Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
                  
                 572. ‘Het vergieten van menschen bloet’
              
 

Titel:   

‘Het vergieten van menschen bloet’

Ondertitel:   

De berechting van geweldsdelicten door de schepenbank van Tilburg in de zeventiende en achttiende eeuw

Auteur:   

E.J.M.F.C. Broers *

Jaargang:   

XXI (2003) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina’ s:   

3-11


In de avond van 11 september 1746 keerde Jan Govert Janssen huiswaarts van de Tilburgse kermis, toen zijn paard en wagen werden staande gehouden door Philip van Tilborg. Van Tilborg was vijftien maanden als knecht in dienst geweest bij Janssen en verweet deze laatste dat hij over deze periode nog loon te goed had. De woordenwisseling die tussen beiden ontstond, liep volledig uit de hand: Janssen trok zijn mes, Van Tilborg greep een houweel en tijdens de vechtpartij die volgde, bracht de meester zijn voormalige knecht een zware hoofdwond toe. Nog diezelfde avond kwam Van Tilborg aan deze verwonding te overlijden. 


Janssen werd nu door drossaard Pieter van Hoven, gerechtsofficier van Tilburg, voor de schepenbank gedaagd omdat een zodanig ‘enorm delict als het vergieten van menschen bloet’ in een land van goede justitie niet kon en mocht worden getolereerd, maar op het rigoureuste behoorde te worden bestraft. Op 30 januari 1747 werd Janssen door de schepenen evenwel ontslagen van rechtsvervolging omdat de feitelijke toedracht van het gebeurde onduidelijk was, maar wel gebleken was dat het slachtoffer zelf niet vrijuit ging bij hetgeen hem was overkomen.(1) 

In het archief van de schepenbank Tilburg bevindt zich een groot aantal dossiers van strafprocessen die in de zeventiende en achttiende eeuw zijn aangespannen wegens geweldsdelicten. Ruzies in herbergen, burenruzies, conflicten tussen gezins- of familieleden, scheld- en schimppartijen blijken dikwijls te zijn uitgelopen op een handgemeen of een gewapend treffen. Het kwam tot lichte of zware verwondingen, mishandelingen met fatale afloop, doodslagen of pogingen daartoe en al dan niet geslaagde moordaanslagen. In de nu volgende paragrafen zal aan de hand van enkele concrete strafzaken worden ingegaan op de vervolging en berechting van deze uiteenlopende vormen van geweldpleging door de Tilburgse justitie. Daarbij zal met name aandacht worden besteed aan de straffen die door de gerechtsofficier werden gevorderd en aan de rechtsregels die daartoe door hem werden gehanteerd. Deze regels kon hij putten uit een aantal rechtsbronnen. Er was het van oudsher geldende en deels opgetekende gewoonterecht, er was het door de Staten-Generaal voor het generaliteitsland Brabant afgekondigde wettenrecht; voorts het Romeinse recht, waarvan vanaf de zestiende eeuw een grote invloed uitging op de rechtspraktijk, en het Goddelijke recht, vervat in de boeken van vooral het Oude Testament. Ook de geschriften van beroemde binnen- en buitenlandse strafrechtsjuristen, zoals Joos de Damhouder, Julius Clarus, Antonius Matthaeus en Benedict Carpzov, fungeerden feitelijk als een bron van recht.(2) Het is vooral in de stukken die door de officier van justitie ten processe zijn geproduceerd, dat de verhouding tussen dit "recht in de boeken" (law in the books) en het "recht in actie" (law in action) blijkt.(3) 

Verwonding

Op 15 mei 1678 bezocht Jan Hendrick Teulinghs een herberg en zocht daar, zoals het zijn gewoonte was, met iedereen ruzie. Vooral Adam Jan Wijtens moest het ontgelden. Nadat deze diverse malen door Teulinghs was uitgedaagd, gingen beiden met elkaar op de vuist, waarbij er over en weer heftig werd geslagen en gestompt. Nadat de beide vechtersbazen uiteindelijk door andere gasten waren gescheiden, trok Teulinghs plotseling een mes en stak Wijtens daarmee in zijn rug. Deze laatste hield er een ernstige verwonding aan over.(4) 
Voor verwondingen zoals de onderhavige waren in de costumen van 's-Hertogenbosch, het opgetekende gewoonterecht van de hoofdstad van de Meierij dat ook voor Tilburg gold, expliciete strafbepalingen opgenomen. Zo waren het trekken van een mes, het iemand aanvallen met een stok of steen of het kwetsen van iemand met een dergelijke ‘gheswaerder handt’ strafbaar gesteld met vaste geldboeten.(5) De gerechtsofficier van Tilburg placht overigens volledig aan deze bepalingen voorbij te gaan. Had iemand een ander toegetakeld met bijvoorbeeld een mes, een bierpul of een knuppel, dan vorderde de officier namelijk dat de dader moest worden veroordeeld tot een straf die de schepenbank gepast achtte.(6) Dikwijls gaf hij in zijn ‘ticht en aanspraak crimineel’ aan dat deze straf in een geldboete diende te bestaan, waarvan de schepenen de hoogte naar bevind van zaken moesten vaststellen.(7) 

Titelblad van ‘Costuymen, ende usantien der Hooft-stadt ende 
Meyereye van s’Hertogen-bossche’ uit 1684 (Coll. RHC Tilburg).


