Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
556. Tilburg, stad met een levend verleden
 

Titel:   

Tilburg, stad met een levend verleden

Ondertitel:   

Een bespreking

Auteur:   

Paul van Dun*

Jaargang:   

XX (2002) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina’ s:   

25-42



Op vrijdag 9 november werd in de Tilburgse raadzaal het boek Tilburg stad met een levend verleden gepresenteerd. Het boek wil zowel de behoefte aan een wetenschappelijke stadsgeschiedenis bevredigen, als een voor het grote publiek toegankelijke stadsgeschiedenis zijn. Het resultaat is een kloek boekwerk van een kleine 4 kilogram dat met een hoogte van 33 en breedte van 25 centimeter groter en zwaarder is dan een deel van de Algemene Geschiedenis der Nederlanden.(1) Met 592 pagina’s en 425 illustraties breekt het boek nog menig ander record. De onlangs met het werk van Kuyer gecompleteerde Bossche geschiedenis is de enige Brabantse stadsgeschiedenis die zich qua omvang en vormgeving met de juist verschenen Tilburgse kan meten.

 

De Tilburgse historiografie vóór 2001

Tot voor kort moesten historici die zich met de Tilburgse geschiedenis bezighielden een recent en gedegen wetenschappelijk overzichtswerk ontberen. Er verscheen zeker de laatste vijfentwintig jaar weliswaar een aantal goede monografieën en artikelen over bijvoorbeeld het volkshuisvestingsbeleid, de opkomst van de industrie en het sociale leven, maar ze beschreven meestal alleen de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw. Wat er was aan werken die min of meer het predikaat overzichtswerk konden meekrijgen, was oud of beperkt, bijvoorbeeld het werk van Berend Dijksterhuis uit 1899, dat weliswaar de heerlijkheid Tilburg en Goirle behandelde, maar zich tevens beperkte tot het Ancien Régime.(2) Vooral op basis van bestuursarchieven geeft Dijksterhuis veel informatie over de heren van Tilburg, het bestuur en de ambtenaren, de belastingen, het economisch en het kerkelijk leven en het onderwijs. Ondanks zijn gedateerdheid heeft dit boek overigens nog steeds grote waarde door de enorme hoeveelheid details die erin staan. 




Een ander overzichtswerk werd geschreven door P.C Boeren.(3) De beperking van dit boek, dat ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Kamer van Koophandel verscheen, is dat het slechts een economische geschiedenis van Tilburg geeft. Bovendien steunde de auteur op door Posthumus voor Leiden verricht onderzoek, waardoor een te eenzijdig beeld van Tilburg als dependance van de Leidse textiel werd geschetst. 

Van meer recenter datum is het werk Van Heidorp tot Industriestad, dat onder redactie van oud-gemeentearchivaris H. Schurink en J. van Mosselveld werd samengesteld.(4) De tekortkoming van dit thematisch opgezette boek is dat er een duidelijk chronologische lijn in ontbreekt, dat het ophoudt rond 1900 en dat er veel aspecten van de Tilburgse geschiedenis onbeschreven bleven. Zo blijft een aparte behandeling van de kerkelijke geschiedenis beperkt tot de periode vóór 1600. 
Van 1993 tot 1995 verscheen het populaire Ach Lieve Tijd.(5) Dit rijk geïllustreerde populaire werk behandelt evenals Van Heidorp de Tilburgse geschiedenis op populair thematische wijze en niet bepaald diepgaand. Ach Lieve Tijd was, zo werd bij de presentatie van het eerste deeltje in 1993 ook gezegd, slechts een appetizer voor het grotere en meer gedegen werk dat er moest komen.

Ontstaansgeschiedenis project

Het initiatief om tot het schrijven van een wetenschappelijke stadsgeschiedenis van Tilburg te komen, werd destijds door het gemeentebestuur genomen. Er werd een projectgroep ingesteld en in september 1995 verscheen er een advertentie waarmee een auteur gezocht werd. De projectgroep stond een benadering van de Tilburgse geschiedenis vanuit historisch-antropologisch perspectief voor ogen waarbij een integratie van politieke, sociale, economische, demografische, religieuze en culturele elementen moest worden nagestreefd. Een auteur moest de klus gaan klaren. Dr. Ton Thelen werd hiervoor uitverkoren; hij begon zijn werkzaamheden in 1996.

Er kwam veel kritiek op de opzet. Kenners van de Tilburgse historiografie, zoals professor van den Eerenbeemt, Henk van Doremalen en ondergetekende, twijfelden sterk aan de haalbaarheid van het hele project.(6) In mijn ogen hadden de individuele leden van de oorspronkelijke projectgroep of onvoldoende kennis van de stand van zaken op het gebied van de Tilburgse geschiedenis, of onvoldoende inzicht in de wat een onderzoeker-auteur menselijkerwijs binnen de gestelde termijn kon doen. Er waren gewoon nog steeds te veel lacunes op het gebied van de Tilburgse geschiedenis. Tijdens het maken van Ach Lieve Tijd was dat andermaal duidelijk geworden. Met name het Ancien Régime en de Middeleeuwen waren nog onvoldoende onderzocht. En wat betreft de geschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw waren eigenlijk alleen de economische ontwikkelingen goed onderzocht. Over de laat-twintigste-eeuwse geschiedenis was nagenoeg nog geen diepgravende studie verschenen.

Helaas voor de voortgang van het project kregen de critici gelijk.Thelen haalde bij lange na de gestelde termijnen niet. Desondanks besliste de projectgroep pas in de loop van 1999, een jaar voor de eerder gestelde verschijningsdatum, om een aantal freelance onderzoekers aan Thelen toe te voegen. Maar ook dat was onvoldoende om het project weer op de rails te krijgen. Het een en ander resulteerde er eind 1999 uiteindelijk in dat Thelen na alle toestanden onder weinig verheffende omstandigheden zijn werkzaamheden voor het project staakte. De projectgroep ging vervolgens op zoek naar een hoofdredacteur en een daarbij passend team historici om de klus te klaren. Als hoofdredacteur werd Cock Gorisse aangetrokken. Naast haar werden Nico Arts, Martin de Bruijn, Henk van Doremalen, Ad van den Oord en Lauran Toorians aangetrokken als perioderedacteuren en Ronald Peeters als beeldredacteur. Saillante details zijn dat zowel Gorisse als Van den Oord het in de sollicitatieprocedure van eind 1995 aflegde tegen Thelen, en dat Van Doremalen tot de critici van het eerste uur behoorde. De redactie werd ondersteund door een aantal onderzoekers-auteurs. 

Met de nieuwe opzet lukte het wel om binnen afzienbare termijn een fraai boek samen te stellen waarin veel facetten van de Tilburgse geschiedenis vanaf de prehistorie tot heden aan bod komen. Dit boek is voornamelijk gebaseerd op eerder onderzoek en geeft aldus vooral een analyse op basis van de huidige wetenschappelijke stand van zaken. Op een aantal plaatsen is aanvullend (archief)onderzoek verricht. Vooral over de periode na 1945 was nog maar weinig gepubliceerd.

Prehistorie

Tilburg, stad met een levend verleden wordt geopend door archeoloog Nico Arts met een hoofdstuk over de prehistorie. Het beschrijft allereerst de geografische geschiedenis van de regio, die grofweg gevormd wordt door het grondgebied van de huidige gemeentes Tilburg en Goirle. Arts behandelt allereerst de vegetatiegeschiedenis die aanvankelijk alleen door klimatologische veranderingen beïnvloed werd. Achtereenvolgens was de regio begroeid met lage berken, een gemengd berken-dennenbos. Na de laatste ijstijd ontstond er geleidelijk aan een loofbos dat er zonder ingrijpen van de mens nu nog zou zijn geweest. Om landbouw te kunnen bedrijven, werden er in de regio vanaf ongeveer 2000 jaar voor onze jaartelling geleidelijk aan stukken van dit loofbos gerooid. Vanwege de onvruchtbaarheid van de zandgronden moesten de akkers telkens elders aangelegd worden. Door deze roofbouw ontstonden er steeds grotere landschapsbepalende heidevelden in de regio. 



V.l.n.r. vuurstenen schrabber en pijlpunt van de Federmessercultuur (ca. 9900-9100 voor Chr.). 
Dit zijn de oudste vondsten uit Tilburg (Kraaiven; coll. Ronald Peeters, Tilburg). Daarboven 
een zogenaamde macehead van kwarts, waarvan de functie nog onduidelijk is (Lepelare Zand, 
coll. Ronald Peeters) en daarnaast een zogenaamde zoemsteen, een soort muziekinstrument, 
van de steensoort lydiet (Kraaiven, coll. Noordbrabants Museum Den Bosch). Beide voorwerpen 
stammen uit de middensteentijd (ca. 5500 voor Chr.).


De vroegste sporen van menselijke bewoning in onze regio dateren van ongeveer 9500 jaar voor onze jaartelling. Deze mensen leefden van de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel. De door Arts over deze jagers en verzamelaars gegeven informatie is voornamelijk gebaseerd op algemene kennis over de verschillende prehistorische culturen in West-Europa. Wel lezen we op bladzijde 29 het alleraardigste feitje dat op het industrieterrein Kraaiven in Tilburg-Noord een zogenaamde zoemsteen is gevonden, het oudst bekende muziekinstrument van Nederland. Het Kraaiven blijkt in onze regio overigens naast onder andere de Regte Heide de belangrijkste archeologische vindplaats met informatie over de prehistorie. De restanten van de grafheuvels die op de Regte Heide werden gevonden, dateren van de periode 1800-1100 voor onze jaartelling, de periode dat de landbouw in onze regio zijn intrede deed.

De volgende grote veranderingen kwamen ruim 2000 jaar geleden met de Romeinen. Het geld verving de ruilhandel en meer goederen zoals aardewerk werden geïmporteerd, en ook in de landbouw en veeteelt veranderde er veel. Na de Romeinse tijd geraakte onze streek vrijwel geheel ontvolkt. Pas tegen het einde van de zesde eeuw, in de Merovingische tijd, werd hij opnieuw gekoloniseerd. Tot in de dertiende eeuw was er sprake van een zelfvoorzienende economie. Vanaf dan gaat de Brabantse boer zijn akkers ook bemesten en vestigt hij zich niet langer op de dekzandruggen, maar veelal aan de randen van beekdalen, plaatsen die nu nog steeds bewoond worden.

De Middeleeuwen

Deel twee gaat over de Middeleeuwen en is geschreven door Leo Adriaensen en Lauran Toorians. Zij behandelen achtereenvolgens de ontwikkeling van landbouw en nijverheid, het bestuur van de heerlijkheid Tilburg en Goirle en het kerkelijk leven in onze regio. De gegevens over de Tilburgse geschiedenis in dit deel zijn voornamelijk afgeleid van geschreven bronnen. Tilburg werd voor het eerst vernoemd in een akte uit 709, waarbij de Frankische grootgrondbezitter Engelbert een domein met elf hoeven aan Willibrord schonk. Na diens dood gingen zijn bezittingen over aan de abdij van Echternach.

