![]() |
|||
![]() |
579. De hoeve 'Het goed ter Linden' in de Stokhasselt | ||
![]() |
|||
|
Titel: |
De hoeve 'Het goed ter Linden' in de Stokhasselt |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Martin de Bruijn * |
|
Jaargang: |
XXI (2003) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
2 |
|
Pagina’ s: |
35-46 |
Wie geluk heeft en over doorzettingsvermogen beschikt, kan zijn
familiestamboom soms tot in de Middeleeuwen terugvoeren. Dat geluk was mij
beschoren en mijn nieuwsgierigheid zorgde vanzelf voor de nodige volharding.
Uiteindelijk bleek het mogelijk een betrouwbare stamreeks – de rechte lijn van
vader op zoon – op te bouwen van negentien generaties (zie kader/bijlage A).
Tot omstreeks 1700 woonden deze voorvaderen met hun gezin in het noorden en
oosten van Tilburg, daarna zochten zij hun heil in het aangrenzende gebied van
Berkel, Udenhout, Heukelom en Oisterwijk. Mijn overgrootvader is weer naar
Tilburg verhuisd, waar mijn grootvader en mijn vader zijn gaan werken in de toen
nog bloeiende textielindustrie.
Ik ben geboren in de Reit, langs de spoorlijn tegenover de Bokhamer, maar
opgegroeid in de Hasselt. Hemelsbreed bleek dit nog geen kilometer verwijderd te
zijn geweest van de omgeving waar mijn voorouders in de mannelijke lijn al in de
veertiende eeuw hun levensdagen hebben gesleten. Deze voorvaderen,(1) die
toen de familienaam Van Heyst voerden, waren in het bezit het zogeheten Goed ter
Linden of althans delen daarvan. Dit complex was gelegen tussen het Goirke, de
Stokhasselt en de Heikant. Hier komen nog steeds twee straatnamen voor die naar
Ter Linden verwijzen, namelijk de Oude Lind en het Lijnsheike.
Bij mijn genealogisch speurwerk heb ik mij niet beperkt tot het verzamelen van
de familiegegevens, maar me ook verdiept in de context waarin mijn voorouders
hebben geleefd, met andere woorden in de lokale en regionale geschiedenis. Het
spreekt voor zich dat hiertoe ook de historie behoorde van het Goed ter Linden.
Daar is dit artikel aan gewijd. Tevens wil ik ermee aantonen welke resultaten
een combinatie van genealogie, bezitsreconstructie en nederzettingsgeschiedenis
kan opleveren.
Tilburg omstreeks 1400 (2)
In de hier behandelde periode – de tweede helft van de veertiende en de eerste
helft van de vijftiende eeuw – deden zich in Tilburg belangrijke veranderingen
voor op bestuurlijk gebied. Terwijl het dorp meer dan anderhalve eeuw
rechtstreeks onder het gezag van de Brabantse hertog had gestaan, werd daar in
1387 een ‘smalle’ heer tussengeschoven. In dat jaar werden Tilburg, Goirle
en Drunen in pand gegeven aan een leenman en ambtelijk functionaris van de
hertog, Pauwels van Haastrecht. Sindsdien trok deze laatste de ‘heerlijke’
inkomsten uit de dorpen en oefende hij er overheidsrechten uit. Hiertoe behoorde
de aanstelling van een schout die in de heerlijkheid Tilburg en Goirle met de
gezamenlijke geburen – dit wil zeggen de gegoede mannelijke ingezetenen –
bestuur en rechtspraak uitoefende. Die geburen konden onder voorzitterschap van
de schout regels vaststellen, besluiten nemen en vonnissen wijzen. De schout
droeg daarna namens de heer zorg voor de uitvoering daarvan. Nog in 1342 had
hertog Jan III de inwoners van Tilburg en Goirle in hun oude rechten bevestigd.(3)
Het gerecht was vanouds – dit wil zeggen al minstens sinds de twaalfde eeuw
– bevoegd tot het opleggen van doodstraffen en verminkende straffen, de
zogeheten hoge jurisdictie.
Naast zijn aandeel in de organisatie van bestuur en rechtspraak kreeg de nieuwe
heer in 1387 onder meer het ‘cijnsboek’; de ‘cijnzen’ – jaarlijkse
betalingen, voornamelijk op het grondbezit – werden voortaan niet meer aan de
hertog maar aan hem betaald. De hertog behield zich overigens het recht op de
‘beden’ – een landsbelasting – voor en de ‘klokslag’: het recht om
de weerbare mannen op te roepen voor de strijd.
Dat ook de geburen zelf zorg droegen voor de handhaving van hun rechten, blijkt
uit verschillende bronnen. Al in 1329 hadden de inwoners van Tilburg en Goirle
samen het gemeenschappelijk beheer gekregen over de onontgonnen gronden, de ‘gemeint’.
Hiertoe konden ze zeven ‘gezworenen’ benoemen die het beheer over die
gronden voerden.(4) Kort nadat de Tilburgers en Goirlenaren in 1387 onder
een ‘smalle’ heer waren geplaatst, in 1395, werden hun oude rechten,
vryheiden ende heerbrenghen, onverbroekelic als si die heerbracht hebben, tot
ewigen dagen emmermeer door hertogin Johanna van Brabant gegarandeerd.
Tevens werden zij bij die gelegenheid vrijgesteld van belasting op bier en van
‘maaldwang’, dat wil zeggen dat zij voortaan hun koren mochten laten malen
waar ze wilden, zowel in als buiten Tilburg.(5)

Deze anonieme kopergravure van
omstreeks 1560 geeft een beeld van hoe boerderijen en hun
bijgebouwen er in de Late Middeleeuwen op de zandgronden hebben uitgezien.
In deze tijd leefde verreweg het grootste deel van de Tilburgse bevolking van de
landbouw. Het bouwland bevond zich hoofdzakelijk in het oostelijk deel van de
gemeente. In het westen bevonden zich vooral uitgestrekte gemeenschappelijke
gronden. Maar ook tussen het ontgonnen gedeelte lagen nog veel stukken gemeint.
Verreweg het voornaamste product was rogge. Hiernaast werden ook wel andere
granen, zoals haver, gerst, boekweit, en verder nog vlas geteeld. Iedere boer
bezat wel een paar runderen; er kwam ook schapenteelt voor en er werden
hoenderen gehouden. Behalve voor melk, boter, kaas, vlees, eieren, leer en wol,
zorgde het vee ook de noodzakelijke bemesting van de schrale zandgrond.(6)
Groot zullen de meeste boerenbedrijven niet geweest zijn. Zo bestond de
veestapel van Gerit Ymmen (of d’Ym), die grond bezat in de Stokhasselt, in de
directe omgeving van Ter Linden, in 1398 uit twee koeien, twee jonge stieren en
44 schapen.(7)
De eerste decennia van de vijftiende eeuw vormden voor het hertogdom Brabant
onder de eerste Bourgondiërs een periode van relatieve welvaart. Rond 1430 werd
in Tilburg de parochiekerk aanmerkelijk vergroot.(8) Problemen juist in
deze tijd over het gebruik van de gemene gronden wijzen inderdaad op groei en
bevolkingsdruk in de voorafgaande periode.(9) In 1437 telde het dorp
samen met Goirle 542 ‘haardsteden’, wat wijst op een inwoneraantal van
ongeveer 2500 personen, waarvan ruim 2000 in Tilburg.(10)
Bronnen
Historici willen graag ontwikkelingen vanaf hun oorsprong beschrijven. Dat is
ten aanzien van het Goed ter Linden niet mogelijk, omdat we niet over gegevens
betreffende dat ontstaan beschikken. In de oudste bronnen, daterend uit het eind
van de veertiende en het begin van de vijftiende eeuw, zien we het complex in
ontbinding. Bij deze bronnen gaat het om de cijnsregisters en schepenakten.
In het cijnsboek werden de bedragen genoteerd die de cijnsplichtigen jaarlijks
moesten betalen ter erkenning van het recht van de grondheer, in dit geval de
hertog van Brabant en na 1387 de pandheer. Deze cijnzen werden in de
‘cijnskring’ Tilburg geïnd op de feestdag van Sint-Steven, 26 december. In
de registers staan de namen alfabetisch op voornaam, terwijl de ligging van de
goederen waaruit de cijnzen betaald werden nauwelijks gespecificeerd is.(11)
Helaas zijn uit de periode na 1387 voor Tilburg geen cijnsregisters bewaard
gebleven. Wél treffen we het Goed ter Linden in 1450 aan in het cijnsregister
van Oisterwijk.(12) Ik kom daar nog op terug.
