getrouwd te Tilburg op 25 mei 1837 met Maria Josephina van den Hooven, geboren te Tilburg op 4 september 1813, dochter van Arnoldus van den Hooven (bode en schatter van het slachtvee) en Elisabeth van den Houdt.

LUDOVICUS MAAIJWEE, laarzen- en schoenhandelaar en gildebroeder van Sint-Sebastiaan, is geboren te Tilburg op 13 november 1807 en overleden aldaar op 3 juli 1874. Hij was een zoon van Nicolaas Maaijwee (schoenmaker, laarzenmaker, gildebroeder van Sint-Sebastiaan en beheerder van 'de Nieuwe Comedie'), en Adriana Maria Verschuuren.

PETRUS GOIJAERTS, timmerman en gildebroeder van Sint-Sebastiaan, is geboren te Tilburg op 30 oktober 1817 en overleden aldaar op 23 februari 1857. Hij was een zoon van Joannes Goijaerts, timmerman, en Johanna van Boxtel. Hij is getrouwd te Tilburg op 23 februari 1857, met Johanna Maria Bertens. 
N.B. Merkwaardigerwijs wordt hij oud-koning genoemd, terwijl hij dat nooit geweest is, wel zijn twee broers: Johannes Franciscus Goijaerts (timmerman/houthandelaar, koning in 1837) en Anthony Goijaerts (timmerman, koning in 1840) en zijn zwager Hendrikus Johannes Dijkmans (wagenmaker/houthandelaar en koning in 1843). Een vierde broer, geen lid van het gilde, was de architect/aannemer Adriaan Goijaerts, die vaak voor Willem II werkte en o.a. diens paleis en kazerne bouwde. 

PETRUS HUBERTUS VAN DUN, bakker, gildebroeder van Sint-Sebastiaan (koning 1849) en lid Nieuwe Kon. Harmonie, is geboren te Tilburg op 1 augustus 1827, en overleden te Udenhout op 21 maart 1893. Hij was een zoon van Jan Michiel van Dun (bakker en gildebroeder van Sint-Sebastiaan) en Johanna Maria Tuerlings. Hij is getrouwd te Dongen met Johanna Sprangers, geboren te Dongen op 14 oktober 1832, overleden te Tilburg op 10 april 1891, dochter van Laurens Spangers en Catharina van Rooij.

COENRAAD PETER GERRIT COX, oud-militair, winkelier, kassier, agent Credietvereeniging Amsterdam, gildebroeder van Sint-Sebastiaan (Deken 1849), lid Nieuwe Koninklijke Harmonie (Voorzitter 1851-1864) en kapitein der Schutterij (ca 1879), is geboren te Amsterdam op 27 november 1813, en overleden te Tilburg op 14 mei 1892. Hij was gehuwd met Maria Theresia Huberdina Marsé, geboren te Tilburg rond 1820, dochter van Louis Marsé (herbergier in ‘het Zwaard’ en gildebroeder van Sint-Sebastiaan) en Clasina Wilhelmina van den Hessenbergh.

JOHANNES GERARDUS MARSÉ, schrijnwerker en gildebroeder van Sint-Sebastiaan (1848), is geboren te Tilburg op 3 september 1825. Hij is een zoon van Louis Marsé en Clasina Wilhelmina van den Hessenbergh (zie hierboven). Zijn ouders verhuizen in 1827 naar Nieuwkuijk maar keren later terug naar Tilburg. Hij wordt in 1848 gildebroeder, maar vertrekt in februari 1850 naar Brussel, keert terug en vertrekt blijkens aantekening in de ledenlijst van het Sebastiaansgilde opnieuw in december 1861, nu naar Breda. Hij was tweemaal gehuwd, eerst met een zus van C.P.G. Cox en daarna met Anna Catharina Broers.

PETRUS MARSÉ, logementhouder/rijtuigverhuurder en gildebroeder van Sint-Sebastiaan (deken 1850), is geboren te Nieuwkuijk rond 1828, en gehuwd met Hendrika Cornelia van de Kerkhof. Hij was een broer van de voorgaande.

MARTINUS CORNELIS NICOLAAS BRESSERS, handelaar in koloniale waren, bogen en pijlen, was en honing, gildebroeder van Sint-Sebastiaan (koning in 1852 en 1861), lid Nieuwe Koninklijke Harmonie, lid Sociëteit Philharmonie en lid Sociëteit Amicitia, is geboren te Tilburg op 10 juli 1823 en overleden aldaar op 19 september 1902 Hij was een zoon van Cornelis Adrianus Bressers (timmerman/aannemer, koopman, gildebroeder van Sint-Sebastiaan (koning 1828) en lid timmerliedengilde Sint Joseph (hoofdman 1826)) en Barbara Maria van Put. Hij sticht later de ijzerhandel fa. Johan Bressers, waarvan zijn gelijknamige zoon directeur/eigenaar wordt, (nu Bressers Metaal B.V.).Hij is getrouwd te Tilburg op 31 juli 1860, met Louisa Johanna Carolina Donders, onderwijzeres, geboren te Tilburg op 12 juni 1834, overleden aldaar op 17 augustus 1888, dochter van Peter Lambert Donders en Anna Maria Theresia Woestenbergh (zie boven).