Aan deze arbitraire bestraffing van verwondingen kwam een einde toen de Staten-Generaal in 1661 en 1665 een tweetal plakkaten voor Brabant uitvaardigden, waarin zij strafbepalingen hadden opgenomen met betrekking tot het dragen van wapens, het dreigen daarmee en het gebruiken daarvan. In het zogeheten plakkaat ‘jegens het dragen van onbehoorlick geweer, vechteryen en doodslagen’ van 6 september 1661 en in de ampliatie daarop van 25 november 1665 waren het dragen van een zakpistool, het afschieten daarvan, het bij zich hebben van een mes, het iemand aanvallen met een mes of met een stok of een ander voorwerp, strafbaar gesteld met - voornamelijk - geldboeten.(8) In al die gevallen nu waarin iemand een ander had verwond met een mes, knuppel, bierpul, vuurtang of iets dergelijks, eiste de officier van Tilburg dat de dader tot de desbetreffende wettelijke geldboete werd veroordeeld. Meestal verwees hij daarbij uitdrukkelijk naar de plakkaten van 1661 en 1665.(9) 

Zo werd ook in de criminele aanspraak die op 7 maart 1679 tegen Jan Hendrick Teulinghs werd geproduceerd, gevorderd dat de dader voor het door hem begane ‘notoir feijt ende evident moetwillich delict’ op grond van het plakkaat van 1661 en de ampliatie daarop van 1665 een geldboete van 50 guldens moest worden opgelegd. In het onderhavige geval ging de gerechtsofficier intussen stilzwijgend voorbij aan de mogelijkheid dat Teulinghs, toen hij Wijtens met zijn mes in de rug stak, deze niet zozeer wilde verwonden, maar dat hij hem wilde doden. Dat de dader in casu geen poging tot doodslag werd ten laste gelegd, hing samen met de in Brabant van oudsher geldende gevolgaansprakelijkheid voor geweldsdelicten.(10) Deze gevolgaansprakelijkheid hield in, dat iemand die tegen een ander geweld gebruikte, zich voor de strafrechter moest verantwoorden voor de gevolgen die uit zijn optreden waren voortgevloeid, ongeacht of hij deze gevolgen had gewild of niet, dan wel of het hem om iets anders te doen was geweest.

Poging tot doodslag

Nog beter dan in het proces tegen Jan Teulinghs komt de gevolgaansprakelijkheid voor geweldsdelicten tot uiting in de criminele procedure die in 1681 werd aangespannen tegen Dirck Janssen Steuven.(11) Deze Steuven had op 15 mei van dat jaar in een herberg ruzie gekregen met Peeter Verte. In de vechtpartij die daarop was ontstaan, had hij Verte dermate fel aangevallen ‘dat scheen dat hij hem van 't leven ter doot wilde brengen’, zo kan men in de aanspraak van de officier lezen. Om ‘tot sijn ooghwit beter te konnen komen’ had de dader het slachtoffer met een ijzeren tang hard op zijn hoofd geslagen en hem daarbij een zware hoofdwond toegebracht.

Uit de woorden van de gerechtsofficier blijkt duidelijk dat Steuven op het bewuste moment méér voorhad dan zijn slachtoffer enkel te verwonden. Toen hij de tang ter hand nam, deed hij dat met het oogmerk om de ander om het leven te brengen. Nu hij daarin echter niet was geslaagd, werd hem slechts verwonding ten laste gelegd omdat de gevolgen van zijn optreden daartoe beperkt waren gebleven. Dat de dader in een dergelijk geval niet terechtstond voor poging tot doodslag, is reeds benadrukt door Willem van der Tanerijen in zijn Boec van der loopender practijken der Raidtcameren van Brabant uit circa 1496. In dit juridische commentaar geeft de schrijver een uiteenzetting van de procespraktijk van het hoogste rechtscollege van het oude hertogdom, de Raad van Brabant te Brussel, maar zoekt daarbij in hoge mate aansluiting bij het geleerde Romeinse recht dat aan de universiteiten werd onderwezen.(12) Volgens het Romeinse recht nu, aldus Van der Tanerijen, zou de poging tot doodslag aan de dader even zwaar moeten worden aangerekend als het voltooide delict, waarop de doodstraf staat.(13) Op grond van het eigen gewoonterecht echter moet deze persoon niet worden gestraft voor datgene wat hij wilde doen, maar slechts voor datgene wat hij heeft gedaan: ‘want al eest dat iemant eenen anderen quetst in meyningen dijen doot te slaen ende dijen nochtans niet doot en slaet, hij sal alleen gepunieert wordden van der quetsueren ende niet van den doodslage’.(14) 
Ook tegen Dirck Janssen Steuven eiste de officier van justitie derhalve dat deze krachtens de plakkaten van 1661 en 1665 moest worden veroordeeld tot de geldboete van 50 guldens waarmee de wetgever verwondingen van deze soort had bedreigd.

Poging tot moord

In 1646 werden Adriaen en Jan Verbunt voor de Tilburgse schepenbank gedaagd. Hun werd ten laste gelegd dat zij zich op 15 april 1646 naar het huis van hun broer Jan de oude hadden begeven ‘met vast voornemen, ende opgesette quaetheijt ... hunnen broeder in sijn eijgen huijs ... ter doot te brengen’. Ter plaatse aangekomen, hadden zij hun broer en diens vrouw niet alleen geslagen, gestompt en geschopt, maar hadden zij tevens messen getrokken om hun bloedverwant daarmee te vermoorden. Door tussenkomst van de dochter des huizes was dit evenwel ‘door gewelt, ende voorts met moortroepenen’ verhinderd. De slachtoffers kwamen er uiteindelijk met enige lichte kwetsuren vanaf.(15) 

In zijn criminele aanspraak stelde de officier van justitie dat de gebroeders Verbunt ‘andre ten exempel notoirlijck sijn straffbaer, 't sij bij bannissement off andre grote corporele off pecuniaire amenden ende penen’. Anders dan in het zojuist beschreven proces tegen Dirck Steuven werden de wettelijke strafbepalingen inzake het iemand aanvallen met een mes in dit geval buiten toepassing gelaten. Het beginsel van de gevolgaansprakelijkheid voor geweldsdelicten leed namelijk uitzondering als de aanslag bijzonder ernstig werd geoordeeld, zoals in geval van een verhinderde moordaanslag waaraan het slachtoffer slechts een verwonding had overgehouden.(16) Bij een dergelijke poging tot het plegen van een gekwalificeerde vorm van doodslag keek men niet alleen naar hetgeen de dader had gedaan, maar ook naar hetgeen hij had willen doen.(17) Een geldboete werd voor deze dader een te lichte straf geacht. Nu hij had gehandeld ‘met gedelibereerden gemoede en gruwsaem opset’ om het slachtoffer te doden, diende de door hem gepleegde ‘moordadige mishandelinge’ met een ‘swaerdere correctie’ te worden bestraft.(18) Deze zwaardere correctie kon met name bestaan in een langdurige verbanning of een lijfstraf.(19) In het gegeven voorbeeld werd door de officier uiteindelijk geconcludeerd dat de daders ‘corporelijck off andersins gestraft’ zouden worden, op een wijze die de schepenbank naar gelegenheid van zaken gepast achtte.