In de literatuur vindt men doorgaans vermeld dat degene die een onroerend goed
ten jaarlijkse en erfelijke cijns (tegen een jaarlijks geldbedrag) of ten
jaarlijkse en erfelijke pacht (tegen een jaarlijkse betaling in natura) uitgaf,
beschouwd kan worden als de ‘blooteigenaar’ en de degene die dat goed
ontving als de ‘economisch eigenaar’.(13) Dat is een anachronistische
benadering die uitgaat van het moderne eigendomsbegrip. In werkelijkheid behield
de uitgever na de uitgifte van een goed alleen nog het recht op jaarlijkse
betaling van de cijns of pacht en kon de verkrijger met dit goed doen wat hij of
zij wilde. Het kon zonder toestemming van de vroegere uitgever worden verkocht
of bezwaard, bij testament worden vermaakt of nagelaten aan de wettige
erfgenamen. Alleen wanneer de cijns of pacht niet op tijd betaald werd, kon een
cijns- of pachtheffer het goed via een zogeheten uitwinnings- of
evictieprocedure weer in bezit krijgen.(14) De gebruikers van de grond
hadden aldus een recht dat veel dichter bij het moderne eigendomsrecht stond dan
het recht van de uitgevers. Deze cijns- of pachtheffers waren overigens niet
alleen degenen die een goed ten erfelijke pacht of cijns hadden uitgegeven, maar
ook degenen die, zoals zeer gebruikelijk was, op een andere wijze een cijns of
pacht uit een goed hadden verkregen. Het zou overigens te ver voeren daar in dit
artikel verder op in te gaan.(15)
De schepenakten bevatten transacties met betrekking tot de rechten op onroerend
goed. Deze rechtshandelingen vonden plaats ten overstaan van de schepenen en ze
werden opgetekend in registers, zogeheten schepenprotocollen. Tilburg kende in
die tijd nog geen schepenen en er werd ook geen protocol gehouden. Als er al
iets voor of door het Tilburgs burengerecht op schrift is gesteld, dan is daar
niets van overgebleven. Om hun rechtshandelingen te laten vastleggen, maakten de
Tilburgers vooral gebruik van de schepenen van ’s-Hertogenbosch en van
Oisterwijk. Het befaamde ‘Bossche protocol’, waarin veel akten over Tilburg
staan, begint al in 1367 en dat het schepenprotocol van Oisterwijk, dat eveneens
transacties met betrekking tot Tilburgse goederen bevat, in 1415.(16)
Helaas zijn van het Bosch’ protocol van vóór 1400 slechts fragmenten
overgeleverd; na dat jaar is het vrijwel volledig bewaard gebleven.(17)
Na deze introductie wordt in het hiernavolgende eerst het desintegratieproces
van het Goed ter Linden behandeld, zoals zich dat, zij het fragmentarisch, in de
bronnen aan ons voordoet. Pas daarna zal een poging worden gewaagd iets naders
over de oorsprong en betekenis van dit goederencomplex te zeggen.
Een hoeve Ter Linden – of bij Ter Linden – van Reinier van
Mechelen
Het vroegste gegeven betreffende het Goed ter Linden is een Bossche schepenakte
van 12 juni 1367 waarin Peter zoon van wijlen Reinier van Mechelen een aantal
goederen overdraagt aan Wouter Clemensz. van der Amervoort. Hiertoe behoorde een
erfelijke pacht van één mud en vijf lopen rogge, die Wouter aan Reinier van
Mechelen beloofd had ‘uit de hoeve geheten Ter Linden, die van wijlen Reinier
was geweest, gelegen in Tilburg’.(18) Mogelijk had Reinier van Mechelen
die hoeve voor deze betaling in natura, die heel gebruikelijk was, aan Wouter
van der Amervoort ten erfelijke pacht gegeven. Door de afkoop op 12 juni 1367
hoefde Wouter die pacht daarna niet meer te betalen.
De hoeve van Wouter Clemensz. van der Amervoort is vererfd op zijn twee
dochters. Op 4 november 1390 gaven Tielman zoon van wijlen Willem Woutersz. en
Jan zoon van wijlen Gozewijn uten Breec, als echtgenoten van respectievelijk
Katelijn en Liesbet, dochters van wijlen Wouter van der Amervoort, de hoeve
vervolgens ten erfelijke pacht aan Willem zoon van Goiart van Heyst
(kader/bijlage B: I.1.C). Het complex werd hierbij omschreven als ‘een zekere
hoeve, die van wijlen Reinier van Mechelen was, gelegen in de parochie van
West-Tilburg bij de goederen geheten gewoonlijk Ter Linden, met alle toebehoren
van die hoeve afzonderlijk en tezamen’.(19) De lasten waren 3
schellingen en 9 penningen oude cijns aan de hertog van Brabant, een erfelijke
pacht van een mud rogge Bossche maat aan Jan van den Dijk, de gebuurcijnzen (20)
en een erfelijke pacht van 3 mud rogge aan Tielman en een van 3 mud rogge
aan Jan. Op 4 maart 1413 gaf Willem van Heyst de hoeve op zijn beurt ten
erfelijke pacht aan Jan Jansz. Stert.(21) Zoals we dadelijk zullen zien,
had Willem enkele jaren tevoren de rechten op een andere hoeve verworven,
waardoor zijn afstand van het hier behandelde complex kan worden verklaard.
Het ging dus bij de hoeve die eertijds van Reinier van Mechelen was geweest en
die gezien de lasten die eruit gingen een behoorlijke omvang moet hebben gehad
niet om Ter Linden zelf maar om een hoeve bij Ter Linden. Het is
niet duidelijk of deze hoeve eerder wél deel heeft uitgemaakt van het Goed ter
Linden. Ondenkbaar is het echter niet, omdat ook de andere gegevens wijzen op
het uiteenvallen van dit goed al in de veertiende eeuw, zoals uit het hierna
volgende zal blijken.

’t dorp Tilburg in de Meijerij’.
Sepiatekening van Nicolaas Wicart (1748-1815). Het laat zich
voorstellen dat het Goed ter Linden in een vergelijkbaar landschap heeft
gelegen.(coll. RHC Tilburg).
De hoeve Ter Linden van Goiart Pauwelsz. van Heyst de oude (kader/bijlage B:
I.1)
In het begin van de vijftiende eeuw is de zojuist genoemde Willem van Heyst,
zoon van Goiart van Heist, bezig om delen van het Goed ter Linden te verwerven.
Het eerste hiervan overgeleverde gegeven is een Bossche schepenakte van 12 juli
1407, toen Willem een vierde deel in het bezit blijkt te hebben van de hoeve van
wijlen zijn vader.(22) Zoals uit de context van de andere gegevens
blijkt, waren de drie andere delen geërfd door respectievelijk zijn broers
Pauwels, Goiart en Hendrik.
Nog geen twee jaar later, op 22 maart 1409, blijkt Willem in het bezit te zijn
van drie vierde parten.(23) Zes dagen later verkreeg hij van zijn broer
Pauwels het resterende vierde deel ten erfelijke pacht, met uitzondering van
enkele stukken land die Pauwels tevoren had verkocht.(24) Hieruit blijkt
dat het om afgedeelde parten ging. Uit het laatstgenoemde vierde deel ging
jaarlijks onder meer een cijns aan de Brabantse hertog en een ‘mengel’ –
twee pinten, ongeveer een liter – wijn aan de kerk van Tilburg.
Men zou verwacht hebben dat Willem hiermee de hele hoeve in zijn bezit had
gekregen, maar dit was niet het geval. Op 29 mei 1410 droeg de weduwe van
Willems broer Hendrik, Liesbet, al haar recht op die hoeve over aan haar zwager.(25)
Op dezelfde dag verkochten Katelijn, de weduwe, en de kinderen van zijn broer
Goiart aan hem ‘het derde deel dat aan genoemde wijlen Goiart toebehoorde in
een zekere hoeve van wijlen Goiart van Heyst de oude, geheten het Goed ter
Linden’.(26) Dat het hierbij ging om een derde deel van het vierde deel
in Ter Linden dat Hendrik in zijn bezit had, blijkt uit een schepenakte van 25
april 1409, waarin de gebroeders Willem, Goiart en Pauwels elk een derde deel in
een stuk beemd in de Blootbeemden in Tilburg verkochten aan Jan van Aarle.(27)
De drie broers hebben dus elk een derde deel verkregen in de nalatenschap van
hun broer Hendrik. Dit vinden we bevestigd in een akte van 15 januari 1412,
waarbij Willem zijn rechten op Ter Linden overdroeg aan de Bossche schepen Gerit
Schilder. In deze akte wordt gesproken van:
– het vierde deel dat zijn broer Pauwels van zijn ouders had geërfd met
uitzondering van enkele eerder verkochte stukken land, en dat Willem van hem ten
erfelijke pacht had gekregen (zie akte van 28 maart 1409)(28) ;
– het derde deel (van een vierde deel) afkomstig van Goiart de oude, dat
Willem van de kinderen van Goiart Goiartsz. had verkregen (zie akte van 29 mei
1410)(29) ;
– het recht dat hij van Liesbet weduwe van Hendrik van Heyst had verkregen
(zie andere akte van 29 mei 1410) (30) ;
– het vierde deel van het hele goed dat hij zelf geërfd had (zie akte van 12
juli 1408)(31) ;
– het derde deel van een vierde deel van de hoeve, welk derde deel hij van
zijn broer Hendrik had geërfd (hiervan is geen voorakte overgeleverd).(32)
Op 27 april 1415 droegen Katelijn de weduwe van Goiart, ‘zoon van wijlen
Goiart van Heyst Pauwelsz. de oude’, en haar kinderen nog het recht dat zij
nog bezaten in de hoeve Ter Linden van wijlen Goiart van Heyst Pauwelsz. de
oude, met hun recht in een beemd, over aan Gerit Schilder.(33) De akte is
ook van belang omdat hierin de naam van de vader van Goiart van Heyst de oude
wordt genoemd. Die vader, Pauwels geheten, is de eerste voorvader in mijn
stamreeks (zie kader/bijlage A).(34)
Dit alles overziende laat de deling in deze hoeve Ter Linden zich als volgt
reconstrueren:
– Goiart Pauwels van Heyst de oude bezat de hele hoeve;
– zij vererfde in vier delen aan zijn zoons Pauwels, Goiart, Willem en
Hendrik;
– Willem verwierf de delen van zijn broers Pauwels en Goiart;
– het aan Hendrik toebehorende vierde deel vererfde aan Willem en aan zijn
broers Pauwels en Goiart, het laatste derde deel althans aan diens weduwe en
kinderen; zij verkregen dus elk een derde van een vierde;
– Willem verwierf ten slotte de resterende twee derde delen van zijn broer
Pauwels en van de weduwe en kinderen van zijn broer Goiart.

