| 573. Paulus van Haastrecht en Goirle | |||
![]() |
|||
|
Titel: |
Paulus van Haastrecht en Goirle |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Lauran Toorians |
|
Jaargang: |
XX1 (2003) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina’ s: |
12-20 |
De recente (her)ontdekking van afschriften van een groot aantal oorkonden uit het heerlijkheidsarchief van Loon op Zand werpt nieuw licht op tal van zaken betreffende Paulus I van Haastrecht en diens nazaten. De stukken zijn daarmee niet alleen van belang voor Loon op Zand. Een van de verrassingen is dat Paulus al in 1379 actief was in Goirle, dat is vier jaar voordat hij Loon op Zand kocht en acht jaar voordat hij pandheer werd van Drunen, Tilburg en Goirle.
In het boek Tilburg, stad met een levend verleden valt te lezen dat gedurende een groot deel van de geschiedenis Tilburg en Goirle een soort Siamese tweeling hebben gevormd.(1)
Op middeleeuwse bronnen gefundeerde informatie over Goirle bleek bij het schrijven van dat boek nauwelijks voorhanden en – voorzover wel te vinden – bovendien zo weinigzeggend, dat over de vroegste geschiedenis van de heerlijkheid Goirle niets naders viel te noteren. In het Oorkondenboek van Noord-Brabant vinden we slechts een Gerard van Goirle die tweemaal als getuige optreedt (de tweede maal samen met zijn broer Nicolaas) in oorkonden die worden opgesteld als Hendrik I, hertog van Brabant, Oisterwijk aandoet.(2) Wat daarbij nog opvalt, is dat hij de enige getuige is die in beide oorkonden als zodanig optreedt. Hij zal dus – zou je denken – een belangrijk man in de regio zijn geweest. Ook in een hertogelijke oorkonde uit 1215 vinden we hem nog een keer als getuige, nu expliciet als ridder: Geradus miles de
Gorle.(3) Ook Janson vermeldt deze Gerard van Goirle als de oudste met name bekende ridder ‘van Goirle’. Zijn bron voor deze periode is
Butkens.(4)
In 1402 is er dan nog sprake van goederen die werden verkregen van een zekere Wouter van Goirle en die op dat moment worden uitgezonderd in de erfenis van Roelof I van Haastrecht uit de nalatenschap van zijn vader Paulus I van Haastrecht.(5) Het bleek onmogelijk verder ook maar iets te zeggen over deze twee ‘van Goirles’ of over Goirle zelf in deze periode. Ook bleef onduidelijk over wat voor bezittingen het in 1402 ging. Wel was ook deze Wouter van Goirle al bekend aan Janson, die hem (bij Butkens) in 1374 vond als
Wouther van Goerle, ridder. Hij weet ook te melden dat deze Wouter in 1371 onder de banier van Hendrik van Cuyk heeft deelgenomen aan de slag bij Baesweiler en daarbij gevangen werd genomen.(6) Verder vond Janson bij Butkens nog een Jan, ridder van Goirle, ‘die geleefd moet hebben tegen het einde der XIIIe en het begin der XIVe eeuw. Hij behoorde tot de vazallen van Jan III, hertog van Brabant (1313-1355, en komt voor op de Lijst van Edellieden onder deze hertog.’(7)
In deze ‘duisternis’ door bronnenschaarste – en dit is precies waarom we van ‘donkere Middeleeuwen’ spreken – werd op spectaculaire wijze een straal licht geworpen met de (her)ontdekking van een viertal oorkonden waarin Goirle nader wordt genoemd. Deze oorkonden dateren uit 1379, 1394 (twee stuks) en 1411 en de teksten ervan volgen hier als bijlage bij dit artikel.(8) Deze oorkonden bevonden zich in een oorkondenverzameling in het archief van de heerlijkheid Loon op Zand. Daar werden zij in 1618 (in een boek?) afgeschreven door notaris Jan H. van Loon, dezelfde die enkele jaren eerder ook de inboedel en het archief van het kasteel te Loon op Zand inventariseerde.(9) Deze vroeg-zeventiende-eeuwse afschriften gingen in de Tweede Wereldoorlog verloren, maar voor die tijd werden zij tussen 1906 en 1912 in een aantal schoolschriftjes gekopieerd door de toen nog jongen F.H.M. Ouwerling, de latere gemeentearchivaris van Tilburg (1924-1936). Deze schriftjes, met de tekst van in totaal 61 oorkonden, maken deel uit van de Collectie F.H.M. Ouwerling die wordt bewaard in het Regionaal Historisch Centrum Tilburg. De link tussen deze (deel)collectie en het heerlijkheidsarchief Loon op Zand was daarbij al geruime tijd in vergetelheid geraakt.(10)
F.H.M. Ouwerling(1883-1960), die sinds 1916 als secretarie-ambtenaar
in ‘meer in het bijzonder’ werd belast met de ordening van het oud-archief
van de gemeente Tilburg, was van 1924 tot 1936 gemeentearchivaris aldaar
(Coll. RHC Tilburg).