Doodslag

Doodslag wordt door de reeds genoemde Brabantse rechtsgeleerde Willem van der Tanerijen aldus gedefinieerd dat de dader het slachtoffer ‘bij opsette’, oftewel ‘willens ende wetens’, om het leven heeft gebracht.(20) Nu er in Brabant een gevolgaansprakelijkheid voor geweldsdelicten gold, was er van doodslag echter niet alleen sprake als de dader het slachtoffer opzettelijk om het leven had gebracht. Ook als iemand een ander met opzet had verwond en deze aan zijn verwonding was overleden, gold de dader als een doodslager.(21) In de latere rechtsdogmatiek werd in dit verband wel een onderscheid gemaakt tussen indirect opzet, dat enkel was gericht op de daad, en direct opzet, dat mede was gericht op het gevolg van die daad.(22) 

Als de gerechtsofficier van Tilburg iemand doodslag ten laste legde (23), volstond hij in zijn ticht en aanspraak crimineel met een feitelijke omschrijving van het gebeurde, namelijk dat de dader het slachtoffer een wond had toegebracht waaraan deze laatste - aanstonds of later - was overleden. Dat de dader daarbij opzettelijk had gehandeld, kan enkel worden afgeleid uit de door de officier gebezigde woorden. In de ticht die op 2 maart 1705 uitging tegen Johannes Hollen werd bijvoorbeeld gesteld dat verdachte op 7 januari van dat jaar, toen zijn meester Willem Hofmans in een herberg ruzie had gekregen met Peeter Lievens, diverse malen zijn mes had getrokken tegen deze Lievens. Toen Lievens ten slotte van zijn stoel was opgestaan met een bierpul in zijn hand, had Hollen hem in zijn buik gestoken, aan welke wond het slachtoffer korte tijd later was overleden.(24) Deze doodslag kon in een plaats van goede politie niet worden getolereerd, zo vervolgde de officier, maar de dader moest daarvoor ingevolge de wetten en plakkaten van het land ten hoogste worden gestraft. Geconcludeerd werd dat Hollen ‘met den swaerde’ zou worden gestraft ‘datter de doodt navolght’.

Aan de dader moest derhalve de doodstraf worden opgelegd, waarvan de executie door middel van het zwaard diende te worden voltrokken. De vordering tot de doodstraf werd in de criminele aanspraak, zoals in moord- en doodslagzaken meestal werd gedaan, voorzien van slechts een algemene grondslag. De bestraffing van de doodslager moest namelijk plaatsvinden op grond van ‘s lands ‘wetten en plakkaten’.(25) Nu was het voor de officier in de regel ook niet mogelijk om zijn eis op een specifieke bepaling uit het gewoonte- of wettenrecht te laten steunen. Enerzijds bevatten de costumen van ‘s-Hertogenbosch, hoewel het in Brabant een min of meer vaste gewoonte was dat aan een doodslager de doodstraf werd opgelegd (26) , geen artikelen waarin zulks was bepaald.(27) Anderzijds hadden de Staten-Generaal weliswaar enkele plakkaten ter zake van doodslag en moord uitgevaardigd, maar in deze verordeningen hadden zij nagenoeg geen materiële strafbepalingen opgenomen, maar hoofdzakelijk procedurele voorschriften met betrekking tot het arresteren en vervolgen van degenen die zich aan deze delicten hadden schuldig gemaakt(28) 

Slechts incidenteel heeft de officier van Tilburg in de verordeningen van de wetgever een concreet aanknopingspunt voor de op te leggen doodstraf gevonden. Zo was in het reeds genoemde plakkaat ‘jegens het dragen van onbehoorlick geweer, vechteryen en doodslagen’ van 6 september 1661 een bepaling opgenomen inzake de doodslag die was voorgevallen in een vechtpartij waaraan diverse personen hadden deelgenomen. De Staten-Generaal hadden daarin verordonneerd dat, hoewel alleen aan de pleger van de doodslag de doodstraf kon worden opgelegd, de overige vechtersbazen niet onbestraft mochten blijven: ‘Ende hoe wel in 't faict van doodtslagen geenen capitalen lijfstraffe en valt, dan tegens den geenen die den doodtsteeck gegeven ende geinfligeert heeft, ordonneren, statueren ende willen wy nochtans, dat gestraft sullen worden met bannissement, ende anderen arbitraire straffen, alle die geene die den aflyvige gequetst ofte gewont sullen hebben, hoe wel dat het bleecke dat sy hem de dootwonde niet gegeven en hadden.’(29) Op deze bepaling, waarin terloops was vastgelegd dat doodslag een kapitaal delict was, werd bijvoorbeeld een beroep gedaan in het proces dat in 1683 werd aangespannen tegen Andries Brocken.(30) Brocken was op 21 april van dat jaar in een herberg betrokken geraakt in een gevecht tussen enkele van de gasten. Tijdens dat gevecht had hij Hendrick van Vlijmen met zijn klompen dusdanig in zijn buik geschopt, dat het slachtoffer de volgende dag aan de opgelopen verwondingen was bezweken. In de ticht en aanspraak die nu tegen Brocken werd opgesteld, werd overwogen dat niet alleen ingevolge de Goddelijke wetten maar ook ingevolge de eigen wetten, en dan in het bijzonder op grond van het plakkaat van 1661, deze doodslag met de dood moest worden bestraft. De dader diende derhalve door middel van het zwaard te worden terechtgesteld.


Straffen ‘met den swaerde datter de doodt navolght’. Fragment 
uit prent ‘Justitia’ van Pieter Breughel (Foto coll. RHC Tilburg).