Over de landbouw lezen we dat de systematische, grootscheepse ontginningen in de twaalfde en dertiende eeuw het gesloten landschap opleverden waarbij de bevolking verspreid was over herdgangen en grote alleenstaande hoeven van waaruit de ontginningen georganiseerd werden. De abdij van Tongerlo was toentertijd een van de belangrijke grootgrondbezitters in onze streek. De omvang van deze bedrijven nam gedurende de veertiende en vijftiende eeuw af. We lezen verder dat het drieslagstelsel werd toegepast, waarbij er na twee jaren wintergraan te hebben ingezaaid in het derde jaar zomergraan werd verbouwd. Gedurende de braakperiode voorafgaand aan het zomergraan werd in de graanstoppels spurrie of koolzaad ingezaaid. Spurrie diende als bemesting en ter begrazing (stoppelweide) voor het vee. Gezien de schraalheid van de zandgrond viel de productiviteit tegen. Toponiemen als Bijster (Besterd), Kwade Hoeve (Kwaadeindstraat) en Blootbeemden refereren daaraan. Voor tarwe was de grond te schraal en daarom werden vooral rogge, gerst, haver en vanaf ongeveer 1400 ook boekweit verbouwd. Bemesting was een groot probleem doordat er als gevolg van het structurele gebrek aan weidegronden vrijwel geen vee gehouden kon worden. De potstal, ‘een overdekte kuil waarin de koeien vrijwel het gehele jaar waren ondergebracht om zichzelf omhoog te schijten’, bracht hier enige uitkomst. Door dagelijks heideplaggen toe te voegen behielden de beesten enigszins droge poten. Groenten (bonen en kool) werden veelal in de hof van de boerderij verbouwd. Over de gemeint, de gemene grond, kregen de inwoners in 1329 van de hertog de beschikking. Ze leverde meststoffen en werd ook gebruikt voor het weiden van varkens, magere runderen en vooral schapen, het verzamelen van wilde kruiden, zoals de voor de introductie van de hop voor de bierbrouwerij zo belangrijke gagel en het steken van turf en heideplaggen. Delen van de Tilburgse gemeint lagen in Berkel, Enschot, Riel en Hilvarenbeek.

Behalve de opmerking dat er aan de hand van oude familienamen overal in Tilburg wel schoenmakers, smeden, kleermakers, kuipers en timmerlieden zullen hebben gewoond, lezen we in dit deel niets over de ontwikkeling van de ambachten gedurende de late Middeleeuwen. Het ambacht zal waarschijnlijk niet veel meer dan agrarisch nevenbedrijf zijn geweest, maar zelfs deze conclusie blijft achterwege. Tilburg was eind vijftiende eeuw een landbouwdorp met amper 2000 zielen.

Op deze foto van Henri Berssenbrugge van omstreeks 1900 is een oude boerderij te zien, met een 
rieten dak en gevlochten wanden die met leem zijn bestreken. Deze bouwmethode stamt nog uit de 
late Middeleeuwen. (coll. RHC Tilburg).


Geografisch komt het bestuurlijk kader van het middeleeuwse Tilburg niet overeen met het huidige. Die kans geografisch weer meer aan te sluiten bij de middeleeuwse heerlijkheid hebben de politici in 1996 laten glippen door Goirle en Tilburg niet te herenigen. Tilburg en Goirle vormden weliswaar twee afzonderlijke heerlijkheden, maar waren doordat ze lang onder één heer stonden feitelijk onafscheidelijk van elkaar. In 1387 gaat de heerlijkheid Tilburg en Goirle als onderpand bij een forse lening over van hertogin Johanna van Brabant naar Pauwels van Haastrecht. De hertogen van Brabant hadden de macht over de regio overigens pas sinds ongeveer 1260 van de heren van Tilburg weten los te weken. Hoe dit waarschijnlijk in zijn werk is gegaan, is een ingewikkeld verhaal. De lezer zal zich goed moeten concentreren om te kunnen volgen hoe de Brabantse hertogen hun macht verstevigden ten koste van de Giselberten, die over Tilburg de heerlijke rechten uitoefenden. Heel wat namen die uit elkaar gehouden moeten worden, passeren de revue. 

Tijdens deze machtsstrijd zorgde de hertog van Brabant ervoor dat Oost-Tilburg (Oisterwijk) en West-Tilburg (Tilburg) bestuurlijk van elkaar gescheiden werden. De bestuurlijke en de rechterlijke macht berustten tot dan altijd in Oisterwijk. In 1342 krijgen de bestuurders van Tilburg van Jan III rechtsprekende bevoegdheden die hen in staat stellen om ook in halszaken recht te spreken. In 1387 gaan de hoge en de lage jurisdictie over aan Pauwels van Haastrecht. Het recht om een eigen schepenbank in te stellen verkreeg de heerlijkheid Tilburg en Goirle pas in 1453 van de Brabantse hertog Filips van Bourgondië.

In de geschiedenis van het Tilburgse kerkelijk leven speelde de norbertijnerabdij van Tongerlo een belangrijke rol. In 1232 kreeg deze abdij van paus Gregorius IX het patronaatsrecht over onder andere West-Tilburg. Hierdoor mocht de abdij de Tilburgse pastoor benoemen, iets wat ze zes eeuwen lang zou doen. Als patroonheilige kreeg Tilburg Dionysius. Dit laatste is te verklaren doordat de Giselberten, die de kerken van Tilburg gesticht hebben, een bijzondere devotie voor deze onthoofde heilige hadden.
Het parochiegebied van Tilburg strekte zich uit over het huidige Tilburg en Enschot. In deze laatste plaats was wel een eigen kerk, maar de Tilburgse pastoor bleef er via een plaatsvervanger verantwoordelijk voor de zielzorg. Vanaf 1384 tot 1648 fungeerde het van een gracht voorziene huis Moerenburg als pastorie. 

De auteur besteedt verder nog op een onderhoudende manier aandacht aan de kerkelijke organisatie - Tilburg viel tot 1559 kerkelijk onder het prins-bisdom Luik - en rechtspraak. De kerkelijke rechtbank vonniste over zaken als incest, ketterij en godslastering.
Op de plaats van de huidige Heikese kerk staat vrijwel zeker vanaf ongeveer 1400 een bedehuis. Behalve als bedehuis had het kerkgebouw overigens nog meer belangrijke functies. In tijden van gevaar konden er zaken of personen in veiligheid gebracht worden, er werden veel belangrijke aankondigingen gedaan en de luister van het gebouw straalde af op de hele gemeenschap.
In de armenzorg had de kerk een belangrijke sociale functie. Een speciaal in het leven geroepen fonds, de heiligegeesttafel, werd voor de uitvoering van deze zorg in het leven geroepen. De uit de beter gesitueerde boeren en ambachtslieden gerecruteerde heiligegeestmeesters beheerden deze instelling. De armenzorg was bedoeld voor het tijdelijk welzijn van de minderbedeelden en voor het eeuwige van de weldoeners. In 1569 beschikte de tafel bij de Heuvel over een huisje met een kleine moestuin waar de ‘scamele, oude huijsarmen’ woonden.

De vroegmoderne tijd

Deel drie van Tilburg, stad met een levend verleden is geschreven door Martin de Bruijn en gaat over de vroegmoderne tijd (1450-1780). De Bruijn behandelt achtereenvolgens het economisch leven, het bestuur en de politiek, het materieel bestaan en de ontwikkelingen op het gebied van kerk, onderwijs en cultuur.
De Tilburgse bebouwing lag in deze periode in een zogenaamde spinnenwebstructuur: losliggende gehuchten aan elkaar verbonden door stoffige zandwegen en ertussenin akkers. Ondanks de vele oorlogshandelingen steeg de Tilburgse bevolking behoorlijk in de zestiende en zeventiende eeuw. Rond 1700 was Tilburg na ’s-Hertogenbosch de volkrijkste plaats van Staats-Brabant. Binnen de hele Republiek was Tilburg toentertijd het grootste dorp. Deze snelle bevolkingsgroei vooronderstelt bestaansmiddelen buiten de landbouw. Het gros van de Tilburgse bevolking leefde gedurende heel de door De Bruijn beschreven periode in armoede.

Economische ontwikkelingen

De belangrijkste ontwikkeling in deze periode is de transitie van een vrijwel agrarisch dorp, naar een dorp waar de nijverheid een belangrijke plaats innam. Met name het belang van de textiel nam sterk toe. In de landbouw veranderde er niet veel vergeleken bij de vorige periode, behalve dan dat er nieuwe gewassen zoals de aardappel bij kwamen. De aardappel had als voordeel dat hij op een relatief klein lapje grond een behoorlijke oogst opleverde. Het groeiend aantal loonarbeiders kon zo dus op de grond bij het eigen huis voor eigen gebruik telen.

Een van de weinige fabriekshuizen die er nog in Tilburg aanwezig zijn, is het pand Veldhovenring 
90-94, hier op een briefhoofd uit 1900. Het fabrieksgebouw links dateert uit de negentiende eeuw. 
De muurankers op het huis rechts vormen het jaartal 1666. (coll. RHC Tilburg).

In Tilburg werd de textiel en dan speciaal de productie van wollen lakens de belangrijkste nijverheid naast de landbouw. Al in de veertiende en vijftiende eeuw was er op het Brabantse platteland veel wolnijverheid, wat onder andere blijkt uit het feit dat Brabanders toentertijd al in Engeland wol inkochten. Dat de wolnijverheid op het platteland en in het bijzonder in Tilburg wist te overleven, mag bijzonder genoemd worden, want het aloude adagium was dat de stad voor handel en ambacht diende en het platteland voor de boer. De steden hebben dan ook verschillende keren geprobeerd om de plattelandsnijverheid de nek om te draaien, maar tevergeefs. Voor een deel zal dit ook een gevolg zijn geweest van de tegenstellingen tussen enerzijds de stedelijke lakenproducenten, die protectie nastreefden, en anderzijds de stedelijke handelaren en wolbereiders, die er enkel op uit waren om een zo goed mogelijk product voor een zo laag mogelijke prijs op de markt te zetten. De laatsten hadden dus profijt bij goedkope arbeidskrachten op het platteland voor een onderdeel van het productieproces. Dat de Tilburgse bestuurders verschillende malen naar Den Haag afreisden om het vrije verkeer van grondstoffen, half- en eindfabrikaten te bepleiten, illustreert het belang van de nijverheid in Tilburg. Daarnaast maakte Tilburg ook gebruik van een ‘solliciteur’, een Hagenaar met een goed relatienetwerk, om zijn belangen te vertegenwoordigen. In 1638 verkreeg Tilburg van de Staten-Generaal het recht om lakens ‘vrij van licent’ in Holland in te voeren. Deze lakens moesten daartoe wel van loodje en een nopteken voorzien zijn. Deze situatie werd na de Vrede van Munster bevestigd. De steden ’s-Hertogenbosch, Heusden en Breda functioneerden als transitoplaatsen. De regeling zou bekend worden onder de naam ‘Concessie van Tilburg’ en maakte van Tilburg een douane-enclave binnen Staats-Brabant, wat van eminent belang was voor de ontwikkeling van de textielnijverheid hier ter plaatse. Al in 1670 waren er ongeveer 370 weefgetouwen in bedrijf. Andere factoren die de ontwikkeling van de textiel bevorderden, waren de lage lonen en het ontbreken van strakke gildenreglementen.