In het midden op dit fragment van een
plattegrond uit 1880 bevindt zich van boven naar beneden het Lijnsheike
en de Oude Lind tot aan het Goirke, het tegenwoordige Julianapark. Het
Wilhelminakanaal was nog niet
gegraven. Het Goed ter Linden lag juist onder – dit wil zeggen ten zuiden van
– de plaats waar op de plattegrond
‘Lindshoek’ staat.(coll. RHC Tilburg).
Op 15 januari 1412 droeg Willem, zoals gezegd, al deze parten over aan de
Bossche schepen Gerit Schilder. Deze laatste had tevoren al verschillende
erfpachten uit het goed en uit delen van het goed gekocht (35) en ten
slotte heeft hij zelfs alle goederen van wijlen Goiart van Heyst, zoon van
wijlen Pauwels van Heyst, door koop verkregen bij schepenvonnis van Oisterwijk,
wat blijkt uit een akte van 30 april 1415.(36) Op die datum verkocht hij
hieruit een stuk grond in de Stokhasselt aan Mechteld weduwe van mijn voorvader
Jan van Heyst en haar kinderen Jan en Daneel (de laatste ook mijn voorvader; zie
bijlage A:III, en kader/bijlage B:I,2,B).(37) Kort tevoren, op 2
maart van hetzelfde jaar, had Gerit Schilder al een pacht verkocht ‘uit de
hoeve geheten het Goed ter Linden, gelegen in de parochie Tilburg ter plaatse
West-Tilburg bij de plek geheten de Stokhasselt bij erven van wijlen Jan van
Heyst’.(38)
Op 27 oktober 1414 heeft Willem van Heyst zijn hele veestapel in Tilburg aan
Gerit overgedragen.(39) Kennelijk heeft hij hierna de hoeve ten tijd- of
lijfpacht gekregen, want op 8 november 1421 gaf Gerit Schilder de hoeve met een
aantal andere goederen ten erfelijke pacht aan Reinier zoon van wijlen Gerit
Krillart. Op dat tijdstip bleek Willem van Heyst pachter van de hoeve te zijn.(40)
Willem zal dus, om wat voor reden ook, gedwongen geweest zijn eeuwigdurende,
erfelijke rechten van de hand te doen, maar hij is kennelijk als tijd- of
lijfpachter op de hoeve kunnen blijven wonen.
Opmerkelijk is dat Reinier Krillart op 30 januari 1423 stukken grond die
hoogstwaarschijnlijk tot het Goed ter Linden hebben behoord op zijn beurt ten
erfelijke pacht uitgaf aan Jan Jansz. van Heyst, Daneel Jansz. van Heyst en aan
zijn broer Gerit Krillart.(41) De gebroeders Jan en Daneel waren op dat
moment gerechtigd in een hoeve Ter Linden die nu aan de orde komt.
De hoeve Ter Linden van Jan Pauwelsz. van Heyst de oude (kader/bijlage B:
I.2)
Men zou mogen veronderstellen dat met het bovenstaande alle delen in Ter Linden
wel behandeld zijn, maar dit is niet het geval. Er heeft hiernaast ook nog een
hoeve Ter Linden bestaan die op een zeker ogenblik in vijven verdeeld is.
Hiervan vernemen we voor het eerst op 27 maart 1413. Op die datum droegen Jan
Polslouwer en zijn echtgenote Liesbet, een dochter van wijlen Jan van Heyst –
mijn voorvader (kader/bijlage A:II) –, aan Hendrik zoon van wijlen Meus van
Wickevoirt onder andere het vijfde deel over van alle goederen, met onder meer
het woonhuis, die zij geërfd hadden van Jan van Heyst, de vader van Liesbet.
Ook de goederen die de weduwe van Jan, eveneens Liesbet geheten, zou nalaten,
droegen zij aan Hendrik van Wickevoirt over.(42)
Dat het hierbij om delen van het Goed ter Linden ging, blijkt uit een
schepenakte van 5 mei 1419, waarin Jan van Heyst, zoon van wijlen Pauwels van
Heyst, een vijfde deel aan Hendrik overdroeg van de hoeve geheten het Goed ter
Linden, dat hij van zijn grootouders Jan van Heyst en Liesbet had geërfd.(43)
Deze laatste, zijn grootmoeder, die op 27 maart 1413 nog leefde, was dus
inmiddels ook overleden.
De verkrijger van het vijfde deel, Hendrik van Wickevoirt, zal zelf ook
erfgenaam zijn geweest. Hij was namelijk in 1403 getrouwd met een andere dochter
van Jan van Heyst de oude, Mechteld. Dat weten we uit een schepenakte van 29
maart van dat jaar, waarin het aanstaande echtpaar van hun vader en schoonvader
een erfelijke pacht als huwelijksgift ontvangt.(44)
Hiermee zijn drie van de vijf delen getraceerd. Er waren dus nog twee andere
vijfde delen. Een ander deel is mogelijk geërfd door Katelijn dochter van een
Jan van Heyst en gehuwd met Aart Aart Emmen.(45) Zeker is dat niet, want
ik heb geen overdracht van dat vijfde deel aangetroffen en evenmin zeker is dat
de hier genoemde Jan van Heyst dezelfde is als de bezitter van de hoeve, Jan van
Heyst de oude.
Ook geen overdracht heb ik aangetroffen van het erfdeel van mijn voorvader Jan
zoon van Jan van Heyst de oude, althans van zijn nakomelingen, want hij is al vóór
zijn vader overleden. Zijn weduwe, Mechteld dochter van Lange Daneel, wordt op
27 oktober 1407 voor het eerst als zodanig vermeld, samen met haar kinderen Jan,
Daneel en Pauwels. Hun grootvader Jan van Heyst de oude leefde op die datum nog;
hij was bij de transactie aanwezig.(46) Dit vijfde deel is vrijwel zeker
in handen van de familie gebleven.
Opmerkelijk is dat men niet overgegaan is tot volledige scheiding en deling van
de erfenis van Jan van Heyst de oude. Veel later nog treft men delen in dit Goed
ter Linden in de akten aan. Op 31 maart 1433 verklaarde Meus van Wickevoirt,
zoon van wijlen Hendrik, dat de helft (!) van zekere hoeve geheten het Goed ter
Linden van wijlen Jan van Heyst, gelegen in de parochie Tilburg aan de Heidzijde
(Heikant), en een huis, erf en tuin in ’s-Hertogenbosch op de Vughterdijk aan
hem toebehoorden.(47) Volgens het cijnsregister van 1448 betaalde Meus 9
nieuwe penningen cijns aan de hertog ‘voor Hendrik zoon van Meus van
Wickevoirt vanwege Jan zoon van Pauwels van Heyst uit het Goed ter Linden’.(48)
Nog op 12 mei 1447 droeg Pauwels Polslouwer, zoon van wijlen Jan Polslouwer,
zijn rechten op de hoeve Ter Linden van wijlen Jan van Heyst over aan Pauwels
van Haastrecht, zoon van wijlen Roelof(49) Klaarblijkelijk had Pauwels’
grootvader Jan Peter Polslouwer, die gehuwd was met Liesbet dochter van Jan van
Heyst de oude, met de overdracht van zijn vijfde deel in 1419 nog niet alle
recht op Ter Linden overgedragen. En op 14 oktober 1452 droeg Meus zoon van
wijlen Hendrik van Wickevoirt onder meer de helft in de hoeve geheten het Goed
ter Linden over aan de Bossche stadssecretaris Lambrecht van Doren,(50)
waarschijnlijk ten behoeve van Willem van Oisterwijk. Een kanttekening in de
marge van het protocol vermeldt namelijk dat de oorkonde aan deze laatste
gegeven moest worden en op 2 december 1471 verkochten de kinderen van Willem een
pacht uit onder andere uit ‘huis, huiserf en een daaraan liggende tuin en erf,
drie lopenzaad of daaromtrent omvattende, geheten het Goed ter Linden’.(51)
Er stond dus op deze ‘helft’ inmiddels een boerderij.
Zeker is intussen dat behalve Hendrik van Wickevoirt en zijn zoon Meus ook
Mechteld, de weduwe, en de kinderen van Jan Jansz. van Heyst ter plaatse gegoed
zijn gebleven. Zoals hiervóór al is vermeld, verkregen Jan en Daneel, zonen
van Jan Jansz. van Heyst, in 1423 van Gerit Krillart stukken grond die
hoogstwaarschijnlijk afkomstig waren van het Goed ter Linden van Goiart Pauwelsz.
van Heyst. Maar ook al eerder waren delen van deze hoeve in hun bezit gekomen.
Op 17 maart 1408 verkochten de gebroeders Pauwels en Goiart zonen van wijlen
Goiart van Heyst de oude hun helft in een stuk land geheten den Boghart aan
de Stokhasselt aan Mechteld en haar kinderen. De andere helft was van hun broers
Hendrik en Willem.(52) Toen Pauwels van Heyst op 28 maart 1409 het vierde
deel van die hoeve ten erfelijke pacht gaf aan zijn broer Willem, werden daarbij
uitgezonderd een halve bunder beemd, die genoemde Pauwels tevoren had verkocht
aan Wouter Truden, en een stuk land dat Mechteld van Pauwels had verkregen.(53)
Deze uitzondering werd opnieuw gemaakt toen Willem van Heyst op 15 januari 1412
alle door hem verworven delen in de hoeve van zijn vader overdroeg aan Gerit
Schilder.(54) Zoals we gezien hebben, verkochten op 30 april 1415
Mechteld en haar kinderen Jan en Daneel – Pauwels zal inmiddels dus overleden
zijn – de helft in den Boghart weer aan Gerit Schilder die blijkens de
daarvan gemaakte akte de andere ‘verdeelde’ helft in bezit had,
vanzelfsprekend omdat die deel uitmaakte van de door hem verkregen delen van de
hoeve Ter Linden van Goiart van Heyst de oude. Op dezelfde datum droeg Gerit
Schilder een ander stuk grond in de Stokhasselt over aan de weduwe en haar
kinderen. Zij was in 1423 nog in leven.(55) Op 30 januari van dat jaar
verkregen, zoals eerder gezegd, Jan en Daneel Jansz. van Heyst en Gerit Geritsz.