Behalve op de wereldlijke wetten werd in de zaak Brocken, evenals in een aantal andere zaken (31), ook een beroep gedaan op de Goddelijke wetten. In enkele bewaard gebleven pleitnota's die van de hand van de officier zijn verschenen, wordt voor dit Goddelijke recht verwezen naar passages uit de boeken Genesis, Exodus en Leviticus van het Oude Testament.(32) In dergelijke nota's worden ter ondersteuning van de eis tot de doodstraf echter vooral bepalingen uit het Romeinse recht (33) en passages uit de rechtsgeleerde literatuur (34) aangehaald. Zowel in het geval van Andries Brocken als in het eerder vermelde geval van Johannes Hollen wilde de officier dat de dader door onthoofding met het zwaard ter dood zou worden gebracht. Deze vorm van executie was niet alleen voorgeschreven in het Romeinse recht (35), maar was ook in het inheemse recht een gebruikelijke wijze van terechtstellen van een doodslager.(36) In de meeste gevallen die aan de Tilburgse schepenbank zijn voorgelegd, heeft men de poena ordinaria gladii echter niet ten uitvoer kunnen leggen, omdat de dader zich tijdig uit de voeten had weten te maken en niet meer kon worden achterhaald. Er zat voor de schepenen dan niets anders op dan de voortvluchtige dader bij verstek tot een eeuwige verbanning uit de jurisdictie te veroordelen, onder de bepaling dat de doodstraf alsnog op hem zou worden voltrokken als hij in handen van justitie mocht geraken.(37) 

Moord

In 1750 spande de gerechtsofficier van Tilburg een proces aan tegen de voortvluchtige Arnoldus Daniel Verhoeven, omdat deze op 19 december van het daaraan voorafgaande jaar zijn buurman Adriaen Zegers, met wie hij ruzie had, had doodgeschoten.(38) In de ticht en aanspraak die tegen de dader werd opgesteld en op 5 februari aan de schepenbank werd gepresenteerd, kan men lezen dat Verhoeven Zegers ‘met een boosaerdig, en goddeloos opset, op een moordaedige, en onmenselijke wijse, met een snaphaen schreut (daer expres toe gelaeden)’ in zijn buik had geschoten en dat het slachtoffer enkele uren later aan zijn verwonding was overleden. De schutter was daarop onmiddellijk op de vlucht geslagen, ‘met seer groote alteraetie, en ontsteltenisse in sijn gemoet (ja selfes sonder schoene aen, nog hoet, nog muts op het hooft)’. Voor dit ‘enorm fait, en gruwelijke moort’ moest hij ingevolge de Goddelijke en wereldlijke wetten zodanig aan zijn lijf worden gestraft dat de dood erop volgde.

In het inheemse recht werd van oudsher onderscheiden tussen doodslag en moord. Moord werd daarbij beschouwd als een gekwalificeerde vorm van doodslag, als een doodslag namelijk die op een heimelijke of verraderlijke wijze was gepleegd.(39) Zo werd iemand aangemerkt als een moordenaar als hij een ander bijvoorbeeld op een afgelegen plaats had gedood, of gedurende de nachtelijke uren, of als hij het lijk van het slachtoffer had verborgen om zo de sporen van zijn misdrijf uit te wissen. Het waren derhalve vooral de uitwendige omstandigheden waaronder de dader het slachtoffer had gedood, waaruit men afleidde dat deze dader een moord had gepleegd. Met het ingaan van de zestiende eeuw wordt deze traditionele opvatting van het delict moord gehuldigd door een tijdgenoot van de eerder genoemde Willem van der Tanerijen, de Vlaamse jurist Filips Wielant. In diens Corte instructie in materie criminele definieert Wielant het onderhavige delict aldus: ‘Moort es yement dootslaen, bedectelic, uut den weghe, in busschen, in haghen, verre van lieden. Of het es yement verraderlic doetslaan van achtere, of by nachte, zonder roupen of waerscuwen. Of het es dootslaen verswyghende ende niet te kennen gheven.’(40) Van der Tanerijen zelf daarentegen komt met een veel "modernere" definitie waar hij moord omschrijft als een doodslag die ‘met opsette ende voirdachten coelen bloede’ is gepleegd.(41) In geval van moord heeft de dader het slachtoffer dus opzettelijk om het leven gebracht en heeft daarbij in koelen bloede gehandeld, na zich vooraf over zijn handeling te hebben beraden.

Het is deze invulling van het begrip moord, waarbij het accent ligt op de vooropgezette bedoeling van de dader om zijn slachtoffer te doden en niet op de heimelijke, verraderlijke wijze waarop hij deze bedoeling ten uitvoer heeft gebracht, die men ook aantreft in de rechtspraak van de schepenbank Tilburg. Dat een moordenaar handelt met voorbedachten rade is in sommige processen met zoveel woorden aangevoerd door de officier van justitie, zoals in het eerder beschreven geval van Adriaen en Jan Verbunt, bij wie een ‘vast voornemen, ende opgesette quaetheijt’ aanwezig was om hun broer om het leven te brengen.(42) De officier heeft de kwade bedoelingen van de dader echter ook op een meer impliciete wijze verwoord. Zo werd in de zaak van Arnoldus Verhoeven niet alleen overwogen dat deze handelde ‘met een boosaerdig, en goddeloos opset’ toen hij zijn buurman Adriaen Zegers neerschoot, maar ook dat hij zijn geweer ‘expres daer toe gelaeden’ had.(43) 