ADRIANUS JOSEPHUS VERSCHUUREN, kleermaker/koopman, gildebroeder van Sint-Sebastiaan en lid Nieuwe Koninklijke. Harmonie, is geboren te Tilburg op 23 april 1816, en overleden aldaar op 29 juli 1892. Hij was een zoon van Josephus Verschuuren (kleermaker en gildebroeder van Sint-Sebastiaan) en Henrica Smulders. Hij is getrouwd te Tilburg op 19 oktober 1843 met Johanna Petronella (Antonetta) Carolina van Damme, geboren te Turnhout (B) op 16 februari 1806, overleden te Tilburg op 1 februari 1891, dochter van Carolus Joannes van Damme (katoendrukker, lid gemeenteraad, gildebroeder van Sint-Sebastiaan en lid Jachtgilde Sint Hubertus) en Johanna Maria Donders.

JOHANNES VAN DE LANGERIJT, smid en gildebroeder van Sint-Sebastiaan, is gedoopt te Tilburg op 18 oktober 1800, en was een zoon van Gerardus van de Langerijt (smid en gildebroeder van Sint-Sebastiaan (deken 1815)) en Helena Maria van de Pol. Hij is getrouwd te Tilburg op 25 mei 1837 met Maria Theresia Janssens, geboren te Tilburg op 14 oktober 1814, dochter van Franciscus Janssens (droogscheerder/fabrikant) en Johanna Cornelia Teurlings.

LOUIS DEMOUGE werd geboren te ’s-Hertogenbosch op 31 maart 1824 als zoon van schrijnwerker/meubelmaker Pierre Joseph Demouge en Anna Scheefhals. Op 4 januari 1849 vestigde hij zich in Tilburg. Van 1847 (1849?) tot 1852 was hij klerk ‘bij den intendant des Konings’ te Tilburg, J.N. Frankenhoff (van 1825-1828 lid van Sint-Sebastiaan). Demouge werd lid van het gilde op 21 maart 1850 en werd nog in 1851 geroyeerd. Later werd hij commies bij de stadsbelastingen in ’s-Hertogenbosch. Hij was boekverkoper, uitgever, steendrukker en lithograaf. Van deze activiteiten is alleen een litho van zijn hand bekend, namelijk het stoffelijk overschot van koning Willem II op zijn veldbed in zijn oude paleis te Tilburg op 17 maart 1849. Hij trouwde op 4 december 1848 te ’s-Hertogenbosch met Ida Maria van Breugel (1816-?). Het gezin Demouge vertrok op 6 mei 1852 naar Weesp. Louis Demouge overleed te ’s-Hertogenbosch op 4 januari 1894.(83) 



Een van de deelnemers namens Sint-Sebastiaan Tilburg aan de Koninklijke Concoursen van 1849 en 
1851 was Louis Demouge (1824-1894). Hij was boekverkoper, uitgever, steendrukker, lithograaf en
bovendien klerk ‘bij den intendant des Konings’ (koning Willem II) J.N. Frankenhoff te Tilburg.
Nadat koning Willem II op 17 maart 1849 te Tilburg was overleden, maakte Demouge deze litho van 
de vorst op zijn sterfbed (coll. RHC Tilburg).


Noten

Gebruikte afkortingen:


KHSS Archief van het Koninklijk Handboogschutterssgilde Sint-Sebastiaan van Willem III te Tilburg, berustend in RHCT. (De nummers waarnaar wordt verwezen betreffen die van de huidige magazijnlijst; binnenkort zal het archief opnieuw worden geordend en beschreven.)
HAA Archief van de handboogschutterij ‘Honos Alit Arcum’ te Tilburg, berustend in het RHCT.
KHA Koninklijk Huisarchief te ’s-Gravenhage.
ARA Algemeen Rijksarchief te ’s-Gravenhage.
RHCT Regionaal Historisch Centrum Tilburg.
Pluymakers artikelenreeks: ‘Koning Willem III en de Handboogsport’ (1-5) in Handboogsport, orgaan van de Nederlandse Handboog Bond, jrg. 50 en 51 (2000-2001).