Naast de hier genoemde ‘van Goirles’ vond ik nog een Arnoud Ayken van Goerle die vanaf eind jaren 1340 tot 1355 actief was als vertrouweling van hertog Jan III en die in die periode ook deel uitmaakte van de Raad van Brabant.(11) Hij bevond zich daar in het gezelschap van onder meer Gijsbrecht van Abcoude, heer van Gaasbeek, Jan II van Polanen, heer van de Lek en van Breda en ook Willem van Duvenvoorde, een kring die we verderop opnieuw zullen ontmoeten. Na zijn vertrek uit de Raad kreeg Arnoud Ayken van Goirle in 1356 het decanaat van de O.L. Vrouwekerk in Antwerpen. Of, en hoe, deze Arnoud Ayken van Goirle verwant was aan de andere hier genoemde ‘van Goirles’ is mij niet bekend, maar de plaatsnaam Goirle komt slechts eenmaal voor. Verder is er jonkvrouw
Lyel (Lilia) van Goerle die overleed op 6 februari 1440. Zij bezat
die nuwe tiende van Goirle, die in 1411 door haar man Willem van Oesterzeel werd geschonken aan hun dochter Hillegont.(12)
In de hieronder besproken oorkonde van 1 mei 1394 uit de Collectie Ouwerling vinden we ten slotte ook nog een
Gielys van Goerle die ik verder nog nergens heb kunnen terugvinden. In ditzelfde stuk treedt een Godevaart de Bie van Goirle op. In dit geval is onduidelijk of we hier ook een familieband met de ridders van Goirle mogen veronderstellen, of dat we hier een toponymische toevoeging omwille van de duidelijkheid hebben, vergelijkbaar met de toevoegingen die we regelmatig vinden bij de naam Bac.
Wouterszoon van Goirle
De oudste van de vier oorkonden in de Collectie Ouwerling waarin sprake is van Goirle, is tevens de oudste van de hele groep. Ze dateert van 1 oktober 1379 en is bijzonder omdat het een overeenkomst betreft tussen Paulus I van Haastrecht en Willem van Besoijen omtrent een stuk grond en de inkomsten daaruit in Goirle. Paulus van Haastrecht werd in 1387 pandheer van Tilburg en Goirle, en kocht in 1383 de heerlijkheid Loon op Zand. Voorzover we wisten, had Paulus van Haastrecht voordat hij heer van Loon op Zand werd geen andere bemoeienissen met Brabant (behalve dan zijn huwelijk met een dochter van de heer van Dongen, zie hieronder). Dit beeld moet nu dus worden herzien; blijkbaar begon Paulus zijn opmars in Brabant in Goirle.
De tekst van de oorkonde van 1379 is helaas door Ouwerling niet ongeschonden gekopieerd. In de openingsfrase laat hij een stuk wit, blijkbaar omdat hij één of enkele woorden in het origineel (d.w.z. in het afschrift van notaris Van Loon) niet kon lezen. Iets verder in diezelfde zin is sprake van
die out stel, waarvan ik de betekenis niet begrijp.(13) Uit het overige valt op te maken dat tot op de dagtekening van het stuk – dus tot 1 oktober 1379 – Paulus I van Haastrecht en Willem van Besoijen samen in het bezit zijn geweest van een stuk grond met een hoeve en een daaraan verbonden cijns waarvan de eigenaar
Wouterssoen van Goerle was. (14) Het lijkt hierbij te gaan om een onderpand voor een lening. Nu, op genoemde datum, koopt Paulus Willem van Besoijen uit en verlengt hij de lening, en daarmee de verpanding van deze
erffenisse goet ende cyns te Goirle van Wouterszoon met alle daarbij behorende rechten voor een periode van vijf jaar. Daarbij zal Paulus ook de daarop aanwezige gebouwen (husinghe ende tijmmeringhe) als zijn eigendom mogen beschouwen. Zoals we zullen zien werd het pand niet na vijf jaar gelost en bleef de pandovereenkomst gedurende langere tijd bestaan.
In het volgende deel van de oorkonde lijkt Willem van Besoijen aan het woord. Hij was in de voorafgaande periode Paulus’ compagnon geweest, krijgt nu de helft van zijn aandeel in de winst, en belooft tevens voor de komende vijf jaar af te zien van verdere claims. Zijn de compagnons in onmin uit elkaar gegaan en wordt die ruzie nu met deze oorkonde openlijk bijgelegd? Dat is niet noodzakelijk. Er kan ook een afgesproken termijn zijn verstreken, waarna de lening als het ware opnieuw wordt gesloten. Als partijgenoten van Willem van Besoijen – die Paulus van Haastrecht in deze overeenkomst met Wouterszoon van Goirle heeft geleid – worden nog genoemd
Willem van Dongen, Jan van Rijswijc, Wouter Laurens zoen en
Zeger sinen zoen. De precieze implicaties van deze ‘koop’ (lening en verpanding) en van dit rijtje namen zijn nog onduidelijk en vereisen verder onderzoek. Duidelijk is wel dat we ons bevinden in de kring van (Hollandse) edelen die relaties onderhielden met Willem van Duvenvoorde en diens nazaten, zoals ook Paulus van Haastrecht dat op dat moment zelf deed.
Willem van Dongen (ook wel ‘Willem van Dalem, heer van Dongen en de Lage Zwaluwe’) is de oudste wettige zoon van Roelof van Dalem (een Arkel-telg, net als Van Haastrecht), sinds 1350 heer van Dongen, en van Beatrix, halfzuster van Willem van Dongen en (natuurlijke?) dochter van Willem van Duvenvoorde. Paulus I van Haastrecht trouwde met Elsebeen van Dalem, dochter van deze Roelof van Dalem, waarmee hij en Willem van Dongen (van Dalem) dus zwagers waren.(15) Van belang lijkt verder dat ‘Willem Roelofsz. van Dalem, heer van Dongen’ in een eerste huwelijk was getrouwd met een zekere
Badeloge Bije (Johannesdr.).(16) Via haar kan hij verwant zijn geweest met de Wouter, Agnes en Godevaart de Bie die we in de volgende twee oorkonden zien optreden.