Hoewel een moordenaar eigenlijk in aanmerking kwam voor een zwaardere straf dan onthoofding, zoals met name radbraking, is deze laatste straf maar een enkele keer door de officier van Tilburg geëist.(44) Toen Guilbertus da Costa de voerman Jan Cornelis Maes had vermoord, na daartoe een complot te hebben gesmeed met Maes' vrouw Pieternel - met wie hij een verhouding had - en diens oudste zoon Jan, vorderde de officier namelijk dat de dader zou worden veroordeeld om ‘op een rat gelegt en levendig van onder op te werden gerabraeckt, sonder eenege gratie, en daer nae sijn kop afgeslaege en op een pin met het lichaem den vogelen ten proij in de heijde gegeven’.(45) In de regel werd echter geopteerd voor de poena ordinaria gladii of werd de keuze van de executiemethode overgelaten aan de schepenbank.(46) Om zijn eis tot de doodstraf te onderbouwen verwees de officier, evenals in processen ter zake van eenvoudige doodslag, in algemene zin naar de wetten en plakkaten van het land of naar de wereldlijke en Goddelijke rechten, aangezien noch de uitgevaardigde verordeningen noch de opgetekende costumen op dit punt concrete strafbepalingen bevatten.(47) Ook in moordzaken is de dader intussen meestal veroordeeld tot een levenslange verbanning omdat hij op tijd een veilig heenkomen had gezocht.(48) 

Speciale gevallen van moord

In de juridische handboeken van vroeger tijd werden dikwijls aparte paragrafen gewijd aan enkele speciale gevallen van moord, die als bijzonder strafwaardig golden, zoals gifmoord, moord op de eigen ouders en kindermoord.(49) Een paar maal zijn dergelijke zware moordzaken voorgelegd aan de schepenbank van Tilburg. Zo was daar het geval van Cathalijn van Amelroij, die in 1678 haar voormalige verloofde Adriaen Naedemaels een verse witte boterham met een letale hoeveelheid vergif te eten gaf. (50)Voor deze gifmoord zou zij met de vuurdood moeten worden bestraft, stelde de Tilburgse officier van justitie, maar hij volstond met de eis dat daderes aan lijf en goed werd bestraft, op een wijze die de schepenbank gepast achtte. Eenzelfde straf eiste hij op 11 oktober 1679 tegen Gijbrecht Gijsbrechts omdat deze zijn negenjarige stiefdochtertje de keel had doorgesneden, nadat ‘de duijvel vander helle hem sulx hadde geraden ende ingegeven’.(51) Van kindermoord was ook sprake in de zaak van de dienstmeid Maria Smolders, die op 15 januari 1691 beviel van een kind van haar werkgever Cornelis Wouters, waarna beiden zich niet hadden ontzien dat kind ‘goddeloos [ende] onmensich te vermoorden’ door het de hals door te snijden.(52) Al deze daders en daderessen zijn uiteindelijk, nadat men hen tevergeefs had trachten te arresteren, voor hun leven uit Tilburg verbannen.

Gerrit Verspaendonck echter kon zich niet aan de Tilburgse justitie onttrekken.(53) Op een zondagmorgen in maart 1681 had deze Verspaendock zich met een strop van het leven beroofd in het huis van zijn vader. De gerechtsofficier achtte dit ‘een saecke ten hooghsten strafbaer anderen ten exempel’ en spande een procedure aan tegen ‘het doode lichaem’ van Verspaendonck. Dat ook iemand die zichzelf het leven benam, een strafbaar feit pleegde en deswege moest worden bestraft, was in de voorliggende periode een geenszins vreemde gedachte. De bekende criminalist Antonius Matthaeus wijst in dit verband op het Goddelijke gebod non occides - gij zult niet doden - in het Oude Testament en merkt op dat dit gebod geen uitzonderingen kent en niet alleen betrekking heeft op andermans leven, maar ook op het eigen leven.(54) Ook zelfmoord was dus moord en in de ogen van Filips Wielant zelfs de meest ernstige vorm daarvan: ‘Want die eenen anderen doot, en doot maer 't lichame, maer die hemselven doot, die doot ziele ende lichame’.(55) De straf die Wielant in dezen voorschrijft, was de gebruikelijke straf voor zelfmoordenaars. Het lijk van degene die dit schandelijke delict had gepleegd, werd naar het galgenveld gesleept en daar ten aanschouwe van eenieder opgehangen of op een rad geplaatst.(56) 

Fragment uit de manuscriptkaart van Diederik Zijnen uit 1760. Op de grens tussen Tilburg en 
Goirle lag vlak bij het Laar het ‘Galgeveld’ (Coll. RHC Tilburg).

Op 10 maart 1681 werd deze straf ook geëist tegen Gerrit Verspaendonck. Gevorderd werd dat ‘het doode lichaem door den scherprichter uijt den huisinge alwaer het selve is leggende, op een horde publiecq over 's heeren straten sal werden geslept tot op het Conincx fort alhier, alwaer het gericht is staende, ende daer anderen ten exempel op claeren daege sal werden gehangen’. Na ingewonnen advies van een tweetal rechtsgeleerden uit ‘s-Hertogenbosch beslisten de schepenen op 14 maart evenwel dat het lichaam van Verspaendonck moest worden begraven.(57) 

Besluit

Het oude inheemse strafrecht is lange tijd een strafrecht geweest dat was gebaseerd op hetgeen feitelijk kon worden vastgesteld. Eerst in de vijftiende en zestiende eeuw ontwikkelde dit Germaanse daadstrafrecht zich, onder invloed van het herontdekte Romeinse recht, geleidelijk tot een schuldstrafrecht. Iemand werd voortaan voor de strafrechter gedaagd niet louter omdat hij zekere kwalijke gevolgen had veroorzaakt, maar mede omdat deze gevolgen aan hem konden worden verweten. Geweldsdelicten blijken zich echter voor een belangrijk deel aan deze ontwikkelingen te hebben onttrokken. Had iemand geweld gepleegd jegens een ander, dan werd hij gestraft voor datgene waarin zijn optreden had geresulteerd: verwonding als het slachtoffer het er levend van afgebracht had, doodslag als hij er het leven bij ingeschoten had. Als een aanslag echter bijzonder ernstig werd geacht, zoals in het geval van een verhinderde moordaanslag, keek men niet alleen naar hetgeen de dader had gedaan, maar ook naar hetgeen hij had willen doen. Een verbanning of een lijfstraf waren voor deze dader op zijn plaats, ook al had hij zijn slachtoffer enkel verwond.