Op bladzijde 114 maakt een schema heel goed duidelijk hoe de organisatie van de Tilburgse wolnijverheid, waarbij de koopman een centrale rol speelde, in elkaar zat. Pas aan het einde van de zeventiende eeuw verschijnt in Tilburg de fabrikeur, die de productie in fabriekshuizen concentreerde. De meeste Tilburgse lakens werden in het noorden van de Republiek afgezet.
Andere ambachten die in deze periode tot ontwikkeling kwamen, waren onder andere de linnenwevers, kleermakers, schoenmakers, bakkers en breisters. Opvallend is dat De Bruijn het aantal bierbrouwers, waarvan er in 1639 dertig waren, niet apart noemt. Hij gooit ze op een hoop met de herbergiers en dat doet geen recht aan het belang van deze bedrijfstak.
De Bruijn besteedt verder nog aandacht aan de dienstensector, waarin de voerman een belangrijke plaats innam, en aan de plaatselijke markten.

Het bestuur

Sinds 1453 werd het dagelijks bestuur in de heerlijkheid Tilburg en Goirle uit naam van de heer door een zogenaamde schepenbank uitgeoefend. Deze schepenbank bestond uit schout en schepenen en had zowel de bestuurlijke als de rechtsprekende macht. De schepenbank werd geassisteerd door een secretaris. De heren zelf verbleven niet altijd op het halverwege de negentiende eeuw definitief afgebroken kasteel aan de Hasselt. Hierdoor wisselde de intensiteit waarmee zij zich met het bestuur van Tilburg bemoeiden behoorlijk. Te veel bemoeienis van de heer kon tot grote conflicten met de schepenbank leiden.
De controle op het dorpsbestuur door de hogere overheid nam in de loop van de tijd overigens fors toe. Vooral nadat het noorden van Brabant als generaliteitsland bij de Republiek was ingelijfd, nam de invloed van de Raad van State en de Staten-Generaal sterk toe.

De herbergen De een Zwaan en De drie Zwaantjes op de Heuvel, hoek Heuvelstraat. In het 
eerstgenoemde huis, links op de afbeelding, werden in de zeventiende eeuw vergaderingen van het 
dorpsbestuur gehouden. De schouten waren in die tijd doorgaans tevens herbergier. Tekening 
uit 1832 (coll. Atlas van Stolk, Rotterdam).

Taken

Vanzelfsprekend was een van de belangrijkste taken van het dorpsbestuur de uitvaardiging van allerlei plaatselijke regels. Andere bestuurlijke taken waren onder andere het innen van de plaatselijke en gewestelijke belastingen, het beheren van de gemeint, het organiseren van de brandbestrijding en het bewaren van de openbare orde.

Op het vlak van de rechtspraak had de schepenbank drie taken. Ten eerste de strafrechtspraak, ten tweede de civiele rechtspraak en ten derde de vrijwillige rechtspraak. Vooral de civiele rechtspraak nam veel tijd in beslag doordat er veelvuldig processen werden gevoerd. Bij de zogenaamde vrijwillige rechtspraak oefende de schepenbank feitelijk de functie van openbaar notaris uit. Het is jammer dat De Bruijn niet een aantal sappige voorbeelden van gevoerde processen geeft. Ze zijn er te over, ook op het gebied van de civiele rechtspraak. Een van de mooiste mij bekende dossiers is een proces naar aanleiding van een verbroken trouwbelofte. Weinig verhullend wordt daarin uit de doeken gedaan hoe een jongeman van een gegoede familie een onnozele dienstmaagd om de tuin leidde met de belofte te zullen trouwen.

Het dorpsbestuur vergaderde aanvankelijk in de herberg van de schout. Pas vanaf 1679 wordt een deel van de Heikese kerk als gemeentehuis in gebruik genomen. Mogelijk hebben er tot in de zestiende eeuw ook rechtszittingen onder de linde op de Heuvel plaatsgehad, terwijl er sporadisch ook op het kasteel recht werd gesproken. Op het kasteel of in de kerktoren werden de gevangenen opgesloten. Executies werden in de regel op de Heuvel ten uitvoer gelegd. De lijken werden vervolgens anderen ter exempel buiten het dorp tentoongesteld.

Het kleine en het grote bestuur

Schout en secretaris waren in wezen de belangrijkste ambtenaren binnen de heerlijkheid. De schout werd aangesteld door de heer en verkreeg zijn inkomsten uit een vast traktement en een aantal neveninkomsten zoals een deel van de opgelegde boetes. De schout zat de schepenbank voor, was rechtsvorderaar en wees vonnissen. Op bestuurlijk vlak had hij onder meer als taken de ambtenaren te installeren en allerlei rekeningen te controleren.

De voornaamste taak van de secretaris was het opstellen van alle akten van het dorpsbestuur. Hij kreeg voor zijn werkzaamheden een vast bedrag en daarnaast per opgestelde akte schrijfloon. De eigenlijke bestuurders binnen de heerlijkheid waren de schepenen. Zij werden door de heer aangesteld uit de gegoede families. Schout, schepenen en secretaris vormden het ‘kleine bestuur’. Het zogenaamde ‘grote bestuur’ bestond uit het kleine aangevuld met de zogenaamde ‘goede mannen’. Evenals de schepenen waren dit vooral leden van de beter gesitueerde families. Door het grote bestuur was er in zekere zin sprake van ‘volksinvloed’, maar dat verloor in de loop van de tijd steeds meer inhoud.

Het dorpsbestuur had ook diverse ambtenaren in dienst. Zo waren de ijk- en keurmeester verplicht aanwezig op de markten en waren de apotheker, vroedvrouw en chirurgijn in dienst van het dorpsbestuur. De drie vorsters functioneerden als gerechtsbode en samen met de schutters zorgden zij voor de openbare orde.

Materieel bestaan

In het hoofdstuk over het materieel bestaan heeft De Bruijn met een aantal complicerende factoren te maken. Ten eerste is er de ruime tijdsspanne waarbinnen belangrijke verschuivingen op het vlak van de levensstandaard optraden. Verder bestonden er grote verschillen tussen de levensstandaarden van de verschillende sociale klassen.

Waar gedurende de gehele periode zowel rijk als arm door gedupeerd werden, waren de vele oorlogen, beginnende met de plundertochten van Maarten van Rossum tot en met de plunderende Franse troepen in de jaren veertig van de 18e eeuw. Niets bleef de Tilburgers bespaard, van plundering en brandstichting tot verkrachting en moord. De Bruijn geeft een paar uitstekende voorbeelden die de waanzin van oorlogen goed aangeven.

Waar een groot deel van de bevolking mee te maken kreeg, was de armenzorg. Armoede kwam in Tilburg met zijn gemengde economie minder voor dan in de puur agrarische dorpen in de omgeving, maar toch nog zeer regelmatig. Oorlogen, epidemieën en schaarste als gevolg van onder andere hagel of droogte veroorzaakten armoede en hongersnoden. De werking van het vigerende economische systeem vergrootte voor een groot deel van de bevolking de kans daadwerkelijk tot armoede te vervallen. De landbouw was onvoldoende om de groeiende bevolking te onderhouden, en door de versnippering als gevolg van erfdelingen werd de opbrengst per bedrijf steeds lager. Verder werden er maar lage lonen uitbetaald. De koopman-ondernemers streken wel behoorlijke winsten op.

Volgens de gangbare opvattingen was armoede door God gewild en enkel de uitwassen ervan werden bestreden. De Tafel van de Heilige Geest en na 1648 ook de protestantse diaconie voerden de armenzorg uit. Alleen autochtone Tilburgers die echt niet (meer) konden werken kwamen voor ondersteuning in aanmerking.

Ondanks de enorme religiositeit bleef de Tilburgse bevolking niet altijd even lijdzaam. Bij een verslechtering van de belastingheffing kon het verzet behoorlijk fel zijn en bij stijgende voedselprijzen kwam het wel eens voor dat de daarvoor direct verantwoordelijk geachten aangepakt werden. Zo gooiden boze Tilburgers bij verschillende bakkers in de wijken Kerk en Heuvel de ruiten in nadat deze de broodprijs met en halve stuiver verhoogd hadden. De molenaar van de Korvelse molen die zijn maalgeld kennelijk ook opgezet had, werd zelfs met een geweer bedreigd. Ook andere vormen van onrecht werden door het volk in volksgerichten stevig aangepakt. Zo werd Jan van den Hout, die zijn vrouw afgebeuld zou hebben, op vastenavond 1780 door als vrouwen verklede Tilburgers voor de ploeg gespannen.

Omdat de kerk in het midden staat

De kerk bepaalde voor het belangrijkste deel het geestelijk, cultureel en maatschappelijk leven gedurende de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. Begin zestiende eeuw functioneerde de katholieke kerk nog steeds op basis van een in de tiende eeuw ingestelde organisatie. Tilburg viel daardoor kerkrechtelijk onder het prinsbisdom Luik. Omdat de bevolking inmiddels fors was gegroeid en de maatschappij ingewikkelder was geworden, voldeed dit niet meer. De bisschop zelf was meer met zijn prinsdom dan met zijn bisdom bezig en de kerkelijke zaken moesten daarom maar door de aartsdiakens opgeknapt worden. En er waren genoeg problemen om aangepakt te worden. Onder de pastoors kwam het absenteïsme veelvuldig voor en met de seksuele moraal namen veel geestelijken een loopje. Van de 48 priesters die er in Tilburg tussen 1500 en 1560 werden vermeld, hadden er veertien een of meer kinderen. En het volk was over het algemeen weinig theologisch onderlegd en bijgelovig.

De Hasseltse kapel, die waarschijnlijk vóór 1500 door de buurtschap Hasselt werd gesticht, getuigt 
nog steeds van de volksvroomheid in voorbije eeuwen. Foto van Henri Berssenbrugge van omstreeks 
1900. (coll. RHC Tilburg).

Onder deze omstandigheden vond het protestantisme, dat zich tegen de misbruiken in de katholieke kerk keerde, her en der een behoorlijke aanhang. Maar in de Meierij Brabant bleef de invloed van de hervorming overigens beperkt tot ‘s-Hertogenbosch. Op het platteland vorderde ze vrijwel nergens, hoewel Tilburg door de vele contacten vanuit de textiel met steden waar het protestantisme wel gehoor vond, een uitzondering geweest zou kunnen zijn.
Dat Tilburg desondanks voor het katholicisme behouden bleef, was vooral een gevolg van de contrareformatie en het feit dat Tilburg goede zielzorgers kende.