(1) Dit artikel is de vrucht van een onverwacht samenwerkingsproject tussen de twee auteurs. De eerste was al enige tijd bezig met onderzoek naar de relatie tussen Willem III en de schutterijen, hetgeen onlangs geresulteerd heeft in een reeks artikelen in de organen van de bonden van Nederlandse handboog- en scherpschutters (zie de verwijzingen in de noten). De tweede wilde bij gelegenheid van het naderend 500-jarig bestaan van het Tilburgse Sint-Sebastiaansgilde en het 150-jarig jubileum van zijn predikaat Koninklijk in 2001, een studie maken over de exclusieve relatie van Willem III en zijn zoontje met dat gilde. In de studiezaal van het Gemeentearchief Tilburg (thans RHCT) kwamen ze elkaar tegen. Het onderzoek van de eerste auteur was al zo ver gevorderd, dat daaraan voor zover het de bronnen in het Koninklijk Huisarchief en het Algemeen Rijksarchief betrof nauwelijks nog iets aan was toe te voegen. Hem ontbraken vooral nog plaatselijke bronnen zoals die in Tilburg. Die kon de tweede auteur leveren, en ook zijn belezenheid in de literatuur, die aan het achtergrondverhaal met name over de situatie aan het hof en in Tilburg kon bijdragen. Daarom staan beide namen hierboven en dan niet alleen in de juiste alfabetische volgorde, maar ook in volgorde van hoeveelheid arbeidsuren en vasthoudendheid die gespendeerd zijn aan het onderzoek. De eindredactie en dus ook deze laatste opmerking is voor rekening van de tweede auteur.
(2) Op dit moment voeren in Tilburg behalve Sint-Sebastiaan het predikaat ‘Koninklijk’: de Nieuwe Koninklijke Harmonie, de Koninklijke Harmonie Orpheus, de Koninklijke Liedertafel Souvenir des Montagnards, het Koninklijk Tilburgs Mannenkoor Sint Caecilia en het Koning Willem II College (heeft wel het recht, maar voert het niet in de naam). Udenhout heeft zijn Koninklijke Harmonie Moed Volharding Cecilia-MVC. Het enige bedrijf in Tilburg, dat zich ‘koninklijk’ mocht noemen de Wollenstoffenfabriek AaBe, heeft enige jaren o.i.v. de strenge bepalingen m.b.t. de continuïteit in bedrijfsvoering zijn predikaat verloren.
Meer over ‘koninklijke’ verenigingen en het predikaat in: Koninklijk Verenigd, functie en analyse van een vorstelijk predikaat (Rijswijk 1991). Sinds enige jaren bestaat er een ‘Stichting Koninklijk Verbonden’ met een eigen periodiek onder die naam en een website, waarop veel informatie te vinden is, waaronder de volledige lijst van ‘koninklijke’ groeperingen: www.koninklijk.com. Uit die lijst blijkt dat nog steeds relatief veel schuttersgezelschappen het predikaat mogen voeren.
(3) KHSS nr 4, Notulen 26 maart 1849
(4) A.L.N. baron Sloet tot Everlo, Koning Willem II en Tilburg (Tilburg 1895), p. 54-55. Over de relatie van Willem II met Tilburg en hoe die contemporain ervaren werd ook: Johannes Bosscha, Het leven van Willem den Tweede koning der Nederlanden en Groothertog van Luxemburg (derde druk, Amsterdam 1865) p. 499 vv. Recent over die relatie: Ronald Peeters, Koning Willem II, opperbevelhebber van het leger, ondernemer en grootgrondbezitter te Tilburg (Tilburg, 1999) en G.J.W. Steijns, ‘Koning Willem II en Tilburg’ in: Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, 17 (1999) p. 42-47. 
(5) Uit het dagboek van een Tilburger, cronique in en omtrent Tilburg voorgevallen, aangetekend door L. de Lelie en J.B. de Beer (overdruk van de editie van het manuscript uit het Nieuwsblad van het Zuiden, 1918), p. 94-95. De drie gilden krijgen ongenoegen met de Nieuwe Harmonie, omdat deze het geschenk van 200 gulden van de gast geheel alleen heeft ingepikt, terwijl zij deze toch ook mee hadden ingehaald. De kroniek van De Lelie en De Beer vermeldt zowat alle stappen die Willem II in Tilburg heeft gezet. 
(6) Het ‘Gezelschap van Boog-schutters onder de zin-spreuk Honos Alit Arcum‘ werd op 16 september 1844 als eerste onderafdeling van de Sociëteit Philharmonie opgericht en kreeg op 16 november d.o.v. koninklijke goedkeuring op haar reglement. De leden schoten met de handboog. Rond de eeuwwisseling was de belangstelling voor het schieten wat afgenomen en werd het meer een herendispuut binnen de sociëteit. In 1925 werd overgegaan op het schieten met de kruisboog. Als gevolg van de oorlog volgde dan weer een periode van stilstand. In 1952 werd ‘Honos’ weer uit de slaap gewekt en bloeit het weer tot op heden. 
A.P.J. Meijs, 150 Jaar Sociëteit Philharmonie 1840-1990 (Tilburg, 1990), p. 63 vv. Over het beschermheerschap: Steijns, ‘Koning Willem II en Tilburg’. 
(7) J.W.M. Pijnenburg, Joannes Zwijsen, bisschop (Tilburg, 1996), p. 51-52. Willem III logeerde na zijn late aankomst op 22 maart in Tilburg niet echt bij Zwijsen, hij beschikte er slechts over een ‘appartement’. 
(8) Pluymakers 1.
(9) HAA nr. 318.
(10) KHA Intendance paleis en domein Het Loo , E9c-1380
(11) Ibidem 
(12) Het notabele karakter van deze club wordt wel het best geïllustreerd door het feit dat vanaf de oprichting tot 1850 mr. Jacobus Arnoldus Mutsaers (1805-1880) president was. Hij was advocaat en kantonrechter te Tilburg (1842-1849), lid van de gemeenteraad (-1833 en 1843-1851), lid van Provinciale en Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (1833-1841), lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (1841-1848), minister van Rooms-Katholieke Eredienst (1848-1861 met onderbrekingen) en lid van de Hoge Raad (1851-1853) en Raad van State (1856-1877). Hij was Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw en van Gregorius de Grote en kreeg het Grootkruis in de Orde van de Eikenkroon.