De plakkaten die de Staten-Generaal in de zeventiende en achttiende eeuw uitvaardigden ter beteugeling van geweldsdelicten, bevatten intussen concrete strafbepalingen waarmee de schepenbank van Tilburg uiteenlopende verwondingen kon beboeten. Voor de bestraffing van moord en doodslag daarentegen waren in deze verordeningen niet of nauwelijks materiële voorschriften opgenomen. De wetgever achtte het blijkbaar voldoende bekend dat de plegers van deze delicten voor de doodstraf in aanmerking kwamen. Om zijn eis tot de doodstraf toch van een juridische grondslag te voorzien, verwees de gerechtsofficier van Tilburg in zijn ticht en aanspraak in algemene zin naar de wetten en plakkaten van het land of naar de wereldlijke en Goddelijke rechten. In een pleitnota kon hij zijn de criminele eis verder onderbouwen met bepalingen uit het Romeinse recht, passages uit de rechtsgeleerde literatuur en teksten uit het Oude Testament.

De doodstraf is echter maar zelden daadwerkelijk ten uitvoer gelegd, omdat de meeste plegers van een doodslag of moord tijdig het rechtsgebied van de schepenbank Tilburg hadden weten te verlaten. Er restte de schepenen dan niets anders dan de voortvluchtige dader voor zijn leven uit hun ressort te verbannen, onder de bedreiging hem alsnog terecht te stellen als hij in handen van justitie mocht vallen. Dit laatste is evenwel nimmer gebeurd.


* E.J.M.F.C. Broers studeerde Nederlands recht aan de Katholieke Hogeschool Tilburg, later de Katholieke Universiteit Brabant. In 1986 trad hij als wetenschappelijk assistent in dienst bij de Vakgroep Rechtsgeschiedenis van deze universiteit. Thans is hij als universitair docent verbonden aan de Vakgroep Encyclopedie en Rechtsgeschiedenis van de Universiteit van Tilburg. In 1996 promoveerde hij op het proefschrift ‘Beledigingszaken voor de Staatse Raad van Brabant 1586-1795’. Van zijn hand verschenen voorts publicaties op het terrein van de geschiedenis van het strafrecht, het privaatrecht en het procesrecht.


‘… op een rat gelegt en levendig van onder op te werden gerabraeckt, sonder eenege gratie, en daer nae sijn kop 
afgeslaege en op een pin met het lichaem den vogelen ten proij in de heijde gegeven’ (Foto coll. RHC Tilburg).

 