In 1559 kwam er een nieuwe kerkelijke indeling, waardoor Tilburg in het bisdom ‘s-Hertogenbosch, aartsbisdom Mechelen kwam te liggen. Voor de parochie Tilburg kozen de norbertijnen hun beste zielzorgers uit. Bij deze geestelijken was de contrareformatie in goede handen. Pogingen Tilburg te protestantiseren waren dan ook gedoemd te mislukken. De Bruijn weet dit met veel anekdotes boeiend te brengen. Na 1648 werd de katholieke godsdienst echter verboden en moest de Heikese kerk aan de protestantse gemeente worden afgestaan. Zeker de eerste jaren was er een harde bestrijding van de paapse superstitiën, maar geleidelijk aan werden de teugels wat gevierd. Moesten de Tilburgers eerst nog op Spaans gebied in een grenskerk bij Poppel gaan kerken, vanaf 1668 kon de mis weer in een schuurkerk gelezen worden. Belangrijk was, dat zolang Tilburg nog katholieke heren had, de drost nooit een geloofsijverige calvinist was, maar bijvoorbeeld een lutheraan. De plakkaten van de Staten-Generaal werden daardoor nooit zo drastisch uitgevoerd.

In het kader van de protestantisering was het onderwijs ook een belangrijk instrument. Over het onderwijs in de Middeleeuwen is vrij weinig bekend, behalve dat de koster de functie van schoolmeester bekleedde. In de loop van de zestiende eeuw wordt het onderwijs dan evenwel een taak van het dorpsbestuur. Na de vrede van 1648 eist de nieuwe machthebber dat de schoolmeester gereformeerd moet zijn. Vanaf dan zijn er regelmatig conflicten over het bestaan van katholieke bijscholen. De belangrijkste functie van het lager onderwijs was het overbrengen van waarden en normen. Iedere leerling werkte verder in zijn eigen tempo en werd individueel door de schoolmeester overhoord.

Voor 1648 kende Tilburg ook een Latijnse school, waar voortgezet onderwijs werd gegeven. Deze verdween na 1648 omdat de voorkeur werd gegeven aan katholiek voortgezet onderwijs over de grens in bijvoorbeeld Turnhout.

De industriële samenleving

Voor de redactie over deel vier, dat de periode 1780-1940 omvat, tekende Ad van den Oord. Hij kreeg ondersteuning van Joost Rosendaal, Hans Pel en Kitty de Leeuw.

Eind achttiende eeuw, aan de vooravond van de industrialisatie, was Tilburg volgens passant ds. Hanewinkel eigenlijk al meer stad dan dorp. Deze predikant zal evenwel vooral de centrumwijken met een redelijk aaneengesloten bebouwing, waar vooral de welgestelden wonen, hebben gezien. Achteraf, in de buitenwijken, stonden nog altijd de lemen hutjes voor de arbeiders. Maar desondanks was ook Lodewijk Napoleon bij een bezoek in 1809 enthousiast. Het waren vooral de omvang van de bevolking en de bedrijvigheid die zoveel indruk op hem maakten dat hij Tilburg stadsrechten schonk. Voortaan vormden burgemeester en wethouders het bestuur, dat sinds 1803 overigens al niets meer over Goirle te zeggen had. In zekere zin kunnen we het bezoek van Lodewijk Napoleon als een afsluiting van een turbulente periode beschouwen.

Het in classicistische bouwstijl door architect Henri van Tulder ontworpen stadhuis aan de 
Markt, kort na de ingebruikname in 1849. Rechts de diligence van Van Gend & Loos. Dit 
stadhuis is in 1971 gesloopt. (Brabant-collectie, KUB, Tilburg).


De textiel was weliswaar de belangrijkste inkomstenbron gebleven, maar de commissiehandel was naar de achtergrond gedrongen door zelfstandige Tilburgse ondernemingen. Wel was de huisnijverheid rond 1800 nog steeds een overheersende factor. Pas in 1941 staakte Jan van Geloven als laatste huiswever zijn werkzaamheden voor de firma Enneking.

Tilburg had voldoende ruimte om tot industrieplaats te kunnen uitgroeien. Het enige probleem was de slechte bereikbaarheid: op de zandwegen over het Brabantse platteland konden paarden alleen vrachten tot 600 kilo trekken. De aanleg van de verharde rijksweg van Breda naar Grave, waardoor Tilburg ook werd ontsloten, was dan ook een enorme vooruitgang. Het duurde nog tot de opening van het Wilhelminakanaal in 1923 eer door Tilburgse ondernemers ondernomen pogingen om een kanaal te laten graven werden gerealiseerd. De uitvoering van een plan om een kanaal naar ’s Gravenmoer te graven sneuvelde als gevolg van de Belgische Revolutie. Maar de aanleg van andere wegen en vanaf 1863 de aansluiting op het spoorwegnet wisten de Tilburgse economische ontwikkeling ook behoorlijk te stimuleren.

Over het algemeen profiteerde de Tilburgse textiel van elders gevoerde oorlogen. De orderportefeuilles zaten dan vol. Parallel aan de periodes van hoogconjunctuur zien we een vestigingsoverschot. Dit gecombineerd met een fors geboorteoverschot maakte Tilburg in de negentiende eeuw de snelst groeiende Brabantse gemeente. Een overzichtelijk statistiekje op bladzijde 269 toont de bevolkingsgroei in een oogopslag.

Het aandeel van de landbouw in de Tilburgse economie nam in de periode 1780-1945 sterk af. De nijverheid werd de belangrijkste sector, terwijl ook het belang van de dienstensector toenam. 

In de negentiende eeuw behoorde men niet tot de lokale elite wanneer men geen toegang had 
tot de salons van de textielfabrikantenfamilie Diepen. (coll. RHC Tilburg).

Binnen de nijverheid nam het belang van de textiel procentueel weliswaar af, maar ze bleef desondanks de belangrijkste sector. Belangrijk was dat de negentiende-eeuwse fabrikanten innoveerden. Zo was de in 1827 bij Pieter van Dooren geplaatste stoommachine een van de eerste in het land. Spoedig zouden ook ander grote firmanten volgen. Behalve investeringen in machines, investeerden de wolfabrikanten ook in nieuwe producten zoals flanel en buckskins. Zowel in- als externe factoren bepaalden de ontwikkeling van de textielconjunctuur. Zo betekende de afscheiding van België een tijdelijk verlies van een belangrijke afzetmarkt. Schaalvergroting en bedrijfsconcentratie bepaalden verder de ontwikkeling van de textielindustrie. Het is jammer dat auteur Pel deze belangrijke ontwikkeling niet in een tabel of grafiek heeft geïllustreerd.

De textiel blijft binnen de Tilburgse nijverheid de belangrijkste bedrijfstak, maar verliest gedurende de in dit deel besproken periode toch iets van andere sterk opkomende sectoren. Deze zijn de leder- en schoenindustrie, de sigarennijverheid, de gloeilampen- en de metaalindustrie. De in 1842 door textielfabrikanten opgerichte Kamer van Koophandel deed veel voor de economische ontwikkeling van de stad. Aanvankelijk was het ijveren voor protectionisme een van de belangrijkste actiepunten van deze organisatie.

De industrialisatie had ook haar keerzijde. De kapitalistische productiewijze impliceert immers dat de ondernemer baat heeft bij een zo laag mogelijk arbeidersloon. Dit gecombineerd met de andere kommervolle leefomstandigheden was een potentiële bron voor sociale onrust. Toch bleef het overwegend rustig in de stad. Alleen toen de eerste stoommachine werd afgeleverd in 1827 werd deze met een regen stenen door ontevreden Tilburgers opgewacht. Daarna duurde het tot 1864 en 1872 vooraleer er weer sprake was van sociale actie. Het betrof hier korte stakingen in de bouw. Toen de Tilburgse arbeidsomstandigheden in 1887 door een parlementaire enquêtecommissie onderzocht werden, bleek er ook niets aan de hand. De commissie kreeg namelijk enkel de verhalen van meesterknechten, de fabrikanten, de onderwijzer en de pastoor te horen. Maar uit later ontdekte anonieme brieven van Tilburgse arbeiders aan de commissie bleek dat er onder het Tilburgse proletariaat wel degelijk ontevredenheid bestond. Enige jaren later werden dan ook zeer tegen de zin van de fabrikanten in de eerste Tilburgse bonden opgericht. Een fabrikantenbond was het antwoord. Helaas worden deze ontwikkelingen erg kort afgedaan. Ook jammer is dat er wel een aantal stakingen zoals de grote wilde textielstaking van 1935 worden genoemd en kort behandeld, maar dat er geen vergelijking met de arbeids(on)rust in andere steden wordt gemaakt. Wat wel redelijk wordt behandeld, is de onderlinge concurrentie tussen verschillende bonden. Hier ontbreekt echter dat het katholieke St. Lambertus met de textielfabrikanten onder een hoedje speelde om de socialistische textielarbeidersbond buiten het overleg te houden.

In 1863 werd de spoorlijn Breda-Tilburg geopend. Het station dateert van dat jaar. 
Dit is de oudst bekende foto van het perron, in 1905 gemaakt door Henri 
Berssenbrugge. (coll. RHC Tilburg).

De politiek

Ds. Hanewinkel sprak eind achttiende eeuw weliswaar heel minachtend over het intellectuele gewicht van de Tilburgse bevolking, desondanks bestond er voor de welgestelde bovenlaag een rijk cultureel leven waarin de ideeën van de verlichting konden gedijen. Binnen leesgenootschappen ontwikkelden zich zo de politieke denkbeelden die aansloten bij de anti-orangistische patriotten. Deze patriotten, met lakenfabrikant Pieter Vreede als meest bekende figuur, keerden zich tegen de abuizen in het bestuur. Een van deze wantoestanden was het betalen van recognitiegelden (officiële steekpenningen) door de katholieken om zonder problemen de eredienst te kunnen vieren.
Tilburg werd door zijn grote patriotsgezinde groep al snel een toevluchtoord voor elders uit de Republiek afkomstige voortvluchtige revolutionairen. Tilburg zelf moest tot 1794 op de Franse revolutionaire legers wachten vooraleer het van Orangistische/Staatse onderdrukking bevrijd werd. Maar daarmee was het revolutionaire pleit nog niet beslecht. Het monopolie van de hervormden op het bestuur verdween weliswaar, maar er ontspon zich al spoedig een machtsstrijd tussen de verlichte ideeën en het katholiek conservatisme. Het een en ander resulteerde erin dat het bestuur gevormd ging worden door de economische elite; veelal rijke textielfabrikanten van katholieken huize. Deze situatie zou zich gedurende de negentiende eeuw niet wijzigen, maar kwam niet zonder slag of stoot van de grond. Zo verliet de protestantse burgemeester Van Meurs pas in december 1830 min of meer gedwongen door gevolgen van de Belgische Revolutie zijn post. Allerlei andere posten waar nog overwegend protestanten zaten, volgden. In de tweede helft van de negentiende eeuw was de katholieke dominantie volledig. De langdurige wethouderschappen van J.H.A. Diepen (1851-1892) en A. Mutsaers (1872-1895) illustreren dit duidelijk. Gedurende heel de negentiende eeuw was het aantal Tilburgse kiezers, ook vergeleken met de omringende dorpen en andere Brabantse steden erg laag. Alleen Helmond, dat net als Tilburg een uitgebreid textielproletariaat kende, had een vergelijkbaar percentage stemgerechtigde burgers.