Links: Wapen van Wouter van Goirle uit de 14e eeuw. Tekening uit:
H.W. Janson, ‘Bijdrage tot de
geschiedenis van Goirle’ (1953), blz. 18.
Rechts: Detail van de Mariaklok die Willem en Jasper Moer in 1500 goten voor de kerk in Loon op
Zand. Op deze klok staat het wapen van de heren Van Haastrecht (Foto Ad van der Aa, Loon op Zand).
Jan van Rijswijk maakte in 1380-1381 een zogenaamde Pruisenreis in het gezelschap van Jan van Polanen en Reinier Dever. Dergelijke expedities vonden tussen ongeveer 1320 en 1420 frequent plaats en hadden tot doel om met de Duitse Orde tegen de heidense Pruisen en Litouwers te vechten. het waren dus een soort ‘alternatieve’ kruistochten.(17)
We mogen uit deze oorkonde waarschijnlijk ook concluderen dat de Wouter, ridder van Goirle, die volgens Janson in 1374 nog in leven was en die in 1371 had deelgenomen aan de slag bij Baesweiler, in 1379 was overleden. Blijkbaar was de erfenis verdeeld en verpandde Wouterszoon zijn deel (of een gedeelte daarvan) aan Paulus I van Haastrecht (en Willem van Besoijen). Eigenaardig is nog dat Janson (i.c. Butkens) een familiewapen van deze Wouter van Goirle afbeeldt dat op verwantschap met Paulus I van Haastrecht zou kunnen duiden. Het wapen bestaat uit een ‘beurtelings gekanteelde dwarsbalk’ met daarboven een zogenaamde barensteel, een teken dat geplaatst werd over het bovenste deel van een familiewapen wanneer dit werd gedragen door de oudste zoon en erfgenaam. Bij Butkens vond Janson ook een wapenschild voor het geslacht ‘van Goirle’, met enkel een beurtelings gekanteelde dwarsbalk, maar dit lijkt mij een niet geheel juiste interpretatie op basis van het wapen van Wouter.(18) Een barensteel dekt namelijk het bovenste gedeelte van het familiewapen af, en wanneer we hiervoor een tweede beurtelings gekanteelde dwarsbalk invullen, hebben we als resultaat het Arkel-wapen dat ook door Paulus I van Haastrecht en diens nazaten werd gevoerd. Het wapen van Wouter van Goirle bij Butkens lijkt dus te suggereren dat ook de ridders van Goirle loten zijn aan de wijd verbreide stamboom van Arkel.
De erven De Bie
De volgende oorkonde dateert van 1 mei 1394. Het is een verklaring van Agnes, weduwe van Wouter de Bie van Goirle, en van haar zoon Godevaart de Bie van Goirle voor de schouten van Oisterwijk en van Tilburg.(19) Moeder en zoon verklaren ‘vereffent en gescheiden’ te zijn van Paulus I van Haastrecht, die recht had op een derde deel van het goed in Goirle van
Gherijt Noten soens en van heer Lourens en heer Jan, sijn twe brueders. Blijkbaar hebben Agnes en Godevaart zich voor hun erfdeel uitgekocht en daarbij aan Paulus van Haastrecht in al hun verplichtingen voldaan. Het bezit waar het om gaat wordt omschreven als ‘de gehele cijns en de gehele heide en het zwarte land die bij dit genoemde goed horen, en een halve bunder beemden gelegen in
de vloet, en een halve bunder beemden gelegen bij den huse, met een bunder weiden gelegen in
die donc. Na deze juridische en financiële genoegdoening, wordt ditzelfde ‘zwart land met die twee halve bunders beemden en met die bunder weiden’ opnieuw door Paulus van Haastrecht in eeuwige erfpacht uitgegeven aan Agnes en Godevaart de Bie. Omdat moeder en zoon niet over een zegel beschikken, werd de oorkonde waarin deze overeenkomst was vastgelegd, bezegeld door
Bac Bertouts soen en door Gielijs Bac sinen soen die schout was te Tilburg.
Tekening van de watermolen te Goirle door kapitein
D.T. Gevers van Endegeest ‘Een December
Mistdag te Goirle’ 1831 (coll. Atlas van Stolk Rotterdam, repro RHC Tilburg).
Later, in 1437, was Wouter Goyaerts die Bye, zoon van Goyaert Wouters die
Bye, bezitter van het hertogelijk leengoed ‘Ter Vloed’ in Goirle, bestaande uit tien bunder land, de twintig bunder grote beemd
die Vloet, de drie bunder grote weide die Donc en 36 bunder heideland te Hilvarenbeek.(20)
Janson vermeldt als eerste De Bie in Goirle een zekere Jan de Bie, die op 26 juli 1292 wordt gemachtigd om een deel van zijn erfgoed onder
Ludinxvoirt (bij Nieuwkerk) te verkopen aan de Abdij van Tongerlo. Vervolgens kent hij een Wouter (Walter) de Bie die eerst op 15 mei 1315 ‘een hofstede in Goirle, genaamd “ter Venne”, met alle daarbij behorende weiden en bouwgronden’ aan Tongerlo verkoopt, en vervolgens op 20 juni 1316 voor diezelfde abdij enkele tiendes verwerft die rusten op ‘akkers, genaamd “Lewerkenbrake” en “Cloet”.(21) Op 12 november 1340 laat de Raad van Brabant aan de magistraat van ’s-Hertogenbosch weten ‘dat Wouter de Bije en Zeger de Landmeter, gewezen meiers, de eerste te Brecht en de andere te Meerbeek, door hem veroordeeld waren en buiten de wet gesteld’.(22) Beide oud-meiers werden zo veroordeeld omdat zij hadden geweigerd recht te doen.(23) Dat Agnes in 1394 weduwe van deze zelfde Wouter de Bie is, is natuurlijk niet zeker en gezien de lange periode tussen 1315 en 1394 ook niet waarschijnlijk, maar mogelijk is het wel. Een familierelatie ligt voor de hand.