Noten

(1) Regionaal Historisch Centrum Tilburg (verder RHCT), archief Schepenbank Tilburg (verder ST), crim. dossiers, nr. 241.
(2) Vgl. H.A. Diederiks, S. Faber en A.H. Huussen jr., Strafrecht en criminaliteit [Cahiers voor Lokale en Regionale Geschiedenis, nr. 1] (Zutphen 1988) 15-16.
(3) De vonnissen van de schepenbank zijn in dit opzicht minder interessant, aangezien ten tijde van het Ancien Régime rechters niet verplicht waren hun uitspraken te motiveren. Vgl. Diederiks e.a., Strafrecht en criminaliteit, 15. Bovendien werden van de schepenbank Tilburg in de regel alleen die strafvonnissen in het register ingeschreven, waarbij de dader was veroordeeld tot een kapitale straf, zoals m.n. de doodstraf. Was er daarentegen slechts een niet-kapitale straf opgelegd, b.v. een geldboete, dan werd in het register meestal slechts aangetekend dat er vonnis was gewezen.
(4) RHCT, ST, crim. dossiers, nr. 138.
(5) Costumen van ‘s-Hertogenbosch, cap. 3, artt. 7, 8 en 9. Zie Jan Baptist Christijn, Brabandts recht, dat is generale costumen vanden lande ende hertoghdomme van Brabandt, mitsgaders van het hertoghdom van Limborgh, stede en lande van Mechelen; met verscheyde ordonnantien, reglementen, statuten, ende manieren van procederen (2 dln. Antwerpen 1682) II, 884.
(6) B.v. RHCT, ST, crim. dossiers, nrs. 49, 50, 52, 53, 57, 61, 63, 65-68, 74.
(7) B.v. RHCT, ST, crim. dossiers, nrs. 51, 54, 60, 62, 64, 79, 82, 99, 101, 103, 104.
(8) Cornelis Cau e.a., ed., Groot placaet-boeck (10 dln. 's-Gravenhage/Amsterdam 1658-1797) II, 2669 resp. III, 599.
(9) B.v. RHCT, ST, crim. dossiers, nrs. 138, 140, 141, 144, 150, 152, 157.
(10) E. Poullet, Histoire du droit pénal dans le Duché de Brabant [Brussel 1870] 442-443. Deze gevolgaansprakelijkheid gold overigens niet alleen in Brabant. Vgl. L.Th. Maes, Vijf eeuwen stedelijk strafrecht (Antwerpen/'s-Gravenhage 1947) 260; R.C. van Caenegem, Geschiedenis van het strafrecht in Vlaanderen van de XIe tot de XIVe eeuw (Brussel 1954) 87-88; J. Monballyu, ‘Strafbare poging bij Damhouder en Wielant en in de 15de- en 16de-eeuwse Vlaamse rechtspraktijk’, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 58 (1990) 301-316, aldaar 309 en 311. Voor de Germaansrechtelijke origine van deze gevolgaansprakelijkheid zie nader E. Schmidt, Einfürung in die Geschichte der deutschen Strafrechtsplege (3e dr. Göttingen 1965) 31-37, 70-75.
(11) RHCT, ST, crim. dossiers, nr. 144.
(12) Willem van der Tanerijen, Boec van der loopender practijken der Raidtcameren van Brabant. Ingeleid en uitgegeven door Eg.I. Strubbe (2 dln. Brussel 1952). Voor de bronnen waaruit Van der Tanerijen bij het schrijven van zijn commentaar heeft geput, zie G. van Dievoet, ‘De invloed van de “Somme rural” van Jehan Boutillier op het “Boec van der loopender practijken” van Willem van der Tanerijen’ in: Th.E.A. Bosman e.a., red., Brabandts recht dat is... Opstellen aangeboden aan prof.mr. J.P.A. Coopmans ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar Nederlandse rechtsgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit Brabant [Brabantse Rechtshistorische Reeks, nr. 5] (Assen/Maastricht 1990) 77-85, aldaar 77.
(13) Boec van der loopender practijken, boek I, cap. 29 (deel I, p. 139).
(14) Boec van der loopender practijken, loc. cit. (deel I, p. 142-143).
(15) RHCT, ST, crim. dossiers, nr. 46.
(16) Betrof het daarentegen een “gewone” doodslag die was verhinderd, maar waarbij het slachtoffer wel was verwond, dan werd de dader gewoontegetrouw vervolgd ter zake van deze verwonding, zelfs als het duidelijk was dat betrokkene de ander had trachten te doden. Vgl. b.v. RHCT, ST, crim. dossiers, nr. 144. In deze zaak werd Dirck Janssen Steuven ten laste gelegd dat hij op 15 mei 1681 in een herberg ruzie had gekregen met Peeter Verte en dat hij deze laatste dermate fel had aangevallen, ‘dat scheen dat hij hem van 't leven ter doot wilde brengen’. Om ‘tot sijn ooghwit beter te konnen komen’ had hij zijn slachtoffer met een ijzeren tang hard op zijn hoofd geslagen en hem daarbij een zware hoofdwond toegebracht. Gevorderd werd dat de dader zou worden veroordeeld tot de geldboete die de plakkaten van 1661 en 1665 in dezen voorschreven.
(17) Vgl. Monballyu, ‘Strafbare poging’, 311-312. Op het onderscheid tussen doodslag en moord zal bij de bespreking van laatstgenoemd delict worden teruggekomen.
(18) Vgl. RHCT, ST, crim. dossiers, nr. 216.
(19) RHCT, ST, crim. dossiers, nrs. 38, 46, 76, 80, 154, 163, 216.
(20) Van der Tanerijen, Boec van der loopender practijken, loc. cit.: ‘bij opsette’ (deel I, p. 139, 146, 149), `willens ende wetens' (p. 139, 140, 144, 149).
(21) Boec van der loopender practijken, loc. cit. (deel I, p. 140, 143, 144-145).
(22) Vgl. Dionysius Godefridus van der Keessel, Praelectiones in Libros XLVII et XLVIII Digestorum exhibentes jurisprudentiam criminalem usum fori Batavi applicatam et in novum Codicem Criminalem 1809. Uitgegeven en in het Engels vertaald door B. Beinhart en P. van Warmelo (6 dln. Kaapstad etc. 1969-1981) boek 48, tit. 8, par. 3 (deel III, p. 951 en 955).
(23) In plaats van ‘doodslag’ heeft de officier zich incidenteel bediend van de term ‘manslag’ (RHCT, ST, crim. dossiers, nrs. 56, 73, 162, 241). Een enkele maal is een kwalificatie van het gepleegde delict door hem achterwege gelaten (dossier nr. 97).
(24) RHCT, ST, crim. dossiers, nr. 170.
(25) B.v. RHCT, ST, crim. dossiers, nrs. 137, 139, 154, 159, 162, 163, 170, 171, 216, 218, 219, 221, 229, 230. Incidenteel wordt in plaats van ‘wetten’ de term ‘costumen’ gehanteerd (dossier nr. 131). Een enkele maal wordt de eis alleen ingesteld op grond van de ‘wetten’ (dossier nr. 158) dan wel de ‘plakkaten’ (dossier nr. 131). In een tweetal gevallen wordt behalve naar de wetten en de plakkaten ook verwezen naar de ‘rechten’ van het land (dossier nrs. 198, 241).
(26) Poullet, Histoire du droit pénal, 442.
(27) In de costumen van 's-Hertogenbosch, cap. 3, art. 33 e.v., waren slechts bepalingen opgenomen m.b.t. de verzoening van de doodslager met de familie van het slachtoffer. Zie Christijn, Brabandts recht, II, 885. Een dergelijke verzoening was op haar plaats als aan de dader strafvermindering of -kwijtschelding werd verleend. Vgl. Hugo de Groot, Inleidinge tot de Hollandsche rechts-geleerdheid. Uitgegeven en van aantekeningen en bijlagen voorzien door F. Dovring, H.F.W.D. Fischer en E.M. Meijers (2e dr. Leiden 1965) boek III, cap. 33, par. 3 (p. 304).