De onderwijskwestie was voor de negentiende-eeuwse Tilburgse katholieke elite het politieke item. In 1829 benoemde de raad een schoolcommissie en met ingang van 1830 was het plaatselijk bestuur voortaan gerechtigd de stichting van scholen goed te keuren. Zwijsen maakte van deze mogelijkheid snel gebruik, want in 1833 begonnen zijn Zusters van Liefde al met hun eerste school voor meisjes, de fraters zouden in de jaren veertig volgen met hun jongensscholen. Toen het gemeentebestuur in 1863 van rijkswege verzocht werd mee te werken aan de oprichting een rijks-hbs, reageerden de Tilburgse bestuurders uiterst terughoudend. Door een katholieke directeur te eisen probeerden ze nog een vinger in de pap te houden.
Op allerlei andere kwesties ontpopte het negentiende-eeuwse gemeentebestuur zich als opentop liberaal. Overheidsonthouding was het adagium. In dat opzicht kwam de oprichting van de Vincentiusvereniging in 1848 dan ook goed uit. Tilburg kende in de jaren veertig namelijk een hoog aantal ondersteunde armen. In de tweede helft van de eeuw zouden de uitgaven voor de kerkelijke armenzorginstellingen toenemen van ƒ 13.000 tot ƒ 28.000, terwijl de uitgaven van het Burgerlijk Armbestuur op ƒ 21.000 bleven. Ook in de eerste helft van de twintigste eeuw bleven overheidsonthouding en het houden van de hand op de knip kenmerkend voor de politiek van het Tilburgse gemeentebestuur. Dit bleek bijvoorbeeld heel duidelijk bij de volkshuisvestingsproblematiek. De gemeente wilde wel zo veel mogelijk invloed, maar zo weinig mogelijk uitgaven.

Kiesrechtuitbreiding 

Doordat de officiële katholieke partij (die vanaf de jaren twintig als RKSP door het leven ging) de absolute meerderheid behield, veranderde er in de Tilburgse gemeentepolitiek eigenlijk weinig. Ook in de eerste helft van de twintigste eeuw bleven overheidsonthouding en het houden van de hand op de knip kenmerkend voor de politiek van het Tilburgse gemeentebestuur. Dit bleek bijvoorbeeld heel duidelijk bij de volkshuisvestingsproblematiek. De gemeente wilde wel zoveel mogelijk invloed, maar zo weinig mogelijk uitgaven.
Door de toename van het aantal kiezers werd er wel gemorreld aan het machtsmonopolie van de officiële partij. Al in de negentiende eeuw probeerde de oud-zoeaaf Antoine Arts in de Tilburgse raad te komen. Hij trok onder andere tegen de verderfelijke beginselen van de revolutie en het liberalisme ten strijde, en in zijn Nieuwe Tilburgsche Courant nam hij het op voor de katholieke vakverenigingen. In 1896 werd hij uiteindelijk gekozen, maar omdat hij als zoeaaf zijn Nederlanderschap had verloren, kon hij pas in 1901 zijn zetel innemen. In dat jaar probeerde hij ook nog kamerlid te worden. Tevergeefs probeerden de fabrikanten dit te voorkomen. Jan van Rijzewijk en Antoon van Rijen waren de andere katholieke arbeidersvertegenwoordigers die niet geheel tot grote vreugde van de textielfabrikanten in de Tilburgse gemeenteraad kwamen. Kort na de revolutiepoging van Troelstra werden zij zelfs wethouder.

Het Tilburgse tennis in verenigingsverband is ontstaan bij de Philharmonie. In 1906 
werd deze Lawn Tennis Club Philharmonie opgericht. De Philharmonie was een echte 
herensociëteit, maar hun dames werden wel actief bij het tennis betrokken. Hier poseren 
zij op de tennisbaan bij de sociëteit in de Kloosterstraat omstreeks 1920. (coll. RHC 
Tilburg).

De SDAP werd door zowat het hele Tilburgse politieke spectrum zwaar bestreden. Zaaluitdrijving en broodroof van bekende socialisten waren de middelen waarmee dit gebeurde. Desondanks behaalde de SDAP bij de raadsverkiezingen in 1918 14% van de stemmen. In Tilburg gelegerde militairen van buiten Brabant en Belgische vluchtelingen konden de partij zonder angst voor persoonlijke gevolgen onder de kiezers propageren. Eenmaal in de raad werden de SDAP’ers wel uit de raadscommissies geweerd. Wel kon SDAP-voorman Bart van Pelt in 1921 zitting nemen in het Burgerlijk Armbestuur.

In de jaren twintig zien we wel dat het Tilburgse gemeentebestuur en de fabrikanten uit elkaar groeien. Deze laatste waren vooral verbolgen over de groeiende uitgaven door het gemeentebestuur, dat steeds meer als de lange arm van Den Haag gezien werd. In de persoon van Rudolf Diepen hadden de fabrikanten van 1915 tot 1920 een eigen man in de senaat. Later zouden de fabrikanten Straeter en Blomjous die rol overnemen. Zij beijverden zich vooral om allerlei protectionistische maatregelen te treffen. Samen met andere (Brabantse) industriëlen richtten zij uit onvrede met de sociale politiek van Aalberse nog de Nieuwe Katholieke Partij op, maar deze club sneuvelde op een bisschoppelijk veto.

Dat de clerus in Tilburg een vrijwel onbeperkte macht had, zat ook andere politici dwars. Toen de razend populaire Arts door de katholieke kiesvereniging, omdat hij te oud was geworden, voor de kamerverkiezingen van 1922 opzij gezet werd, probeerde hij het met een eigen lijst, maar dit werd een ongelooflijke mislukking. Hij kreeg in Tilburg weliswaar 38%, maar deze basis was te smal voor een zetel. Hij trok zich terug uit de politiek, maar zijn zoon zou later met een nieuwe partij, de Rooms Katholieke Volkspartij nog wel in de kamer komen. Deze partij zou in de Tilburgse raad negen zetels halen, maar dat was onvoldoende om de macht van de RKSP te breken. Dat lukte (gelukkig) het RK Zuiderfront van Willem van Mook ook niet. Deze partij is vooral bekend geworden vanwege haar aanvallen op de directie van de Tilburgsche Waterleidingmaatschappij en werd daarom ook wel bekend als waterleidingpartij. Verder speelde hij er handig op in dat de overige partijen in de jaren dertig de ongeorganiseerde arbeiders van gemeentelijke steun wilden uitsluiten. In Van Mook’s weekblad, De Tilburgsche Post, werd ook regelmatig aandacht besteed aan de fascistische denkbeelden. Het overgrote deel van de leden van het Zuiderfront kwam dan ook bij het Zwart Front van Arnold Meijer terecht. Essentieel voor het succes van alle andere partijen dan de officiële katholieke was dat hun voormannen de stad kenden en liefhadden.

Katholicisme

Mee oe kerke, mee oe febrieke. Kerken en fabrieken bepaalden decennialang de skyline van Tilburg. Beiden hadden veel macht, met name de kerken. Tilburg was Roomser dan Rooms. Van de bevolking was in 1814 97% en in 1940 nog altijd meer dan 95% katholiek. Tilburg was Brabants meest katholieke stad. Gelijk op met de bevolkingsgroei, ontwikkelde zich vanaf 1850 de kerkelijke infrastructuur. Niet alleen nieuwe parochies, maar ook het aantal religieuzen nam sterk toe. De Zusters van Liefde en de Fraters van Tilburg spreken natuurlijk het meest tot de verbeelding. Menig Tilburger leerde van hen lezen en schrijven en haast heel katholiek Nederland leerde rekenen met behulp van de door frater Rombouts ontwikkelde en bij uitgeverij het Jongensweeshuis (Zwijsen) uitgegeven methodes. Openbare lagere scholen kende Tilburg haast niet, want elke nieuwe parochie stichtte eigen scholen: een voor jongens en één voor meisjes. Naast de lagere scholen kwamen er ook verschillende katholieke scholen voor het voortgezet onderwijs. Aan al deze scholen gaven tot 1920 vrijwel uitsluitend religieuzen les. Katholiek hoger onderwijs kwam er pas in de twintigste eeuw.

Vooral in de volksbuurten speelde het leven zich op straat af. Foto uit 1928 van de 
Oerlesezijstraat (thans Sacharias Jansenstraat). (coll. RHC Tilburg).

Ook in de zorg veroverde het katholicisme zijn invloed. Het St. Elisabethgasthuis was een instelling waar aanvankelijk vrijwel uitsluitend religieuzen als verplegend personeel werkten. Organisaties als het Wit-Gele Kruis completeerden de katholieke gezondheidszorg.
De armenzorg werd voor een groot gedeelte gedomineerd door de Vincentiusvereniging. Deze hield nauwlettend het godsdienstig-zedelijk karakter van de door haar bezochte gezinnen in de gaten. Ook devotionele verenigingen en de katholieke pers werden door de kerk voor haar beschavings- en (her)kersteningsoffensief gebruikt.
Tilburg kende maar en zeer smalle bovenlaag, waarin bovendien het katholieke element duidelijk overheerste. Dit gegeven gecombineerd met het kleine percentage andersdenkenden was er de oorzaak van dat er in Tilburg geen openbare (nuts)bibliotheken of neutrale (nuts)scholen kwamen.
De Tilburger bleef zich ondanks de verstedelijking erg identificeren met zijn eigen wijk. Vooral de spoorlijn ontwikkelde zich tot een echte barrière in de stad. 

Bezetting en bevrijding

Goed of fout, die zwart-wittegenstelling bepaalde lang ons beeld over de bezetting. Coba Pulskens was een goede katholieke Tilburgse vrouw. Ze nam joodse onderduikers in huis en deed haar best die ook nog eens te bekeren. Piet Gerrits, NSB’er en politieman was haar tegenpool. Maar het was niet zo simpel dat iedereen goed of fout was, er was een zeer grote tussengroep die er vooral in geïnteresseerd was om op de vertrouwde manier door te kunnen leven. Van den Oord maakt goed duidelijk dat de werkelijkheid op economisch, politiek en cultureel gebied weerbarstiger was dan het simpele goed-foutschema wil doen geloven.
De textielfabrikanten bijvoorbeeld, verbonden zich al op 16 mei 1940 om niet individueel met de bezetter in contact te treden, maar alleen via de fabrikantenvereniging. Als groep bleken zij niet afkerig te zijn van Duitse orders. Al voor de oorlog hadden zij voor een jaarproductie aan ruwe wol ingeslagen. Deze werd vrijwel geheel opgebruikt voor Duitse militaire orders. Voor de civiele productie bleef niets anders over dan kunstwol en kunstvezels. Door de steenkolenrantsoenering kwam de hele civiele productie in de zomer van 1941 zowat stil te liggen. In tegenstelling tot eerdere oorlogen had de wolindustrie nu wel last van de internationale situatie als gevolg van een verminderde grondstoffenaanvoer.