Ook in het volgende stuk, gedateerd 10 september 1394, treden Agnes en Godevaart de Bie gezamenlijk op. De oorkonde is in dit geval afkomstig van Johanna hertogin van Brabant. Zij bevestigt op verzoek van Agnes, weduwe van Wouter de Bie van Goirle, en van Godevaart de Bie haar zoon, en voorzover dat in haar macht ligt, de overeenkomst die we zojuist zagen. De overeenkomst werd dus belangrijk genoeg geacht om ze door de hoogste rechtsmacht in Brabant te laten bekrachtigen.
‘Opt Rullaer’
Het laatste stuk in de Collectie Ouwerling waarin Goirle voorkomt, is eveneens een hertogelijke oorkonde, gedateerd op 25 november 1411 en uitgevaardigd door Antoon van Bourgondië als hertog van Brabant. De ontvanger is Dirk I van Haastrecht. Paulus I van Haastrecht overleed in 1400, waarna er onder zijn beide zoons Dirk en Roelof een strijd om de opvolging is losgebrand. In eerste instantie was Roelof daarbij in het voordeel. Zijn oudere broer (halfbroer?) Dirk bevond zich buiten het land en Roelof kreeg de steun van zijn moeder.(24) Het duurde geruime tijd voordat Dirk I van Haastrecht zijn erfdeel had veiliggesteld, en deze oorkonde lijkt deel van uit te maken van dat proces. Het is dan ook van belang dat de hertog Dirk hier omschrijft als
Dirck van Haestrecht heere van Venloen. In eerste instantie is vervolgens sprake van ‘vierendertig bunders heide geheten
opt Rullaer en een gedeelte van het goed ten Goerle gelegen in de parochie van ons dorp Tilburg dat hij van ons te leen houdt’.(25) Ook dit ‘Rielaer’ is misschien ook een riddergoed geweest. Er was althans een Jan van Rielaer die in 1334 als onderzoeker deel uitmaakte van de hertogelijke enquête-commissie die tot taak kreeg te onderzoeken waarom er zoveel klachten waren over het bestuur in het hertogdom. Jan van Rielaer zat in die commissie namens de stad Tienen.(26) Het is evenwel niet zeker dat deze Jan van Rielaer zijn naam dankt aan ‘ons’ Riellaer; het toponiem komt nog enkele malen elders
voor.(27)
Fragment uit de ‘Caarte Figuratieve van de Heerlijkheden Tilburg, Goirle en
Riel’ door Hendrik
Verhees, 1790. In het midden de ‘Goolse Vloet’ (Coll. Rijksarchief in Noord-Brabant,
‘s-Hertogenbosch, foto RHC Tilburg).
Dat met dit goed in Goirle hetzelfde bezit wordt bedoeld als met de beemden en weiden die Paulus I van Haastrecht in 1379 voor vijf jaar ‘kocht’ (i.c. in onderpand verkreeg), wordt duidelijk uit een notitie in het zogenaamde ‘Spechtboek’ van de hertog. Daarin wordt al in 1402 – en ten onrecht, zoals we zagen – gezegd dat Roelof van Haastrecht de Brabantse lenen van zijn vader had geërfd,
behoudelic den leen yegen Wouteren van Goorle vercregen.(28) Mogelijk werd dit pand later toch gelost, of anders moet het eigendom ervan bij de erfgenamen van Wouter van Goirle zijn gebleven. In 1462 blijken die erfgenamen Van Dalem te heten. Dat lijkt althans de conclusie uit het gegeven dat ‘[o]p het laatst van 1462’
Adriaan van Daelhem (zoon van Roelof en woonachtig te Brecht, waar Wouter de Bie meier was geweest!)
het leengoed Die Vloet onder Goirle erft. De erflater is Jan van Daelhem, die het in 1457 erfde van zijn broer Floris. Hun vader heette Jan, net als hun grootvader, die het goed in 1379 gekocht zou hebben van
Gerrit de Bije.(29) Een andere mogelijkheid is natuurlijk dat deze Gerit de Bie ook een erfgenaam was van Wouter de Bie en dat het niet om hetzelfde, maar om een aanpalend goed in de Goirlese Vloed gaat.
In zijn beschrijving van het leengoed ‘De Vloed’ citeert Janson het Bossche ‘Strick Griffier’:(30)
Een goet, gheheiten de Vloet met sijnen toebehoirten, ghelegen tot Goerle, in ’t Goer, neven den Molendijck ende eenen ghemeinen wech gheheite die Langevoirt, met twee sijden – comende mitten eenen sijde zuitwaert aen de erven Symons, Wouter Bacxsoene, mitter ander sijde noortwaert aen een hooghde gheheiten den Wachtelwech – groot omtrent 18 buenderen beempde, al in eenen stuck ghelegen. Ende is een volle leen.