Krillart verschillende stukken land ‘ter plaatse geheten Ter Linden’ ten
erfelijke pacht van Reinier Geritsz. Krillart. In 1429 droegen erfgenamen van de
inmiddels overleden Jan Jansz. van Heyst en zijn eveneens overleden vrouw
Liesbet Jan Weeldmans, die kennelijk kinderloos waren gestorven, hun erfdeel uit
onder meer delen van Ter Linden over aan Jans broer, mijn voorvader, Daneel.(56)
Van deze laatste zijn verschillende transacties bewaard gebleven die betrekking
hebben op het Goed ter Linden of onderdelen daarvan. Zo vestigde hij op 3 maart
1456 een pacht van een mud rogge ‘huis, huiserf en daaraan liggende tuin en
erven, twee mudzaad land omvattende, geheten het Goed ter Linden’.(57)

Het begin van een akte in het Oisterwijks
schepenprotocol van 28 oktober 1429. In deze akte kreeg Daneel Jansz. van Heyst
onder meer rechten ‘in enen hof gelegen inden goede geheyten ter Lijnden
tusschen die Stochasselt ende die Horevort al om
ende om inder gemeynten en in een stuc lands geheyten den Lijndacker met sijnre
toebehorten aen die lijnde’. Zie voor de
tekst van deze akte noot 56.(coll. RHC Tilburg).
Van Ter Linden naar Oude Lind en Lijnsheike
Met bovenstaande gegevens mag het desintegratieproces van Ter Linden als hoeve
voldoende behandeld heten. Uit deze gegevens blijkt dat er aan het eind van de
veertiende eeuw twee hoeven waren die het Goed ter Linden werden genoemd. Zij
waren in bezit van de gebroeders Goiart en Jan van Heyst, zonen van Pauwels van
Heyst. Waarschijnlijk ging het in oorsprong om één complex. Beide hoeven zijn
in de loop van de vijftiende eeuw versnipperd geraakt. Een andere hoeve die wel
Ter Linden werd genoemd, behoorde toe aan Reinier van Mechelen. Waarschijnlijk
ging het hier echter om een hoeve bij het Goed ter Linden.
In de tweede helft van de vijftiende eeuw werd de boerderij van Daneel Jansz.
van Heyst nog wel aangeduid als het Goed ter Linden, maar dit was ook het geval
met de nabijgelegen boerderij van Willem van Oisterwijk. Bij beide ging het
slechts om delen van een ouder geheel. Waarschijnlijk zijn ook delen van de
vroegere hoeve Ter Linden van Goiart Pauwelsz. van Heyst in de beide
‘nieuwe’ hoeven opgegaan.
De benaming bleef verder als plaatsaanduiding – doorgaans ad locum dictum
ter Lijnden (‘ter plaatse geheten Ter Linden’) – overigens nog tot in
de zestiende eeuw bestaan. In later tijd was nog sprake van de Lindse akkers en
de Lindse waterleiding. Tegenwoordig herinneren alleen de straatnamen Oude Lind
en Lijnsheike nog aan het vroegere complex.(58)
Het Goed ter Linden en het hoevebegrip
Al eerder is opgemerkt dat we het Goed ter Linden pas tegenkomen op een tijdstip
dat de desintegratie al begonnen was. Ontstaan en ontwikkeling kunnen slechts
vanuit dat latere perspectief bekeken worden. Wellicht is het mogelijk dat
vergelijkbare goederencomplexen hierbij enigszins behulpzaam kunnen zijn, zij
het dat een vergelijking slechts voorzichtig mag worden gemaakt.
Het begrip ‘hoeve’ komen we in onze streken het eerst tegen in de achtste
eeuw, en wel in de schenkingsoorkonden van Frankische groten aan de missionaris
Willibrord uit het begin van de achtste eeuw. Er is dan sprake van complexen van
grootgrondbezit, domeinen, die bestaan uit een hoofdhoeve en een aantal daarvan
afhankelijke hoeven.(59) Op deze laatste hoeven woonden onvrijen, die er
een afzonderlijk boerenbedrijf uitoefenden, maar daarnaast verplicht waren
diensten te verrichten voor de domeinheer van wie ze de hoeve en het land
hielden. In dit geval was dat de benedictijnenabdij van Echternach, die in de
rechten van Willibrord, haar eerste abt, was getreden. Ook moesten die onvrijen
verschillende leveringen aan het domein doen. Deze onvrijheid heeft tot minstens
in de twaalfde eeuw in onze streken bestaan, zoals ons een oorkonde uit het
begin van die eeuw leert, die betrekking heeft op de domeinen van de abdij in
Waalre, Deurne en Diessen.(60)

Aspecten van het boerenleven in de Late
Middeleeuwen.
Miniatuur uit een Parijs’ handschrift van omstreeks
1376. (coll. Koninklijke Bibliotheek Brussel).
Anders dan de wereldlijke groten hielden kerkelijke instellingen, zoals
kapittels en kloosters, al vroeg een administratie bij, zie zij ook nog hebben
gearchiveerd. Het gevolg is dat we vrijwel alleen van de domeinen van deze
instellingen over gegevens beschikken. Van de abdijen van Berne en van
Echternach zijn bijvoorbeeld lijsten van hun bezittingen bewaard gebleven die
uit het eerste kwart van de dertiende eeuw dateren.(61) De twintig
hoevenaars van Echternach in Diessen betaalden elk 5 schellingen aan de
proviandkamer van de abdij minus een penning voor de proost uit de cijns en bij
de visitatie 10 schellingen minus 2 penningen. Naast deze hoevenaars waren er
ook nog personen die cijns betaalden (censuales), sommigen 7½ penning, anderen
2 penningen. Bij de laatsten ging het om zogenaamde wascijnsplichtigen (censuales
cere), die oorspronkelijk een hoeveelheid bijenwas moesten betalen. Deze
betaling in natura zal later omgezet zijn in het genoemde bedrag van 2
penningen. Of het domaniale stelsel toen nog functioneerde, blijkt uit deze
opgave overigens niet.
Maar ook wereldlijke heren hebben hun domeinen gehad. Helaas dateert hun
administratie pas van de tijd dat die domeinen al ontbonden waren. In het
algemeen vond deze ontbinding plaats doordat de op die domeinen werkzame boeren
vrij werden en hun diensten werden omgezet in betalingen. Zo is aannemelijk dat
de cijnzen die voorkomen in de cijnsregisters van de Brabantse hertogen voor een
deel nog cijnzen van domaniale herkomst zijn geweest. Andere hebben betrekking
op vrije uitgiften. Een voorbeeld van dergelijke vrije uitgiften vinden we in de
acht hoeven die de hertog in november 1290 uitgaf aan de abdij Tongerlo tegen
een cijns van 12 schellingen per hoeve.(62) Dat ook leken op deze wijze
hoeven uitgegeven kregen, blijkt uit een oorkonde van 14 december 1299 waarbij
de hertog vier hoeven uitgaf aan twee gebroeders, Gillis uten Lyeminghe en Jan
Blancart, poorter van respectievelijk Mechelen en Leuven, tegen een cijns van 12
penningen per bunder.(63) En dat het hierbij om vrije uitgiften ging, kan
worden afgeleid uit het feit dat zij deze goederen aan wie dan ook mochten
vervreemden, onder voorbehoud van de jaarlijkse cijns aan de hertog.(64)
Op 18 november 1306 verklaarden de broers voor schepenen van Waalwijk dat zij de
betreffende hoeven hadden verkocht aan Jan Blonden.(65)
Al in de tijd van de domeinen hadden de boeren erfelijke rechten verkregen op
hun hoeve, dit wil zeggen op het woonhuis en de grond die zij bewerkten. Maar de
regel hierbij was dat die hoeve in één hand bleef; de oudste zoon – en bij
het ontbreken van zoons de oudste dochter – volgde de vader op. (66) Zo
mogelijk kregen jongere zonen een nieuw stuk grond ter bewerking, waarop zij een
nieuw woonhuis konden bouwen. Was dit niet mogelijk, dan moesten zij hun leven
slijten op de hoeve van de ouders of als knecht op de hoofdhoeve van het domein.
Bij de ontbinding van de domeinen kregen de boeren vaak niet alleen het recht om
hun hoeven bij leven te verkopen of te splitsen, maar gingen zij ook onder een
ander regime van erfrecht vallen, namelijk dat van de allodiale goederen. Dit
waren goederen en rechten die niet van iemand ‘gehouden’ werden,
bijvoorbeeld in leen of in cijns. In dit stelsel erfden alle erfgenamen, zowel
zonen als dochters, van hun ouders een deel in de hoeve. Soms vond er daarna een
erfdeling plaats, waarbij de goederen werden gescheiden. In de praktijk zien we
dat één zoon hierna het woonhuis en de voor het boerenbedrijf benodigde
gronden wist te verwerven. De overige erfgenamen verkochten hun aandeel of de
hun toegescheiden goederen, of ruilden ze voor inkomsten uit die goederen.