(13) KHA Archief van de intendance van paleis en domein Het Loo, nr E9c-1380. ‘Honos’ behaalde op het Concours van 1849 de derde prijs in de wedstrijd om de meeste rozen. De daarbijbehorende trofee, een zilveren pijl, die in ontvangst genomen werd door het bestuurslid A.J. Verbunt, wordt nog steeds bewaard in de prijzenkast. Meijs, t.a.p. en Verslag Hartong (zie hierna) .
(14) Pluymakers 1. De secretaris van ‘Soranus’, de heer A. van Leent, blijkt later de ceremoniemeester en kennelijk ook de belangrijkste technisch organisator van het concours te zijn.
(15) KHSS nr.4, Notulen 6 juni 1849 en nr. kasboek. De brief met de inschrijving dd. 7 juni 1849 in KHA Archief Intendance paleis en domein Het Loo nr. E9c-1380. De opgave van de deelnemers met attestatie van de burgemeester van Tilburg dd. 25 juni 1849 in KHA: archief van jhr. H.M. Mollerus als secretaris van de commisie belast met de verordeningen der Koninklijke Wedstrijden, nr. 3. 
(16) Het concours bij de Haagse schutterij ‘Eendragt’ vond plaats op 27 juli 1847. In het tweede ‘Jaarboekje voor de boogschutterijen in het Koningrijk der Nederlanden voor 1848-1849’ (p.38-41; uitgegeven door A. van der Mast te Gorinchem) wordt onder het lemma van Sint-Sebastiaan Tilburg verslag gedaan van de daar behaalde successen, nadat eerst een stukje historie en een beschrijving van de activiteiten van het gilde is gegeven. Ook wordt een verslag gegeven van het aandeel van de Tilburgse gilden bij de plechtige eerstesteenlegging van het Tilburgse paleis van Willem II. Een uitvoerig verslag van het concours met ruime aandacht voor het aandeel van Sint-Sebastiaan Tilburg staat in het Dagblad van ’s-Gravenhage van 30 juli 1847. Daarin wordt wel abusievelijk vermeld dat koning Willem II ‘Beschermheer is van de schutterij van Tilburg, wier schutters thans zoo uitgeblonken hebben’. Hebben ze gepronkt met de veren van een ander, te weten ‘Honos’, en is daardoor het misverstand met de verkeerde bezorging van de brief van de intendant ontstaan? Alle in Den Haag te behalen prijzen gingen inderdaad wel naar Sint-Sebastiaan. Een verguld-zilveren met email gemeentewapen van Den Haag versierd medaillon berust nog in de verzameling van het gilde. 
(17) Kennelijk als tijdelijke en noodgedwongen vervanger voor Jan Baptist Hamers, die in 1846 koning was geworden, maar die nog tijdens zijn koningschap uit het gilde getreden is. In de ‘generale vergadering’ van het gilde van 26 maart wordt zijn ontslagbrief behandeld. Een en ander levert nogal wat onduidelijkheid op. Pas op 7 juni wordt zijn ontslag definitief. (KHSS nr. 4, notulen 16 en 30 april, 3 mei en 7 juni 1849.) Cox was op 26 februari tot deken gekozen en tot ‘administrateur’ van het gilde benoemd (ibidem, notulen 26 februari 1849). Hij was daarmee eigenlijk na de hoofdman de voornaamste bestuurder, en zo gedraagt hij zich ook. Van hem is in ieder geval geen koningsschild bekend en hij komt ook niet als zodanig op de koningslijst voor. Hamers’ opvolger P. van Dun schiet pas eind augustus 1849 de koningsvogel af. Zie ook: G.J.W. Steijns, De koningen van het Sint-Sebastiaansgilde Tilburg en hun zilver (Tilburg, 1989).
(18) Voor de antecedenten van deze heren zie de bijlage hiervoor. Opvallend zijn de vele familiebanden en het feit dat een aantal van deze gezeten middenstanders op nogal wat andere manieren actief waren in het Tilburgse sociale gebeuren. 
(19) KHSS nr.4, Notulen 19 juli 1849. In het archief van het gilde bevindt zich onder nr. 17 ook nog een uitvoerig gedrukt verslag van het concours, gemaakt door L.Hartong jr. voor het bestuur van de Handboogschutterij ‘Willem Tell’ te Rotterdam.
(20) Heidensche Kapel, bedoeld is de St. Nicolaaskapel, ook wel Valkhofkapel genoemd. 
(21) Bedoeld zijn de ‘Brosie’ ofwel het patroonsteken dat door de koning wordt gedragen en het keizersteken, de drie geschakelde zilveren vogels, die ooit in 1775 aan de gildekeizer Hendrik Michielsz. Schaepsmeerders waren geschonken en die hij aan het gilde nagelaten had. Alle genoemde kleinodiën zijn nog in het bezit van het gilde.
(22) Dit erekruis is niet meer in het bezit van het gilde. Een staat met de door Sebastiaan geschoten punten en rozen in: KHA, archief van jhr . H.M. Mollerus, nr. 7. 
(23) De vrolijkheid zal met gezang ondersteund zijn. In het archief van Sint Sebastiaan bevindt zich ook nog een bundeltje: ‘Liederen ter gelegenheid van den handboogschutters-wedstrijd op ’s Konings Loo den 27sten Junij 1849’. De feestelijke gelegenheidsdichtsels waren getoonzet op de wijze van bekende vaderlandse liederen als ‘Wien Neêrlands bloed…’. De uitsmijter met als laatste couplet: ‘Hij blijv’in bloei, hij blijv’in bloei, des handboogs roem houdt stand; ontfonkt ons ’t edelst eergevoel, dan volgen wij des Konings doel; dan leven wij, dan leven wij, ter eer van ’t Vaderland’ was op de wijs van het ‘Io vivat’.
(24) JULIUS BERNARD GRAAF VAN LIMBURG STIRUM werd geboren op 26 maart 1815 als zoon van de luitenant-generaal Frederik Willem v. Limburg Stirum en de Engelse Elisabeth Richards. Hij was behalve intendant van Het Loo ook kamerheer van Willem III. Hij is op 25 februari 1893 gestorven. Op 29 oktober 1841 touwde hij met Jacoba Louisa Barones van Heeckeren. Hun dochter Aurelia Carolina trouwde in 1893 met een van de belangrijkste persoonlijkheden uit de Nederlandse cultuurgeschiedenis: jhr. mr Victor E.L. de Stuers. (1843-1916) , die eerst administrateur was op het Minsterie van Binnenlandse Zaken en daarna lid van de Tweede Kamer. Vooral in de eerste hoedanigheid heeft hij de grondslag gelegd voor een rijksbeleid t.a.v. kunst en musea alsook, samen met de architect Pierre Cuijpers, voor het behoud van monumenten. (Bron: Nederlands Adelsboek)