(28) Behalve de reeds vermelde plakkaten van 6 september 1661 en 25 november 1665 b.v. ook de plakkaten van 4 juni 1683, 6 januari 1707, 23 september 1713, 13 september 1725 en 1 april 1738. Zie Cau, Groot placaet-boeck, IV, 501 en 760; V, 700; VI, 555 en 568.
(29) Cau, Groot placaet-boeck, II, 2671.
(30) RHCT, ST, crim. dossiers, nr. 151.
(31) RHCT, ST, crim. dossiers, nr. 148, 214, 236, 240, 243.
(32) RHCT, ST, crim. dossiers, nrs. 162, 216, 241. Verwijzingen naar Genesis 9:6, Exodus 21:12 en Leviticus 24:17.
(33) Dat aan de pleger van een doodslag de doodstraf moet worden opgelegd, is uitdrukkelijk bepaald in Digesten 48.8.3.5 en Instituten 4.18.5.
(34) Verwezen wordt naar o.a. Antonius Matthaeus, Johannes Voet en Simon van Leeuwen, naar Benedict Carpzov, Andreas Gail en Matthias Berlich uit Duitsland en naar de Italiaanse rechtsgeleerden Julius Clarus en Prosper Farinacius.
(35) Vgl. Van der Keessel, Praelectiones, boek 48, tit. 8, par. 8 (deel III, p. 988-993).
(36). Als gebruikelijke inheemse executiemethoden voor het onderhavige delict noemt Poullet, Histoire du droit pénal, 442, naast de onthoofding ook de ophanging.
(37) Een kopie van een dergelijk verstekvonnis treft men b.v. aan in RCHT, ST, crim. dossiers, nrs. 170, 171, 192, 198, 205, 214, 229, 230, 236. De verbanning bij verstek was indertijd de standaardstraf voor een voortvluchtige dader, ongeacht aan welk delict hij zich had schuldig gemaakt. Zie nader E.J.M.F.C. Broers, ‘”Saecken van seer quade en dangereusen gevolge”. De berechting van valsheidsdelicten door de Staatse Raad van Brabant’, Pro Memorie. Bijdragen tot de rechtsgeschiedenis der Nederlanden 3 (2001) 197-106, aldaar 106; dezelfde, ‘”Oneerbaerheden, tot groote kleynachtinghe van de publijcque authoriteyt, ende verswaringe van den toorn Godts over desen Staet”: de Raad van Brabant en het Echtreglement 1656’ in: E.J. Broers en B. van Klink, red., De rechter als rechtsvormer (Den Haag 2001) 47-63, aldaar m.n. 53-54 en 60.
(38) RHCT, ST, crim. dossiers, nr. 243.
(39) Poullet, Histoire du droit pénal, 442-443; Maes, Vijf eeuwen stedelijk strafrecht, 121. Voor de Germaansrechtelijke origine van het moordbegrip zie nader R. His, Geschichte des deutschen Strafrechts bis zur Carolina (München 1967, herdruk van de uitgave München/Berlijn 1928) 121 e.v.
(40) Filips Wielant, Verzameld werk. Deel I, Corte instructie in materie criminele. Uitgegeven en toegelicht door J. Monballyu (Brussel 1995) cap. 87, par. 1 (p. 213). In de latere rechtsliteratuur treft men een dergelijke objectieve invulling van het onderhavige delict b.v. aan bij Hugo de Groot, voor wie er sprake is van moord als de dader het slachtoffer ‘luipende en loerende’ het leven beneemt, ‘ofte anderzins den misdadige des zaecks gewaer, ende den geslager des zaecks onghewaer zijnde’. De Groot, Inleidinge, boek III, cap. 33, par. 5 (p. 304).
(41) Van der Tanerijen, Boec van der loopender practijken, boek I, cap. 29 (deel I, p. 149). In de latere rechtsliteratuur treft men een soortgelijke subjectieve invulling van het onderhavige delict b.v. aan bij Simon van Leeuwen, die onder moord een doodslag verstaat die `met opset en voorbedagten raad' wordt gepleegd. Zie diens Manier van procederen in civile en criminele saaken. Begrepen in de aantekeningen ... op het Edict, ende Ordonnantie van koning Philips op de criminele justitie, ende manier van procederen in criminele saaken van den jare 1570 (Leiden 1666) ad art. 25, aant. 1 (p. 173). 
(42) Voor de zaak Verbunt zie de paragraaf over de poging tot moord. Zie b.v. ook RHCT, ST, crim. dossiers, nrs. 216 (`met gedelibereerden gemoede en gruwsaem opset, omme den gequetsten van het leven ter doot te brengen'), nrs. 219-221 (daders hadden een ‘complot’ gesmeed en ‘verfoeijde raetslaegs’ gehouden om het slachtoffer te doden).
(43) In andere gevallen werd voor het voornemen van de dader om zijn slachtoffer te vermoorden verwezen naar b.v. de omstandigheid dat hij de ander vooraf had gedreigd te doden (RHCT, ST, crim. dossiers, nrs. 154, 163), of dat hij de ander na een ruzie in een herberg buiten had opgewacht (nrs. 148, 154, 216), of naar de aard van de aanslag, zoals het vergiftigen van het slachtoffer (nr. 137) of het doorsnijden van diens keel (nrs. 139, 159).
(44) Voor de verschillende executiemethoden die in Brabant bij moord gebruikelijk waren, zie F. Vanhemelryck, ‘Het Brabantse strafrecht en zijn toepassing in enkele Brabantse steden in de XVe eeuw’, Varia Historica Brabantica 3 (1969) 89-114, aldaar 95; Poullet, Histoire du droit pénal, 443. Behalve door radbraking, verbranding en levend-begraving kon het vonnis ook door onthoofding worden voltrokken.
(45) RHCT, ST, crim. dossiers, nr. 220.
(46) B.v. RHCT, ST, crim. dossiers, nrs. 148, 192, 221 (onthoofding); 137, 139, 219 (passende vorm van doodstraf).
(47) Zie hetgeen hierover is opgemerkt bij de bespreking van het delict doodslag.
(48) Een kopie van het verstekvonnis waarbij aan de moordenaar een levenslange verbanning werd opgelegd, onder de bepaling dat hij alsnog ter dood zou worden gebracht als justitie hem wist te achterhalen, treft men b.v. aan in RHCT, ST, crim. dossiers, nrs. 137, 148, 159, 219, 220, 222, 223, 243.
(49) B.v. Willem van der Tanerijen, Boec van der loopender practijken, boek I, cap. 30 (deel I, p. 150 e.v.); Filips Wielant, Corte instructie, cap. 75 (p. 195-196), cap. 88 (p. 213-214).
(50) RHCT, ST, crim. dossiers, nr. 137.
(51) RHCT, ST, crim. dossiers, nr. 139.
(52) RHCT, ST, crim. dossiers, nr. 159.
(53) RHCT, ST, crim. dossiers, nr. 145.
(54) Antonius Matthaeus, De criminibus. Uitgegeven en in het Engels vertaald door M.L. Hewett en B.C. Stoop (4 dln. Kaapstad etc. 1987-1996) boek 48, tit. 5, cap. 1, par. 9 (deel III, p. 366-367).
(55) Wielant, Corte instructie, cap. 89, par. 2 (p. 214).
(56) Wielant, Corte instructie, cap. 89, par. 1 (p. 214).
(57) Voor het inwinnen van juridisch advies door een schepencollege, zie nader B. Jacobs, ‘Is het wel de rechter die het recht vindt?’ in: Broers en Van Klink, De rechter als rechtsvormer, 27-46, aldaar 36-37.