Was Ter Linden in oorsprong een vrije hoeve?
Hoe is dit nu in zijn werk gegaan bij het Goed ter Linden? Is dit goed
voortgekomen uit een domein of heeft er pas later een ‘vrije’ uitgifte
plaatsgevonden? Zekerheid zal hierover wel nooit meer te verkrijgen zijn, maar
ik neig naar de laatste mogelijkheid, en wel om de volgende redenen. Het Goed
ter Linden was gelegen in een omgeving die omstreeks 1400 nog maar zeer ten dele
ontgonnen was. Sommige stukken grond lagen temidden van de wilde
gemeenschappelijke gronden. Zo werden de bezittingen in Ter Linden van Goiart
van Heyst de oude gesitueerd ‘ter plaatse geheten de Stokhasselt tussen erf
van Gerit d’Ym aan de ene en tussen erf van Jan van Heyst aan de andere zijde,
strekkend met beide einden aan de gemeint’.(67) In 1414 is sprake van
‘een stuk erf, deels heide en deels akkerland, gelegen in de parochie Tilburg
bij de goederen geheten Ter Linden tussen erf van wijlen Jan van Heyst aan de
ene en tussen de gemeint geheten de Horevoort aan de andere zijde’.(68)
De Horevoort was gelegen aan het verlengde van de Oude Lind – een schepenakte
uit 1535 spreekt van d’Ou Lijndt –,(69) ten noorden van de
huidige brug over het Wilhelminakanaal. Op die plek kruiste de weg van de
Veldhoven en het Goirke naar de Heikant de beek en was er een ‘voorde’ of
‘voort’, dit wil zeggen een doorwaadbare plaats. Nog in 1429 is sprake van enen
hof gelegen inden goede geheyten Ter Lijnden tusschen die Stochasselt ende die
Horevort al om ende om in der gemeynten (70) en ook toponiemen als Boschacker,
Heydacker,(71) Heidrieschecker en Hogenbrem (72)
wijzen op land dat nog maar recent ontgonnen was.

Een fragment van de plattegrond van de
heerlijkheid Tilburg en Goirle getekend door de landmeter
Diederik Zijnen in 1760. Het noorden ligt hier rechts. Het Goed ter Linden
bevond zich waar op de
plattegrond ‘Lijns Heike’ staat.(coll. RHC Tilburg).
Mogelijk verwijzen ook de gerechtigden in die goederen naar een betrekkelijk
late uitgifte. De naam Van Heyst duidt op een herkomst uit het kerngebied van
Brabant, te weten het huidige Heist-op-den-Berg. Denkbaar is dat het ging om
‘kolonisten’ in het spoor van de Brabantse hertog, die zoals bekend in de
twaalfde en dertiende eeuw het gezag in grote delen van de Kempen hebben weten
te verwerven.(73) Wellicht hebben ook Reinier van Mechelen, die
gerechtigd was in het Goed ter Linden, of zijn voorzaten tot deze kolonisten
behoord.(74) Er zijn hertogelijke cijnsregisters bewaard gebleven van
1340 en 1380. In het eerste betaalt Heilwic weduwe van Arnoud van Heyst en haar
kinderen een oude cijns van 8 schellingen en een van 7½ schelling. Mogelijk is
deze Arnoud de vader van de in de genealogie vermelde Pauwels.
Beek of boom?
In hun boek over de Tilburgse toponiemen in de zestiende eeuw stellen J.R.O. en
M.P.E. Trommelen dat de naam Ter Linden is afgeleid van een waterloop, die
ontsprong in de Lindse Akkers en in noordelijke stroomde. In de negentiende eeuw
heette deze de Lindsche waterleiding.(75)
Inderdaad was ‘lijnde’ of ‘linde’ in het Nederlandse taalgebied een niet
ongebruikelijke naam voor een waterloop. Toch acht ik deze naamsverklaring
uiterst onwaarschijnlijk. Dat een waterloop van die naam in middeleeuwse bronnen
niet voorkomt, wat hier het geval is, hoeft op zich nog niet te betekenen dat
hij niet bestaan heeft. Maar hier staan positieve aanwijzingen tegenover dat Ter
Linden op een lindeboom betrekking heeft. In een Bossche schepenakte van 24
maart 1412 wordt gesproken van het aan Jan Polslouwer, zoon van wijlen Peter
Polslouwer, toebehorende ‘vijfde deel van een zekere hoeve met haar toebehoren
van wijlen Jan van Heyst, gelegen in de parochie Tilburg (doorgehaald: ‘ter
plaatse geheten de linde’) bij de linde geheten die lijndboem’.(76)
Deze vijfde delen worden elders delen in de hoeve genaamd het Goed ter Linden
genoemd. Zo spreekt een schepenakte van 5 mei 1419 van het aan Jan zoon van
wijlen Pauwels van Heyst toebehorende ‘vijfde deel met zijn toebehoren van de
hoeve geheten het Goed ter Linden, gelegen in de parochie Tilburg’.(77)
Het verband tussen beide delen is hierboven uiteengezet. Het lijkt er dus
alleszins op dat Ter Linden en de huidige namen Oude Lind en Lijnsheike hun naam
ontlenen aan een lindeboom en niet aan een beek.
Tot besluit
Gezien het vorenstaande mag vooralsnog worden aangenomen dat de hoeve het Goed
ter Linden – gelegen in Tilburg tussen de Stokhasselt, de Heikant en het
Goirke – in oorsprong als vrije hoeve is uitgegeven door de hertog van Brabant
aan een uit Heist-op-den-Berg afkomstige ontginner, Pauwels van Heyst, of een
van zijn voorvaders. Al in de veertiende eeuw is het goed gesplitst in twee of
drie boerenbedrijven van Pauwels’ zonen Goiart van Heyst de oude en mijn
voorvader Jan van Heyst de oude. Mogelijk behoorde een derde deel aan Reinier
van Mechelen.
In de loop van de vijftiende eeuw is het complex verder uiteengevallen, zodat op
den duur slechts de benaming is blijven voortleven. Thans herinneren alleen de
straatnamen Oude Lind en Lijnsheike nog aan het Goed ter Linden, waarvan de naam
niet afkomstig is van een waterloop maar van een lindeboom.
Bijlage A: Beknopte stamreeks van de auteur
afkortingen:
begr. begraven
geb. geboren
ged. gedoopt
omstr. omstreeks
overl. overleden
tr. trouwt
(1) eerste huwelijk
(2) tweede huwelijk
(3) derde huwelijk
I. PAUWELS van Heyst, geb. omstr. 1290, overl. na 1340, tr. omstr. 1320 mogelijk
een dochter van Amijs van der Hasselt; hieruit:
II. JAN van Heyst, geb. omstr. 1325, overl. na 11.2.1406, tr. omstr. 1350
Liesbet; hieruit:
III. JAN van Heyst, geb. omstr. 1355, overl. omstr. 1405, tr. omstr. 1385
Mechteld Lang Daneels; hieruit:
IV. DANEEL van Heyst, geb. omstr. 1390, overl. omstr. 1474, tr. omstr. 1425
Heilwig dochter van Simon Hermansz. die Heerde; hieruit:
V. HERMAN van Heyst, geb. omstr. 1430, overl. omstr. 1503, tr. omstr. 1455
Liesbet; hieruit:
VI. CORNELIS Hermans (van Heyst), geb. omstr. 1460, overl. 1528 of 1529, tr.
omstr. 1490 Peterke Wouter Verschueren; hieruit:
VII. PAUWELS Cornelis Hermans, geb. omstr. 1495, overl. omstr. 1550, tr. (1)
omstr. 1520 Hendrikske Peter Pulskens; tr. (2) omstr. 1542 Cecilia Cornelis Jan
Pauwels; uit (1):
VIII. PETER Pauwels Cornelis Hermans, geb. omstr. 1530, begr. Tilburg 17.7.1618,
tr. omstr. 1555 Adriana Marten Anthonis Willem Zegers; hieruit:
IX. PAUWELS Peter Pauwels, geb. omstr. 1565, overl. vóór 24.4.1609, tr. omstr.
1595 Anna Cornelis Hendrik Gerit Smolders; hieruit:
X. JAN Pauwels Peters, geb. omstr. 1600, begr. Tilburg 17.7.1659, tr. Tilburg
22.1.1628 Maria Joost Deckers; hieruit:
XI. BARTEL Jan Paulus, ged. Tilburg 8.9.1632, begr. Tilburg 25.2.1684, tr.
Tilburg 8.2.1665 Maaike Jan Dielis; hieruit:
XII. MARTEN Bartels de Bruijn, landbouwer, ged. Tilburg 30.11.1673, overl. vóór
7.8.1733, tr. (1) Oisterwijk ?.2.1704 Marie Jan van Buel; tr. (2) Oisterwijk
21.10.1708 Cornelia Thomas van Beurden; uit (2):
XIII. THOMAS Bartels de Bruijn, landbouwer, ged. Oisterwijk 1.10.1710, begr.
Oisterwijk 16.7.1779, tr. (1) Oisterwijk 24.11.1737 Maria Willem van Roessel; tr.