Uit deze omschrijving is duidelijk dat zich hier toen al – in de vijftiende eeuw – een watermolen bevond. Deze watermolen heeft dienstgedaan tot 1903.(31)
Voor de 34 bunders heide opt Rullaer heeft in het heerlijkheidsarchief van Loon op Zand nog lang een afzonderlijk cijnsregister bestaan. Notaris Van Loon beschreef het in 1610 als volgt:(32)
(…) een cleyn boecxken in quarte foli inhoudende sesse ende een halff bescreven bladeren, beginnende: ‘Census domini de Venloon in die tome anno 1548 opt Relaer’, inhoudende geltchijns ende hoenderchijns onder Gorle.
Ook met zijn opvolging in Tilburg heeft Dirk I van Haastrecht problemen gehad, waardoor hij inkomsten uit deze heerlijkheid is misgelopen. De hertog beveelt in deze oorkonde uit 1411 dan ook eenieder om Dirk in zijn leengoed te respecteren en hem te doen toekomen waarop hij recht heeft. Wie daarbij in gebreke blijft kan zich niet langer op de hertog beroepen, want die staat vierkant achter Dirk van Haastrecht.
Tekening van de Vloed te Goirle door kapitein
D.T. Gevers van Endegeest 1831 (coll. Atlas van Stolk
Rotterdam, repro RHC Tilburg).
De oorkonden volgens het afschrift van F.H.M. Ouwerling
xxvii.
1 oktober 1379
Wij Pouwels van Haestrecht ridder aen d’een sijde ende Willem van Bijsoyen aen d’ander side doen cond allen luden dat wij onderlingen gehadt hebben tot desen daghe toe [… wit, ca. 13 lettertekens …] van zulken goede als Wouterssoen van Goerle, die out stel
(33) ende ick Pouwels van Haestrecht Ridder liggende hebben tot Goerl ende ic Pouwels van Haestrecht ridder teghen Wouters brueder van Goerl gecoft hebbe in deser manieren dat ic Pouwels van Haestrecht ridder voirscreven brucken sal tot mijnre orber zulc erffenisse goet ende cyns tot Goerl als Wouters zoen van Goerl voernoempt ende ick Pouwels van Haestrecht ridder tot Goerl hebben ende hem ende mij met recht toebehoiren vijf jaer lanc naestcomende na datum des briefs. Ende wes ic Pouwels van Haestrecht ridder wt leghede binnen desen voers. jaeren die husinghe ende tijmmeringhe mede te houden die staen tot Goerl. Ende den voers. goeden toebehoeren daer soude men mij die twedeel af wt reijcken teynden den voers. vijf jaren ende voert ic Willem van Bijsoyen heb geloeft ende gelove heeren Pouwels van Haestrecht voernoempt wes hynder, stoet of scade hij creech of lede inden voirs. goede dat van mijnen wegen of van Wouters zoens van Goerls wegen voers. toe quame in desen voers. vijf jaeren dat ic hem die oprichten sal en verstoren bij Willem van Dongen, Jan van Rijswijc, Wouter Laurens zoen ende Zeger sinen zoen. In kennissen der waerheyt hebben wi Pouwels van Haestrecht ridder ende Willem van Bijsoyen desen brief open bezegelt met onzen zegelen. Ghegeven in’t jaer ons heeren dusent driehondert neghen en ’t seventich op Sent Bavendach. Ende was bezegelt met eenen zegele onderaen eenen dobbelen sterte in groenen wasse vuythangende.
Accordeert met sijn originael quod attestor
J.H. van Loon, notaris
xxviii.
1 mei 1394 (34)
Wij Agnese Wouters Bijen wijf was van Goerle ende Godevaert die Bye van Goerle haer soen doen cont en kenlic allen luden dat wij bij Heynen van Eel scout van Oisterwijc die des bevelinghe had van onser genedigher vrouwen van Brabant bij Gielys van Goerle Bac Bertouts soen ende Vrancken van Ghestel als manne onser genedigher vrouwe voerseit vereffent ende gesceyden sijn van heren Pouwels van Haestrecht heere van Loen als dat haer Pouwels voirs. hebben sal dat rechte dordendeel van den goede tot Goerle van Gherijt Noten <soens weghen, ende van heren Lourens ende heren Jan, sijn twe>(35)
brueders voer welck dordendeel voerseit, dese voirs. Heyn, Gielys, Bac ende Vranc in onser genediger vrouwen naeme voergenoemt Heren Pouwels voerseit toegedeylt hebben bij onsen ende onser vrienden consent ende vrijen wille den alinghen chijns die alinghe heyde ende dat zwart lant, desen voers goede toebehorende ende een halven buenre beemden geleghen in de vloet ende een halven buenre beemden gheleghen bij den huse met ene buenre weijden geleghen in die donc, welc swart lant metthen
(36) twee halve buenre beemden ende metthen (37) buenre weyden wij weder ontfangen hebben van heren Pouwels voergenoemt in een erfpacht ende ewighe huerwerer elx jaers om sestalf mudde roggen te betaelen alle jaer desen voernoemden pacht op onser Vrouwendach purificatio ende waer dat jaer dat wij dit voernoemt goet tot eenigher tijt over gheven wouden of laten vaeren soe souden wijt over gheven ende varen laten met dubbelen pacht, ende buten dese voirs. pachtinge sal haer Pouwels voirs behouden vrijden alingen cijns ende die alinge heyde voirs., waerom wij Agnese ende Godevaert voirs. oetmoedelic versoecken en vreendelicken bidden onser genediger vrouwen van Brabant dat sij van desen gesceide ende erfpachtinge voirs. heere Pouwels voerseit confirmacien ende brieve gheven wille dair hi ende syne erven tot ewigen dagen mede verwaert mogen sijn, ende want wij Agnese ende Godevaert voirs. op dese tijt selve gene zegelen en hebben soe hebben wij gebeden Bac Bertouts soen voirs. ende Gielijs Bac sinen soen scout tot Tilborch desen brief open over ons te bezegelen ende wij Bac Bertoutssoen ende Gielijs Bac voirs. om beden wil Joffr Agnesen onser nichten ende Godevaerts hoers soens ons neven voirs ende in kennisse der waerheit soe hebben wij desen brief bezegelt met onse zegelen int jaer ons heeren dusent driehondert vier ende ’t negentich op den meydach. Ende was bezegelt met twe gele wasse zegelen onder aen dobbele sterten vuythangende.