Aannemer Piet van Geloven ging het tijdens de oorlog economisch helemaal voor de wind. Hij bouwde onder andere aan het vliegveld Gilze Rijen, aan verdedigingswerken in Zeeland, in Frankrijk en in het Duitse Dachau.
De voor de oorlog zo overheersende werkloosheid verminderde als gevolg van de Duitse opdrachten en door tewerkstelling in Duitsland. In maart 1942 werd de verplichte tewerkstelling ingevoerd. In mei 1944 was het tekort aan arbeidskrachten in de textiel echter zo groot dat er volgens Van den Oord ook onderduikers in de fabrieken werkten.

Naarmate de bezetting langer duurde, steeg de diefstal van aardappelen, groenten en fruit en 
steenkolen uit de opslagplaats van de Duitse weermacht aan de Piushaven. Op deze foto, genomen 
in de Zuid-Oosterstraat, zoeken inwoners naar steenkolen die achtergebleven zijn na het lossen 
van kolenwagons. (coll. RHC Tilburg).

De bezetter probeerde ook alle sociale organisaties gelijk te schakelen. NSB’ers werden al in het voorjaar van 1940 op belangrijke posten zoals het NVV geplaatst. Naarmate zij meer invloed kregen, staakten de plaatselijke bestuurders meestal met hun werkzaamheden voor deze organisaties die zo als lege hulzen achterbleven. Stakingen kwamen er tijdens de oorlog in Tilburg vrijwel niet voor. In navolging van de Februaristaking (1941) schijnt er alleen een kleine werkonderbreking bij BeKa te zijn geweest. Tijdens de april-meistakingen van 1943 was het Duitse machtsvertoon in Tilburg zo groot dat iedere Tilburgse stakingsactiviteit achterwege bleef. De enige echte stakingsactiviteit kwam van het spoorwegpersoneel van de Werkplaats en stationsdiensten, dat op verzoek van de regering in september 1944 het werk neerlegde.

Het Tilburgse bestuur in de persoon van burgemeester Van de Mortel probeerde zoveel mogelijk vast te houden aan het geschreven recht. Toen hij op 12 mei 1940 de bevolking opriep zo rustig mogelijk te blijven, handelde hij volkomen conform de Aanwijzingen van de regering. Problematischer was het toen Van de Mortel de collaborerende agent Gerrits bij een gratificatie een ‘tevredenheidsbetuiging’ moest afgeven. Nadat hij op basis van juridische onmogelijkheden bij herhaling in 1944 weigerde om personen voor werkzaamheden aan de Zeeuwse verdedigingswerken aan te wijzen, werd hij gearresteerd en in St.-Michielsgestel geïnterneerd. Helaas verzuimt Van den Oord hier het jaartal te noemen. Van de Mortel werd opgevolgd door de NSB’er Hondius.
De effecten van de jodenvervolging vielen in Tilburg vergeleken met elders mee. Van de Tilburgse joden wist 56,2% de oorlog te overleven. Verhoudingsgewijs is dat behoorlijk. Onder de overlevenden waren niet alleen de autochtone Tilburgse joden, maar ook veel joodse vluchtelingen uit Duitsland en elders.

In Tilburg kreeg de Nederlandsche Unie een behoorlijke aanhang. Deels is dit te verklaren door de Katholieke Handelshogeschool, waar de corporatistische gedachte veel aanhang had. Ook de regionalistische vereniging Brabantia Nostra, de RKSP en het RKWV besloten zich bij de Unie aan te sluiten. Bovendien betuigden de Tilburgse pastoors hun steun aan de Unie. Door de massale steun aan de Unie kregen het Zwart en het Nationaal Front weinig aanhang. Zij poogden ook steun te verkrijgen onder de aanhang van de voormalige katholieke dissidenten, maar kregen enkel hun voormannen zoals de zoon van Pius Arts mee. Zijn krant en het Nieuwsblad van het Zuiden staken hun instemming met de inval in Sovjet-Rusland niet onder stoelen of banken.

Van verzet was in de eerste oorlogsjaren in Tilburg vrijwel geen sprake. Wel werd er door communistische arbeiders meteen een eigen krantje uitgegeven, dat later in de Waarheid integreerde. Voor Brabant en Rotterdam werd deze verzetskrant in Tilburg gedrukt. Ook in studentenkringen werd er een illegale uitgave gedrukt. De Tilburgse studenten weigerden massaal de loyaliteitsverklaring te ondertekenen. Gelegenheid verschaffen tot onderduiken aan weigeraars in het kader van de tewerkstelling was vanaf 1942 een andere veelvoorkomende verzetsdaad. De belangrijkste Tilburgse verzetsdaad was evenwel de overval op het Bureau Bevolking waarbij de zogenaamde Rauterzegels werden buitgemaakt. Hierdoor kon de hele Nederlandse illegaliteit van haar distributiestamkaarten gebruik blijven maken.

Met de bevrijding in het vooruitzicht werd de Tilburgse economische infrastructuur door de terugtrekkende Duitsers vernietigd of leeggeroofd. Dat overkwam ook schoenenfabrikant Van Arendonk, die door zijn leveranties in de voorbije jaren veel aan de bezetter had verdiend. De energiebedrijven en onder andere de spoorwegwerkplaats werden opgeblazen. Alleen in de wijk Broekhoven waren veel inslagen van granaten, voor de rest werd Tilburg op 27 oktober 1944 vrij ongeschonden bevrijd.

De zuivering werd na de oorlog niet bepaald voortvarend aangepakt. Veel arrestanten werden tijdelijk in het Odulphuslyceum geïnterneerd en onder hen waren veel zwarthandelaren, maar de fabrikanten die volop aan de Duitse orders verdiend hadden, bleven buiten schot. Uiteindelijk werd een berechting van hen wel voorbereid, maar de meeste zaken bleven in de bureaulade. Politieagent Piet Gerrits werd wel veroordeeld en geëxecuteerd.
De Duitsers slaagden er niet in Tilburg te nazificeren, maar ze slaagden er wel in de Tilburgse economie aan de Duitse dienstbaar te maken.

Tilburg na 1945

Voor deel vijf over Tilburg na de Tweede Wereldoorlog is aanvankelijk een concepttekst geschreven door Ton Thelen, zoals vermeld staat in de verantwoording. Die tekst is ingekort, bewerkt en geredigeerd door Henk van Doremalen. Hij wordt geopend met een hoofdstuk over de economische ontwikkelingen. Sociaal-maatschappelijk hadden deze een enorme impact.
Van Doremalen begint het economische hoofdstuk met een schets van de aangerichte oorlogsschade bij verschillende bedrijven. Hij schets de wederopbouw en het spoedige ontstaan van een tekort aan arbeidskrachten, ook in de textiel, een probleem dat deels voortkwam uit de slechte reputatie van de vooroorlogse arbeidsvoorwaarden. Desondanks floreerde deze bedrijfstak spoedig, en het zag er eind jaren veertig naar uit dat deze bedrijfstak weer tot in lengte van dagen de Tilburgse economie zou blijven bepalen. Maar eind jaren vijftig gingen de eerste textielfabrieken failliet, een trend die zich in de jaren zestig en zeventig in alle hevigheid zou doorzetten. Als belangrijkste redenen ziet Van Doremalen het uitblijven van diepte-investeringen toen het in de jaren veertig en vijftig voor de wind ging, en het onvoldoende inspelen op de marktontwikkelingen. Hierdoor kwam de Tilburgse textielindustrie achter op de concurrentie. Zonder de hand in eigen boezem te steken, kreeg deze de schuld van de malaise in het Tilburgse. Van Doremalen noemt meerdere oorzaken die tot de ondergang van de textiel hebben geleid. Hierdoor werd ook het gros van de toeleveringsbedrijven getroffen. Duizenden arbeiders kwamen op straat te staan en Tilburg werd een van de steden met de grootste werkloosheidpercentages. De fabrikanten stelden het familiekapitaal veilig en bleven mooie sier maken in de Philharmonie, de arbeiders bleven met een WW-uitkering en sociaal-maatschappelijk gebroken achter. Van Doremalen geeft een overzichtelijke chronologische staat van de ter ziele gegane textielfabrieken.

In 1947 was zo’n twintig procent van de totale Tilburgse beroepsbevolking direct werkzaam in de 
textielnijverheid. Op deze foto uit 1946 zijn twernerbaas Jan de Veer en twernster mej. Dominicus 
aan het werk in de fabriek van A & N Mutsaerts. (coll. RHC Tilburg).

De prominente aanwezigheid van de textiel stond de groei van andere sectoren altijd in de weg. Desondanks, zagen we eerder, waren er ook andere sectoren zoals de leerbewerking in Tilburg opgekomen. Het probleem wil echter dat tegelijkertijd met de malaise in de textiel deze traditionele sectoren ook in de rode cijfers kwamen. Om de werkgelegenheid veilig te stellen oordeelde het gemeentebestuur dan ook al eind jaren vijftig dat de eenzijdige economische structuur voor een veelzijdige diende plaats te maken. Maar pas in 1968, nadat de malaise zich had ingezet, werd Tilburg als herstructureringsgebied aangewezen. Door de oliecrisis van 1973 en de financiële crisis van 1979 bood dit soort maatregelen echter geen soelaas, en als gevolg van de internationalisering van het bedrijfsleven waren lokale initiatieven uiterst moeilijk te realiseren. Met 16,4% van de mannen en 24,4% van de vrouwen werkloos, was de werkloosheid in 1984 op haar hoogtepunt en ruim boven de landelijke gemiddeldes. 

Maar Tilburg zou door nieuw aangetrokken werkgelegenheid uit het dal klimmen. Vooral in de dienstverlening zouden er veel arbeidsplaatsen komen. Bekijken we de tabel van de verdeling van de werkgelegenheid tussen de verschillende bedrijfstakken op bladzijde 448, dan valt er maar een conclusie te trekken. Met slechts 18,5% van de bevolking in de industrie is Tilburg niet echt de ‘Moderne Industriestad’ die de gemeentelijke pr-campagnes ons doen geloven.

Mèn Tilburg is nie meer

Alleen op foto’s bestaat het Tilburg uit mijn kinderjaren nog. In de loop van de jaren zestig en zeventig kreeg Tilburg een facelift die het aanzien van de stad grondig veranderde. Met name veel oudere Tilburgers doet dit nog steeds pijn.
Direct na de oorlog was het op peil brengen van de deels door oorlogshandelingen beschadigde woningvoorraad een duidelijke prioriteit. De als gevolg van een geboorteoverschot nog steeds groeiende bevolking moest wonen. Pas in 1972 zou de bevolkingsgroei vooral door een vertrekoverschot gaan stagneren. Na 1984 zou de bevolking weer gaan stijgen. Van Doremalen maakt de bevolkingsgroei en de herkomst van de nieuwe Tilburgers met behulp van tabellen inzichtelijk.