(2) Oisterwijk 5.8.1742 Huberdina Jan Schoenmakers; tr. (3) Haaren 17.1.1751
Jenneke Dielis Heijms; uit (3):
XIV. HENDRIK de Bruijn, landbouwer, geb. Berkel, ged. Udenhout 25.10.1757, overl.
Heukelom 18.5.1846, tr. Oisterwijk 20.4.1789 Maria Joost Burgers; hieruit:
XV. JUSTUS (Joost) de Bruijn, landbouwer, voerman, ged. Oisterwijk 14.3.1792,
overl. Oisterwijk 30.12.1852, tr. (1) Berkel 3.4.1814 Janna Margareta Reintsen;
tr. (2) Oisterwijk 3.4.1845 Maria Elisabeth Brabers; uit (2):
XVI. JOHANNES (Jan) de Bruijn, landbouwer, geb. Oisterwijk 20.2.1846, overl.
Tilburg 31.12.1925; tr. Oisterwijk 15.4.1875 Gerardina de Brouwer; hieruit:
XVII. MARTINUS (Tinus) de Bruijn, landbouwer, stoker, geb. Berkel 1.2.1879,
overl. Tilburg 20.1.1957, tr. Tilburg 15.1.1913 Dingena Koks; hieruit:
XVIII. JOANNES JOSEPHUS (Jan) de Bruijn, wever, geb. Tilburg 1.10.1917, overl.
Tilburg 17.9.1993, tr. Tilburg 12.2.1947 Maria Antonetta (Riet) Mutsaers;
hieruit:
XIX. MARTINUS WILHELMUS JOSEPHUS (Martin) de Bruijn, (rechts)historisch
onderzoeker, geb. Tilburg 7.2.1948, tr. Oirschot 25.3.1971 Hendrina Taetske
Lamberta Catharina (Ineke) Strouken (huw. ontbonden 22.1.1992), partner van
Charlotte Jeanine Christine (Lotty) Broer.
Bijlage B: De eerste generaties Van Heyst, bezitters van Ter Linden
I. PAUWELS VAN HEYST, geb. omstr. 1290, overl. na 1340, tr. omstr. 1320 mogelijk
een dochter van Amijs van der Hasselt. Uit dit huwelijk:
1. GOIART VAN HEYST (DE OUDE), geb. omstr. 1325, overl. na
1400, tr. omstr. 1350 n.n. Uit dit huwelijk:
A. PAUWELS,
overl. na 1411, tr. in 1389 Liesbet Peter Plaatmaker.
B. GOIART,
overl. vóór 1411, tr. (1) omstr. 1385 Jut Peter Leyndonc, tr. (2) omstr. 1390
Katelijn, overl. na 1414.
Uit het
eerste huwelijk:
JAN DE OUDE en HERMAN.
Uit het
tweede huwelijk:
GOIART, JACOB, BEATRIJS, GUDELD, WILLEM, PETER, AMIJS, JAN DE JONGE, ZANNA en
LIESBET.
C. WILLEM,
overl. na 1421, tr. vóór 1406 Liesbet dochter van Jan Langbont, overl. na
1420.
D. HENDRIK,
overl. vóór 1410, tr. Liesbet, overl. na 1411.
2. JAN VAN HEYST (DE OUDE), geb. omstr. 1325, overl. tussen
1406 en 1410, tr. Liesbet, overl. vóór 1410. Uit dit
huwelijk:
A. PAUWELS,
overl. vóór 1420, tr. omstr. 1385 n.n. Uit dit huwelijk:
JAN.
B. JAN, overl.
vóór 1407, tr. omstr. 1385 Mechteld lang Daneels, overl. na 1421. Uit dit
huwelijk:
JAN, DANEEL en PAUWELS.
C. LIESBET,
overl. na 1412, tr. omstr. 1390 Jan Peter Polslouwer van Venloon, overl. na
1412. Uit dit huwelijk een zoon
Jan.
D. MECHTELD,
tr. in 1403 Hendrik Meusz. van Wickevoirt, overl. vóór 1424. Hieruit een zoon
Meus.
E. KATELIJN,
tr. omstr. 1400 Aart Aart Emmen, overl. na 1419. Hieruit een zoon Jan.
3. mogelijk een DOCHTER N.N., overl. vóór 1391.

Linksonder op deze luchtfoto uit 1959,
genomen naar het noorden toe, is nog een stukje van de
Oude Lind zichtbaar met de openstaande brug over het Wilhelminakanaal en in het
verlengde
daarvan het Lijnsheike. Rechtsboven de kerk van de Heikant. De rechte lijn in de
akkers van
linksonder schuin rechts naar het midden van de foto is de Lindse waterleiding.
Waar deze het
Lijnsheike kruiste bevond zich de Horevoort. Ten noorden hiervan – dus enkele
tientallen
meters voorbij de brug over het Wilhelminakanaal – lag. (coll. RHC Tilburg).
Noten
Met dank aan Willem van Heijst en Wim van Hest, met wie ik in 1983 gegevens en
ideeën over de oudste generaties Van Heyst heb uitgewisseld.
(1) Deze familienaam is in de tak waar ik van afstam verdwenen in de
eerste helft van de zestiende eeuw. Mogelijk is dit te wijten aan de
omstandigheid dat er te veel familieleden met dezelfde voornaam waren. Ter
onderscheiding was het dan gemakkelijker om iemand met de naam van zijn vader en
grootvader aan te duiden. En dat was precies wat er gebeurde. Mijn voorvaderen
hebben het met deze ‘patroniemen’ in Tilburg gedaan tot het begin van de
achttiende eeuw. Toen kregen mijn voorvader Marten Bartel Jansz. en zijn broer
Joost Bartel Jansz. in Oisterwijk de geslachtsnaam De Bruijn. Al hun
afstammelingen hebben sindsdien deze familienaam gedragen, sommige takken als De
Bruijn, andere als De Bruin.
(2) Behalve naar de hieronder genoemde literatuur, tevens
bronnenpublicaties, kan verwezen worden naar de betreffende hoofdstukken in het
nieuwe standaardwerk over de Tilburgse geschiedenis: Tilburg stad met een
levend verleden (Tilburg 2001).
(3) Zie M.W.J. de Bruijn, ‘Het ontstaan van de Tilburgse
schepenbank’, Historische Bijdragen. Orgaan van de Heemkundekring
‘Tilborgh’ 2 (1971) 5-12.
(4) Oorkonde afgedrukt in D.Th. Enklaar, Gemeene gronden in
Noord-Brabant (Utrecht 1941) 235-237.
(5) Oorkonde van 6 februari 1395, opgenomen in een vidimus van 2 december
1400 (Regionaal Historisch Centrum Tilburg [hierna aan te halen als: RHCT],
Collectie Lambert de Wijs). De heffing op de gruit – een kruidenmengsel voor
de bereiding van bier – werd op dat moment van de hertogin in leen gehouden
door de Bosschenaar Jan de Joede Petersz. Op 2 februari 1395 was dit recht voor
400 gulden door de Tilburgers afgekocht (Gemeentearchief ’s-Hertogenbosch,
Rechterlijk archief, Bosch’ protocol [hierna steeds aangeduid als: R.] 1180,
blz. 294).
(6) L. Adriaenssen, ‘Ontginningen en domeinen. Ontwikkeling van
landbouw en nijverheid’, in: Tilburg stad met een levend verleden,
49-59.
(7) R. 1181, f. 97v., blz. 192: Gerardus dictus Ymmen duas vaccas et
duo iuvencos dictos stier (et) XLIIII oves consistentes in domo eiusdem Gerardi
sita in parochia de Tilborch ad locum dictum op die Stoc hasselt. Een aantal
pachtcontracten uit de Meierij is afgedrukt en behandeld door H.P.H. Jansen, Landbouwpacht
in Brabant in de veertiende en vijftiende eeuw (Assen 1955).
(8) L. Adriaenssen, ‘De eerste duizend jaar van Gods rijk in Tilburg.
Kerk, parochie en godsdienst’, in: Tilburg stad met een levend verleden,
84.
(9) Zie Enklaar, Gemeene gronden, 237-241.
(10) M.W.J. de Bruijn, ‘Natuur, arbeid, kapitaal. Economisch leven
1450-1780’, in: Tilburg stad met een levend verleden, 101.
(11) Algemeen Rijksarchief [hierna: ARA] Brussel, Rekenkamers 45038
(1340), 45039 (1342) en 45072 (1380).
(12) ARA Brussel, Rekenkamers 45073 (1448) en 45074 (1450).
(13) M.H.M. Spierings, Het schepenprotocol van ’s-Hertogenbosch
1367-1400 (Tilburg 1984) 169-224.
(14) Voor deze procedure zie M.J.H.A. Lijten, Het burgerlijk proces in
stad en Meierij van ’s-Hertogenbosch 1530-1811 (Assen-Maastricht 1988)
119-149.
(15) Fundamenteel over deze problematiek nog steeds P.W.A. Immink,
‘"Eigendom" en "heerlijkheid". Exponenten van tweeërlei
maatschappelijke structuur’, Tijdschrift voor rechtsgeschiedenis 27
(1959) 36-74; ook opgenomen in Verspreide geschriften (Groningen 1967)
55-83.
(16) Bewaard in het RHCT.
(17) Over dit protocol, dat bewaard wordt in het Stadsarchief van
’s-Hertogenbosch, zie men Spierings, Het schepenprotocol van
’s-Hertogenbosch.
(18) R. 1175, f. 76v.: ex manso dicto Ter Lijnden, qui fuerat dicti
quondam Reyneri, sito in Tilborch.
(19) R. 1178, f. 165: mansum quemdam, qui fuerat quondam Reyneri de
Mechelen, situm in parochia de Westilborch contigue iuxta bona dicta communiter
ter Lijnden, cum attinentiis eiusdem mansi singulis et universis.
(20) Deze cijnzen werden collectief aan de hertog betaald voor het
gebruik van de gemeint.