(25) DIRK BAS BACKER werd geboren te Amsterdam op 20 september 1816 als zoon van mr. Willem Backer, ontvanger der directe belastingen en jkvr. Agneta Antonia Alewijn, en stierf op 17 april 1896. Hij was burgemeester van Apeldoorn (1843-1864), lid van Provinciale (1850-1889) en Gedeputeerde (1864-1887) Staten van Gelderland. Zijn achternaam werd al kort na zijn geboorte gewijzigd in Bas Backer en hij werd op 16 juli 1895 verheven in de Nederlandse adel met de titel jonkheer. (Bron: Nederlands Adelsboek)
(26) De gildebroeders van Sint-Sebastiaan waren niet de eersten die op die gedachte kwamen. Nog op de laatste dag van het concours had de Utrechtse schutterij ‘Apollo’ aan Maurits, die bij het schieten op de vogel aanwezig was, het beschermheerschap aangeboden, dat hij ter plekke onder het goedkeurend oog van zijn vader aanvaardde. Kroonprins Willem kreeg toen dezelfde eer van de Amsterdamse schutterij ‘Eendracht en Vriendschap’. ( KHSS nr. 17, Verslag Hartong) 
(27) KHSS nr. 17 en nr.4, notulen 26 augustus 1849. De brief aan de koningin met het concept van het antwoord van Van Rappard in ARA, archief van het Kabinet des Konings nr. 2.02.04.
(28) De brief is niet bewaard, maar hij wordt aangehaald in het antwoord van Van Rappard.
(29) KHSS nr. 14 en nr.4, notulen 27 augustus 1849.
(30) Voor de hiernavolgende beschrijving van de gebeurtenissen in 1849 en volgende jaren en het karakter en de wederwaardigheden van Willem III en Sophie van Württemberg is vooral geput uit: C.A. Tamse, ‘Plaats en functie van de Nederlandse Monarchie in de negentiende eeuw’ in: C.A. Tamse (red.) De monarchie in Nederland (Amsterdam/Brussel, 1980), p. 89 vv; C.A. Tamse, ‘Koning Willem III en Sophie’ in: C.A. Tamse (red.) Nassau en Oranje in de Nederlandse geschiedenis (Alphen a/d Rijn, 1979), p. 307 vv; J.A. Bornewasser, ‘Koning Willem II’ in: idem, p. 271 vv; J.G. Kikkert, Koning Willem III, (Utrecht, 1990) met name de pp. 97-196; Hella S. Haasse en S.W. Jackman, Een vreemdelinge in Den Haag. Uit de Brieven van Koningin Sophie der Nederlanden aan Lady Malet (Amsterdam, 1984), met name de inleidingen op de delen I en II. De gebruikte brieven worden hierna op datum geciteerd.
(31) L.J. Rogier, ‘Oranje en de Katholieken’, in: Herdenken en herzien, verzamelde opstellen (Bilthoven, 1974) p. 187-188.
(32) Haasse en Jackman, p. 91. 
(33) Een formele echtscheiding was vanuit staatkundig oogpunt ongewenst, wel werd in december 1853 bij onderhandse acte een scheiding van tafel en bed overeengekomen.
(34) Haasse en Jackman, 18 februari 1849.
(35) Haasse en Jackman, 15 maart 1849.
(36) Haasse en Jackman, 22 en 30 maart 1849.
(37) Haasse en Jackman, 18 mei 1849. 
(38) Hierover met name Haasse en Jackman, inleiding deel II.
(39) Haasse en Jackman, 4 juni 1850.
(40) Haasse en Jackman, 18 juli 1850.
(41) KHSS nr.4, Notulen van 27 augustus en 8 september 1849; mededeling van de heer A.F. Ubels van het KHA. In een vitrine vindt men daar wel een dertiental van dergelijke insignes voor de koning. Wellicht is het goede voornemen door de dood van de prins achterhaald. 
(42) ‘Fijne Mast’ was gevestigd op Korvel en bestond waarschijnlijk vooral uit employés van de wollenstoffenfabriek van N.H. Diepen op Korvel. De familie Diepen bezat een eveneens zo geheten bosperceel aan de Bredaseweg.
(43) KHSS nr.4, Notulen 15 november 1849, Pluymakers 1.
(44) De bronzen penning is nog in de verzameling van het gilde.
(45) Pluymakers 1. De tekst van de toespraken werd door de commissie per circulaire toegezonden aan de schutterijen die bijgedragen hadden. Deze en andere met de gebeurtenissen in 1850 samenhangende stukken niet in KHSS, maar ze zijn wel bewaard in de archieven van ‘De Vriendschap’ in Delft en ‘De Batavieren’ in Hulst.
(46) KHA Archief koning Willem III, A45/VI18. Het betreft een album in roodlederen omslag met als opdruk in goud: Diploma van Neêrlands Handboogschutterijen aan Z.M. den Koning Willem III Opper-Beschermheer. Op vrijwel iedere bladzijde staan de namen van telkens vier verenigingen in kalligrafisch schrift en met de handtekening van de betreffende bestuursleden. Dit document is aanwezig bij het Koninklijk Huisarchief te 's-Gravenhage, archief jhr. H.M. Mollerus, kamerheer van koning Willem III. Mollerus was, namens de koning, belast met de regeling van de koninklijke concoursen voor handboog- en scherpschutterijen. Een eerste concours op Het Loo voor de scherpschutters vond plaats op 27 juni 1851. 
(47) Er wordt in deze jaren wel druk gebouwd op deels verkochte terreinen van het gilde aan de huidige Piusstraat en Primus van Gilsstraat. In feite is dat het begin van de bebouwing van de binnenstad van Tilburg op die plek, aansluitend aan het park van het zojuist gereedgekomen maar nooit bewoonde koninklijk paleis, de latere wijk Koningswei (o.a. KHSS nr.4, Notulen 12 november 1850, een huis van Adriaan Obbens).
(48) KHSS nr.4, Notulen van 31 maart, 5 mei, 26 mei, 29 mei en 12 juni. Alles duidt op een fikse ruzie in de directie, maar het hoe en waarom staat niet in de notulen. In 1847 waren er nog 21 leden (Jaarboekje voor de Boogschutterijen …. Eerste jaar, 1847, p. 24). Op 30 juli 1849 waren er volgens de dan onder een in het notulenboek ingeschreven (vernieuwd?) reglement 16 leden. Daar kwamen er tot 1851 nog twee bij, maar Cornelis Bressers overleed in januari 1851 (daarom was de teerdag al uitgesteld tot 8 mei) en in 1850 hadden er al vier, G. Tuerlings, J. van de Langerijt, A.J. Verschuuren en P. Goijaerts, het gilde verlaten. Alles optellend en aftrekkend komen we dan op slechts tien leden in mei 1851 te weten: P.L. Donders, C.A. Hutten, P.C. Verschuuren, C.P.G.Cox, M.C.N. Bressers, P. Marsé, J.G. Marsé, P.H. van Dun, J.C. van Dun en L. Demouge. Daarvan gaan er dus zeven naar Apeldoorn. 