Het zou lang duren voor de woningnood, die vooral kwantitatief was, voorbij was. Tot in de jaren zestig was het inwonen een veelvoorkomend verschijnsel. In de jaren zeventig bleef het woningtekort door onder andere de komst van grotere aantallen studenten en andere ideeën over wonen. Om de woningnood op te lossen werd na de oorlog een voor Tilburg nieuw type woning gebouwd: de flat.

Tilburg behield tot in de jaren zestig nog deels de zichtbare aanwezigheid van de agrarische sector zoals hier 
een ploegende boer op zijn akker dicht bij de kruising Lage Witsiebaan en Reitse Hoevenstraat. Op de 
achtergrond de eerste Tilburgse flats uit 1951 aan de Ringbaan-West. Foto uit 1957. (coll. RHC Tilburg).

De grondige herbouw van Tilburg werd geïnitieerd door de in 1957 nieuw aangetreden burgemeester C. Becht, voorzien van de bijnaam Cees de Sloper. Hij vond het Tilburg dat hij aantrof maar een lelijke negentiende-eeuwse industriestad die best een modernere uitstraling mocht krijgen. Al voor de oorlog bestond er een plan voor stadsuitbreidingen, waarbij werd uitgegaan van een inwonertal van 225.000 in 2000, maar door de crisis en oorlog was dat in de kast gegaan. Becht kon dus opnieuw beginnen. Nauwkeurig wordt beschreven welke plannen er zijn geweest. Kern van al deze plannen was dat de stad bereikbaar moest zijn voor het moderne autoverkeer. Ringbanen en later een cityring werden ervoor aangelegd en waardevolle historische bebouwing, zoals het stadhuis op de Markt, moest ervoor wijken. Externe factoren zoals de teloorgang van de textiel bevorderden dat er her en der in de stad gaten ontstonden, die dan vaak pas veel later weer bebouwd werden. Veel van de afbraak lieten de Tilburgers gelaten over zich komen, maar in de periode 1968-1972 kwamen de bewoners naar aanleiding van de Groeseindkwestie, waarbij voor een diamantkruising 220 goede woningen moesten worden opgeofferd, toch in actie. De kwestie leverde Tilburg zijn eerste kraakactie op. In de loop van de jaren zeventig zouden stedenbouwkundige plannen onder druk van actiegroepen verschillende malen bijgesteld gaan worden. Het Structuurplan Oude Stad is hier een voorbeeld van. De acties tegen stedenbouwkundige vernieuwingen leverden Tilburg ook als eerste Nederlandse gemeente een inspraakverordening op.

Politiek en bestuur

Tot 1974 was de KVP almachtig in de Tilburgse gemeenteraad. Doordat deze partij er de absolute meerderheid had, waren de ledenvergaderingen over de lijst beslissender dan de verkiezingen zelf. Het katholieke machtsmonopolie werd pas met de ontzuiling afgebroken.

De eerste maanden na de bevrijding deelde het Militair Gezag de lakens uit in Tilburg, en pas in het voorjaar van 1945 kwam er een noodraad, die overigens niet democratisch, maar door een kiescollege was samengesteld op basis van de vooroorlogse politieke verhoudingen. Pas in juli 1946 vonden er democratische voorzieningen plaats. Tijdens de campagne keerden alle partijen zich tegen de CPN, maar desondanks wist deze partij drie zetels te halen. Tot en met 1999 geeft Van Doremalen de verkiezingsuitslagen in twee handige tabellen weer.

In 1945 was al gebleken dat de RKSP geen SDAP-wethouder wilde. Tijdens het raadsdebat keerde SDAP’er Bart van Pelt zich fel tegen dit ‘politiek onderonsje’. Ook in 1946 liet de KVP (opvolger RKSP) duidelijk weten geen wethouder van de PvdA (opvolger SDAP) in het college te willen opnemen. In 1953 verloor de KVP vier zetels en won de PvdA er twee, maar de KVP wilde de door de PvdA naar voren geschoven kandidaat, Bart van Pelt, niet accepteren. Dit omdat hij een autochtone katholieke PvdA’er was; de hervormde import-Tilburger Baggerman accepteerde de KVP wel. Uiteindelijk kwam er pas in 1957 in de persoon van de katholieke J.F.L. Krügers een PvdA-wethouder. In dat jaar werden de bestuurlijke kwaliteiten van de wethouders overigens belangrijker dan hun ideologische positie. Kort en bondig wordt geschetst hoe de oude garde om die reden buitenspel gezet werd. Vanaf 1957 zouden KVP en PvdA de stad op dezelfde regenteske wijze gaan besturen als de KVP dat eerder alleen deed. De verkiezingen van 1966, waarbij zowel KVP als PvdA fors verloor, bleken evenwel de opmaat voor het einde van het ‘oude politieke bestel’, dat het college de ruimte gaf om zonder veel tegenspraak de stad te besturen. Binnen de collegepartijen waren vaker kritische geluiden te horen. Spraakmakend was het optreden van Miet van Puijenbroek. Ook oppositiepartijen zoals de PSP kregen meer ruimte, zeker na 1974, toen de KVP haar absolute meerderheid verloor. Tal van conflicten zoals rond de sloop van de fabriek van Pieter van Dooren aan de Hilvarenbeekseweg gingen feitelijk over de inspraak en openheid voor de raad ten opzichte van het collegebeleid. Al te vaak wilde het college zijn zin eigenmachtig doordrukken.

Een optocht door de wijk Koningswei. Rechts Tilburgs eerste 
maatschappelijk werkster mevrouw Bertje Eijgenraam. Foto 
vermoedelijk  eind jaren vijftig. (coll. RHC Tilburg).


Van Doremalen eindigt zijn hoofdstuk over de politiek door te beschrijven hoe de zakelijkheid en het Tilburgs Model hun intrede deden in de gemeentepolitiek. Oorspronkelijk bedoeld als een maatregel om de artikeltwaalfstatus te ontkomen bleek dit model uitermate geschikt om op zo efficiënt en rendabel mogelijke wijze een gemeente te besturen. Wel werd het gaandeweg aangepast aan de steeds veranderende wensen van de burgers.

Verzuiling en Ontzuiling

Tilburg was katholiek. Op het hoogtepunt van haar macht was de katholieke kerk met 32 parochiekerken, veel congregaties en godsdienstige en charitatieve verenigingen prominent aanwezig in de stad. Door de modernisering en de ontwikkelingen in de kerk zelf verloor deze haar vooraanstaande positie vrijwel geheel. De sloop van veel kerkgebouwen - soms beladen zoals in het geval van de H. Hartkerk - en het verdwijnen van de geestelijken, congregaties en processies uit het straatbeeld illustreerden deze verandering. De laatste twee hoofdstukken gaan voornamelijk over deze verzuiling en ontzuiling. Als belangrijke thema’s komen de zorg, het onderwijs, het welzijnswerk en de vakbeweging aan de orde. Telkens wordt de invloed van de kerk op deze aspecten van het maatschappelijk leven geschetst en vervolgens hoe die invloed verdween.

Welzijnswerk

De auteur schetst bij het welzijnswerk eerst de organisaties en de ontwikkelingen in het jeugdwerk. Voor zowel het jeugd- en jongerenwerk als het club- en buurthuiswerk ziet hij als voornaamste taak het kanaliseren van de problemen in de wijken en buurten die extra aandacht vroegen. De jeugdzorg was, geheel volgens katholieke traditie, apart georganiseerd voor jongens en meisjes. Genoemd worden het op initiatief van de kapucijnerpater Ignatius Breuer opgezette Don Boscowerk, dat zich op de jongeren uit ‘onmaatschappelijke’ gezinnen richtte, en de door de Heuvelse kapelaan Gérard Soons in het kader van de ontkerkelijking van de Koningswei opgezette Stichting Wijkwerk. Het Don Boscowerk richtte zich vooral op buurten als Trouwlaan, Vogeltjesbuurt en de buurt rond de Bonairestraat. De Stichting Wijkwerk zou haar activiteiten ook spoedig gaan uitbreiden naar Broekhoven II, de Vogeltjesbuurt en de Ruischvoorn. Beide organisaties sloten zich aan bij de in 1948 opgerichte Stichting Sociale Jeugdzorg. Het Stedelijk Sociaal Charitatief Centrum (SSCC) was een andere overkoepelende organisatie, waarbij de parochiële sociaal-charitatieve centra en verenigingen zoals de Vincentius- en Elisabethvereniging, alsmede het Wit-Gele Kruis, Stichting Katholieke Gezinszorg, Don Bosco, de Reclassering en bijvoorbeeld het Maria Legioen waren aangesloten. 

Het SSCC werd in 1964 omgevormd tot het Katholiek Instituut voor Maatschappelijk Werk (KIM), een organisatie die in 1968 met de Stichting Katholiek Bijzonder Gezinswerk en Jeugdzorg tot de Stichting Samenlevingsopbouw en Sociaal-Kultureel Werk Tilburg (SKK) fuseerde. Door deze fusie maakte het welzijnswerk zich definitief los van het oude, traditionele katholieke zorgnetwerk. Het SKK werkte met professionele krachten; aan de professionalisering leverde de gemeentelijke Commissie ten behoeve van het Bijzonder Maatschappelijk werk een belangrijke rol. Begonnen met een specifieke welzijnstaak voor de Koningswei, breidde deze gemeentelijke instelling geleidelijk haar activiteiten over heel de gemeente uit. Een duidelijke bijdrage aan de professionalisering leverde ook de in 1966 opgerichte Stichting Sociale en Culturele Opbouw Tilburg (SCOT) met haar opbouwwerkers en wijkopbouwconsulenten. Met nog een andere welzijnsinstelling fuseerden het SCOT en de SKK in 1984 tot de Twern.

Vakbeweging

De katholieke vakbeweging kwam eind negentiende eeuw op als kerkelijk antwoord op de socialistische arbeidersbeweging. De vakbond behartigde de stoffelijke belangen van de katholieke arbeider, en de standsorganisatie de geestelijke belangen. Ook andere maatschappelijke groepen zoals de boeren en middenstanders hadden hun eigen standsorganisaties. Evenals de afkeer van alles wat rood was, was deze dubbelstructuur met enerzijds een belangenorganisatie en anderzijds een standsorganisatie typerend voor de katholieke vakbeweging. De standenideologie verdween in de democratiseringsgolf van de jaren zestig en daardoor verloor de standsorganisatie haar bestaansgrond. Voor de vakbeweging bleef enkel de belangenbehartiging over. Nadat het religieuze niet langer overheersend was gebleven, kon deze taak ook - en zelfs beter - in groter verband samen met het het NVV (de vroegere aartsvijand) uitgevoerd worden.

Op 15 augustus 1948 werd op grootse wijze het Feest van de Arbeid gevierd in 
het Tilburgse Sportpark aan de Goirleseweg. Daarbij werden allerlei facetten 
uit het leven en werken van de katholieke arbeider en zijn gezin uitgebeeld bij 
een door zeventienduizend leden bezochte manifestatie. De Katholieke 
Arbeiders Beweging (KAB) met al haar instellingen speelde een belangrijke 
rol in de vorming van de katholieke identiteit. (coll. RHC Tilburg).