(21) R. 1188, f. 119-119v. Op 24 december 1394 had Tielman de hem
toekomende erfelijke pacht van drie mud rogge verkocht en overgedragen aan Jan
van Bladel. Ook in de hiervan opgemaakte akte (R. 1180, blz. 251) en in twee
akten uit 1420 (R. 1191, f. 284v. nw. (3 en 5 januari 1420)) kwam de genoemde
omschrijving voor. Nog op 12 augustus 1472 was sprake van deze pacht, nog steeds
gaande ‘uit zekere hoeve die van Reinier van Mechelen was, gelegen in de
parochie Tilburg bij het goed geheten Ter Linden’ (R. 1241, f. 271v.: ex
quodam manso qui fuerat Reyneri de Mechelen, sito in parochia de Westilborch
iuxta bona dicta ter Lijnden).
(22) R. 1185, f. 400: ex quarta parte ad dictum venditorem spectante
cuiusdam mansi dicti tGoet ter Lijnden dicti quondam Godefridi, siti in parochia
de Tilborch ad locum dictum die Stochasselt inter hereditatem Gerardi dYm ex uno
et inter hereditatem Iohannis de Heyst ex alio, tendentis cum utroque fine ad
communitatem, atque ex attinentiis eiusdem quarte partis singulis et universis,
quocumque locorum consistentibus.
(23) R. 1186, f. 115-115v.
(24) R. 1186, f. 121: exceptis dimidio bonario prati, quod dictus
Paulus pridem vendiderat Waltero Truden, et pecia terre, quam Mechtildis Danels
erga predictum Paulum acquisierat.
(25) R. 1186, f. 401v.
(26) R. 1186, f. 401.
(27) R. 1186, f. 142.
(28) R. 1186, f. 121.
(29) R. 1186, f. 401. In margine bij deze akten driemaal: Tradatur
Gerardo Scilder.
(30) R. 1186, f. 401v.
(31) R. 1185, f. 400.
(32) R. 1187, f. 300.
(33) R. 1189, f. 120v.: Katharina relicta quondam Godefridi de Heyst,
filii quondam Godefridi de Heyst Pauwels soen senioris, et Zanna eius filia, cum
tutore, Iacobus et Willelmus fratres, liberi quondam Godefridi de Heyst
primodicti, totam partem et omne ius eis competentes in manso dicto ter Lijnden
cum suis attinentiis quondam Godefridi de Heyst Pauwels soen senioris, sito in
parochia de Tilborch ad locum dictum Westilborch ad locum dictum Stochasselt
iuxta hereditates quondam Iohannis de Heyst; insuper in uno bonario prati dicti
die Nuwenbeempt, sita in parochia predicta in dicto loco Westilborch vocato
inter hereditatem Iohannis Henrix soen van Holten ex uno et inter communitatem
de Westilborch ex alio, ut dicebant, hereditarie supportaverunt Gerardo Scilder,
promittentes cum tutore indivisi super omnia et habenda ratum servare et
obligationem et impetitionem ex parte eorum deponere, et quod ipsi Godefridum,
Beatricem, Guedeldem, Petrum, Amisium, Iohannem et Elizabeth, liberos quondam
Godefridi de Heyst primodicti, quam cito ad annorum pubertatem pervenerint,
super premissis manso cum suis attinentiis et prato et super iure ad opus dicti
Gerardi Scilder hereditarie facient renuntiare.
(34) De eerste vijf generaties zijn ook te vinden in Nederland’s
Patriciaat 73 (1989) 108-109 (geslacht Van Heijst).
(35) Op 29 september 1407 ½ mud rogge van Willem van Heyst (R. 1185, f.
213); op 22 maart 1409 2 mud rogge van Willem van Heyst (R. 1186, f. 115-115v.);
op 1 april 1409 14 lopen rogge van Pauwels van Heyst (R. 1186, f. 121); op 5
juni 1410 2 mud en 7 sester rogge van Willem van Heyst (R. 1186, f. 104v.); op
11 januari 1411 6 sester rogge van Willem van Heyst (R. 1187, f. 51v.); op 4
juni 1411 1 mud rogge van Hendrik Bac, die hij van Willem van Heyst had
verkregen (R. 1187, f. 153).
(36) Ik sluit niet uit dat hier sprake was van levering bij schepenvonnis
in het jaargeding. Een dergelijke gerechtelijke levering zal de verkrijger
zekerheid hebben gegeven tegen eventuele aanspraken van derden (zie bv. A.S. de
Blécourt, Kort begrip van het oud-vaderlands burgerlijk recht, bew. door
H.F.W.D. Fischer (7de druk; reprint Groningen 1967) 158-159).
(37) R. 1189, f. 122-122v.
(38) R. 1189, f. 88v.: ex manso dicto tGoet ter Lijnden, sito in
parochia de Tilborch ad locum Westilborch iuxta locum dictum die Stochasselt
iuxta hereditates quondam Iohannis van Heyst, atque ex attinentiis dicti mansi
singulis et universis.
(39) R. 1189, f. 14v.: Willelmus van Heyst omnes et singulas suas
bestias ac bona pecoralia dicta varendegoede, ubicumque locorum infra parochia
de Tilborch consistentia, ut dicebat, legitime supportavit Gerardo Scilder.
(40) R. 1192, f. 430. Gerardus Scilder mansum quendam dictum tGuet ter
Lijnden, situm in parochia de Tilborch, cum suis attinentiis universis, prout ad
quondam Godefridum de Heyst pertinere consueverat et ipse in eodem decesserat,
prout Willelmus de Heyst eundem mansum cum suis attinentiis ad presens tamquam
colonus possidet --- dedit ad hereditarium pactum Reynero filio quondam Gerardi
Krillart.
(41) R. 1193, f. 301-302v.
(42) R. 1188, f. 138v.: Iohannes Polslauwer et Elizabet eius uxor,
filia quondam Iohannis van Heyst, cum dicto Iohanne suo marito tamquam cum
tutore, medietatem prati dicti communiter die Langbeemt, siti in parochia de
Tilborch ad locum dictum op Qualenwyel inter hereditatem investiti de Tilborch
ex uno et inter hereditatem Henrici Wijten ex alio, tendente ab hereditate Thome
Pelokers ad hereditatem investiti de Tilborch; item quandam domum dictam een
boer sine eius fundo, sitam ibidem in hereditate dicti quondam Iohannis; item
quintam omnium bonorum hereditariorum et cuiusdam domus mansionis que sibi et
dicte sue uxori ac aliis suis coheredibus dicti quondam Iohannis van Heyst de
morte eiusdem quondam Iohannis successione advoluta sunt, ubicumque locorum
infra parochia de Tilborch consistentium ut dicebat ac solvendarum; insuper
quintam partem ad se spectantem in hereditaria pactione quindecim lopinorum
siliginis mensure de Buscoducis, quam dictus Iohannes habuit solvendam ex
quibusdam hereditatibus sitis in parochia de Alphen ad locum dictum Aesvoert;
insuper quintam partem omnium et singulorum bonorum hereditariorum que Elizabet
relicta dicti quondam Iohannis van Heyst post se in sua morte reliquet, que bona
hereditaria ipsa Elizabet ad presens possidet, ut dicebat, hereditarie
vendiderunt Henrico filio quondam Bartholomei dicti Meeus de Wickenvoert.
(43) R. 1191, f. 121.: Iohannes de Heyst, filius quondam Pauli de
Heyst, quintam partem cum suis attinentiis mansi dicti tGoet ter Lijnden, siti
in parochia de Tylborch, que quinta pars dicto Iohanni de Heyst de morte quondam
Iohannis de Heyst avi ac de morte quondam Elizabet avie primodicti Iohannis
successione advoluta est; insuper omnia et singula bona hereditaria et parata,
sibi de morte predictorum quondam Iohannis et quondam Elizabet avi et avie eius
successione advoluta, ubicumque locorum consistentia sive sita et dicta,
hereditarie vendidit Henrico Meeus soen de Wickenvoirt.
(44) R. 1183, f. 284.
(45) RHCT, Rechterlijk archief Oisterwijk [hierna aangeduid als: R.
Oisterwijk] 143, f. 62v. (2 juli 1420): Jan zoen Aert Aert Emmen zoens de
predicto? thoro een stuc lands hem toe behorende, gelegen after den Hovel van
Tilborch, gelegen aen Aert Aert Emmen zoens erve ab uno et inter communem
plateam ab altero, ab utroque fine ad plateam, dat welc hem in deel gevallen is
na der doet Kathelinen synre moeder, dochter Jans van Heyst, ut dixit, vendidit
legitime Aert Aert Emmen zoen, suo patri prescripto. Op 1 februari 1448
treedt een Jan van Heyst, zoon van wijlen Aart Emmen, op in een Bossche
schepenakte (R. 1218, f. 327v.): Iohannes de Heyst, filius quondam Arnoldi
Emmen. Het was niet ongebruikelijk dat personen naar voorouders in de
vrouwelijke lijn werden vernoemd.
(46) R. 1185, f. 224v.: Godefridus Stevens soen de Amerfoirt
hereditarie vendidit Mechtildi relicte quondam Iohannis van Heyst ad opus sui et
ad opus Iohannis, Danyelis et Pauli fratrum, liberorum dicte Mechtildis, ab ipsa
et dicti quondam Iohannis pariter genitorum, hereditariam pactionem unius modii
siliginis mensure de Buscoducis, solvendam hereditarie Purificationis et in
Udenhout tradendam ex quodam prato, duo bonaria continente, sito in parochia de
Oesterwijc ad locum dictum Udenhout in loco dicto die Groetdonc inter
hereditatem Iohannis Betten soen ex uno et inter hereditatem dicti Dyesmans
horst ex alio, tendente cum uno fine ad hereditatem Walteri Gobelans?, ut
dicebat ---. Et poterit redimere ad spacium quatuor annorum proxime futurorum
semper dicto spacio pendente cum XL nuwe gulden, scilicet XIII aude vlems pro
quolibet gulden, et cum uno modio siliginis tunc semel solvendo et cum
arrestadiis, si qua fuerint. Et si non redimerit, tunc dicta Mechtildis solvet
dicto Godefrido decem nuwe gulden ultra pecuniam predictam, prout dicta
Mechtildis pro se et pro suis liberis predictis fide prestita et sub obligatione
omnium bonorum habitorum et habendorum promisit ad manum meam. Actum in camera
anno CCCCmo septimo, in vigilia Symonis et Iude, presentibus Iacobo de Gheel,
Iohanne van Heyst, avo dictorum liberorum, Arnoldo Jans soen vander Amerfoirt et
Sophia Mols. Volgens de index op het Bosch’ protocol van Smulders/Spierings
zou Mechteld al in 1405 als weduwe vermeld zijn. Ik heb de betreffende akte
echter niet op de aangegeven vindplaats, R. 1184, f. 199, teruggevonden.