Ghecollationneert tegens sijn originael van der dato ende besegelt als boven is dese copie daermede bevonden concorderende bij mij ondergeteeckent notaris oepenbair geadmitteert bij den raede van haere hoocheden geordineert in Brabant ’t selve onder mijn gewoenlijck hanteecken notariael hieronder gestelt attesteerdende
J.H. van Loon, notaris
xxix.
10 september 1394
Johanna bider gracien Goids hertoginne van Lucenbourch van Lothrijc van Brabant van Lymborch ende marcgrevinne des Heilichs Rycx doin cont allen luden dat wij doir versueke ende beden Agnesen Wouters Bienswijff was van Goerle ende Godevaerts Bien hoirs soens geconfirmeert hebben ende confirmeren mit desen onsen brieve also verre alst in ons is, al sulc vereffeninge ende gesceide als van onser wegen ende bij onsen getruwen Heynen van Ele onsen schoutheit van Oisterwijc die des bevelinge van ons hadde ende Gielis van Goerle, Back Bertouts soen ende Vranc van Ghestel onsen mannen van leen geordineert ende gededingt is na inhouden des briefs die ons dair af gethoont is doer den welcken dese onse jegenwerdige brief is gesteken. Behoudelic ons so onser heerlicheyt ende enen yegelicken sinen recht. Ende des toirconden hebben wij onsen zegel aen desen brief doen hangen. Gegeven te Brussel X dage in September int jaer onss heeren MCCC negentich en vier. Onder stont gescreven Per dominam
(38) ducissam presente domino Johanne de Ophem magistro hospicy Brabantia. Ende was bezegelt met een doorgesteken zegele onder aen eenen enckelen sterte in rooden wasse vuythangende.
Accordeert met sijn originael quod attestor
J.H. van Loon, notaris
xxx.
25 november 1411
Anthonis bijder gracien Gods hertoge van Lothrijc van Brabant ende van Lymborch, Marcgreve des Heylichs Rijcs. Onsen schouthet ende allen onsen anderen Ambachten ende richteren onser meijerien van den Bosch die nu sijn ende indertijt wesen soelen of hoeren stedehouderen saluyt. Ons heeft doen thoonen onse gemijnde Dirck van Haestrecht heere van Venloen dat hij vierendertich buenre heijden geheiten opt Rullaer
(39) ende gedeelt van den goede ten Goerle gelegen inder prochien ons dorps van Tilborch van ons te leen hout ende ons manschap daer af gedaen ende in vredelicken hebben menich jaer geweest heeft, ende dat desen nyet wederstaende die ingeseten des selfs ons dorps van Tilborch hem commer ende letsel daerin doen en synre renten dairaf comende hem ongebrukich maken. Tegen
(40) recht reden ende bescheit d’welck hem te groten schaden gecomen is en noch meer comen soude, alzoe hij seeght en woide hem dair op bij ons nyet versien van remedien dair hij ons oitmoedelijc om gebeden heeft. Sodat wij tot synre bede geneight u ende elcken van u ontbieden ende bevelen ernstelic, dat ghij den voers. Dirck in sijn voirs. leengoet sit ende hout ende die voirs. van Tilborch alsulck ende in dien recht
(41) ende gebiet op sekere peinen tonsen behoef dat sij hem of sinen pachteren des voirs. leengoets vastelic ende vredelic laten gebruken hem dair aen alle forche ende gewont van onsen wegen afdoende totter tijt toe dat hij daer vuyt met recht gewonnen sal sijn, ende waert suke dat ieman dair iegen seggen woude so bescheit beyden den partijen dach te comen voir ons ende onsen mannen wij aengehoirt irst aensprake ende antwoerde soelen hen ons hoefs recht sonder vertreck doen wedervaren. Ende dit verwaert alzoe dat hij ons daerom bij gebreke van u nyet meer en hebbe te vervolgen want wij dat alzoe gedaen willen hebben. Gegeven in onser stad van Bruessel XXV dage in November int jaer ons heeren Dusent CCCC ende elue. Onder stont geschreven aldus: Bij mijnen heere den hertoge t’uwer relacien, ende was onderteeckent De Dynter. Ende gezegelt met eenen zegele in rooden wasse onder aen eenen enckelen sterte vuythangende.
Accordeert met sijn originael van der date geteeckent ende besegelt als boven quod attestor
J.H. van Loon, notaris
Afschrift van de oorkonde uit 1411 door
F.H.M. Ouwerling (Coll. RHC Tilburg).