(49) JONKHEER HENRY MARIE MOLLERUS (sinds de dood van zijn vader in 1855 baron) is op 24 september 1812 in Amsterdam geboren en overleed te Gries bij Bolzano (nu Italië) op 17 januari 1899. Hij was kamerheer des konings in buitengewone dienst. Hij was een zoon van Willem baron Mollerus, gezant te Sint Petersburg en grootmeester van koning Willem III, en Marie Jeanne Faesch. Hij is tweemaal gehuwd, eerst op 17 november 1862 te Potsdam met Hélène Möller von Bülow (gest. Potsdam 1866, dochter van een Pruisische geheime regeringsraad) en vervolgens op 28 april 1869, weer in Potsdam, met Anna von Wichert. 
JONKHEER LUDOLPH VAN BRONCKHORST werd op 20 mei 1813 in Groningen geboren als zoon van de legerofficier jhr. Gosso Bernardus van Bronckhorst en Susanna Hiddingh en is op 19 augustus 1885 in Scheveningen overleden. Hij werd in 1831 officier bij de infanterie en klom op tot kolonel titulair. Hij was vanaf 1839 particulier secretaris van prins Willem (III), later diens hofmaarschalk en intendant van Het Loo. Hij was een bijzondere vertrouweling van de koning en een van de weinigen die invloed op hem konden uitoefenen. Hij trouwde op 15 juli 1840 in ’s-Gravenhage met jkvr. Clara Henriëtte Nicoline Holmberg de Beckfelt. Opmerkelijk is dat Ludolphs oudste zus jkvr. Lucia Helena van Bronckhorst gehuwd was met ds. Gerard Johan Molengraaf, die van 1838 tot 1846 Ned. Herv. predikant in Tilburg en Goirle was, als voorganger van de bovenvermelde ds. Schotel.
MR. JACOB VAN LENNEP werd op 24 maart 1802 in Amsterdam geboren en overleed in Oosterbeek op 25 augustus 1868. hij was o.a. rijksadvocaat te Amsterdam en (secretaris-)curator van verscheidene onderwijsinstellingen aldaar, waaronder het Atheneum Illustre, in 1853/’54 was hij lid van Provinciale Staten van Noord-Holland en van 1853 tot 1856 van de Tweede Kamer. Hij was dichter en romancier en schreef een aantal geschiedkundige werken en reisbeschrijvingen. Hij hield zich met name ook bezig met volkskundige onderwerpen. Hij trouwde op 13 oktober 1824 te Amsterdam met jkvr. Henriëtta Sophia Wilhelmina Roëll (geb. Amsterdam 21 februari 1892, gest. Amsterdam 8 januari 1870). 
(bron: Nederlands Adelsboek en Kikkert a.w. de pp. 159 en 185)
(50) KHSS nr.4, Notulen 4 augustus 1851
(51) Pluymakers 2. De medaille van Bressers bevindt zich met nog vele later gewonnen exemplaren op een houten tableau, dat enige jaren geleden met het familie- en bedrijfsarchief bij het Regionaal Historisch Centrum Tilburg is gedeponeerd. Het Provinciaal Dagblad van Noord-Brabant van 1 juli 1851 vermeldt in een verslag dat Bressers ook een bronzen medaille voor de beste pezen zou hebben verworven. Zo’n medaille is er echter niet en deze mededeling wordt ook niet door andere bronnen bevestigd.
(52) KHSS nr.4, Notulen 29 september 1851. 
(53) KHSS nr. 14: Stukken betreffende de verlening van het predikaat Koninklijk, en nr.4, notulen 18 oktober 1851.
(54) Een en ander heeft desondanks geleid tot misverstanden. Veel schutterijen hebben het opperbeschermheerschap toch beschouwd als een bijzondere band met hun gezelschap, andere zijn later de wettelijk verplichte zogenaamde ‘koninklijke goedkeuring’ van hun statuten als de bevestiging daarvan gaan zien. In een enkel geval is dat later ook geaccepteerd. Op dit moment mogen zich nog ‘Koninklijk’ noemen de volgende vijf handboogschutterijen: De Batavieren in Hulst (wipschutters), Gilde St.-Sebastiaan in Tilburg, St.-Sebastiaan 1408 in Maastricht (wipschutters), Concordia in Amsterdam en Amicitia in Schijndel (uitgebreider hierover: Pluymakers 4). 
(55) KHSS nr.4, notulen 19 december 1851. De aldus ingelijste litho is nog steeds in het bezit van het gilde.(zie afbeelding hierboven).
(56) Pluymakers 3. De circulaire van maart 1852 niet in KHHS, maar wel in het archief van ‘De Vriendschap’ in Delft .
(57) KHSS nr.4, notulen 26 april, 9 en 31 mei 1852 en nr. 34, kasboek. De bouwtekening, althans een helft, voor de vogel berust nog in het gildearchief en uit het kasboek blijkt dat ‘Honos’ de helft, dat was ƒ 2,37½, heeft betaald. De bepaling dat het ereteken moest worden nagelaten aan het schuttersgezelschap stond overigens ook in het wedstrijdreglement. De verguldzilveren ster behoort nog steeds tot de gildeschatten. Bewaard is ook nog een bekroning voor de stok van de standaard, waaraan medailles bevestigd kunnen worden. 
(58) KHSS nr. 4, Notulen 21 juni 1852.
(59) Pluymakers 3. 
(60) KHA Archief van de Hofmaarschalk nr. E10-Ib-23 en diens correspondentieboek, en archief van de Intendance van Paleis Het Loo nr E9c-533. Het uit de Firma Wed. C. Bressers voortgekomen Tilburgse bedrijf Bressers Metaal BV verwierf het predikaat ‘Hofleverancier’ in 1995 op basis van heel andere merites. De familie Bressers is overigens wel tot op de huidige dag verbonden met het gilde. Zie ook: Ronald Peeters, ‘Bij koninklijke beschikking Hofleverancier. 125 jaar Tilburgse hofleveranciers’, in: Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jrg. XIII (1995), p. 46-59 en M.C.X.M. Bressers en W. de Bakker, Het geslacht Bressers (Tilburg, 1988), p. 346-378.