(47) R. 1203, f. 175v. nw.: Dictus Bartholomeus de Wickenvoirt, filius
quondam Henrici, palam recognovit quod medietas cuiusdam mansi dicti tGuet ter
Lijnden quondam Iohannis de Heyst, siti in parochia de Tilborch ad locum dictum
die Heysyde, et medietas attinentium eiusdem mansii singularium et universium,
atque domum, aream et ortum, sitos in Buscoducis super aggerem Vuchtensem --- ad
eundem Bartholomeum pertinent et sibi pro presenti attinent, omni dolo secluso.
Dit is de eerste keer dat Ter Linden in de Heikant gesitueerd werd. Later werd
deze omgeving de West-Heikant genoemd.
(48) ARA Brussel, Rekenkamers 45073, f. 43 (onder de cijnskring
Oisterwijk): Bartholomeus Wickenvoert pro Henrico filio Bartholomei de
Wickevoert ex parte Iohannis filii Pauli de Heyst de bono ter Lijnden IX
denarios novos. Daneel van Heyst betaalde 2 nieuwe penningen uit Ter Linden
en voor Gerit Schilder vanwege Willem van Heyst 21 nieuwe penningen (f. 45): Daniel
filius Iohannis de Heyst pro Iohanni filio Iohannis de Heyst iuniore ex parte
Iohannis de Heyst de bono ter Lijnden pro parte sua II denarios novos. Idem pro
Gerardo Scilder ex parte Willelmi de Heyst XXI denarios novos.
(49) R. 1217, f. 323v.
(50) R. 1223, f. 4v.
(51) R. 1241, f. 172v.
(52) R. 1185, f. 308-308v.
(53) R. 1186, f. 121.
(54) R. 1187, f. 300.
(55) R. Oisterwijk 144, f. 73 nw.
(56) R. Oisterwijk 146, f. 36: Anthonijs meester Rutgheers zoen van
Woensel als momboir Jueten sijns wijfs, Matheeus soen Wouter Bax, Willem
Tymmermans soen als momber Dynghen dochter Jan Weeldmans soen, Willem Jan
Weeldmans zoen, voer hen ende voer Jan ende voer Hubrecht sonen Jan Weeldmans
voerscreven ende voer Heylwyghen Jan Weeldmans dochter, die nyet voer oeghen en
waren, daer si voer geloefden, allen recht ende gedeelte hen toebehorende inden
erfenissen ende goede hier nae gescreven, gelegen in Westilborch; inden irsten
in enen hof gelegen inden goede geheyten ter Lijnden tusschen die Stochasselt
ende die Horevort al om ende om inder gemeynten; item in een stuc lands geheyten
die Lijndacker met synre toebehorten aen die lynde, gelegen inter hereditates
Gherits Crillarts ab utraque parte, streckende vander erfenis Reyneer Crillarts
totter ghemeynten toe aen die lijnde; item een stuc lands geheyten die Streep
inter hereditatem Danel Jans soen van Heyst ab utraque parte et eciam cum uno
fine aen Danel vorscreven, cum alio fine ad communitatem; item in een stuc lants
geheyten den Hoghen Brem inter Danel vorscreven ab uno et inter Meeus
Wickenvoert ab alio; item in een stuc lants geheyten den Heydriesch inter Daneel
vorscreven ab utraque parte; item hennen gedeelten in die husinge daer quondam
Jan van Heyst Jans soen ende Lysbet Jan Weeldmans dochter, sijn wijf, in
bestorven sijn, ende gelyc als dese erfenissen ende husinge vorscreven hen
toecomen ende verstorven syn van quondam Jan van Heyst Jans soen van Heyst, van
Elisabetten sinen wive ende van horen kijnderen, als si seiden, resignaverunt
effestucando pariter cum omnibus litteris et condicionibus in quantum ad ipsos
spectantes sunt, Daneel Jans soen van Heyst.
(57) R. 1226, f. 479v.
(58) Zie J.R.O. Trommelen en M.P.E. Trommelen, Tilburgse toponiemen in
de 16e eeuw (Tilburg 1994) 226-227.
(59) Het meest nabij goederen in Alphen (M. Dillo, G.A.M. van Synghel en
E.T. van der Vlist ed., Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312 [ONB]
II (’s-Gravenhage 2000), nr. 888 (21 mei 709)) en in Diessen (H.P.H. Camps ed.,
ONB I (’s-Gravenhage 1979), nr. 5 (1 maart 712 of 713)).
(60) ONB I, nr. 34 (gedateerd tussen 6 januari 1100 en 3 april
1110).
(61) ONB I, nr. 133 en 134.
(62) ONB I, nr. 456.
(63) ONB I, nr. 585 en 586.
(64) In laatstgenoemd akte omschreven als contulimus et perpetuo
conferimus tenendas liberaliter et habendas; ita quod de ipsis tamquam de sua
hereditate legitima suam possint facere utilitatem venditionis vel alio quovis
alienationis titulo erga quascumque personas, dicto tamen censu annuo et
hereditario nobis et nostris successoribus et heredibus inde salvo.
(65) ONB I, nr. 732. Zie ook nr. 796 (22 oktober 1309) betreffende
de kwijting van de koopsom.
(66) Zie bv. De Blécourt-Fischer, Kort begrip, 110.
(67) R. 1185, f. 400 (12 juli 1408): ad locum dictum die Stochasselt
inter hereditatem Gerardi dYm ex uno et inter hereditatem Iohannis de Heyst ex
alio, tendentis cum utroque fine ad communitatem.
(68) R. 1188, f. 328v.: pecia hereditatis, partim terre mericalis et
partim arabilis, sita in parochia de Tilborch iuxta bona dicta ter Lijnden inter
hereditatem quondam Iohannis van Heyst ex uno et inter communitatem dictam die
Horenvoert ex alio.
(69) Trommelen en Trommelen, Tilburgse toponiemen, 298-300.
(70) R. Oisterwijk 146, f. 36 (28 oktober 1429). Citaat zie hiervóór.
(71) R. 1191, f. 151 nw.: duabus peciis terre, novem lopinos siliginis
annuatim in semine capientibus, sitis in parochia de Weestylborch, quarum una
dicta den Boschacker inter hereditates Iohannis van Heyst, filii quondam Pauli
de Heyst, ex utroque latere, et altera dicta die Heydacker inter hereditatem
Willelmi filii Godefridi de Heyst ex uno et inter hereditatem dicti Iohannis sui
fratris ex alio site sunt.
(72) R. 1193, f. 301-302v.: item tertiam partem pecie terre arabilis
dicte die Heidrieschecker, site in dicta parochia inter hereditatem quondam
Henrici de Wickevoirt, nunc heredum eius, ex uno et inter hereditatem Iohannis
Stert ex alio, tendentis ab hereditate Mette de Heist ad hereditatem heredum
quondam Henrici Wickevoirt, scilicet illam tertiam partem que sita est in latere
versus occidentem; item tertiam partem pecie terre dicte die Hogenbrem, site
ibidem inter hereditatem heredum quondam Henrici Wickevoirts ex utroque latere,
tendentis cum uno fine ad hereditatem Iohannis Stert, scilicet illam tertiam
partem que sita est versus occidentem.
(73) Voor de omgeving van Tilburg zie de bijdrage van L.A. Toorians,
‘Heren en heerlijkheid. Landsheerlijk gezag en lokale autonomie tot 1473’,
in: Tilburg, stad met een levend verleden (Tilburg 2001) 63-71.
(74) Overigens was al in 1296 een Reinier van Mechelen poorter van
’s-Hertogenbosch (ONB I, nr. 534).
(75) Trommelen en Trommelen, Tilburgse Toponiemen, 227.
(76) R. 1187, f. 372.: quinta parte cuiusdam mansi cum suis
attinentiis quondam Iohannis van Heyst, siti in parochia de Tilborch
(doorgehaald: ad locum dictum die lijnde) iuxta tiliam dictam die
lijndboem.
(77) R. 1191, f. 121: quintam partem cum suis attinentiis mansi dicti
tGoet ter Lijnden, siti in parochia de Tylborch.
* De auteur Martin de Bruijn – die een deel van zijn
doopceel licht in dit artikel – studeerde rechten in Tilburg, promoveerde in
Amsterdam en woont sinds 1980 in Utrecht. Als zelfstandig (rechts)historisch
onderzoeker werkt hij onder meer in opdracht van de archeologische dienst van de
gemeente ’s-Hertogenbosch. Hij publiceert regelmatig op het gebied van de
rechtsgeschiedenis, kerkelijke, economische en sociale geschiedenis, historische
geografie en monumenten. In Tilburg stad met een levend verleden redigeerde hij
de hoofdstukken over de Vroegmoderne Tijd (1450-1780).