* Lauran Toorians (1958) is historicus en taalkundige. Hij publiceerde eerder in ´Tilburg´.
Noten
(1) Lauran Toorians, ‘Heren en heerlijkheid. Landsheerlijk gezag en lokale autonomie tot 1473’ in: Cock Gorisse (eindred.),
Tilburg, stad met een levend verleden. De geschiedenis van Tilburg vanaf de steentijd tot en met de twintigste eeuw (Tilburg: Regionaal Historisch Centrum Tilburg 2001) 76.
(2) Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1213. Dl I. De Meierij van ’s-Hertogenbosch (met de heerlijkheid
Gemert). Bewerkt door H.P.H. Camps (’s-Gravenhage 1979) (= ONB) nr 110 (31 december 1214) en ONB nr 111 (1214); vgl. Toorians, ‘Heren en heerlijkheid’, 64-65.
(3) ONB nr 112 (1215).
(4) H.W. Janson, Bijdrage tot de geschiedenis van Goirle (Goirle 1953) 17-18, met verwijzing naar Ch. Butkens,
Trophées tant sacrées que profanes du duché de Brabant I (Antwerpen 1641; Den Haag 1724) 184, 223, als bron.
(5) ARA Brussel, Leenhof van Brabant, inv.nr 543 ‘Spechtboek’; vgl. Toorians, ‘Heren en heerlijkheid’, 82.
(6) Janson, Bijdrage, 18-19, zonder concrete verwijzing naar Butkens, maar wel met citaat uit A. Verkooren,
Inventaire des chartes et cartulaires des duchés de Brabant et de Limbourg et des Pays d’Outre-Meuse I-III (Brussel 1910-1923) 408 (nr 3672).
(7) Janson, Bijdrage, 18, met vermelding van Butkens als bron.
(8) Doel van dit artikel is vooral deze oorkonden onder de aandacht te brengen. Het is hier niet mogelijk ze in alle details te evalueren.
(9) J. van der Hammen Nicz., ‘Inventaris Loon-op-Zand. (18 Dec. 1610)’,
Taxandria 19 (1912), 123-129, 166, 169-176, 204-211, 297-305; 20 (1913), 207-212, 228-236; 21 (1914), 30-35, 81-87.
(10) Reginaal Historisch Centrum Tilburg, Collectie F.H.M. Ouwerling nr. 13: ‘13 cahiers met aantekeningen uit charters betreffende Loon op Zand’. Een uitvoeriger publicatie over deze groep oorkonden, met een overzicht van hun inhoud, is in voorbereiding. In dit artikel wil ik mij beperken tot het groepje oorkonden dat gegevens over Goirle bevat. Het betreft de volgende nummers in de schriftjes van Ouwerling: xxvii (1 oktober 1379); xxviii (1 mei 1394); xxix (10 september 1394); xxx (25 november 1411).
(11) Zie over hem Piet Avonds, Brabant tijdens de regering van hertog Jan III (1312-1356). De grote politieke krisissen. Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der letteren 46, nr 114 (Brussel 1984) 220-221; en idem,
Brabant tijdens de regering van hertog Jan III (1312-1356). Land en instellingen. Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der letteren 53, nr 136 (Brussel 1991) 167-170 (en passim, via register).
(12) L.F.W. Adriaenssen, ‘De familie Van Oesterzeel. Bijdrage tot de kwartierstaten van Gerard Steijns, Wouter Brock en Leo Adriaenssen’ {vervolg],
De Brabantse Leeuw 49 (2000) 161, met verwijzing naar (o.m.) A. Erens, De oorkonden van het norbertinessenklooster St. Catharinadal te Breda – Oosterhout (Tongerlo 1928/’29) nr 240, voor de moeder; en naar G.C.A. Juten, ‘Het klooster Vredenberg onder Boeimeer. cartularium’,
Taxandria 16 (1909) 116-117, voor de dochter.
(13) Leo Adriaenssen (pers. meded.) suggereert hier ‘die outste’ te lezen. Hij wijst er terecht op dat de tekst meer transcriptiefouten lijkt te bevatten. Als excuus kan worden aangevoerd dat Ouwerling nog vrij jong moet zijn geweest toen hij deze afschriften vervaardigde.
(14) Mogelijk moeten we hier ‘Wouter Wouterssoen van Goerle’ begrijpen, maar ook verderop in de oorkonde lezen we steeds de kortere vorm. Hier zal dus geen sprake zijn van een omissie bij
Ouwerling.
(15) Genealogische gegevens naar A.W.E. Dek (naar aantekeningen van J.P. de Man), ‘§8 Genealogie Van Dalem – Van Dongen’,
De Nederlandsche Leeuw 83 (1966) 388-402 (verder geciteerd als Dek/De Man). Vgl. ook L. Merkelbach van Enkhuizen, ‘Heerlijkheid, Heeren en Heerlijk Huis van Dongen’,
Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda ‘De Oranjeboom’ 2 (1949) 99-104; en Martin J.L. de Ruyter,
Dongen. Wetenswaardigheden van een heerlijkheid (Dongen 1969) 22-23.
(16) Dek/De Man, 395; Merkelbach van Enkhuizen, ‘ Heerlijkheid’, 98 (in stamboom). Dit huwelijk komt niet voor in de stamboom die los is bijgevoegd bij De Ruyter, Dongen (maar op p. 23 wel een ‘ongehuwd samenleven, gedurende vijftien jaar’ met
Badeloga Wiericx (of Wyricx)). In beide stambomen ontbreekt ook de relatie met Van Haastrecht. Het huwelijksleven van Willem van Dalem lijkt een roman waard.