(61) E. Meeter, Holland, kranten, kerkers en koningen (Amsterdam, 1966), p. 158 vv. Deze oorspronkelijk in 1857 in het Engels verschenen memoires van een Nederlandse uitgeweken schandaaljournalist geven hoewel misschien niet al te objectief toch menig interessant inkijkje in het leven van Willem II. Meeter blijkt achteraf redelijk goed geïnformeerd te zijn geweest.
(62) S.W. Jackman, De Romanov Relaties, de privé-correspondentie van de tsaren Alexander I, Nicolaas I en de grootvorsten Constantijn en Michael met hun zuster Anna Paulowna 1817-1855 (Baarn, 1987), p. 204-205.
(63) Kikkert, ‘Koning Willem III’, p. 167 vv.
Peeters, ‘Koning Willem II, opperbevelhebber …’, passim.
(64) J.W.M. van de Wall, De Valkerij op het Loo (Haarlem, 1986) m.n. p. 114. Kamerheer Mollerus was vanaf 3 juli 1850 ook belast met de administratie van het Nederlands Valkeniers-Gezelschap, dat hij in 1855 in opdracht van Willem III liquideerde. Demonstraties met valken maakten ook deel uit van het programma tijdens de schuttersconcoursen; J.P.M. van Oirschot, Vorstelijke vliegers en Valkenswaardse valkeniers sedert de zeventiende eeuw (Tilburg, 1974) p. 226 vv; B.J. Speet, ‘Vijf eeuwen de Oranjes en hun sport en jacht’ in: In naam van Oranje, afl. 30 (Zwolle, 1994), p. 708-710. Er bestaat een aantal schilderijen en tekeningen o.a. van N. Pieneman en Ch. de Montpezat van koningin Sophie te paard met een valk op de hand.
(65) Pluymakers 2 en 3.
(66) KHSS nr.4, bij notulen 21 juni 1852. 
(67) KHSS nr.4, notulen 27 juni 1853. De prins trouwde met Maria, de dochter van hertog Bernard van Saksen-Weimar-Eisenach, die als onderbevelhebber van de toenmalige kroonprins Willem (II) in de campagne tegen de Belgen regelmatig in het hoofdkwartier in Tilburg verbleef.
(68) KHSS nr.4, notulen 24 april 1854, de gedrukte circulaire van 26 april is daarbij ingeplakt.
(69) Brief en circulaire in KHSS.nr 17.
(70) KHSS Circulaire gehecht in nr.4, bij notulen 1854, reglement van orde in.nr. 20, tekst reglement ook in het notulenboek vermeld.
(71) KHSS nr.4, notulen 27 mei 1854.
(72) De leden hebben het zelf waarschijnlijk gehouden, want er zit geen exemplaar meer in de zilververzameling van het gilde. Het proces-verbaal in KHSS nr 21.
(73) Circulaires m.b.t. de wedstrijd bevinden zich ook in het archief van De Vriendschap in Delft.
(74) Van deze schietvereniging bestaat het vermoeden dat het een afsplitsing was van het Sint-Jorisgilde, dat zelf overigens met de kruisboog schoot. Ook zou ze er later weer in opgegaan zijn. De twee zustergilden van Sint-Sebastiaan, het kruis- of voetbooggilde Sint-Joris en de kolveniers van Sint-Dionysius, waren uiteraard zelf niet onder de deelnemers van de Koninklijke concoursen, omdat ze niet met het goede wapen schoten.
(75) De stukken m.b.t. de koninklijke wedstrijd in Breda zijn in KHSS verspreid te vinden onder de nrs. 4, 19, 20, 21, 22 en 29. De circulaires van de Bossche en Bredase schutterijen ook in HAA nr. 318. In de Bredasche Courant van 3 augustus 1854 verschijnt het programma, terwijl in het nummer van 10 augustus een uitvoerig verslag wordt gegeven.
(76) Rogier, ‘Oranje en de katholieken’, p. 188 vv; Volgens het eerste Adresboek van Tilburg uit 1879 waren er hier alleen al 26 handboogschuttersgezelschappen actief.
(77) Pluymakers 3 
(78) KHSS nr.4, notulen 29 december 1873. Het geschenk van liefst 145 Noord-Brabantse handboogschutterijen bestond uit een zilveren bokaal. Een landelijk initiatief uitgaande van ‘De Batavieren’in Rotterdam, gesteund door 31 verenigingen waaronder een aantal Brabantse en daarbij ook ‘Honos’ uit Tilburg, leverde een beeld van de Nederlandse Maagd op. De Rotterdammers hadden grote moeite met het initiatief van De Unie in Den Bosch, omdat zo door het Brabantse separatisme het nationaal karakter van het geschenk geweld werd aangedaan (HAA nr. 318, m.n. brief van ‘De Batavieren’ dd. 14 januari 1874). De drie Amsterdamse handboogschutterijen gaven de koning een fraaie inktkoker. Bij de aanbieding van het beeld van de Nederlandse Maagd had de voorzitter van het landelijk comité de euvele moed de koning te verzoeken om alle handboogschutterijen zich Koninklijk te laten noemen! De koning hoorde het minzaam aan, en daar bleef het bij! (Pluymakers 3 en 4).
(79) KHSS nr.4, notulen 26 januari, 24 februari, 4 , 9 en 16 maart en 27 april 1874, en nr. 23, kasboek 1874.
(80) RHCT collectie kranten, Nieuwe Tilburgsche Courant 21 mei 1874.
(81) Over de wederwaardigheden van het Sint-Sebastiaansgilde sinds zijn eerste vermelding en met name het verval tot inactiviteit en het ‘opwekken’ na de periode van slapend zijn zie: C. van Dun, Het Koninklijk Handboogschuttersgilde ‘Sint-Sebastiaan’ te Tilburg, Tilburg 1977. Zie ook: ‘Koninklijk Verbonden’ (1991) de inleiding, en Pluymakers 4, over het terecht voeren van het predikaat door schuttersverenigingen.
(82) Gegevens ontleend aan een genealogische database onder andere met betrekking tot leden van Tilburgse schuttersgilden opgebouwd door de G.J.W. Steijns
(83) Ronald Peeters, ‘Enkele afbeeldingen rond het overlijden van koning Willem II berustend in het Gemeente-Archief van Tilburg’, in: Mensen van vroeger en de dingen die zij aan ons hebben nagelaten, jrg. 6/7 (1978/1979), nr. 7/8/9, p. 124-125 en A.W.A.J. Demouge, Genealogie Demouge (Uden, 1977). Van de zeldzame litho, gesigneerd ‘Tilburg bij Louis Demouge Lith.’, zijn twee exemplaren bekend, een in het RHC Tilburg en een in het Rijksprentenkabinet te Amsterdam; afgebeeld in Ronald Peeters, Koning Willem II (1999), p. 21. 