Kort na de oorlog was een groter verband, los van de katholieke kerk, nog ondenkbaar. Zo was er in Tilburg aanvankelijk behoorlijke sympathie voor de vanuit het communistische kringen opgezette Eenheidsvakbeweging (EVB), maar nadat het RKWV weer landelijk was heropgericht werden de Tilburgse RKWV’ers door landelijk voorman A.C. de Bruijn teruggefloten. Tijdens een in 1945 door de Bossche Diocesane Bond in het Tilburgse sportpark gehouden ‘Feest van de Arbeid’ liet bisschop Mutsaerts geen onduidelijkheid bestaan over de toekomst van de katholieke arbeidersbeweging. In 1954 kwamen de Nederlandse bisschoppen met hun gezamenlijk mandement, waarin het lidmaatschap van het NVV voor katholieke arbeiders verboden. Dit verbod zou tot 1965 blijven bestaan en de opheffing van het verbod maakte de weg vrij voor de fusie tussen NKV en NVV.

Voordat die fusie er was, kende de katholieke vakbeweging tal van organisaties die zich bezighielden met allerlei zaken variërend van tuberculosebestrijding tot kleinveeverzekeringen. Het in deze organisaties belichaamde ideaal van een katholieke maatschappij was richtinggevend voor werk, gezin en vrijetijdsbesteding. Maar de veranderende tijdsgeest knaagde aan de betrokkenheid van de georganiseerden bij de katholieke beweging en het katholieke sociaal-culturele werk. De modernisering met de meerdere vrije tijd en media zoals de televisie eiste haar tol, en de katholieke arbeidersbeweging werd steeds minder de pijler van de sociale gemeenschap.

Zorg en onderwijs

Ook bij de gezondheidszorg speelden secularisering, professionalisering, specialisering en schaalvergroting een belangrijke rol. Van Doremalen behandelt dit aan de hand van de geschiedenis van onder andere het Wit-Gele Kruis, de GGD en de Tilburgse ziekenhuizen. In de laatste zagen we de nonnen verdwijnen als verplegend personeel.

In de Tilburgse onderwijsgeschiedenis ziet de auteur drie belangrijke ontwikkelingen: de (gedeeltelijke) secularisatie, de explosieve toename van de onderwijsparticipatie en ten slotte de toename van de diversiteit in het onderwijsaanbod, waardoor Tilburg zich onderwijsstad mag noemen. Verhaald wordt over de vele parochiële lagere scholen met enkel jongens of enkel meisjes. Een van de parochiegeestelijken waakte over de katholiciteit en bij de jongensschool kwam hij af en toe een leerling halen om bij een huwelijk of een uitvaart de mis te dienen. In de jaren zestig kwam de verantwoordelijkheid voor het behoud van de katholiciteit meer bij de scholen zelf te liggen. De secularisatie kwam ook tot uiting in de toename van het aantal lekenonderwijzers ten koste van de fraters en zusters. Zeker zolang er een overwicht was van de KVP in de raad, ondernam de gemeentelijke overheid weinig initiatieven om openbare scholen op te richten. In 1960 kende Tilburg maar één openbare lagere school. Vanaf de jaren zeventig kwamen er geleidelijk aan meer, maar dat ging niet zonder slag of stoot.

De toename van de onderwijsparticipatie was merkbaar in zowel het lager beroepsonderwijs als het voortgezet en hoger onderwijs. Voor de eerste twee vormen van onderwijs zal dit voor een belangrijk deel ook het gevolg geweest zijn van wat de auteur verzuimde te vermelden, de verscherping van de leerplicht, maar ook door het toegenomen besef dat scholing belangrijk is. De toegenomen participatie in het hoger beroeps- en het wetenschappelijk onderwijs werd behalve door een grotere vraag naar hooggeschoolden ook bevorderd door het beursale stelsel, waardoor deze vormen van onderwijs ook voor kinderen uit de lagere sociale klasse toegankelijk werden.

Bij de behandeling van de derde ontwikkeling in het Tilburgse onderwijs, de toename van de diversiteit, geeft de auteur aan hoe het aanbod in het hoger en wetenschappelijk onderwijs groeide. Hij noemt onder andere het Mollerinstituut, de School voor Journalistiek en beschrijft hoe de Economische Hogeschool door een verbreding van het onderwijsaanbod met de sociale wetenschappen, rechten, psychologie en letteren eerst Katholieke Hogeschool Tilburg en later Katholieke Universiteit Brabant werd. Vanzelfsprekend komt ook de bezetting en tijdelijke naamsverandering in Karl Marx Universiteit aan de orde. Het brave, maar ontzuilende Tilburg liep met deze actie wel mooi voor op het revolutionaire Amsterdam.

Beoordeling

Het publiceren van dit prachtige boek bleek uiteindelijk een zware bevalling, maar er is toch maar weer een mooi kindje gekomen. Het is wel een heel dik en zwaar kindje, dat niet makkelijk in de luie stoel gelezen kan worden. Een beperking van de inhoud was zonde geweest, dus enkel een uitgave in meerdere banden had hier soelaas kunnen bieden. Aan de andere kant is dit ook geen boek dat je makkelijk van voor naar achter gaat zitten lezen. Het is een wetenschappelijke uitgave die ook voor het grote publiek aantrekkelijk moet zijn. Gezien de vele prachtige illustraties en de kaderteksten die uitnodigen om een kort stukje te lezen, heeft het grote publiek er een prachtig boekwerk aan. Wetenschappers kunnen het boek uitstekend gebruiken als naslag- en overzichtswerk, al had ik wel graag bij het notenapparaat boven aan iedere pagina een kopregel gezien met vermelding van de pagina’s waarop de daar afgedrukte noten betrekking hebben.

In 1958 stonden nog twaalf nieuwe kerken gepland in Tilburg. Ruim tien jaar later was het katholieke 
leven zo gewijzigd dat het sluiten van veel parochiekerken onvermijdelijk was. Sluiten werd vaak gevolgd 
door slopen, zoals hier de kerk van de Noordhoek in 1975. (coll. RHC Tilburg).

De auteurs en redacteuren hebben sinds 2000 snel en goed werk afgeleverd. Tilburg, stad met een levend verleden is weliswaar niet op basis van uitgebreid nieuw onderzoek geschreven, maar heeft desondanks grote waarde omdat het een prachtige bundeling is van wat er eerder in zeer veel publicaties over Tilburg geschreven is. De uitgebreide literatuurlijst geeft daar een beeld van. De accenten zijn overwegend goed gelegd en het boek biedt daardoor een enorme hoeveelheid informatie, al heb je natuurlijk altijd kleine vergissingen. Een pietlut vindt die altijd wel. Zo is scharrebier heel wat anders dan op bladzijde 158 wordt geschreven, zijn de kapucijnen nog steeds niet uit de stad verdwenen en wordt Marietje Kessels in het geheel niet genoemd, hoewel dat bijvoorbeeld uitstekend had gekund in het fotobijschrift of bij de opmerking over de sloop van de H. Hartkerk op respectievelijk bladzijde 508 en 510. Een wetenschappelijk standaardwerk is iets anders dan een encyclopedie. Er moeten altijd keuzes gemaakt worden, en kiezen is ook altijd verliezen. Ik vind het bijvoorbeeld jammer dat er niet wat meer aandacht besteed is aan de oprichtingsgeschiedenis van de vakbonden eind negentiende, begin twintigste eeuw en aan de grote textielstaking van 1935. Ook de sociale bewegingen die in de jaren zeventig van de vorige eeuw opkwamen, hadden mijns inziens wel wat meer aandacht mogen hebben. Aan de andere kant had er wat mij betreft in het allerlaatste hoofdstuk wel wat minder aandacht gemogen voor de culturele ontwikkelingen gedurende de laatste twintig jaar. Maar cultuursnobs zullen die mening wel niet snel onderschrijven. Ieder legt immers zijn eigen accenten. De redactie van het Tilburgse geschiedenisboek heeft die naar mijn mening goed gelegd.

Wie ik in deze recensie graag met naam zou willen noemen, is vormgever Bart Gladdines. Hij verdient een flinke pluim want de manier waarop hij de bladzijdes met doorlopende tekst, afbeeldingen (verzameld door beeldredacteur Ronald Peeters) en kaderteksten heeft ingedeeld, is zonder meer voorbeeldig en overzichtelijk. Zo zijn de door hem gebruikte kleuren om de kaderteksten te accentueren rustgevend en daadwerkelijk ondersteunend.

Kortom, voor in de geschiedenis van Tilburg geïnteresseerden is het boek een echte aanwinst. De wetenschapper vindt er een goede samenvatting en analyse in van het tot dusver over de Tilburgse geschiedenis verrichtte onderzoek, en de in zijn stad geïnteresseerde Tilburger kan er onderhoudend in bladeren en hier en daar wat losse stukken tekst lezen. Het boek, dat een oplage had van 9100 exemplaren, was binnen tien dagen uitverkocht. In maart 2002 verschijnt op initiatief en risico van boekhandel Livius de tweede druk in een oplage van 1000 exemplaren.


Noten

(1) Algemene Geschiedenis der Nederlanden (Haarlem 1977-1983) 15 delen.
(2) Berend Dijksterhuis, Bijdragen tot de Geschiedenis der Heerlijkheid Tilburg en Goirle. (Tilburg 1899) Proefschrift Rijksuniversiteit Leiden.
(3) P.C. Boeren, Het Hart van Brabant Schets eener economische geschiedenis van Tilburg, uitgegeven bij gelegenheid van het honderdjarig bestaan der Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Tilburg en omgeving 1842 - 11 october - 1942 (Tilburg 1942).
(4) H.J.A.M. Schurink en J.H. van Mosselveld (red.), Van Heidorp tot Industriestad Verkenningen in het verleden van Tilburg (Tilburg 1955).
(5) Ach Lieve Tijd, de boeiende historie van Tilburg en de Tilburgers (Zwolle 1993 - 1995).
(6) Over de gang van zaken schreef ik onder andere eerder een artikel in het Noordbrabants Historisch Nieuwsblad van december 2000 - januari 2001, jaargang 14, nummer 6.


C. Gorisse (hoofdred.) e.a., Tilburg, stad met een levend verleden. De geschiedenis van Tilburg van de steentijd tot en met de twintigste eeuw (Tilburg, Regionaal Historisch Centrum Tilburg, 2001), 592 blz., geïll. ISBN 90-9015185-0, € 40,61 (2e druk € 50).


* Drs. Paul van Dun is adjunct-streekarchivaris bij het Streekarchief Land van Heusden en Altena en docent aan de Archiefschool in Amsterdam. Hij publiceerde eerder over de Tilburgse geschiedenis in onder andere dit tijdschrift en over diverse onderwerpen variërend van de geschiedenis van de arbeidersbeweging tot bier- en brouwerijgeschiedenis.