(17) Antheun Janse, Ridderschap in Holland. Portret van een adellijke elite in de late middeleeuwen. Adelsgeschiedenis 1 (Hilversum 2001) 318-319 (Jan van Rijswijk in Tabel 7.6).
(18) Janson, Bijdrage, 18. Een wapen met een enkele beurtelings gekanteelde dwarsbalk kwam voor op de grafzerk van Wouter Brock (overl. 1611) in de Dom te Utrecht, daar echter met als plaats/familie-aanduiding ‘Oerle’ (afbeelding in
De Brabantse Leeuw 49 (2000) 165).
(19) Of deze Wouter de Bie ook de vader is van de Wouterszoon van Goirle uit de oorkonde van 1379 kunnen we natuurlijk niet vaststellen. De gedachte is verleidelijk, maar niet meer dan dat.
(20) L.F.W. Adriaenssen, ‘De Diessense tak van de familie Schilders. Boeren, beneficianten en bankiers’ [vervolg],
De Brabantse Leeuw 47 (1998) 155-156, met verwijzingen.
(21) Janson, Bijdrage, 20, met verwijzingen naar het Cartularium A in het Archief van de Abdij van
Tongerlo.
(22) Avonds, Brabant … Land en instellingen, 237, met verwijzing naar J. Van der Straeten,
Het Charter en de Raad van Kortenberg. Universiteit te Leuven. Publicaties op het gebied der geschiedenis en der philologie. Reeks 3, 46, deel 1 (Brussel/Leuven 1952) 166-167.
(23) Ibidem, 244.
(24) Waarschijnlijk waren Dirk en Roelof halfbroers en was Dirk een zoon van Paulus I van Haastrecht uit een eerder huwelijk.
(25) Met de beginletter van de naam Rullaer heeft Ouwerling veel moeite gehad. In zijn afschrift lijkt hij eerst een T te hebben geschreven, vervolgens daaroverheen een H en daarna een R. Het valt dus moeilijk met zekerheid te beslissen wat er in het origineel heeft gestaan (‘Riillaer’ of ‘Riellaer’ lijkt een goede gok). Waarschijnlijk wordt (een deel van) het huidige gebiedje ‘het Laar’ bedoeld en moeten we hier zoiets ‘Riel-Laar’ begrijpen (vgl. J.R.O. Trommelen & M.P.E. Trommelen,
Tilburgse toponiemen in de 16e eeuw. Een tentatieve reconstructie en
naamsverklaring. Tilburgse bronnenreeks 1 (Tilburg 1994) 393, s.v. ‘dat
Rijlaer’).
(26) Avonds, Brabant … Land en instellingen, 254, in tabel.
(27) Bijvoorbeeld als Rillaar, enkele kilometers oostelijk van Aarschot in Vlaams-Brabant (maar dit heette in 1146 (in een kopie uit ca. 1265) nog
Rienlar en lijkt daarmee een andere etymologie te hebben; cf. J. de Vries, Woordenboek der Noord- en Zuidnederlandse plaatsnamen
(Utrecht/Antwerpen 1962) s.v. ‘Rillaar’. Zie ook Chr. Buiks, Laatmiddeleeuws landschap en veldnamen in de Baronie van Breda (Assen 1997) 16.
(28) Uit het Spechtboek over de periode 1374-1400/1410: ARA Brussel, Leenhof van Brabant, inv.nr 543 (met dank aan dhr Berry Moonen die mij hierop wees).
(29) Deze gegevens naar G. J[uten], ‘Genealogische fragmenten. 3. Van Daelhem’,
Taxandria 45 (1938) 272. Ook Janson, Bijdrage, 69-70, geeft Adriaen van Daelhem die het leen De Vloed aanvaardt op 25 november 1462. Hij wordt op 20 juli 1482 opgevolgd door zijn dochter Sibylle van Daelhem. In 1906 wordt De Vloed verkocht aan de domproost van Luik.
(30) Janson, Bijdrage, 67, zonder verdere verwijzing. Strick Griffier is de naam van een verzameling hertogelijke stukken die eind zestiende eeuw werd afgeschreven door de griffier J. Strick.
(31) Ibidem, 67-68.
(32) Van der Hammen (als in noot 9) 297.
(33) Lees: ‘die outste’? Zie ook noot 13 hierboven.
(34) Hierbij aantekeningen van Ouwerling (?) op tegenoverliggende pagina: ‘vgl. Boeren [of Boerée?], 504’ en ‘betreft ws. Leengoed ’t Loo (vgl. Strickgrifier)’. Vgl. noot 30 hierboven.
(35) Zinsdeel tussen <…> bij Ouwerling ingevoegd op linkerpagina, met verwijsteken.
(36) Ouwerling schreef ‘mettien’.
(37) Idem.
(38) Ouwerling schreef ‘dominan’.
(39) De beginletter van deze naam in in het handschrift van Ouwerling onduidelijk. Het lijkt alsof hij eerst een H schreef, daaroverheen een T, en vervolgens een (onduidelijke) R. Het woord is verdeeld over twee regels: ‘Rul-laer’.
(40) Ouwerling schreef ‘Zegen’.
(41) (?) Ouwerling schreef ‘hebt’.