* Jo Pluymakers (Maastricht, 1940) wonende in Beek (L), was vele jaren als manager werkzaam bij een groot landelijk verzekeringsconcern. In zijn vrije tijd beoefende hij de handboogsport en was hij lange tijd bestuurder van de Koninklijke Sociëteit van handboogschutters Sint-Sebastiaan 1408 te Maastricht. Van hieruit ontstond zijn belangstelling voor de historie van de schutterijen en in het bijzonder van de handbooggezelschappen. Vooral de relatie van de schutterijen met koning Willem III trok zijn aandacht en resulteerde in een uitgebreid onderzoek. Hierover publiceerde hij o.a. in ‘Handboogsport, orgaan van de Nederlandse Handboog Bond’ (2000 en 2001).

Drs. Gerard Steijns (Tilburg, 1942) was van 1980 tot 1998 gemeentearchivaris van Tilburg. Hij schreef diverse publicaties op historisch terrein, onder andere het boek ‘Pieter Vreede. Mijn levensloop’ (1994) en bijdragen voor het tijdschrift ‘Tilburg’ zoals over de parochie Tilburg ’t Heike (1990), Koning Willem II (1999) en over de wijken Jeruzalem (2000) en Zorgvlied (2001). Hij is lid van het Koninklijk Handboogschuttersgilde Sint-Sebastiaan van Willem III te Tilburg.